Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4602

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
01/880726-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, lid 1, van de Geneesmiddelenwet.

Verdachte heeft met anderen 200 kilogram ketamine ingevoerd en afgeleverd vanuit Pakistan.

Strafwaardigheid: bescherming volksgezondheid en versterking legale productieketen van geneesmiddelen.

Geen strafbaarstelling van ketamine in de Opiumwet.

Eis van het OM was 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Rechtbank legt een taakstraf op van 240 uren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch,

Team strafrecht

Parketnummer: 01/880726-15

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 augustus 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding 13 juli 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in de periode van 9 december 2015 tot en met 23 december 2015 te Someren en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder registratie een (bulk)hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram ketamine, in elk geval een werkzame stof, heeft bereid en/of ingevoerd en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of verhandeld;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich, overeenkomstig haar pleitnota, op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu er -vanwege het gebrek aan wetenschap van de aanwezigheid van het verboden middel- aan de zijde van verdachte geen sprake is geweest van opzet op het transport van de 200 kilogram ketamine.

Bewijsoverwegingen. 1

Op grond van de hierna opgenomen en uitgewerkte bewijsmiddelen staat vast dat verdachte op 5 december 2015 een partij goederen, afkomstig uit Pakistan en volgens de transportdocumenten en opschriften op de verpakkingen bestaande uit 720 zakken calcium carbonaat à 25 kilogram/zak, op zijn woon- en bedrijfsadres aan de [adres 1] heeft laten afleveren. Vast staat ook dat een deel van deze partij (8 zakken van elk 25 kilogram) geen calcium carbonaat maar ketamine bevatte.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft op 24 december 2015 bij de politie verklaard dat hij op 5 december 2015 in [café] benaderd is door een onbekende Turkse of Marokkaanse man met het verzoek een tiental pallets, met een voor verdachte onbekende inhoud, af te leveren bij verdachte.2

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte niet geloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

 Om te beginnen valt aan de verklaring op dat verdachte daarin aangeeft dat hij op 5 december 2015 voor het eerst wordt aangesproken door een voor hem volstrekt onbekende man die op zijn beurt er blijk van geeft hem (verdachte) wel te kennen: hij kent verdachtes naam en weet kennelijk ook dat hij een dakdekkersbedrijf heeft.

 Geconfronteerd met onderzoeksbevindingen moet verdachte erkennen dat hij reeds eerder, op 22 oktober 2015, heeft meegewerkt aan een aflevering op zijn adres van - volgens de vervoersdocumenten - 18080 kilogram calcium carbonaat, afkomstig van dezelfde afzender uit Pakistan. Verdachte verklaart dat hij de man waarover hij eerder sprak eerder heeft ontmoet en dat hij op diens verzoek op 22 oktober 2015 heeft bewilligd in de aflevering van een partij calcium carbonaat.

 Zonder te informeren naar de achtergrond van de man, de door hem opgegeven redenen om verdachte met dit verzoek te benaderen of naar de aard van de af te leveren goederen stemt verdachte er in toe om - tegen betaling van € 500,- - mee te werken aan het afleveren van een partij goederen met voor verdachte onbekende samenstelling, waarvan evenwel vast is komen te staan dat daarvan deel uitmaakte 200 kilogram ketamine, vermoedelijk bestemd om te worden verhandeld als party-drug en aldus een straatwaarde vertegenwoordigend van 6 - 8 miljoen euro.

 Verdachtes gegevens (naam, adres, woonplaats, emailadres, telefoonnummer) staan vermeld op de vervoersdocumenten, zowel die met betrekking tot de aflevering van 22 oktober 2015 als die van 23 december 2015, waarvan is vastgesteld dat deze laatste ketamine bevatte. Verdachte erkent dat hij zelf deze informatie heeft aangeleverd.

 De eigenaar van het transportbedrijf dat de partij op 23 december 2015 heeft afgeleverd in Someren, [eigenaar transportbedrijf] , verklaarde dat er telefonisch contact was geweest met verdachte om te waarschuwen dat het transport er aan kwam. Het telefoonnummer van verdachte had hij, evenals de overige gegevens van verdachte, rechtstreeks gekregen vanuit Pakistan.

 [chauffeur vrachtwagen] , de chauffeur van de vrachtwagen die de partij op 23 december 2015 afleverde in Someren, zag dat er in de zakken een soort zout zat, Soda Calcium Carbo of zoiets. Hij vroeg aan verdachte wat hij er mee moest. Verdachte zei toen dat hij het goedkoop had kunnen kopen en het hier weer voor de normale prijs aan de boeren zou verkopen die het op het land zouden strooien. Tegenover [chauffeur vorkheftruck] , de chauffeur van de vorkheftruck, verklaarde verdachte dat het kunstmest betrof om over het gazon te strooien.

Gezien het vorenstaande hecht de rechtbank geen enkel geloof aan verdachtes verklaring omtrent de betrokkenheid van de door verdachte genoemde onbekende man.

Opzet

Anders dan de raadsvrouwe, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van opzet op het invoeren en afleveren van ketamine. Vast staat dat de pallets met daarop acht zakken ketamine verscheept zijn van de haven van Karachi in Pakistan naar de haven van Rotterdam in Nederland, waarna deze zijn afgeleverd op het adres van verdachte. Nu de door verdachte gestelde betrokkenheid van een onbekende man door de rechtbank niet geloofwaardig wordt bevonden wordt daarmee ook het verweer verworpen dat verdachte niet zou hebben geweten dat de lading ketamine bevatte.

Overige

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het ten laste gelegde feit merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit, op grond van de inhoud van de hierna genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen.

Transportdocument [bedrijf 1], d.d. 13 november 2015 [pagina 186].

Het bedrijf [bedrijf 1] , gevestigd te Karachi in Pakistan, heeft op 13 november 2015 opdracht gegeven tot het laten verschepen van 10 pallets met daarop 720 zakken van 25 kilogram per stuk bevattende calcium carbonaat van de haven van Karachi in Pakistan naar de haven van Rotterdam in Nederland. De verzending van deze pallets was geadresseerd aan: [verdachte] in Nederland.

Transportdocumenten [bedrijf 4] [pagina 190 t/m 192].

[bedrijf 4] heeft de zending van 10 pallets met calcium carbonaat verscheept. De pallets zijn op 19 november 2015 verscheept van de haven van Karachi in Pakistan naar de haven van Rotterdam in Nederland, alwaar deze op 21 december 2015 zijn aangekomen.

Transportdocument [bedrijf 2], d.d. 23 december 2015 [pagina 184].

De 10 pallets met daarop 720 zakken calcium carbonaat zijn op 23 december 2015 door [expediteur] van de haven van Rotterdam getransporteerd naar het adres: [verdachte] , Nederland.

Uittreksel handelsregister, d.d. 2 december 2015 [pagina 187].

[verdachte] , geboren op 20 mei 1961 te Geldrop, is eigenaar van de [bedrijf 3] .

Relaas [verbalisant 1], proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2015 [pagina 86 t/m 101].

[pag. 87] Op woensdag 23 december 2015 werd op het adres [adres 1] achter een afgesloten poort, een 11-tal pallets aangetroffen. Er stonden 9 vol geladen pallets en 2 halfvol geladen pallets. Deze pallets waren allemaal geladen met witte zakken met de navolgende tekst en opschrift: CALCIUM CARBONATE, extra fine micron’s, SEAGULL, brand, 25 kilos net weight, lot no. Date, use with in 3 years. Elke pallet was voorzien van ongeveer 75 zakken. Bij het openen en het legen van deze zakken waren alle zakken voorzien van een wit geurloos poeder / substantie. Op één pallet werd een achttal zakken aangetroffen waarop met een zwarte stift een teken was geschreven alsmede vijf zwarte strepen. Bij het openen van de acht gemerkte zakken zag ik dat de witte substantie, een andere samenstelling had dan de eerder geopende andere zakken. Ik zag dat deze substantie een kristalvorm had.

Relaas [verbalisant 2], proces-verbaal bevindingen LFO d.d. 24 december 2015 [pagina 104 t/m 113].

[pag. 105] Ik heb onderzoek verricht naar de inhoud van de 8 zakken met afwijkende inhoud. Ik zag dat de 8 zakken qua afmetingen en inhoud gelijk waren. Ik zag dat deze zakken een bruto gewicht hadden van circa 25 kg.

[pag. 107] Indicatieve testen wijzen uit dat deze acht zakken zeer waarschijnlijk ketamine bevatten. Deze acht zakken samen bevatten circa 200 kilo ketamine. Deze zakken met vermoedelijke ketamine waren niet verpakt conform voorschrift, zo was bijvoorbeeld niet de juiste stofnaam vermeld en was geen CAS nummer of gevaren classificatie aangebracht.

NFI Rapport, d.d. 19 januari 2016, opgesteld door ing. C.M.M. Diever-Heezen [pagina 294 t/m 298].

[pag. 295] Door het NFI is vastgesteld dat acht van de negen ingestuurde monsters ketamine bevatten en dat een monster calcium carbonaat bevatte.

Rapportage ketamine d.d. 25 januari 2016, opgesteld door deskundige W. Best, [pagina 296 t/m 298].

[pag. 297] Ketamine is een stof van chemische oorsprong. De stof ketamine heeft pijnstillende en verdovende eigenschappen. Vanwege deze eigenschappen wordt de stof ketamine in geneesmiddelen voor de mens toegepast. Daarmee voldoet ketamine aan het criterium werkzame stof.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

in de periode van 9 december 2015 tot en met 23 december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, zonder registratie een (bulk)hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram ketamine heeft ingevoerd en afgeleverd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich, overeenkomstig haar pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat bij strafoplegging - in het voordeel van verdachte - rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit het requisitoir blijkt dat de officier van justitie bij de strafeis in aanmerking heeft genomen dat - aldus de officier van justitie - ketamine in het illegale circuit wordt gebruikt als partydrug, dat de verkoopprijs dan €30,- tot €40,- per gram bedraagt en dat de straatwaarde van de bij verdachte aangetroffen ketamine dus tussen de € 6.000.000 en € 8.000.000 is. Bij haar strafeis lijkt de officier van justitie aansluiting te hebben gezocht bij de straffen die doorgaans voor Opiumwetdelicten plegen te worden opgelegd. De officier van justitie noemt in dit verband in het bijzonder de bescherming van de volksgezondheid als te beschermen rechtsgoed.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] - als medepleger - een aanzienlijke hoeveelheid werkzame stof heeft ingevoerd en afgeleverd, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. Aldus heeft hij opzettelijk artikel 38 lid 1 van de Geneesmiddelenwet overtreden. Voor dit misdrijf kan maximaal zes jaar gevangenisstraf, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd (artikel 1 onder 1 jo. artikel 2 lid 1 jo. artikel 6 lid 1 onder 1 van de Wet op de economische delicten).

Artikel 38 van de Geneesmiddelenwet is opgenomen in hoofdstuk 3a van die wet, getiteld ‘Fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen’. Dit hoofdstuk is op 10 december 2013 in werking getreden en vormt onderdeel van de implementatie van richtlijn 2011/62 (voluit: richtlijn nr. 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 tot wijziging van richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, om te verhinderen dat vervalste geneesmiddelen in de legale distributieketen belanden (PbEU 2011, L 174)).

In de considerans van richtlijn 2011/62 is onder meer het volgende vermeld:

2. In de Unie is sprake van een zorgwekkende toename van geneesmiddelen die qua identiteit, geschiedenis of oorsprong vervalst zijn. Deze geneesmiddelen bevatten doorgaans minderwaardige of vervalste bestanddelen, helemaal geen bestanddelen of bestanddelen, inclusief werkzame stoffen, die verkeerd zijn gedoseerd, en vormen daarom een grote bedreiging voor de volksgezondheid.

3. De ervaring leert dat dergelijke geneesmiddelen niet alleen langs illegale weg bij de patiënt terechtkomen, maar ook via de legale distributieketen. Dit vormt een bijzondere bedreiging voor de menselijke gezondheid en kan bij de patiënt leiden tot een gebrek aan vertrouwen ook in de legale distributieketen. […]

[…]

7. Vervalste werkzame stoffen en werkzame stoffen die niet voldoen aan de geldende voorschriften van Richtlijn 2001/83/EG, vormen een ernstig risico voor de volksgezondheid. […]

De memorie van toelichting bij de implementatiewet vermeldt onder meer (kamerstukken II 2012/13, 33599, nr. 3, p. 2):

De centrale doelstelling van richtlijn 2011/62 is het verhinderen dat vervalste geneesmiddelen in de legale distributieketen van geneesmiddelen komen.

[…]

Er is in de Europese Unie in het illegale circuit een toename geconstateerd van geneesmiddelen die op enigerlei wijze vervalst zijn. Deze geneesmiddelen vormen een gevaar voor de volksgezondheid omdat zij veelal inferieur zijn qua bestanddelen, samenstelling en dosering. Vervalste geneesmiddelen worden op allerlei manieren aan de consument aangeboden. Burgers moeten er evenwel op kunnen vertrouwen dat in elk geval de legale distributieketen «schoon» is en dat ook blijft in de toekomst – dat wil zeggen: vrij van onbevoegd vervaardigde of gedistribueerde geneesmiddelen. Richtlijn 2011/62 beoogt dus niet specifiek het tegengaan van de handel in geneesmiddelen via illegale circuits, hoe ongewenst die handel op zichzelf genomen ook is. De richtlijn stelt voornamelijk aanvullende regels met het oog op het versterken van de legale keten. Dit doel maakt eveneens onderdeel uit van het nationale beleid dat gericht is op het tegengaan van illegale handel in medische producten. Hiervoor is een aparte beleidsagenda ontworpen. Overigens zijn in Nederland slechts sporadisch vervalste geneesmiddelen aangetroffen in het legale circuit. Dit neemt niet weg dat het verschijnsel bestreden moet worden.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde passages uit de considerans van richtlijn 2011/62 en de memorie van toelichting bij de implementatiewet, dat artikel 38 lid 1 van de Geneesmiddelenwet met name beoogt de volksgezondheid te beschermen en mede tegen die achtergrond de legale productieketen van geneesmiddelen te versterken. Het is dan ook tegen deze achtergrond dat de rechtbank de strafwaardigheid van het handelen van verdachte dient te beoordelen. Dat de in dit geval aan de orde zijnde werkzame stof - te weten ketamine - kennelijk ook als roesmiddel (of ‘partydrug’) kan worden gebruikt, neemt de rechtbank bij het bepalen van de straf niet in aanmerking, nu van een strafbaarstelling van dit middel onder de Opiumwet geen sprake is. Voorts is op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken van mogelijke schadelijkheid voor de volksgezondheid van dergelijk gebruik van ketamine. Dit betekent dat de rechtbank een andere en aanmerkelijk lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank heeft, mede gezien de ontkennende houding van verdachte, geen inzicht gekregen in de uiteindelijke bestemming van de partij ketamine. Dit laat onverlet dat verdachte zich met de invoer en aflevering van een aanzienlijke hoeveelheid ketamine als bewezen is verklaard schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 38 lid 1van de Geneesmiddelenwet dat - kort gezegd - de ongereguleerde invoer van een werkzame stof beoogt tegen te gaan.

De rechtbank zal daarvoor een taakstraf opleggen, nu zij van oordeel is dat deze straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Alle feiten en omstandigheden afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht, passend is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 22c, 22d, 27 en 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 38 en 134 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2, 6, 87 van de Wet op de economische delicten.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, lid 1, van de Geneesmiddelenwet

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

 Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 4 februari 2016 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. J.J. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. de Haas, griffier,

en is uitgesproken op 24 augustus 2016.

Mr. R.J. Bokhorst is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Politie Oost Brabant, Dienst Regionale Recherche, onderzoeksnummer: OBRAA15019-3-Duduk, gesloten op 4 februari 2016, aantal doorgenummerde pagina’s: 301.

2 Verklaring verdachte, proces-verbaal verhoor d.d. 24 december 2015, pagina 37 t/m 40.