Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4439

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
16_239
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Herziening en terugvordering, schending inlichtingenplicht. Boete. Grove schuld aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/221

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/239 en SHE 16/1187

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 augustus 2016 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best, verweerder

(gemachtigden: drs. M. van Rooij en A. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de maanden april 2008, juni 2008, januari 2009, september tot en met december 2009, februari 2010 tot en met mei 2010, juli 2010 tot en met oktober 2010, februari 2011, maart 2011, mei 2011, november 2011, april 2012, april 2013, juli 2013, september 2013 en oktober 2013 en de teveel betaalde bijstand ter hoogte van € 9.929,53 bruto van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 24 november 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 3.019,49.

Bij besluit van 24 december 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 25 januari 2016 tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 22 februari 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II gegrond verklaard, dat besluit herroepen en een boete aan eiser opgelegd van € 2.502,00.

Eiser heeft op 8 april 2016 tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

De zaken zijn op de zitting van 2 augustus 2016 gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mevrouw [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser en zijn echtgenote [persoon 2] ontvangen sinds 11 april 2008 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Bij de aanvraag hebben eiser en zijn echtgenote één bankrekening opgegeven: met nummer [nummer 1] (hierna: (999)).

1.2

Verweerder heeft in 2013 een signaal ontvangen dat er meerdere bankrekeningen op naam van eiser of zijn echtgenote stonden geregistreerd. Verweerder heeft daarop een heronderzoek gedaan. In het kader van dat heronderzoek is eiser bij brief van 14 oktober 2013 uitgenodigd voor een gesprek met verweerder op 23 oktober 2013 en verzocht om afschriften van de bankrekeningen [nummer 2] (088) van de ABN AMRO en [nummer 3] (579) van de SNS over te leggen.

1.3

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 29 oktober 2013 aan eiser afschriften gevraagd van de bankrekeningen (088), (579) en [nummer 4] (800) van de ING.

1.4

Op het Hercontroleformulier dat door eiser en zijn echtgenote is ondertekend en gedagtekend op 27 november 2013 hebben eiser en zijn echtgenote bij punt 9 als bankrekening enkel opgegeven rekening (999).

1.5

Bij brief van 25 november 2013 heeft verweerder aan eiser afschriften gevraagd van de bankrekeningen [nummer 5] (292) van de ING op naam van [persoon 3] , [nummer 6] (446) van de ING op naam van [persoon 4] en [nummer 7] (573) op naam van
[persoon 5] .

1.6

Bij brief van 9 december 2013 heeft verweerder eiser nogmaals gevraagd om afschriften van alle bankrekeningen over te leggen.

1.7

Bij brief van 19 december 2013 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser opgeschort met ingang van 17 december 2013 omdat hij niet aan zijn inlichtingenplicht zou hebben voldaan, door niet alle, in de brief van 9 december 2013, gevraagde gegevens over te leggen.

1.8

Bij brief van 14 januari 2014 is eiser gevraagd een aantal ontbrekende gegevens, van de hiervoor genoemde bankrekeningen en van bankrekening [nummer 8] (605) van de ING over te leggen.

1.9

Bij brief van 27 november 2014 heeft verweerder aan eiser gevraagd om afschriften van of informatie over de rekeningnummers (605), [nummer 9] (440), [nummer 10] (373) op naam van [persoon 6] , [nummer 11] (302) en [nummer 12] (900) op naam van [persoon 7] .

1.10

Op 14 april 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden met eiser, waar is gesproken over stortingen en bijschrijvingen op eisers bankrekeningen. Hiervan is een gespreksverslag opgemaakt.

1.11

Bij brief van 3 juni 2015 heeft verweerder eiser geïnformeerd over de conclusie van het heronderzoek. Volgens verweerder heeft eiser nog steeds recht op een bijstandsuitkering en blijft de hoogte van de bijstand onveranderd. De verklaringen van eiser tijdens het gesprek van 14 april 2015 over de stortingen en bijschrijvingen op zijn rekening acht verweerder echter niet plausibel. Verweerder heeft eiser tot uiterlijk 21 april 2015 de mogelijkheid geboden om bewijsstukken aan te leveren waaruit blijkt wat de herkomst is van de stortingen en bijschrijvingen.

1.12

Eiser heeft bij brief van 21 april 2015 aangegeven dat de stortingen over de periode april 2008 tot eind 2009 afkomstig zijn van een lening van de Stadsbank Eindhoven via de gemeente Best.

1.13

Verweerder heeft de uitkering van eiser en zijn echtgenote daarop bij primair besluit I deels herzien en de te veel toegekende bijstandsuitkering teruggevorderd. Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit II een boete opgelegd aan eiser en zijn echtgenote.

De herziening en de terugvordering

Bestreden besluit I

2. Het bestreden besluit I berust op het standpunt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet alle bankrekeningen en de daarbij behorende stortingen en bijschrijvingen aan verweerder door te geven, terwijl hij daartoe wettelijk was verplicht en had moeten weten dat de stortingen en bijschrijvingen op deze bankrekeningen van invloed konden zijn op zijn bijstandsuitkering. Bij de aanvraag van de bijstandsuitkering is slechts één bankrekening opgegeven. Eiser heeft de andere bankrekeningen niet vermeld bij de aanvraag en ook niet op het Hercontroleformulier in 2013 terwijl daarin wel is gevraagd naar alle bankrekeningen. Eiser heeft volgens verweerder ook in bezwaar voor de door verweerder genoemde kasstortingen en bijschrijvingen geen aannemelijke verklaring kunnen geven, terwijl eiser voldoende gelegenheid is geboden om met plausibele verklaringen en bewijsstukken te komen. Dat eiser de lening van de Stadsbank Eindhoven heeft gekregen in de vorm van cheques die hij contant heeft verzilverd bij de Rabobank en dat hij het aldus ontvangen bedrag thuis heeft bewaard is volgens verweerder geen afdoende verklaring voor de stortingen op zijn rekeningen. Onduidelijk is wat de herkomst is van de stortingen. Als een deel van de lening is uitgegeven aan de inrichting van zijn woning, zoals eiser heeft verklaard, kan dat bedrag volgens verweerder niet vervolgens als storting terugkomen op zijn rekening. Verweerder is van mening dat de kasstortingen en de bijschrijvingen zijn aan te merken als inkomsten als bedoeld in artikel 32 van de Pw. Verweerder heeft de uitkering van eiser en zijn echtgenote herzien in de maanden waarin de kasstortingen en bijschrijvingen zijn gedaan.

3. Eiser is van mening dat geen sprake is van stortingen die niet te verantwoorden zijn en evenmin van verzwegen inkomen. Zijns inziens is hij er voldoende in geslaagd de bedragen te verantwoorden. Eiser beroept zich verder op de zogeheten zes maanden-jurisprudentie.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

6. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend.

7. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Pw wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

8. Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand of trekt deze in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

9. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

Ingevolge het achtste lid van dit artikel kan het college besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Rechtspraak over bankrekeningen en inkomen in de zin van artikel 2 Pw

10. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:797) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen.

11. Naar eveneens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:704, en 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

Opgegeven bankrekeningen en schending van de inlichtingenplicht

12. Niet in geschil is dat eiser en zijn echtgenote bij de bijstandsaanvraag in 2008 alleen rekening (999) hebben opgegeven. Evenmin is in geschil dat eiser en zijn echtgenote op het Hercontroleformulier van 27 november 2013 ook alleen rekening (999) hebben vermeld.

13. Verweerder stelt dat eiser en zijn echtgenote ook andere rekeningen op hun naam of op naam van hun kinderen hebben gehad en deze rekeningen niet hebben gemeld aan verweerder.

14. Volgens verweerder hebben eiser, zijn echtgenote of de kinderen de volgende rekeningen op hun naam hebben gehad.

1Rekening (999) door eiser en zijn echtgenote opgegeven bij de aanvraag.

2Rekening (800) op naam van de echtgenote, geopend in 2004, dus vóór de bijstandsaanvraag maar nooit aan verweerder gemeld. Verweerder heeft aangegeven dat deze rekening is gebruikt bij de hierna te bespreken kasstortingen of bijschrijvingen.

3Rekening (688) op naam van eiser, geopend vóór de aanvraag op 27 april 2006 maar nooit aan verweerder gemeld. Verweerder heeft aangegeven dat deze rekening is gebruikt bij de hierna te bespreken kasstortingen of bijschrijvingen.

4Rekening (807) die al bij de aanvraag op naam van eiser stond maar nooit aan verweerder is gemeld. De rekening is opgeheven per 30 oktober 2013. Verweerder heeft aangegeven dat deze rekening is gebruikt bij de hierna te bespreken kasstortingen of bijschrijvingen.

5. Rekening (579) die al bij de aanvraag op naam van eiser stond maar nooit aan verweerder is gemeld. De rekening is opgeheven op 29 december 2013. Verweerder heeft aangegeven dat op deze rekening geen onverklaarbare transacties hebben plaatsgevonden.

6Rekening (900) die al bij de aanvraag op naam van de echtgenote stond maar nooit aan verweerder is gemeld. Deze rekening is opgeheven op 17 juni 2010. Verweerder heeft aangegeven dat op deze rekening geen onverklaarbare transacties hebben plaatsgevonden.

7Rekening (440) op naam van eiser. Deze rekening is geopend op 22 december 2008 en nooit aan verweerder gemeld. Verweerder heeft aangegeven dat deze rekening is gebruikt bij de hierna te bespreken kasstortingen of bijschrijvingen.

8Betaalrekening (605) op naam van eiser die is geopend op 19 april 2010 maar nooit aan verweerder is gemeld. De rekening is opgeheven op 11 september 2012 en verweerder heeft aangegeven dat deze rekening is gebruikt bij de hierna te bespreken kasstortingen of bijschrijvingen.

9Spaarrekening (605) op naam van eiser die is geopend op 19 april 2010 maar nooit aan verweerder is gemeld. De rekening is opgeheven op 30 december 2011. Verweerder heeft aangegeven dat op deze rekening geen onverklaarbare transacties hebben plaatsgevonden.

10Rekening (373) op naam van [persoon 6] (kind van eiser geboren in 1999). De rekening is geopend op 22 april 2010 en nooit gemeld aan verweerder. Verweerder heeft aangegeven dat deze rekening is gebruikt bij de hierna te bespreken kasstortingen of bijschrijvingen.

11. Rekening (573) op naam van [persoon 7] (kind van eiser geboren in 1998). De rekening is geopend in oktober 2012 en nooit gemeld aan verweerder. Verweerder heeft aangegeven dat op deze rekening geen onverklaarbare transacties hebben plaatsgevonden.

12.Rekening (446) op naam van [persoon 8] (kind van eiser geboren in 2001) en geopend op 30 december 2012. Deze rekening is nooit gemeld aan verweerder. Verweerder heeft aangegeven dat op deze rekening geen onverklaarbare transacties hebben plaatsgevonden.

13. Rekening (292) op naam van [persoon 3] (kind van eiser geboren in 2004) en eveneens geopend op 30 december 2012 en nooit aan verweerder gemeld. Verweerder heeft aangegeven dat op deze rekening geen onverklaarbare transacties hebben plaatsgevonden.

15. Eiser heeft niet betwist dat voormelde rekeningen gedurende de door verweerder gestelde periode op naam van hem, zijn echtgenote of hun kinderen hebben gestaan. Eiser heeft ter zitting wel aangevoerd dat hij in 2010 al melding heeft gemaakt van twee (van deze) rekeningen. Verweerder heeft dit ter zitting betwist. Nu eiser deze voor het eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling in het geheel niet heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2010 al heeft gemeld over nog twee andere bankrekeningen te beschikken.

16. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande vast staat dat eiser bij verweerder niet heeft gemeld dat hij, zijn echtgenote of hun kinderen nog andere bankrekeningen hadden dan de bij de aanvraag en het Hercontroleformulier vermelde rekening (999). Bankrekeningen zijn onmiskenbaar van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Naar het oordeel van de rechtbank moet dit ook voor eiser duidelijk zijn geweest. Door de overige bankrekeningen niet te melden heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank de inlichtingenplicht van artikel 17 van de Pw geschonden.

Kasstortingen

17. Niet in geschil is dat sprake is geweest van de volgende kasstortingen.

1Op 14 april 2008 twee kasstortingen op rekening (807) voor € 200,00 en € 370,00.

2Op 18 juni 2008 voor € 200,00 op rekening (807).

3Op 5 januari 2009 voor € 500,00 op rekening (440).

4Op 21 augustus 2009 voor € 50,00 op rekening (440).

5Op 21 augustus 2009 voor € 50,00 op rekening (800).

6Op 20 september 2009 voor € 250,00 op rekening (440).

7Op 22 september 2009 voor € 120,00 op rekening (440).

8Op 7 oktober 2009 voor € 130,00 op rekening (440).

9Op 12 oktober 2009 voor € 150,00 op rekening (440).

10Op 27 november 2009 voor € 570,00 op rekening (440).

11Op 14 december 2009 voor € 200,00 op rekening (440).

12Op 3 mei 2010 voor € 200,00 op rekening (605).

13Op 20 mei 2010 voor € 200,00 op rekening (605).

14Op 21 februari 2011 voor € 280,00 op rekening (440).

15Op 21 maart 2011 voor € 270,00 op rekening (440).

16Op 16 mei 2011 voor € 100,00 op rekening (800).

17Op 4 november 2011 voor € 280,00 op rekening (440).

18Op 5 april 2012 voor € 240,00 op rekening (440).

19Op 9 juli 2013 voor € 200,00 op rekening (999).

20Op 17 juli 2013 voor € 300,00 op rekening (440).

21Op 17 juli 2013 voor € 50,00 op rekening (999).

18. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de kasstortingen van 14 april 2008 zien op een lening die hij van de Stadsbank heeft gekregen voor een bedrag van € 7.627,00 bedoeld voor het inrichten van zijn huis nadat hij uit de asielopvang kwam. Dat bedrag heeft hij in de vorm van cheques gekregen en die cheques heeft hij in twee termijnen verzilverd waarbij hij het totale bedrag contant in handen kreeg. Dat geld heeft hij thuis bewaard en gebruikt als hij het nodig had. De kasstortingen zouden daarmee verband houden.

19. De rechtbank volgt eiser niet in die stelling nu verweerder er terecht op heeft gewezen dat gelet op de gedingstukken moet worden aangenomen dat bedoelde lening op zijn vroegst in mei 2008 ter beschikking is gesteld zodat de kasstortingen van 14 april 2008 niet kunnen zijn gedaan met gelden afkomstig van die lening.

20. Eiser heeft ter zitting voorts gesteld dat de verklaring voor de overige kasstortingen is dat eiser en zijn echtgenote de bedragen die zij ontvangen aan kinderbijslag en toeslagen contant opnemen vrijwel onmiddellijk nadat die bedragen op de rekening zijn bijgeschreven. Met die contant opgenomen bedragen worden (contante) betalingen gedaan maar (delen van) die bedragen worden ook wel weer gestort op (andere) rekeningen van eiser en zijn echtgenote om zo per bank betalingen te kunnen doen. Eiser en zijn echtgenote doen dit om zelf te kunnen bepalen in welke volgorde openstaande rekeningen worden betaald. Mevrouw [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) heeft toegelicht dat dit vaker voorkomt bij mensen met een ‘krap budget’ die zo toch een zekere macht over hun betalingen houden en minder worden getroffen door automatische incasso’s. [persoon 1] heeft ter zitting een door haar opgesteld overzicht met data waarop de bedragen aan kinderbijslag en toeslagen contant zouden zijn opgenomen, toegelicht.

21. Verweerder heeft daarop ter zitting aangegeven eiser wel te willen volgen in zijn stelling dat de bedragen die aan kinderbijslag en toeslagen worden ontvangen vrijwel direct contant worden opgenomen. Verweerder blijft zich echter op het standpunt stellen dat de herkomst van de overige kasstortingen onduidelijk blijft.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de herkomst van de overige kasstortingen onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat eiser en zijn echtgenote de kinderbijslag en de toeslagen vrijwel direct na ontvangst contant opnamen acht de rechtbank, ook als het overzicht van [persoon 1] daarbij wordt betrokken, onvoldoende voor de conclusie dat de kasstortingen zijn gedaan met het geld dat eiser en zijn echtgenote eerder hebben opgenomen. Eiser heeft ook geen verdere onderbouwing voor zijn stelling gegeven, zoals een overzicht waaruit blijkt dat de opgenomen bedragen aan kinderbijslag en toeslagen corresponderen met de bedragen van de kasstortingen. Voorts geldt dat [persoon 1] ter zitting heeft verklaard dat eiser ook geen verdere onderbouwing kan geven voor zijn stelling dat de overige kasstortingen verband hielden met de direct opgenomen kinderbijslag en toeslagen.

23. Uit het voorgaande volgt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft aangenomen dat eiser de herkomst van de hiervoor vermelde kasstortingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft deze kasstortingen dan ook terecht aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32 van de Pw over de maanden waarin de kasstortingen hebben plaatsgevonden. Hierbij is mede van belang dat eiser de beschikking had over de bedragen en deze direct heeft kunnen aanwenden voor het dagelijkse levensonderhoud.

Bijschrijvingen

24. Niet in geschil is verder dat sprake is geweest van de volgende bijschrijvingen.

1Op 14 september 2009 voor € 10,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 9] .

2Op 22 februari 2009 voor € 25,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 9] .

3Op 22 maart 2010 voor € 200,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 10] .

4Op 26 maart 2010 voor € 200,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 11] .

5Op 21 april 2010 voor € 20,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 10] .

6Op 21 april 2010 voor € 40,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 10] .

7Op 5 juli 2010 voor € 10,00 op rekening (605) afkomstig van [persoon 9] .

8Op 29 juli 2010 voor € 200,00 op rekening (605) afkomstig van [persoon 11] .

9Op 6 augustus 2010 voor € 30,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 10] .

10Op 23 augustus 2010 voor € 200,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 12] .

11Op 30 augustus 2010 voor € 400,00 op rekening (605) afkomstig van [persoon 11] .

12Op 29 september 2010 voor € 50,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 9] .

13Op 14 oktober 2010 voor € 150,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 10] .

14Op 3 april 2013 voor € 30,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 13] .

15Op 27 september 2013 voor € 25,00 op rekening (440) afkomstig van [persoon 14] .

25. Eiser heeft gesteld dat deze bijschrijvingen zien op bij een winkel in tweedehands spullen gedane voorschotten. Ook zou het gaan om bedragen die eiser terug heeft ontvangen omdat een bedrag dat hij voor een operatie voor zijn zus ter beschikking had gesteld, weer werd teruggegeven. Voor deze stellingen heeft eiser echter geen enkele onderbouwing gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat onduidelijk is gebleven wat de achtergrond is van deze bijschrijvingen. Verweerder heeft ook deze bijschrijvingen terecht als inkomen in de zin van artikel 32 van de Pw aangemerkt over de maanden waarin de bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Hierbij is van belang dat eiser de beschikking had over de bedragen en deze direct heeft kunnen aanwenden voor het dagelijkse levensonderhoud.

Conclusie voor het besluit tot herziening en terugvordering (bestreden besluit I)

26. Nu sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Pw was verweerder gelet op het voorgaande, gehouden de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw over de perioden waarin de kasstortingen en bijschrijvingen zijn gedaan, te herzien. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van herziening.

27. Het voorgaande betekent dat verweerder eveneens gehouden was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Pw de teveel aan eiser verleende bijstand terug te vorderen. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is niet gebleken.

28. Het betoog van eiser dat de zogenaamde zesmaanden-jurisprudentie van toepassing is nu de diverse heronderzoeken eerder niet hebben geleid tot wijziging van het recht op bijstand, slaag niet. De zesmaanden-jurisprudentie (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2011:BU8610) houdt in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd wordt beperkt indien het bestuursorgaan geen, onvoldoende of niet tijdig actie heeft ondernomen op een verkregen, voldoende concreet signaal dat (mogelijk) te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt en het bedrag van de ten onrechte verleende uitkering onnodig is opgelopen. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan dan geen gebruik meer worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

29. Op de zesmaanden-jurisprudentie kan echter naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BR0419) geen beroep kan worden gedaan voor zover betrokkene zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden is reeds op die grond geen plaats voor toepassing van de zesmaanden-jurisprudentie.

30. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij het bestreden besluit I de herziening en terugvordering dan ook terecht gehandhaafd. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I is dan ook ongegrond.

31. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De boete

Bestreden besluit II

32. Bij brief van 17 september 2015 heeft verweerder aan eiser meegedeeld voornemens te zijn een boete op te leggen omdat eiser heeft verzuimd uit eigen beweging te melden dat hij beschikte over bankrekeningen waar meerdere stortingen op hebben plaatsgevonden. Aan eiser is de gelegenheid geboden om hierop te reageren. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door een mondelinge toelichting te geven bij verweerder op 10 november 2015. Eiser heeft daar verklaard dat hem bij zijn bijstandsaanvraag niet duidelijk is gemaakt dat hij een inlichtingenplicht had, dat hij niet wist dat hij alle gegevens over moest leggen en dat hij niet opzettelijk heeft gehandeld. De heer Van Diederen van Vluchtelingenwerk Nederland heeft hem destijds geholpen bij zijn aanvraag. Eiser heeft verklaard dat hij pas bij de start van het laatste heronderzoek in 2014 bekend was met de inlichtingenplicht. Verder heeft eiser verklaard dat hij niet wist dat hij de rekeningen van zijn kinderen, rekeningen met een negatief saldo en lang niet gebruikte rekeningen moest melden. Voorts verklaarde eiser dat hij cheques heeft ontvangen voor de lening van de Stadsbank Eindhoven voor de kosten voor het inrichten van zijn woning. Dat geld heeft hij contant geïnd en vervolgens weer gestort. Tevens heeft eiser aangegeven dat hij het niet eens is met de boete en daarvan psychische druk ervaart.

33. Naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit II heeft verweerder de boete in het bestreden besluit II gematigd tot € 2.502,00. Verweerder heeft dit gedaan naar aanleiding van een vijftal uitspraken van de CRvB van 11 januari 2016 (zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2016:12) waarin is overwogen dat de boete zo moet worden vastgesteld dat een betrokkene deze binnen een redelijke termijn kan betalen, waarbij voor de mate van verwijtbaarheid, die verweerder ernstiger acht dan ‘gewone’ verwijtbaarheid - namelijk grove schuld - een termijn van 18 maanden geldt waarbinnen de betrokkene in staat moet zijn de boete te kunnen betalen. Voorts is in voornoemde uitspraken overwogen dat de boete dient te worden gebaseerd op 10% van de geldende bijstandsnorm. Verweerder heeft de boete met in achtneming van die uitspraken als volgt opnieuw berekend: de norm van gehuwden is € 1.389,57 per maand, daarvan 10% is € 139,00 (afgerond) per maand vermenigvuldigd met 18 maanden, vanwege grove schuld, wat neerkomt op een boete van

€ 2.502,00. De stelling van eiser dat hij niet wist dat hij de rekeningen van zijn kinderen, de rekeningen met een negatief saldo en de niet gebruikte rekening ook moest melden, volgt verweerder niet. Dat eiser psychische druk ervaart door zijn financiële situatie en daarnaast last heeft van reuma, is volgens verweerder geen reden voor matiging van de boete omdat niet is gebleken dat eiser als gevolg van de psychische druk en reuma niet in staat was om melding te maken van de bankrekeningen die hij dan wel zijn partner (en kinderen) op hun naam hadden staan. Voorts ziet verweerder geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten van het gemaakte bezwaar ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu het primaire besluit wordt herroepen wegens een niet aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Immers de herroeping is het gevolg van nieuwe jurisprudentie, daterend na het bestreden besluit.

34. Eiser brengt tegen het bestreden besluit II in dat verweerder ten onrechte de bijstandsuitkering heeft herzien en teruggevorderd en daarom ten onrechte een boete heeft opgelegd. Verder heeft verweerder volgens eiser niet onderbouwd dat sprake is van meer dan ‘gewone’ verwijtbaarheid, dus van grove schuld.

35. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

36. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

37. Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

38. Op grond van het tweede lid wordt in dit artikel onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

39. Op grond van het zevende lid kan het college:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen

aanwezig zijn.

40. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 16 geoordeeld dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Hiertoe is overwogen dat eiser bij zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering noch bij het Hercontroleformulier van 27 november 2013 melding heeft gemaakt van zijn bankrekeningen behoudens de bankrekening die hij bij zijn aanvraag voor bijstand in april 2008 al had opgegeven en evenmin van de stortingen op die bankrekeningen, terwijl hij had moeten begrijpen dat dit van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand. Nu eiser verweerder hierover niet heeft ingelicht heeft hij de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden. Het primaire standpunt van eiser, dat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden en dat dus ten onrechte een boete is opgelegd, slaagt dan ook niet.

41. Vanwege de schending van de inlichtingenplicht was verweerder gehouden aan eiser een bestuurlijke boete op te leggen.

42. Uit de rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraken van 24 november 2014 en 25 maart 2015 ECLI:NL:CRVB:2014:3754 en ECLI:NL:CRVB:2015:1801) volgt dat de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving niet voorziet in een volledig gefixeerde boete, zodat de beoordeling van de boetehoogte dient plaats te vinden op basis van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Het ligt volgens deze uitspraken van de CRvB in de rede om alleen ten aanzien van overtreders, wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, 100% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid, dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt.

43. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is sprake van ‘gewone verwijtbaarheid’ en is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid van overtreders. Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal verder moeten worden bezien of sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Uit deze uitgangspunten, die in acht moeten worden genomen bij de toetsing van bestuurlijke boetes en de daaraan gekoppelde differentiatie in percentages van het benadelingsbedrag, volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij “gewone” verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van een ernstiger mate van verwijtbaarheid, namelijk als van opzet (100%) of grove schuld (75%) sprake is. Onder opzet in dit verband wordt verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

Aangezien opzet en grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van het percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

44. Uit voormelde rechtspraak van de CRvB volgt dus dat “gewone verwijtbaarheid” het uitgangspunt is met een daarbij behorende boete van 50% van het benadelingsbedrag. Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van grove schuld ligt het op de weg van verweerder om dat aan te tonen.

45. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd. Vast staat immers dat eiser bij de aanvraag slechts één rekening heeft opgegeven terwijl hij en zijn echtgenote toen al over meerdere rekeningen beschikten. Ook op het Hercontroleformulier heeft eiser slechts één rekening opgegeven - dezelfde die hij bij de aanvraag had vermeld - terwijl hij en zijn echtgenote en zijn kinderen op dat moment ook andere bankrekeningen op hun naam hadden staan. Die andere bankrekeningen hebben eiser en zijn echtgenote niet op het Hercontroleformulier vermeld terwijl daar wel expliciet wordt gevraagd om alle bankrekeningen op te geven en dat Hercontroleformulier ook ruimte heeft om meerdere bankrekeningen te vermelden. Verder hebben eiser en zijn echtgenote geen melding gemaakt van de kasstortingen en bijschrijvingen op de op hun naam staande rekeningen. Bankrekeningen zijn onmiskenbaar van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand en dat moet eiser naar het oordeel van de rechtbank duidelijk zijn geweest. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiser dat hij bij de aanvraag is geholpen door Van Diederen van Vluchtelingenwerk acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat het eiser bij de aanvraag niet duidelijk was dat hij ook de andere bankrekeningen moest melden. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser in het verleden inkomsten uit arbeid wel heeft doorgegeven en daarmee blijk heeft gegeven op de hoogte te zijn van de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw.

46. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in dit geval heeft mogen uitgaan van méér dan ‘gewone’ verwijtbaarheid namelijk van grove schuld. Verweerder heeft daarmee terecht een boete van 75% van het benadelingsbedrag opgelegd. Van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een boete is niet gebleken.

47. Het beroep tegen het bestreden besluit II is dus eveneens ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, voorzitter, mr. M. Van 't Klooster en

mr. S.D.M. Michael, leden, in aanwezigheid van mr. T. Proudian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.