Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4442

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
01/865028-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht bij een 12-jarig kwetsbaar meisje tijdens de uitoefening van zijn beroep als taxichauffeur, met specialisatie het vervoer van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek voorarrest op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en onder meer de voorwaarden van toezicht van de reclassering en een ambulante behandeling voor zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag. De voorwaarden en het toezicht van de reclassering zijn dadelijk uitvoerbaar.

Verdachte moet tevens de schade van € 1.008,-- aan het slachtoffer vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865028-16

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1954,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 augustus 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 juli 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 augustus 2016 is gewijzigd [bijlage 1] is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 februari 2016 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, althans in het arrondissement Oost Brabant, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] ), van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, bestaande die ontucht hierin dat hij (in een taxibus):

- een knoop en/of de rits van de broek en/of de jas van die [slachtoffer] heeft geopend en/of

- haar bovenkleding omhoog heeft geschoven en/of

- vervolgens haar ontblote bovenlichaam heeft bekeken en/of

- over haar buik en/of borsten heeft gewreven en/of

- haar billen en/of schaamstreek en/of vagina heeft betast en/of gekieteld, en/of

- zich (vervolgens) in het bijzijn van die [slachtoffer] heeft afgetrokken,

zulks terwijl zij als minderjarige aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd (doordat die [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft en verdachte haar onder andere op die datum als chauffeur van een taxibusje vervoerde).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

De bronnen.

1. een dossier van de regiopolitie Eenheid Oost-Brabant, onderzoek [onderzoeksnaam] , met proces-verbaalnummer 2016042137, afgesloten d.d. 18 maart 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 136. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;

2. de stukken van het kabinet van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank;

3. het proces-verbaal ter terechtzitting van 3 augustus 2016.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de gronden in het schriftelijke requisitoir heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de vraag of het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit bewezen als na te melden, op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

  • -

    de verklaring van aangever [aangever] (bron 1, p. 10 t/m 13);

  • -

    de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] (bron 1, p. 18 t/m 40);

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte (bron 3).

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 22 februari 2016 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] ), van wie hij, verdachte, wist dat deze aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, bestaande die ontucht hierin dat hij (in een taxibus):

- een knoop en de rits van de broek en de jas van die [slachtoffer] heeft geopend en

- haar bovenkleding omhoog heeft geschoven en

- vervolgens haar ontblote bovenlichaam heeft bekeken en

- over haar buik en borsten heeft gewreven en

- haar schaamstreek en vagina heeft betast en gekieteld en

- zich (vervolgens) in het bijzijn van die [slachtoffer] heeft afgetrokken,

zulks terwijl zij als minderjarige aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd (doordat die [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft en verdachte haar op die datum als chauffeur van een taxibusje vervoerde).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden – met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – waarvan 5 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar.

Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden opgelegd te worden als genoemd in het reclasseringsrapport van 14 juli 2016. Ter aanvulling op die bijzondere voorwaarden dient tevens een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod opgelegd te worden.

De officier van justitie vordert tot slot dat de rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn [bijlage 2].

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat volstaan dient te worden met een veroordeling tot een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is aangevoerd dat het bevel tot voorlopige hechtenis reeds is geschorst, zodat gestart kon worden met het traject bij [instelling] . Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte, 62 jaar oud, heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht tijdens de uitoefening van zijn beroep als taxichauffeur met specialisatie het vervoer van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking. Hij heeft het aan zijn zorgen toevertrouwde en zeer kwetsbare slachtoffer van 12 jaar onzedelijk betast en zichzelf in haar bijzijn afgetrokken, waarbij hij ook is klaargekomen. Het slachtoffer is een zeer kwetsbaar kind. Zij lijdt aan een stofwisselingsziekte, heeft een IQ van 45 en functioneert op een niveau dat past bij de leeftijd van drie tot vijf jaar oud. Door zijn handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat delicten als de onderhavige voor het slachtoffer ernstige psychische gevolgen met zich kan meebrengen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het in hem als taxichauffeur gestelde vertrouwen op een van de ernstigst denkbare wijzen heeft beschaamd. Daarnaast heeft de verdachte de ouders van het slachtoffer en de rest van haar familie onherstelbaar leed aangedaan. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt ook hoe het misbruik van hun dochter haar ouders heeft aangegrepen. Zij ondervinden hiervan, zo valt aan te nemen, tot op de dag van vandaag nog steeds last.

In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte – naar hij ter terechtzitting heeft toegegeven – zich in 2003 aan schennispleging heeft schuldig gemaakt en dat hij in verband daarmee met justitie in aanraking is gekomen hoewel het niet in een veroordeling door de strafrechter heeft geresulteerd. Waar het om gaat is dat verdachte tot die schennispleging is gekomen als gevolg van dezelfde problematiek die verdachte tot de in deze zaak bewezenverklaarde ontucht heeft gebracht, waarover hieronder nader zal worden overwogen, en dat hij ondanks een justitiecontact geen maatregelen heeft getroffen om zijn problematiek aan te pakken. Aldus heeft hij het in zijn macht gehad om een herhaling van een zedendelict te voorkomen maar dat nagelaten.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij – zij het pas enkele dagen na zijn aanhouding – verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft er voorts blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet. Dat verdachte op andere vlakken al de negatieve gevolgen van zijn daad heeft ervaren, zoals het verlies van zijn baan en het eindigen van zijn relatie, als gevolg waarvan verdachte thans ook niet beschikt over zelfstandige woonruimte, acht de rechtbank echter, anders dan de verdediging, geen omstandigheden waarmee in strafmatigende zin rekening gehouden dient te worden. Deze omstandigheden heeft verdachte simpelweg aan zijn eigen handelen te danken gehad.

Door psycholoog D.M.L. Versteijnen is omtrent de persoon van verdachte een gedragskundig rapport opgemaakt, gedateerd 19 juni 2016. Dit rapport maakt melding dat er bij verdachte sprake is van een neurotische problematiek, waarbij verdachte over onvoldoende vaardigheden beschikt om met negatieve gevoelens om te gaan en in plaats daarvan deze gevoelens wegstopt. Hierdoor ontstaat een opeenstapeling van negatieve emoties, die opeens doorbreken en die verdachte alleen nog maar via seksuele coping kan ontladen. Deze problematiek wordt – aldus de deskundige – ten tijde van zijn handelen niet dusdanig dominant aanwezig geacht dat verdachte hierdoor significant beperkt is in zijn handelen. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde volledig aan verdachte toe te rekenen. Voorts wordt opgemerkt dat wanneer verdachte geen hulp krijgt bij het anders leren hanteren van spanningen en negatieve emoties, zijn voornaamste manier om spanningen te ontladen uit seks bestaat. Nu de spanningen in zijn actuele situatie alleen maar zijn toegenomen door de negatieve gevolgen van het delict, verhoogt dit het recidiverisico en kan dit op lange termijn mogelijk leiden tot hernieuwd grensoverschrijdend seksueel gedrag. Als gepaste afdoening wordt een ambulante forensische behandeling geadviseerd, hetgeen zou kunnen passen in het juridisch kader van een voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 14 juli 2016 van [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij het Leger des Heils. De reclassering sluit zich aan bij het advies van deskundige Versteijnen en adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldplicht en een ambulante behandelverplichting als bijzondere voorwaarden.

De verdachte heeft er blijk van gegeven de noodzaak van een behandeling in te zien en heeft ter terechtzitting aangevoerd alle hulp te willen aanvaarden en zich te zullen houden aan alle voorwaarden die hem worden gesteld.

De rechtbank kan zich vinden in bovenstaande conclusies en adviezen van de deskundige en de reclasseringswerker en maakt deze tot de hare.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving en uit een oogpunt van vergelding alsmede ter beveiliging van de maatschappij niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur als na te melden. Een taakstraf zou volstrekt geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal de op te leggen gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank ziet geen grond om te veronderstellen dat verdachte in de toekomst in contact zal treden met het slachtoffer, zodat de rechtbank geen contact- en locatieverbod zal opleggen.

Gelet op de aard van het bewezenverklaarde feit, het gegeven dat verdachte eerder ter zake van een zedendelict met politie en justitie in aanraking is gekomen, alsmede de problematiek van verdachte zoals die uit de aangehaalde rapporten blijkt, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank zal met de op te leggen straf een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank acht tot slot – anders dan de officier van justitie – geen termen aanwezig om de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De daartoe strekkende vordering van de officier van justitie zal daarom worden afgewezen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten aanzien van de volgende posten de na te noemen verweren gevoerd.

Kleding:

De benadeelde partij heeft geen schade geleden, nu de inbeslaggenomen kleren aan haar geretourneerd zullen worden. De opgevoerde schade dient afgewezen te worden.

Reiskosten schoolvervoer:

De vervoersmaatschappij heeft een alternatieve oplossing aangedragen voor de vervoer van de benadeelde partij naar haar school en vice versa. De ouders hebben echter bewust de keuze gemaakt om de benadeelde partij zelf naar school te brengen en ook weer op te halen, zodat deze extra gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Gederfde inkomsten:

Uit de onderbouwing van deze schadepost blijkt niet dat de moeder van de benadeelde partij niet uitbetaald is voor de dag die zij afwezig was in verband met het studioverhoor van de benadeelde partij, zodat de opgevoerde schade afgewezen dient te worden.

Reiskosten in verband met strafzaak:

De kosten die zien op het bezoek aan de advocaat kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen en dient afgewezen te worden.

Immateriële schade:

Het gevorderde schadebedrag komt bovenmatig voor. Een vergoeding van € 750,- is redelijk en billijk.

Beoordeling. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de opgevoerde schade ter zake van de post “reiskosten schoolvervoer” niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ondanks het door de vervoersmaatschappij aangedragen vervoersalternatief, welk alternatief de rechtbank redelijk voorkomt, hebben de ouders van de benadeelde partij de keuze gemaakt om hun dochter zelf naar school te brengen en weer op te halen. Nu een deugdelijk alternatief voorhanden was, terwijl bij keuze voor dit alternatief de thans gevorderde kosten niet zouden zijn gemaakt, komt de desbetreffende schadepost niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank acht de overige opgevoerde materiële schade anders dan de raadsman wel voor toewijzing vatbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is het goed denkbaar dat het bezwaarlijk is voor de benadeelde partij om de kleding – die zij ten tijde van het delict heeft gedragen – nog te dragen. Daarmee is aannemelijk dat de benadeelde partij de in verband met die kleding gevorderde schade heeft geleden. De reiskosten die de ouders van de benadeelde partij gemaakt hebben ten behoeve van het bezoek aan de advocaat komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt ook voor de opgevoerde schade ter zake van gederfde inkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schade voldoende onderbouwd. De gevorderde schade kan daarmee worden toegewezen tot een bedrag van

€ 258,-.

De rechtbank acht het gevorderde aan immateriële schade bovenmatig. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, in het bijzonder de bedragen die in soortgelijke zedenzaken in het verleden in rechte zijn toegekend, acht de rechtbank toewijzing van een bedrag van € 750,- redelijk en billijk.

Het toegewezen bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 27, 36f, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

met iemand van wie hij weet dat die aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden ontuchtige handelingen plegen, terwijl verdachte het feit begaat tegen een minderjarige die aan zijn zorg of waakzaamheid is toevertrouwd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

 een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zich zal melden bij de reclassering van het Leger des Heils [Dr. Cuijperslaan 80, 5623 BB te Eindhoven, telefoonnummer: [nummer] en zich daarna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich voor zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag ambulant zal laten behandelen bij [instelling] of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    proactief mee zal werken aan de geïndiceerde behandeling en zich in het kader van de meldplicht begeleidbaar en controleerbaar op zal stellen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch [uit te voeren door Leger des Heils, Dr. Cuijperslaan 80, 5623 BB te Eindhoven], opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1008,00 subsidiair 20 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1008,- (zegge: éénduizendacht euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 258,- als materiële schadevergoeding (posten kleding, reiskosten strafzaak, telefoonkosten en gederfde inkomsten) en uit een bedrag van EUR 750,- als immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van EUR 1008,- (zegge: éénduizendacht euro). Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 258,- ter zake van een materiële schadevergoeding (posten kleding, reiskosten strafzaak, telefoonkosten en gederfde inkomsten) en uit een bedrag van EUR 750,- als immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. T. van de Woestijne leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 17 augustus 2016.

mr. E.C.P.M. Valckx is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.