Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4379

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
16 _ 896
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1355, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Misbruik van procesrecht aangenomen vanwege grote hoeveelheid Wob-verzoeken in combinatie met diverse bijkomende omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat het indienen van Wob-verzoeken niet is bedoeld om het ongenoegen over een bestuursorgaan te uiten.

Wetsverwijzingen
Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 3.3, geldigheid: 1997-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/896

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder

(gemachtigden: mr. N.N. Bontje, mr. E.C. Pietermaat, N. Laagland en S. Philipse)

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een deel van de door eiseres ingediende verzoeken om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep dateren van 16 maart 2016.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 mei 2016 heeft eiseres een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Verweerder heeft op 29 juli 2015 5 verzoeken, op 31 juli 2015 15 verzoeken, op 13 augustus 2015 15 verzoeken, op 19 augustus 2015 6 verzoeken en op 21 augustus 2015 4 verzoeken, in totaal 45 verzoeken om informatie van eiseres ontvangen.

Bij het primaire besluit heeft verweerder ten aanzien van 42 van de hierboven genoemde 45 verzoeken om informatie geconcludeerd dat sprake is van misbruik van recht. Ten aanzien van de drie overige verzoeken heeft verweerder opgemerkt dat deze inhoudelijk behandeld zullen worden en dat hierover afzonderlijke besluiten zullen worden genomen.

Tegen het primaire besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 2 februari 2016, op het standpunt gesteld dat het aantal door eiseres ingediende verzoeken om informatie in combinatie met de overige geschetste feiten en omstandigheden leidt tot de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.

3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat geen sprake is van misbruik van recht, maar dat het juist verweerder is die misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

4. De rechtbank stelt voorop dat bevoegdheden kunnen worden misbruikt. Artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt daarover: een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Artikel 3:13 van het BW is ingevolge artikel 3:15 van het BW ook van toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) verzet de bestuursrechtelijke aard van een rechtsbetrekking zich niet tegen toepassing van deze regel, die wordt bevestigd door de artikelen 3:3 en 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin voor bestuursorganen soortgelijke normen zijn neergelegd. Bovendien liggen soortgelijke normen (ook voor particulieren) besloten in artikel 6:15, derde lid, artikel 8:18, vierde lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, welke bepalingen voorzien in sancties in geval van misbruik van bestuursprocesrechtelijke bevoegdheden.

5. Gelet op het voorgaande, kan ingevolge artikel 3:13 van het BW, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een dergelijk beroep (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129).

6. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet‑ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer ver strekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt, die een burger in de regel niet heeft. Dergelijke zwaarwichtige gronden kunnen volgens onder meer de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling aanwezig zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of zijn aangewend voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen levert op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Hoewel de indiener van een Wob-verzoek ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob, geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat dit onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie, en dat misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat, voor zover in deze zaak aan de orde, verweerder van eiseres in de periode van 29 juli 2015 tot en met 21 augustus 2015, dus in een tijdsbestek van 23 dagen, 45 verzoeken om informatie heeft ontvangen. Ook voor en na deze periode heeft eiseres grote hoeveelheden Wob-verzoeken en daaraan gerelateerde correspondentie bij verweerder ingediend. Eiseres heeft verklaard dat zij al deze Wob-verzoeken en daaraan gerelateerde correspondentie heeft ingediend om misstanden binnen de gemeente aan de orde te stellen en die te openbaren na dossiervorming. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik van recht, laat de rechtbank in het midden of sprake is van de door eiseres gestelde misstanden bij de gemeente. Zelfs als sprake zou zijn van de door eiseres gestelde misstanden, moet worden beoordeeld of de handelwijze van eiseres bij het indienen van de Wob-verzoeken en daaraan gerelateerde correspondentie en het vervolgens aanwenden van rechtsmiddelen tegen de besluiten van verweerder over deze verzoeken tot het oordeel leidt dat sprake is van misbruik van recht. In dit verband acht de rechtbank naast het grote aantal Wob-verzoeken dat eiseres binnen een kort tijdsbestek heeft ingediend, de volgende omstandigheden van belang.

8. Eiseres heeft herhaaldelijk een Wob-verzoek over een bepaald onderwerp gesplitst in aparte verzoeken voor ieder jaar. Zo heeft zij tien losse Wob-verzoeken ingediend over “procedures bij de bestuursrechter inzake geschillen aangaande WOZ bepaling en heffing” en acht losse Wob-verzoeken over “besluitvorming inzake alle boetes die u uitschreef aangaande honden”. Ieder verzoek ziet op een ander jaar. Volgens eiseres heeft zij tegenstrijdige berichten ontvangen van verweerder over de wenselijkheid om Wob-verzoeken al dan niet per tijdvlak uit te splitsen. Uit de brief die verweerder hierover aan eiseres heeft gezonden, maakt de rechtbank echter op dat verweerder heeft verzocht om ruim geformuleerde Wob-verzoeken te specificeren. Als voorbeeld is genoemd om verzoeken te specificeren in tijd. In zijn verweerschrift heeft verweerder terecht opgemerkt dat uit zijn brief niet kan worden opgemaakt dat eiseres is verzocht om ruim geformuleerde Wob-verzoeken op te splitsen in een grote hoeveelheid Wob-verzoeken, waarin per verzoek om dezelfde hoeveelheid informatie wordt gevraagd, maar dan steeds voor een ander jaar. Ondanks dat eiseres in eerdere procedures hierop is gewezen, is zij doorgegaan met het indienen van afzonderlijke verzoeken per jaar. Door deze handelwijze heeft eiseres ervoor gezorgd dat verweerder met nog meer Wob-verzoeken werd belast, terwijl zij door de eerdere besluiten had kunnen en moeten weten dat het uitsplitsen van een Wob-verzoek over meerdere jaren niet wenselijk was. De rechtbank ziet deze handelwijze als indicatie dat eiseres verweerder bewust heeft belast met nog meer Wob-verzoeken.

9. Voorts heeft eiseres ingebrekestellingen gestuurd met betrekking tot verzoeken die niet bij verweerder bekend waren en heeft zij geweigerd aan het verzoek van verweerder om alsnog een kopie van het verzoek over te leggen, tegemoet te komen. Reeds in een voorgaande procedure met nummer SHE 15/6780 heeft eiseres hierover verklaard dat zij niet in dienst is van de gemeente en dat ook niet ad interim wil worden. In de hier aan de orde zijnde zaak heeft eiseres over dit onderwerp ter zitting desgevraagd verklaard niet in te zijn gegaan op de verzoeken van verweerder, omdat als ze daaraan begint het hek van de dam is en zij verweerder dan een podium geeft om alles nog een keer op te vragen. Ze kan dan steeds opnieuw naar het gemeentehuis, dus daar begint ze niet aan. Bovendien wordt, naar haar eigen zeggen, door verweerder toch alles afgedaan als misbruik van recht. Door op deze manier te reageren op een verzoek om alsnog een kopie over te leggen, heeft eiseres er blijk van gegeven dat het haar niet gaat om het daadwerkelijk verkrijgen en openbaar maken van de gevraagde informatie. Los van de vraag of verweerder had behoren te beschikken over de desbetreffende verzoeken, is het duidelijk dat als verweerder niet beschikt over een Wob-verzoek, het onmogelijk is om hierop te beslissen en dus uitgesloten is dat eiseres de informatie krijgt die zij stelt nodig te hebben voor een onderzoek naar misstanden binnen de gemeente.

10. Verweerder heeft bij zijn standpunt dat sprake is van misbruik van recht gesteld dat eiseres bij het indienen van de Wob-verzoeken en daaraan gerelateerde correspondentie samenwerkt met de heer Gobits, die net als eiseres grote hoeveelheden Wob-verzoeken en daaraan gerelateerde correspondentie bij de gemeente heeft ingediend. Eiseres heeft deze samenwerking ontkend. Of eiseres nu samenwerkt met de heer Gobits of niet, laat de rechtbank in het midden. Wat in elk geval wel kan worden vastgesteld, is dat zij samen een taart hebben laten bezorgen bij de gemeente ter gelegenheid van het indienen van het 1000e Wob-verzoek (waarbij zij dus hun individuele Wob-verzoeken bij elkaar hebben opgeteld) met het volgende gedicht erbij:

“Een hart voor de ambtenaren die zonder

kreunen en steunen wel oprecht en

transparant willen zijn.

Die gewoon hun werk willen doen zonder

van hogerhand opgelegd chagrijn.

En voor de wethouders en WOBine

resten de hartelijke groeten van Ton en

Martine”

Eiseres heeft verklaard dat de taart als wake up-call voor verweerder was bedoeld en als aardige geste voor de baliemedewerkers die altijd aardig zijn. Met verweerder ziet de rechtbank het sturen van de taart voor het 1000e Wob-verzoek als een indicatie dat het eiseres om de hoeveelheid Wob-verzoeken gaat en niet om daadwerkelijk de informatie waarom zij in de Wob-verzoeken vraagt, te verkrijgen en openbaar te maken. Het gedicht heeft bovendien een zekere treiterende ondertoon en ook dit duidt erop dat het eiseres niet is te doen om informatie te verkrijgen, maar om haar ongenoegen over de gang van zaken bij verweerder te uiten.

11. Ook heeft eiseres in een aantal van haar Wob-verzoeken formuleringen gebruikt, die naar het oordeel van de rechtbank beledigend en respectloos zijn. Zo heeft eiseres in haar verzoek van 13 augustus 2015 over het aanleggen van een fietspad onder meer het volgende vermeld:

“(…) In ‘De sleutel’ van 5 augustus 2015 lees ik dat er een actie is voor een breder fietspad langs Kennedybaan Lithoijen – Oss. Ik verwonder mij al vaker welke incompetente stoethaspels fietspaden tekenen en nota bene laten aanleggen. (…)”

In haar verzoek van 13 augustus 2015 over de handhaving ten aanzien van loslopende honden, heeft eiseres onder meer het volgende vermeld:

“(…) Alvorens ik afgescheept wordt met algemeen geldende maar nietszeggende en zeer selectief toegepaste handhavingsprocedures geldend in de gemeente ontvang ik graag in dit kader, via dit Wob-verzoek (…) alle documenten (…) over de besluitvorming inzake alle boetes die u uitschreef aangaande honden (…). Daarnaast ontvang ik graag uw besluitvorming om de man in het gebied (…) met rust te laten en zijn honden gewoon los te laten lopen. (…)”

In het verzoek van eiseres van 18 augustus 2015 over de afhandeling van een klacht staat onder meer het volgende:

“(…) Naar aanleiding van een briefje van de directeur dienst stadsbeleid namens u geschreven met als kenmerk (…) vraag ik mij af waar u in vredesnaam deze prietpraat vandaan haalt en wat u beoogt met zulk een waardeloos schrijven. (…)”

In haar verzoek van 18 augustus 2015 over het vermeende parkeren van een voertuig in het voetgangersgebied heeft eiseres vermeld:

“(…) Al lopende over het Walplein zie ik dat de auto van (…) geparkeerd wordt pal bij het zandsculpturen-glazen-kooitje en (…) uitstapt. Zij gaat bij de Hema naar binnen om boodschappen te doen. (…) Vervolgens stapt ze weer in de auto van (…) en rijdt het voetgangersgebied weer uit. Grappig dat u wederom zo subtiel bent in het handhaven en selectief bent in het afgeven van vergunningen voor geselecteerde bedrijven. In dit kader ontvang ik graag (…) alle documenten (…) over de besluitvorming inzake het afgeven van een parkeer- en rijd vergunning aan (…) voor het lukraak mogen rijden en parkeren in het voetgangersgebied in het centrum. (…)”

In haar verzoek van 21 augustus 2015 over de verkeerssituatie in de Gasstraat heeft eiseres onder meer het volgende vermeld:

“(…) In de ‘Zuiderpost’ wordt weer eens gesproken over de uiterst gevaarlijke situatie die u moedwillig creëerde in de Gasstraat voor de voetgangers die vanuit het zuiden richting station NS lopen. Ongelooflijk dat u zo een belabberde persoon zonder hersens dit heeft laten bedenken/tekenen en erger nog: heeft laten uitvoeren! Kon u niet even verder nadenken dan uw neus lang is hoe het moet zijn voor alle voetgangers en fietsers richting station? (…)”

De rechtbank ziet de toonzetting van de bovengenoemde verzoeken als een sterke indicatie dat het eiseres niet zozeer te doen is om het daadwerkelijk verkrijgen van de gevraagde informatie en deze openbaar te laten zijn voor een ieder, maar veeleer als een manier om haar ongenoegen over de burgemeester, een aantal ambtenaren en de gang van zaken binnen de gemeente te uiten. Daar is een Wob-verzoek niet voor bedoeld.

12. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat het ‘kletspraat’ is dat de hoeveelheid door haar ingediende Wob-verzoeken zorgen voor vertraging in de besluitvorming, nu verweerder slechts drie van haar verzoeken inhoudelijk heeft behandeld. Eiseres gaat er dan echter aan voorbij dat verweerder ook alle andere verzoeken afzonderlijk heeft beoordeeld. In het verweerschrift wijst verweerder er op dat ten aanzien van alle verzoeken is bezien of de gevraagde informatie bij een ander bestuursorgaan berust, ziet op een onderwerp waarbij eiseres een inhoudelijk belang kan hebben, ziet op reeds openbare informatie of dat het moet worden afgewezen wegens misbruik van recht. Gelet op de hoeveelheid verzoeken acht de rechtbank het aannemelijk dat verweerder aan het beoordelen van alle verzoeken van eiseres buitenproportioneel veel tijd heeft moeten besteden.

13. De rechtbank concludeert dat in dit geval sprake is van zwaarwichtige gronden als bedoeld in rechtsoverweging 6 en komt op die grond tot het oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is wegens misbruik van recht. Uit de handelwijze van eiseres blijkt dat het eiseres niet is te doen om de in de Wob-verzoeken gevraagde informatie daadwerkelijk te verkrijgen en openbaar te maken, maar om het ambtelijk apparaat van de gemeente zeer zwaar te belasten en haar ongenoegen over de gang van zaken bij de gemeente te uiten op een uiterst respectloze manier. Zij heeft de bevoegdheid om Wob‑verzoeken in te dienen en rechtsmiddelen aan te wenden dan ook gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld op een wijze die blijk geeft van kwade trouw. Aan de overige beroepsgronden van eiseres wordt niet meer toegekomen.

14. Uit het voorgaande volgt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door eiseres. Dat biedt grond, zoals ook in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is bepaald, om eiseres te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat zij de samenhangende zaken van eiseres, geregistreerd onder de nummers SHE 16/896, SHE 16/897, SHE 16/902 en SHE 16/1428, als één zaak ziet. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,– (1 punt voor het indienen van het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,– en, gelet op het bepaalde in de bijlage bij het Bpb, onder C2, een wegingsfactor 1,5). Het totaal door eiseres te vergoeden bedrag van € 1.488,– wordt gelijkelijk verdeeld over deze vier zaken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt eiseres in de proceskosten tot een bedrag van € 1.488,–, te verdelen over de in rechtsoverweging 14 genoemde vier zaken en te betalen aan verweerder.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, rechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer - Habraken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.