Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4333

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
01/879231-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor het plegen van een overval op de openbare weg wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek, waarvan 72 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarde is daaraan onder meer verbonden dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen. Van het ten laste gelegde medeplegen wordt verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879231-16

Datum uitspraak: 08 augustus 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 mei en 25 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 mei 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 juli 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 25 november 2015 te Schijndel op de openbare weg [straatnaam] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 400 euro, althans een geldbedrag en/of een paspoort, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) - naar het bedrijf van die [slachtoffer 1] is/zijn toegereden en/of die [slachtoffer 1]

- heeft/hebben vastgepakt en/of bij de haren heeft/hebben gepakt en/of

- uit zijn auto heeft/hebben getrokken en/of

- meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of

- de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Wij hebben nog geld van jou te goed, 20.000 euro, en je zorgt maar dat wij dit krijgen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- een mes heeft/hebben getoond en/of met een/dat mes zijn broek heeft/hebben opengesneden;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

Medeplegen.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

[verdachte] heeft verklaard dat hij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gevraagd met hem mee te gaan om verhaal te halen bij slachtoffer [slachtoffer 1] . De bedoeling was om met [slachtoffer 1] te gaan praten en hem duidelijk te maken dat hij zijn schulden moest gaan betalen. [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn gezamenlijk naar Schijndel gereden, met medeverdachte [medeverdachte 1] als bestuurder van de auto. In Schijndel heeft [verdachte] de deur van de auto van [slachtoffer 1] geopend en het slachtoffer [slachtoffer 1] uit de auto getrokken en hem geslagen en geschopt. Vervolgens heeft [verdachte] geld en een paspoort van het slachtoffer weggenomen. Bij het voorval in Schijndel zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de auto geweest. De medeverdachten zouden zich op dat moment afzijdig hebben gehouden.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van het slachtoffer dat hij door twee personen is geslagen en/of geschopt geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende strafdossier komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen kan worden vastgesteld dat [verdachte] het slachtoffer heeft geslagen. [verdachte] verklaart dit zelf en ook de getuigen hebben slechts één persoon in de directe nabijheid van het slachtoffer gezien.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een vooropgezet plan om het slachtoffer te beroven en er was ook geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat

1. hij op 25 november 2015 te Schijndel op de openbare weg [straatnaam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 400 euro, en een paspoort, toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte,

welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat verdachte - naar het bedrijf van die [slachtoffer 1] is/zijn toegereden en die [slachtoffer 1]

- heeft vastgepakt en bij de haren heeft gepakt en

- uit zijn auto heeft getrokken en

- meermalen heeft geslagen en/of gestompt en geschopt en

- de woorden heeft toegevoegd: "Wij hebben nog geld van jou te goed, 20.000 euro, en je zorgt maar dat wij dit krijgen", althans woorden van gelijke aard en strekking, en

- met een mes zijn broek heeft opengesneden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in het rapport van 6 juni 2016 is voorgesteld, waarbij de officier van justitie tevens heeft gevorderd dat voor wat betreft de meldplicht de dadelijke uitvoerbaarheid zal worden opgelegd. Verder verzoekt de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van een mes en de xtc-pillen en teruggave aan verdachte van de rode doos van een shagmerk.

De officier van justitie verzoekt om de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen met hoofdelijke veroordeling van de verdachten en daarbij tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 944,34 subsidiair 18 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld/overval.

Diefstallen veroorzaken overlast en schade. Uit verdachtes handelen spreekt minachting voor andermans eigendom.

Een overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen.

Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk op hem hebben gemaakt.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor geweldsdelicten werd veroordeeld.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten materiële schadevergoeding bestaande uit de posten: jas (€ 179,95) een paspoort (€ 64,44) en een pantalon (€ 299,95) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal het volgende onderdeel van de vordering afwijzen, te weten materiële schadevergoeding de post gestolen kasgeld, omdat de rechtbank van oordeel is dat dit kasgeld toebehoort aan de –inmiddels- failliete [BV] .

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn medeplichtigen samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn waarvan het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

-

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 312,.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

Gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 72 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich uiterlijk binnen vijf werkdagen na zijn invrijheidstelling zal melden bij de Reclassering Nederland , Langendijk 34 te Breda en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht; -dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een forensische psychiatrische polikliniek het Dok, of soortgelijke ambulante forensische zorg op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor agressieregulatie/impuls problematiek. -dat veroordeelde zich gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd niet zal bevinden binnen een straal van 5 kilometer, op het woon- of werkadres (respectievelijk: [adres 1] en [adres 2] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: een zakmes en 11 xtc pillen. Teruggave van het inbeslaggenomen goed aan verdachte, te weten: een rode doos van shagmerk

Maatregel van schadevergoeding van EUR 544,34 subsidiair 10 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 544,34 (zegge: vijfhonderderdvierenveertig euro en vierendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post: jas, paspoort en pantalon).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 544,34 (zegge vijfhonderdvierenveertig euro en vierendertig eurocent), te weten materiële schadevergoeding (post jas, paspoort en pantalon).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 1 juni 2016 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.L.A. Boer, voorzitter,

mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 8 augustus 2016.