Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4294

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
01/845233-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

De rechtbank past het jeugdstrafrecht toe (77c Sr.) en legt een werkstraf op van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met aftrek voorarrest, waarvan 20 uur subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verder moet verdachte met zijn mededader(s) de schade van

€ 1872,10 aan een van de slachtoffers vergoeden.

Verdachte heeft een zodanig belangrijke bijdrage aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving geleverd dat hij als medepleger daarvan moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845233-15

Datum uitspraak: 08 augustus 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 juni 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 juli 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2015 te Sint-Oedenrode, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk één of meer personen, genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] onder valse voorwendselen naar de woning van verdachte en/of zijn mededader laten komen en/of (vervolgens)

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] tegen zijn/hun wil in die woning vastgehouden althans aangegeven dat hij/zij die woning niet mocht(en) verlaten en/of (vervolgens)

-in die woning zeer dichtbij die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestaan en/of een gebalde vuist tegen diens kaak gehouden

-in die woning aan die [slachtoffer 2] de woorden: "The money, money I kill you, I kill you" toegevoegd en/of

-in die woning het gezicht tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] gehouden en/of daarbij gezegd "Money problem, money problem"en/of (vervolgens) met vlakke hand tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] geslagen en/of

-die [slachtoffer 2] (vervolgens) verzocht om een bedrag van 1030 euro te betalen aan verdachte en/of zijn mededaders en/of

-daarbij (om die eis kracht bij te zetten) (meermalen) gezegd dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] niet uit de woning zou(den) komen alvorens verdachteen/of zijn mededaders het geld zou(den) hebben

-en/of die [slachtoffer 2] hebben laten bellen met die [slachtoffer 3] om hem te dwingen het geld aan verdachte en/of zijn mededader(s) te betalen waarna die [slachtoffer 3] het geld daadwerkelijk aan verdachte en/of zijn mededader(s) heeft overgemaakt/betaald.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 februari 2015 te Sint-Oedenrode tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van 1030 euro of daaromtrent, in elk geval van enig goed, gehele of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] onder valse voorwendselen naar een woning heeft laten komen en/of (vervolgens)

-in die woning zeer dichtbij die [slachtoffer 1] heeft gestaan en/of een gebalde vuist tegen diens kaak heeft gehouden en/of

-in die woning aan die [slachtoffer 2] de woorden: "The money, money I kill you, I kill you" heeft toegevoegd en/of

-in die woning het gezicht tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] heeft gehouden althans zeer dicht bij die [slachtoffer 2] heeft gestaan en/of daarbij heeft gezegd "Money problem, money problem" en/of (vervolgens) met vlakke hand tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

-(daarbij, om die eis kracht bij te zetten) (meermalen) heeft/hebben gezegd dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] niet uit de woning zou(den) komen alvorens verdachte en/of zijn mededaders het geld zou(den) hebben en/of

-die breedgeschouderd was/waren en/of in overwicht in aantal (in een kleine ruimte) bij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] kwam(en) staan en/of zitten en/of aldus -die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (aldus) heeft gedwongen om een bedrag van 1030 euro over te maken aan verdachte en/of diens mededaders;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

Motivering met betrekking tot het primair tenlastegelegde feit.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van gijzeling als bedoeld in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht, luidende: “Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie”.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende strafdossier blijkt niet dat er bij verdachte(n) het oogmerk was om een ander dan de van hun vrijheid beroofd gehouden personen te laten betalen, maar om [slachtoffer 2] , die zelf van zijn vrijheid was beroofd, te laten betalen. Aan [slachtoffer 3] is ook niet kenbaar gemaakt dat [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] werden vastgehouden.
Dat [slachtoffer 3] aan de toon en de wijze waarop [slachtoffer 2] hem vroeg geld over te maken, merkte dat er iets niet in de haak was -en hij zelfs de politie heeft gebeld- doet daar niet aan af.
[slachtoffer 3] vertegenwoordigde de wijze waarop [slachtoffer 2] werd gedwongen te betalen. Het was verdachte om het even hoe [slachtoffer 2] de betaling zou regelen, via zijn bank of op andere wijze.

Medeplegen

Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking (resp. objectief en subjectief criterium) met (een) ander(en) gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict.
Het bewust samenwerken (subjectief criterium) ziet op het willens en wetens samenwerken (opzet) met het oog op het verrichten van de strafbare gedraging (opzet op de gedraging van het gronddelict). Het opzet van de medepleger is behalve op de samenwerking in beginsel alleen gericht op de eigen verrichte gedraging. Het is niet nodig dat komt vast te staan dat de medepleger weet heeft van de precieze gedragingen die zijn mededaders hebben verricht (dus geen opzet vereist op de precieze rol die zijn mededaders spelen). Er zal op zijn minst sprake moeten zijn van een causaal verband tussen de feitelijke delictsgedraging van de mededaders en de voorafgaande samenwerking van medepleger en mededaders.

Bewuste samenwerking komt veelal niet expliciet aan de orde in de jurisprudentie. Met het bewijs van de vereiste nauwe samenwerking (objectief criterium) wordt ook vaak het bewijs voor de bewuste samenwerking geleverd.

Verdachte is degene geweest die zelf een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer 2] , maar het idee hiervan kwam van [medeverdachte 2] . Ten behoeve van deze afspraak heeft verdachte zijn appartement ter beschikking gesteld. Verdachte was -zo blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende dossier- op de hoogte van de werkelijke bedoeling van deze afspraak, namelijk om [slachtoffer 2] naar zijn appartement te laten komen zodat [medeverdachte 2] hem daar zou kunnen ontmoeten om verhaal op hem ( [slachtoffer 2] ) te halen. Toen geheel onverwachts [slachtoffer 1] op het afgesproken tijdstip van omstreeks 19.00 uur bij verdachte arriveerde heeft verdachte hem ( [slachtoffer 1] ) niet gezegd dat de afspraak niet doorging en hij kon gaan. Verdachte heeft op dat moment via WhatsApp contact opgenomen met [medeverdachte 2] met de melding dat er een andere persoon dan [slachtoffer 2] was gekomen. Vervolgens heeft verdachte de komst van [medeverdachte 2] afgewacht. Na de komst van [medeverdachte 2] , vergezeld van [medeverdachte 3] en nog twee Polen, is verdachte aanwezig geweest bij wat er in zijn appartement besproken werd. Op aangeven van [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer 1] gebeld naar [slachtoffer 2] en heeft hem gevraagd naar het appartement te komen. Na dit telefoongesprek heeft [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 2] gevraagd of hij mocht gaan, maar dat mocht hij niet. Ook is in het bijzijn van verdachte besproken hoe men zou handelen als [slachtoffer 2] zou arriveren en met zijn medeweten hebben de medeverdachten zich verstopt in de douche/wc-ruimte, om te voorkomen dat [slachtoffer 2] bij binnenkomst hen zou zien en onraad zou ruiken. Toen [slachtoffer 2] eenmaal bij verdachte binnen was is verdachte steeds bij de medeverdachten gebleven en is in zijn (verdachtes) aanwezigheid door [slachtoffer 2] met zijn zakenpartner [slachtoffer 3] gebeld om geld te laten overmaken. Ofschoon verdachte niet van tevoren wist dat [slachtoffer 1] zou komen in plaats van [slachtoffer 2] , heeft verdachte er aan bijgedragen dat [slachtoffer 1] in de woning zou blijven door hem niet te waarschuwen. Na de komst van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de twee Polen is er een situatie ontstaan waarbij [slachtoffer 1] niet weg mocht gaan alvorens [slachtoffer 2] zou zijn gearriveerd. Vanaf aankomst van [slachtoffer 1] bij het appartement van verdachte om circa 19.00 uur tot aan de komst van [slachtoffer 2] om circa 20.50 uur is dat bijna twee uur geweest. [slachtoffer 1] heeft eerst daarna de woning mogen verlaten. Vervolgens heeft het ook nog even geduurd voordat er volledig was betaald en ook [slachtoffer 2] het appartement moch verlaten.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een zodanig belangrijke bijdrage aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft geleverd dat hij als medepleger daarvan moet worden aangemerkt. Daarbij geldt in het bijzonder dat verdachte met de medeverdachten heeft samengewerkt, dat verdachte [medeverdachte 2] heeft gemeld dat [slachtoffer 1] in zijn (verdachtes) appartement was in plaats van [slachtoffer 2] , dat verdachte [slachtoffer 1] niet heeft gewaarschuwd dat hij weg kon gaan, dat verdachte de komst van [medeverdachte 2] heeft afgewacht, dat verdachte aanwezig was toen [slachtoffer 1] na de komst van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de twee Polen niet meer weg mocht, dat in bijzijn van verdachte het plan is besproken hoe te handelen als [slachtoffer 2] bij het appartement zou aankomen, dat verdachte aanwezig was toen [slachtoffer 2] bij zijn appartement aankwam en vervolgens het plan werd uitgevoerd, dat verdachte ook aanwezig was toen [slachtoffer 2] het appartement niet mocht verlaten. Verdachte was derhalve op alle belangrijke momenten aanwezig en heeft zich niet teruggetrokken op de daartoe geëigende tijdstippen. Hierbij merkt de rechtbank op dat verdachte ruim de tijd heeft gehad om tot bezinning te komen en zich van het gebeuren te distantiëren, maar dat heeft verdachte niet gedaan. Verdachte heeft het hele spel meegespeeld.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat

hij op 9 februari 2015 te Sint-Oedenrode, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk personen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

-die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder valse voorwendselen naar de woning van één van zijn mededaders laten komen en

-die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangegeven dat zij die woning niet mochten verlaten en

-in die woning zeer dichtbij die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestaan

-in die woning aan die [slachtoffer 2] de woorden: "The money, money I kill you, I kill you" toegevoegd en

-in die woning het gezicht tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] gehouden en daarbij gezegd "Money problem, money problem" en met vlakke hand tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] geslagen en

-die [slachtoffer 2] verzocht om een bedrag van 1030 euro te betalen aan verdachte en

-daarbij om die eis kracht bij te zetten meermalen gezegd dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet uit de woning zouden komen alvorens verdachte en/of zijn mededaders het geld zou(den) hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.


De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht gijzeling bewezen en zij vordert dat het adolescentenstrafrecht wordt toegepast. Vervolgens vordert zij dat aan verdachte een werkstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen jeugddetentie met aftrek en 3 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens vordert de officier van justitie gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen alles vermeerderd met de wettelijke rente.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld of het sanctierecht voor volwassenen of jeugdigen toegepast dient te worden. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om het jeugdstrafrecht toe te passen op jongeren in de leeftijd van achttien tot drieëntwintig jaar als de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Met de officier van justitie, de verdediging en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat de persoonlijkheid van verdachte aanleiding geeft tot toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen de reclassering heeft gerapporteerd. Derhalve zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Bij het jeugdstrafrecht gelden andere, veelal lagere richtlijnen voor straftoemeting. Bij de strafoplegging wordt meegewogen wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt meer dan bij volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachten.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving.

Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk op hun hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het door verdachte gepleegde strafbare feit kennelijk gezien moet worden als een eenmalige misstap en verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond;


Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een werkstraf voor de duur van 60 uur.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de primair impliciet tenlastegelegde gijzeling en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,= en materiële schadevergoeding de posten Reiskosten en tegemoetkoming opname verlofuren vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de post immateriële schadevergoeding voorzover de vordering een bedrag van € 1.000,= te boven gaat.

Nader onderzoek naar de omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vergen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] . De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] . De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 56, 77c, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 282.

DE UITSPRAAK

Vrijspraak van de primair impliciet tenlastegelegde gijzeling.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair voortgezette handeling van: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. primair: Werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

T.a.v. primair: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. primair: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. primair: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. primair: Maatregel van schadevergoeding van € 1.872,10 subsidiair 28 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1872,10

(zegge: achttienhonderd tweeënzeventig euro en tien eurocent), bij gebreke van

betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.000,= immateriële schade en € 872,10 materiële schade (post reiskosten en tegemoetkoming opname verlofuren).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van €

1.872,10 (zegge: achttienhonderd tweeënzeventig euro en tien eurocent), te

weten € 1.000,= immateriële schade en € 872,10 materiële schade (post

reiskosten en tegemoetkoming opname verlofuren).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot

betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 2 april 2015 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 8 augustus 2016.