Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4690

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
C/01/278208 / HA ZA 14-344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toeleverancier wordt aangesproken uit hoofde van productaansprakelijkheid voor gebreken in de door hem geleverde junction box. Deze junction box maakt onderdeel uit van de door een zustervennootschap van eiser geproduceerde zonnepanelen, welke vervolgens door eiser werden verkocht. Eiser stelt dat deze zonnepanelen door diverse gebreken in de junction box zijn ontbrand. Partijen twisten onder meer over de vraag of het gebrek is te wijten aan instructies die door de fabrikant van het product zijn verstrekt (6:185, sub f BW) en of de toeleverancier de junction box in het verkeer heeft gebracht, nu de toeleverancier het product niet heeft doorgegeven aan een opvolgende schakel in het distributieproces, maar aan een opvolgend schakel in het productieproces.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 185
Burgerlijk Wetboek Boek 6 187
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/158

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/278208 / HA ZA 14-344

Vonnis van 10 augustus 2016

in de zaak van

MR. WIM LAURENS EIKENDAL q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende],

kantoor houdende te Venlo,

eiser,

advocaat mr. H.H.T. Beukers te Venlo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. M. Straus te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 december 2014;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de rechtbank te Roermond van 29 februari 2012 is aan [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ) surseance van betaling verleend. Diezelfde rechtbank heeft [belanghebbende] bij beschikking van 30 maart 2012 in staat van faillissement verklaard.

2.2.

[belanghebbende] hield zich bezig met de verkoop van zonnepanelen, die werden geproduceerd door, althans onder verantwoordelijkheid van de aan [belanghebbende] gelieerde vennootschap [belanghebbende] Solar Technology GmbH (hierna: [belanghebbende] GmbH). [belanghebbende] verzorgde de verkoop en marketing van de zonnepanelen binnen enkele Europese landen. De afnemers van de zonnepanelen van [belanghebbende] waren met name groothandels- en installatiebedrijven.

2.3.

Een onderdeel van de zonnepanelen van [belanghebbende] is de zogenoemde junction-box; een kunststof kastje aan de achterzijde van het zonnepaneel waarin de verbindingspunten van de zonnecellen samenkomen.

2.4.

[belanghebbende] GmbH en [gedaagde] hebben op 27 juli 2009 gesloten een “Agreement on the design, construction, production and sale of the solexus junction system” (hierna: de overeenkomst). Op grond van deze overeenkomst heeft [gedaagde] junction-boxen van het type Solexus voor [belanghebbende] GmbH geproduceerd en aan haar geleverd. Hiervoor kreeg [belanghebbende] GmbH junction boxen geleverd van de ondernemingen Multi-Contact en Kostal.

2.5.

[gedaagde] leverde de junction-boxen in vier onderdelen aan [belanghebbende] GmbH;

  1. (het omhulsel van) de junction box met daarin de printplaat, waaraan twee kabels zijn bevestigd;

  2. de zogenoemde female connector, die bij de assemblage van het zonnepaneel door [belanghebbende] in het laminaat aan de achterzijde van het zonnepaneel wordt bevestigd en die vervolgens aansluit op de male connector die in de junction box is verwerkt;

  3. de deksel van de junction box;

  4. een setje van twee schroeven.

[belanghebbende] GmbH assembleerde vervolgens deze vier onderdelen tot een junction-box en bevestigde de geassembleerde junction boxen aan haar zonnepanelen.

2.6.

[belanghebbende] heeft ongeveer 650.000 zonnepanelen aan haar afnemers verkocht met daaraan bevestigd de Solexus junction-box van [gedaagde] .

2.7.

Vanaf april 2010 ontving [belanghebbende] klachten van verschillende van haar afnemers over zonnepanelen die in brand zijn gevlogen.

2.8.

Bij brief van 20 juni 2011 heeft [belanghebbende] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de levering door [gedaagde] van gebrekkige junction boxen. Bij brief van 30 oktober 2012 heeft de curator [gedaagde] (nogmaals) aansprakelijk gesteld voor de door [belanghebbende] geleden en nog te lijden schade, die het gevolg is van het in het verkeer brengen van gebrekkige junction boxen.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert, samengevat:

  1. een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [belanghebbende] onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode 2009 tot en met 2012 gebrekkige c.q. onveilige junction boxen van het type Solexus in het verkeer te brengen, die waren bestemd voor montage op door [belanghebbende] ge- en (door-) verkochte zonnepanelen;

  2. veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding aan de curator van de als gevolg van deze onrechtmatige daad door [belanghebbende] B.V. geleden schade, op te maken bij staat;

  3. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan de curator van een voorschot op de schadevergoeding van € 2.500.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente;

  4. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente;

  5. veroordeling van [gedaagde] in de nakosten.

3.2.

Aan deze vorderingen legt de curator - kort samengevat - het volgende ten grondslag.

De curator beroept zich op het leerstuk van de productaansprakelijkheid. De door [gedaagde] geleverde junction boxen zijn gebrekkig. Een ontwerp- en/of productiefout leidt ertoe dat de junction boxen oververhit raken en zelfs spontaan ontbranden. Het is volgens vaste rechtspraak onrechtmatig ex artikel 6:162 BW om een product in het verkeer te brengen, dat bij het verwachte gebruik voor het doel waarvoor het is bestemd, schade veroorzaakt. De artikelen 6:185 BW en verder, voortvloeiend uit de Richtlijn productaansprakelijkheid, zijn bij de toepassing van artikel 6:162 BW op grond van reflexwerking van overeenkomstige toepassing.

In het algemeen moet een producent die maatregelen nemen die van hem, als zorgvuldig fabrikant, kunnen worden gevergd teneinde te voorkomen dat het door hem in het verkeer gebrachte product schade veroorzaakt. [gedaagde] is de producent van de junction boxen en het leerstuk van de productaansprakelijkheid is niet alleen van toepassing op eindproducten (in casu: het complete zonnepaneel), maar ook op halffabrikaten (in casu: de junction box).

Nu het ontbranden van de zonnepanelen wordt veroorzaakt door het ontbranden van de junction boxen van [gedaagde] , is ten aanzien van die junction boxen sprake van een gebrekkig product. Ter onderbouwing van haar stelling dat de junction boxen ontbranden, heeft de curator rapporten in het geding gebracht van de [naam] van 18 september 2012 (dv prod. 23), van Xintecon van 10 september 2012 (dv prod. 24) en van SunCycle van 7 september 2012 (dv prod. 25).

Verder heeft te gelden dat [gedaagde] het product - de Solexus junction box - in het verkeer heeft gebracht. In de rechtspraak is aanvaard dat daarvan sprake is, indien het product het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een verkoopproces in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie. Daarbij is het niet relevant of het product rechtstreeks door de producent wordt verkocht aan de gebruiker of aan de consument, of dat de verkoop plaatsvindt in het kader van het distributieproces. De junction boxen zijn gemonteerd aan zonnepanelen, die op hun beurt - na doorlevering - op daken werden geplaatst. Daarmee is de junction box doorgegeven in het distributiekanaal en heeft het zich uit de controlesfeer van [gedaagde] begeven, waarmee zij het in het verkeer heeft gebracht.

[gedaagde] had bedacht moeten zijn op de belangen van [belanghebbende] . [gedaagde] wist immers dat [belanghebbende] GmbH de junction boxen zou monteren op zonnepanelen, die waren bestemd voor de verkoop. Ook wist [gedaagde] dat [belanghebbende] GmbH voor die verkoop gebruik zou maken van groepsvennootschappen. Het was daarom voor [gedaagde] voorzienbaar dat problemen met de junction boxen schadelijke gevolgen zou kunnen hebben voor de groepsvennootschappen van [belanghebbende] GmbH, waaronder [belanghebbende] .

[belanghebbende] heeft schade geleden, omdat zij is gehouden tot vergoeding van door derden geleden schades en (na ontbinding) restitutie van door afnemers betaalde koopprijzen. Het totaal van de vorderingen dat in dit verband ter verificatie bij de curator is ingediend tot aan de datum van de dagvaarding in deze zaak, bedraagt al € 9.398.742,03. Aangenomen moet worden dat de totale schadeomvang het bedrag van € 20.000.000,- ruimschoots zal overstijgen.

De curator acht het reëel dat in deze procedure al een voorschot op de schadevergoeding wordt uitgekeerd. Het gevorderde bedrag van € 2.500.000,- is slechts een kwart van de vorderingen die reeds ter verificatie zijn ingediend.

3.3.

[gedaagde] voert - samengevat - de volgende verweren.

De junction box waar het in deze zaak om gaat is volledig gebaseerd op het ontwerp en de technische specificaties zoals die door [belanghebbende] aan [gedaagde] zijn overhandigd en toegestuurd. [gedaagde] had geen ruimte om eigen keuzes te maken ten aanzien van het design van de junction box. Dat werd door [belanghebbende] voorgeschreven en was ingegeven door de specifieke aansluittechniek die typerend is voor het product van [belanghebbende] . Die aansluittechniek behelst de zogenoemde male en female connector, zoals deze zijn ontwikkeld en gepatenteerd door [belanghebbende] .

Het product dat hier eigenlijk centraal staat, is overigens niet de junction box op zichzelf, maar het combinatie-product: het zonnepaneel waaraan de junction box van [gedaagde] is gemonteerd. [gedaagde] heeft dat combinatie-product niet in het verkeer gebracht (vgl. artikel 6:185, lid 1 onder a BW). Ook het deelproduct - de junction box - heeft [gedaagde] niet in het verkeer gebracht in de door [belanghebbende] bedoelde zin. De in onderdelen aan [belanghebbende] geleverde junction boxen werden immers door [gedaagde] niet aan het publiek aangeboden. Bovendien was de in onderdelen geleverde junction box nog niet bestemd voor het gebruik waarvoor het uiteindelijk was bestemd en was het nog niet geschikt om aan het publiek beschikbaar te stellen. [belanghebbende] GmbH heeft altijd zelf de verschillende onderdelen van de junction box geassembleerd en vervolgens de junction boxen aan het zonnepanelen bevestigd. Een eindcontrole door [belanghebbende] GmbH ontbrak daarbij, terwijl dat wel van haar mocht worden verwacht. In die zin heeft [belanghebbende] niet aan haar schadebeperkingsplicht voldaan (vgl. artikel 6:101 BW).

De curator stelt twee oorzaken voor de ontbranding van de junction boxen; het zogenoemde fretting corrosie en een onvolledige aansluiting van de kabelstekker aan de tab op de printplaat in de junction box. Het staat echter nog niet eens vast dat dit de branden ook daadwerkelijk heeft veroorzaakt. De curator heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de door hem genoemde (mogelijke) oorzaken van de ontbrandingen (fretting corrosie of een onvolledige aansluiting van een kabel aan een tab) ook de oorzaken zijn van alle schades die kennelijk bij hem zijn gemeld. Andere gebeurtenissen/omstandigheden die buiten de invloedssfeer van [gedaagde] zijn gelegen kunnen de branden ook hebben veroorzaakt (bijvoorbeeld assemblagefouten bij [belanghebbende] of onzorgvuldige installatie van de zonnepanelen op de daken door de aannemer van de eindgebruiker). Voor ieder afzonderlijk schadegeval dient derhalve allereerst te worden vastgesteld welke omstandigheden die schade precies hebben veroorzaakt.

Aan de aansprakelijkheid van [gedaagde] staat verder in de weg, dat op het moment dat [gedaagde] de junction boxen aan [belanghebbende] leverde, het gestelde gebrek terzake de onvolledige aansluiting van de kabelstekker aan de tab, nog niet bestond (vgl. artikel 6:185, lid 1 onder b BW). Dit gebrek is pas na levering ontstaan.

Ook was het volgens [gedaagde] op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop zij haar product in het verkeer bracht, onmogelijk om het bestaan van voornoemd gebrek te ontdekken (vgl. artikel 6:185, lid 1 onder e BW).

[gedaagde] was grotendeels afhankelijk van de technische keuzes en instructies die door [belanghebbende] werden aangereikt. Daarbij speelt dat [gedaagde] van [belanghebbende] opdracht kreeg om exact dezelfde junction box te produceren als de junction box van de onderneming Kostal, van wie [belanghebbende] vóór [gedaagde] de junction boxen afnam. [gedaagde] heeft haar materiaalkeuze ter zake de onderdelen van de junction box op instructies van [belanghebbende] GmbH gebaseerd (vgl. hierbij ook artikel 6:185, lid 1 onder f BW).

[gedaagde] heeft zich jegens [belanghebbende] zorgvuldig gedragen. De curator heeft niet aangetoond dat [gedaagde] een veiligheidsnorm heeft geschonden. Het is juist [belanghebbende] dat niet zorgvuldig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door [gedaagde] niet te informeren over bij haar bekende schade aan junction boxen van Kostal en Multi-Contact.

Ten slotte beroept [gedaagde] zich jegens [belanghebbende] op de exoneratieclausule, zoals die in de Overeenkomst met [belanghebbende] GmbH is vastgelegd. Deze clausule heeft volgens [gedaagde] werking jegens het de gehele [belanghebbende] -groep dus ook jegens [belanghebbende] .

Nu [gedaagde] niet is gehouden de schade van [belanghebbende] te vergoeden, moet de gevorderde betaling van een voorschot worden afgewezen. Overigens is sprake van een onaanvaardbaar restitutierisico.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat degene die door een gebrekkig product schade lijdt, de producent kan aanspreken uit onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), mits aan alle in dat artikel gestelde vereisten is voldaan.

Het in het verkeer brengen van een product dat schade veroorzaakt bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was, is onrechtmatig jegens de gebruikers van het product. Dit onrechtmatig handelen dient aan de producent te kunnen worden toegerekend. Daarvan is sprake indien het onrechtmatig handelen te wijten is aan de schuld van de producent of aan een oorzaak die krachtens de wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Een fabrikant zal in het algemeen die maatregelen moeten treffen die van een zorgvuldig fabrikant kunnen worden gevergd teneinde te voorkomen dat het door hem in het verkeer gebrachte product schade veroorzaakt (vgl. onder meer HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652 en HR 22 oktober 1999, NJ 2000,159).

Binnen dit kader komt aan de regeling voor productaansprakelijkheid, neergelegd in de artikelen 6:185 e.v. BW, enige reflexwerking toe, onder meer - kort gezegd - ten aanzien van het in dat leerstuk gehanteerde begrippenkader.

4.2.

Aan de orde is allereerst de vraag of het product - de junction box van [gedaagde] - gebrekkig is als hiervoor bedoeld. In algemene zin heeft de curator daarbij gesteld dat een ontwerp- en/of productiefout ertoe leidt, dat de junction boxen van [gedaagde] oververhit raken en zelfs spontaan ontbranden. Meer concreet heeft de curator gewezen op drie mogelijke oorzaken van deze oververhitting, die de rechtbank hierna afzonderlijk zal bespreken.

Gestelde oorzaak: fretting corrosie

4.3.

Ten eerste stelt de curator dat de oververhitting kan ontstaan door wat partijen fretting corrosie noemen. Partijen verstaan daaronder het volgende. Fretting corrosie is een corrosie als gevolg van wrijving in de aansluiting van de kabel op het kabelcontact (de “tab”) van de printplaat in de junction box, Deze wrijving ontstaat wanneer door temperatuurwisselingen beweging ontstaat in de verschillende onderdelen van de junction box, waardoor de kabelstekker over de tab op de printplaat heen en weer schuift. De daardoor ontstane corrosie aan het materiaal aan de binnenkant van de kabelstekker en de tab van de printplaat leidt tot een verhoogde contactweerstand, wat resulteert in hitteontwikkeling in dat contact. Het gaat hierbij om de kabel (-stekker) en de printplaat, welke beide onderdeel zijn van de door [gedaagde] aan [belanghebbende] geleverde junction box (als onderdeel genoemd in 2.5 onder punt 1). Ondertussen hebben derden een reparatieset ontwikkeld, waarmee de oorspronkelijke junction box wordt voorzien van nieuwe kabels en een nieuwe printplaat. Deze kennen een verbindingstechniek middels een flexibele kabel, die ongevoelig is voor het ontstaan van fretting corrosie.

[gedaagde] heeft niet betwist dat fretting corrosie tot oververhitting en ontbranding van de junction box kan leiden.

4.4.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de junction box op het punt van fretting corrosie gebrekkig is in voormelde zin. Normaal gebruik van de junction box kan immers als gevolg van voornoemde fretting corrosie tot ontbranding leiden.

4.5.

Aan de orde is vervolgens de vraag in hoeverre dit gebrek toerekenbaar is aan [gedaagde] .

Volgens de curator moet de schuldvraag bij productaansprakelijkheid worden onderzocht aan de hand van door de producent - in casu: [gedaagde] - aangevoerde omstandigheden. De producent zal moeten motiveren op welke wijze hij aan zijn veiligheidsverplichtingen heeft voldaan. Op dat punt schieten de stellingen van [gedaagde] tekort, aldus de curator. De curator beroept zich verder op toerekening op grond van in het verkeer geldende opvattingen en stelt daarbij dat [gedaagde] bij de productie “de touwtjes in handen had”, dat zij de benodigde kennis voor de productie van junction boxen bezat, dat zij zich presenteerde als professional en dat zij financiële voordelen trok van de productie (dv sub 50).

[gedaagde] voert het verweer (cva sub 130) dat haar dit gebrek niet kan worden aangerekend, nu in het door [belanghebbende] gekozen gepatenteerde design/ontwerp van de junction box geen voorziening is getroffen om de beweging tussen stekker en tab mechanisch op te vangen. [gedaagde] stelt dat de door haar geproduceerde junction box is gebaseerd op het ontwerp en de technische specificaties zoals deze door [belanghebbende] en [belanghebbende] GmbH zijn ontwikkeld en aan [gedaagde] zijn overhandigd en toegestuud. [gedaagde] stelt van [belanghebbende] expliciet de opdracht te hebben gekregen om exact dezelfde junction box als de box van producent Kostal samen te stellen. De rechtbank begrijpt [gedaagde] aldus, dat zij zich hiermee beroept op (de reflexwerking van) artikel 6:185, lid 1, aanhef en onder f BW. Volgens [gedaagde] is dit gebrek te wijten aan instructies die zij van [belanghebbende] en/of [belanghebbende] GmbH heeft ontvangen (cva sub 225).

In reactie op dit verweer van [gedaagde] stelt de curator - onder verwijzing naar relevante onderdelen van de overeenkomst - dat de verantwoordelijkheid voor het ontwerp van de junction boxen volledig bij [gedaagde] lag (dv sub 79). Indien wordt geoordeeld dat [gedaagde] was gebonden aan stricte instructies van [belanghebbende] GmbH, zoals [gedaagde] stelt, bevrijdt dat [gedaagde] niet van aansprakelijkheid. Door blind uitvoering te geven aan haar opdracht, heeft [gedaagde] immers niet aan haar zelfstandige zorgplicht voldaan. Ter comparitie stelt de curator nog dat de f-grond van artikel 6:185 BW hier toepassing mist, omdat het probleem juist in de junction box zit.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:185, aanhef en onder f BW is een producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel niet aansprakelijk voor gebreken, indien het gebrek is te wijten aan instructies die door de fabrikant van het product zijn verstrekt. [gedaagde] is derhalve niet aansprakelijk indien de junction box is geproduceerd volgens de instructies van [belanghebbende] , de fabrikant van het eindproduct, ook als het gebrek zich in deze junction box bevindt.

[gedaagde] heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij van [belanghebbende] de opdracht heeft gekregen om exact dezelfde junction box te produceren als die van Kostal. Hier staat tegenover dat de curator de stellingen van [gedaagde] dienaangaande voldoende gemotiveerd heeft betwist.

Conclusie is dan dat [gedaagde] , op wie ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de (stelplicht en) bewijslast rust, deze stelling zal moeten bewijzen. De rechtbank zal [gedaagde] dat bewijs opdragen.

4.7.

Indien [gedaagde] slaagt in het bij dit vonnis opgedragen bewijs van haar stelling dat de opdracht van [belanghebbende] GmbH inhield dat [gedaagde] exact dezelfde junction box als die van Kostal moest maken, slaagt het verweer van [gedaagde] dat het gebrek niet aan haar kan worden toegerekend en kan [gedaagde] niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen van dit gebrek. Daarbij overweegt de rechtbank dat de door [gedaagde] in acht te nemen zorgvuldigheid niet zó ver gaat, dat zij onder deze omstandigheden (een uitdrukkelijke opdracht om precies dezelfde junction box als Kostal te maken) de mogelijkheid van fretting corrosie had moeten onderkennen, zoals de curator in wezen stelt. De overeenkomst tussen [belanghebbende] GmbH en [gedaagde] is een overeenkomst van aanneming van werk. De aannemer moet de opdrachtgever waarschuwen voor een gebrek in de opdracht, indien hij een bepaald gebrek kende of redelijkerwijs had moeten kennen. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank door de curator onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom [gedaagde] het gebrek rond fretting corrosie had behoren te onderkennen. De junction boxen werden immers al jaren op deze wijze geproduceerd en hadden een TÜV-keurmerk. Bovendien hebben [belanghebbende] GmbH zelf - die ter zake voor deskundig moet worden gehouden - en de twee eerdere producenten van de junction boxen dit gebrek ook niet onderkend.

4.8.

[gedaagde] heeft er voorts op gewezen dat fretting corrosie een conceptueel punt betreft, dat pas in september 2012, dus ruim ná het faillissement van [belanghebbende] , aan het licht is gekomen. Voor zover [gedaagde] zich hiermee beroept op (de reflexwerking van) de e-grond van artikel 6:185, lid 1 BW, kan haar dat beroep naar het oordeel van de rechtbank niet baten. Op grond van de e-grond ontbreekt productaansprakelijkheid, indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het product in het verkeer wordt gebracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken. Dit zogenoemde ontwikkelingsrisico dient echter restrictief te worden opgevat, zodat een daarop gebaseerd verweer alleen kan slagen bij gebreken die onmogelijk, dus ook niet met de meest intensieve en geavanceerde controle, hadden kunnen worden ontdekt.

De enkele omstandigheid dat het gebrek fretting corrosie pas in 2012 aan het licht is gekomen, leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer tot de conclusie dat het niet eerder ontdekt had kúnnen worden. Deze stelling is daarom in dit kader onvoldoende. Een verdere toelichting heeft [gedaagde] ten aanzien van haar beroep op de e-grond niet gegeven. De rechtbank passeert daarom de stellingen van [gedaagde] op dat punt.

Gestelde oorzaak: onjuiste aansluiting kabels op tab printplaat

4.9.

Ten tweede stelt de curator dat de junction box kan ontbranden, doordat de kabel in de junction box niet goed over de tab van de printplaat is geschoven (in de stukken is dit gebrek aangeduid als “bad contact of the cable connector” of “cable handling”, vgl. onder meer dv sub 9 en 13). Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat in een dergelijk geval - in de bewoordingen van [gedaagde] ter comparitie - de kabel niet helemaal is aangeklikt, dat een kabel dan niet goed op de junction box is aangesloten en daardoor volledig kan losraken. Er kan dan theoretisch een vlamboog ontstaan. De stekker moet dan los zijn van het contact (de tab) op de printplaat. Je krijg dan een soort bliksem, aldus [gedaagde] ter comparitie.

De curator gaat ervan uit dat [gedaagde] in dit geval een assemblagefout heeft gemaakt. [gedaagde] verbond al vóór de levering van de onderdelen van de junction boxen aan [belanghebbende] immers de stekker aan de tab op de printplaat en kennelijk heeft zij in voorkomende gevallen die stekker niet volledig over de tab geschoven.

[gedaagde] betwist dit en stelt daarbij dat de curator niet heeft onderbouwd dat dit probleem aan een foutieve assemblage door [gedaagde] te wijten is (cva sub 86). Ook wijst [gedaagde] op alternatieve oorzaken voor de onvolledige aansluiting van de kabelstekker op de tab. De door [belanghebbende] zelf met het volledig geassembleerde zonnepaneel uitgevoerde flash test kan volgens [gedaagde] een oorzaak zijn van een niet goed aangesloten kabel (cva sub 86). Daarnaast wijst [gedaagde] op de mogelijkheid dat de kabel van de tab loskomt door onvoorzichtig werken door de monteurs van de zonnepanelen (cva sub 217 juncto 104).

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval een los contact in de junction box is veroorzaakt doordat [gedaagde] de kabelstekker niet volledig over de tab heeft geschoven, zij daarmee een gebrekkig product aan [belanghebbende] GmbH heeft geleverd en aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade.

Ten aanzien van de stelling van [gedaagde] dat deze kabelstekker ook kan zijn losgeraakt als gevolg van een oorzaak die niet aan haar kan worden toegerekend, zoals de door [belanghebbende] uitgevoerde flashtest of een onzorgvuldige montage van de zonnepanelen op de daken, oordeelt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door de curator overgelegde e-mail van 11 mei (dv prod. 7) dat er door [gedaagde] assemblagefouten zijn gemaakt. Deze e-mail is door [gedaagde] verzonden na een crisisoverleg tussen partijen over een woningbrand als gevolg van een defect zonnepaneel van [belanghebbende] . [gedaagde] schrijft in deze e-mail - voor zover van belang - het volgende:

“(…) we recognize very well that changes in the area of cable handling are critical and we have inproved our procedure starting this morning:

-cable handling is improved

-contacts will be checked before insertion (shape, properly attached onto cable

(…)

-contacts will be checked on proper postion

(…)”

In het geval in rechte komt vast te staan dat een zonnepaneel is ontbrand als gevolg van een vlamboog die is ontstaan doordat de kabelstekker niet volledig op de tab was bevestigd, staat op grond van het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank voorshands vast dat dit het gevolg is van een assemblagefout van [gedaagde] en dat [gedaagde] hiervoor derhalve aansprakelijk is. [gedaagde] zal in dat geval echter wel tegenbewijs kunnen leveren.

4.11.

[gedaagde] heeft tot slot betoogd dat [belanghebbende] ten aanzien van dit gebrek eigen schuld heeft als bedoeld in artikel 6:101 BW.

Volgens [gedaagde] had [belanghebbende] GmbH, gelet op haar deskundigheid, dit gebrek namelijk bij de assemblage van het zonnepaneel en de verschillende onderdelen van de junction box kunnen zien. Zij had bij een (eind-) controle dan zelf de kabel goed over de tab kunnen schuiven.

De rechtbank is van oordeel dat dit onderwerp bij de comparitie van partijen onvoldoende is besproken. Partijen zullen zich hierover derhalve bij akte nader over mogen uitlaten. Uit proceseconomische redenen zullen partijen deze akte moeten combineren met de aktes na enquête.

Gestelde oorzaak: onjuiste aansluiting van de male/female connector

4.12.

Ten slotte geeft de curator als mogelijke oorzaak voor de ontbranding van junction boxen een gebrekkige aansluiting van de male en female connector (“bad contact of the male and female 4/8-pole”, vgl. dv sub 12). Een verdere toelichting hierop ontbreekt echter.

[gedaagde] heeft er - kort gezegd - op gewezen dat de junction boxen deze specifieke aansluiting moesten hebben en dat de aansluiting een gepatenteerd concept is van [belanghebbende] GmbH zelf. De aansluiting van de male op de female connector werd door [belanghebbende] GmbH zelf uitgevoerd.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde] voor dit gebrek niet aansprakelijk worden gesteld. De stellingen van de curator schieten tekort. Terecht merkt [gedaagde] op dat het aansluiten van de male op de female connector onderdeel is van het assemblageproces dat door/bij [belanghebbende] GmbH werd uitgevoerd. Ontbranding als gevolg van assemblagefouten door [belanghebbende] GmbH kan geen grond vormen voor aansprakelijk van [gedaagde] jegens [belanghebbende] . Dat wordt niet anders indien ervan moet worden uitgegaan dat de gebrekkige aansluiting van de male en female connector (mede) wordt veroorzaakt door het ontwerp van de betreffende connectoren. De male en female connectoren zijn door [belanghebbende] GmbH gepatenteerd en de opdracht aan [gedaagde] hield in ieder geval in - partijen verschillen daarover niet van mening - dat haar junction box deze gepatenteerde connectoren moest bevatten voor de aansluiting van de junction box aan het zonnepaneel. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat [gedaagde] op grond van de f-grond van artikel 6:185 BW niet aansprakelijk kan worden gesteld indien het gebrek in de junction box het gevolg is van instructies door (of namens) [belanghebbende] GmbH. Ook ten aanzien van de male en female connectoren is de rechtbank overigens van oordeel dat de curator onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [gedaagde] wist of had behoren te weten dat sprake was van een ontwerpfout en dat zij derhalve [belanghebbende] GmbH had behoren te waarschuwen.

In het verkeer brengen

4.14.

Tussen partijen is voorts in geschil of [gedaagde] de junction boxen in het verkeer heeft gebracht als hiervoor bedoeld in rechtsoverweging 4.1.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat daaronder wordt verstaan, dat het betreffende product aangeboden wordt in de distributieketen dan wel bij de eindconsument, wat in deze casus met de junction box niet het geval is.

De curator stelt dat zoals hier een partij een halffabrikaat levert aan een volgende schakel in het productieproces op de wijze als waarop een product zou worden doorgegeven in een distributieproces, er sprake is van in het verkeer brengen. In het voorliggende geval hoefde enkel nog de assemblage plaats te vinden door de GmbH, voordat het product in de distributieketen zou worden doorgegeven.

4.15.

De rechtbank overweegt als volgt. In het kader van het begrip in het verkeer brengen, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld (HvJ 9 februari 2006, NJ 2006, 401), dat de uitsluiting van de aansprakelijkheid op de grond dat het product niet in het verkeer is gebracht, in de eerste plaats betrekking heeft op het geval waarin een ander dan de producent het product uit het productieproces wegneemt. Ook het gebruik van het product tegen de wil van de producent, bijvoorbeeld wanneer het productieproces nog niet is beëindigd, evenals het gebruik voor particuliere doeleinden of in soortgelijke omstandigheden, leidt volgens het Hof tot uitsluiting van aansprakelijkheid. Het Hof wijst er in voornoemd arrest verder op dat de gevallen waarin de producent niet aansprakelijk is, strikt moeten worden uitgelegd. De bedoeling van een dergelijke uitlegging is, aldus het Hof, de belangen van de gelaedeerden van een door een product met een gebrek veroorzaakte schade veilig te stellen. Het Hof beschouwt een product als in het verkeer gebracht, wanneer dat product het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een verkoopproces in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie.

Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat zij haar junction boxen niet direct heeft doorgegeven aan een schakel in het distributieproces. [gedaagde] leverde haar junction boxen in wezen aan een opvolgende schakel in het productieproces. [gedaagde] leverde aan [belanghebbende] GmbH een bestanddeel van een zonnepaneel. Deze gang van zaken is in het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof echter niet genoemd als grond voor uitsluiting van aansprakelijkheid in het kader van productaansprakelijkheid. Verder volgt uit artikel 6:187 BW dat de afdeling over productaansprakelijkheid ook van toepassing is op een product, nadat deze een bestanddeel is gaan vormen van een andere roerende zaak en op de fabrikant van een onderdeel. Daarnaast bevat artikel 6:185, lid 1 onder f BW een specifiek verweer voor een fabrikant van een onderdeel. Indien zou gelden dat die fabrikant zijn product niet in het verkeer heeft gebracht, zou de f-grond van artikel 6:185 BW zinledig zijn. Die fabrikant zou zich dan immers steeds op de a-grond van artikel 6:185 BW kunnen beroepen.

Het beroep van [gedaagde] op de reflexwerking van artikel 6:185, lid 1 onder a BW, kan daarom niet slagen.

Schadestaatprocedure

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] voor in ieder geval één schadeoorzaak (assemblagefout) aansprakelijkheid draagt en afhankelijk van de uitkomst van voormelde bewijsopdracht, ook voor een tweede schadeoorzaak (fretting corrosie). De curator zal in de schadestaatprocedure per afzonderlijk schadegeval moeten stellen en - bij genoegzame betwisting door [gedaagde] - bewijzen dat de schadeoorzaak is gelegen in fouten waarvoor [gedaagde] aansprakelijkheid draagt (assemblagefout of fretting corrosie).

Het leerstuk van de samenlopende oorzaken, waar de curator ter zitting een beroep op heeft gedaan, mist hierbij toepassing. In het voorliggende geval is immers geen sprake van twee of meerdere samenlopende en afzonderlijk werkende oorzaken voor de schade waardoor twee of meer veroorzakende partijen jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Hier zijn aan de orde de drie door de curator gestelde mogelijke oorzaken, waarvan [gedaagde] voor één of twee aansprakelijk is (afhankelijk van het al dan niet slagen van voormelde bewijsopdracht ten aanzien van fretting corrosie).

De verdere procedure

4.17.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.18.

Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

4.19.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [gedaagde] op te bewijzen dat zij van [belanghebbende] de opdracht heeft gekregen om exact dezelfde junction box te produceren als die van Kostal;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 augustus 2016 voor uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel;

5.3.

bepaalt dat [gedaagde] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat [gedaagde] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2016 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8;

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.