Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4226

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
SHE 16/2201
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b Opiumwet. Sluiting woning. Harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2201

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2016 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

[verzoekster], verzoekster,

hierna zullen verzoeker en verzoekster samen verzoekers worden genoemd,

(gemachtigde: mr. I.J.D.M.L. Bardoel),

en

de burgemeester van de gemeente Oss, verweerder

(gemachtigden: mr. P.W.B. Verhoeven en J.F.A.C. Verbruggen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten het perceel en de daarop aanwezige woning aan [de woning] (de woning) met ingang van 5 augustus 2016 tot en met 4 november 2016 te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Verzoekers zijn eigenaar van de woning. Zij bewonen de woning met hun drie kinderen, die allen schoolgaand zijn. Twee van de kinderen van verzoekers zijn minderjarig. Verzoeker is drugsverslaafd en wordt op dit moment behandeld voor zijn verslaving.

Op 20 april 2016 heeft de politie Oost-Brabant, naar aanleiding van een melding van verzoekster, twee flesjes met in totaal 100 milliliter GHB en 14,5 xtc-pillen, beide zijnde een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet (harddrugs), in de woning aangetroffen.

Bij brief van 13 mei 2016 heeft verweerder zijn voornemen de woning voor de duur van drie maanden te sluiten aan verzoekers kenbaar gemaakt. Hierop hebben verzoekers in een zienswijzegesprek van 8 juni 2016 gereageerd. Bij brief van 15 juni 2016 hebben verzoekers op het verslag van het zienswijzegesprek gereageerd.

2. Verweerder heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de hoeveelheid harddrugs die in de woning is aangetroffen, in samenhang bezien met een aantal voorgevallen incidenten, op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het op grond daarvan vastgestelde “Beleid inzake bestuurlijk handhaving van artikel 13b Opiumwet, politie Basisteam Maasland, gemeente Oss”, (het Handhavingsbeleid) de woning voor de duur van drie maanden mag sluiten.

3. Als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter, wat met zich brengt dat de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet gebonden is aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

4. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekers bij een voorlopige voorziening voldoende spoedeisend omdat zij als gevolg van het bestreden besluit vanaf 5 augustus 2016 drie maanden niet in de woning mogen verblijven.

5. Verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was de woning te sluiten. Zij hebben daartoe gesteld dat de in de woning aangetroffen harddrugs voor eigen gebruik waren en dat er verder geen enkele indicatie is dat vanuit de woning drugs werden verkocht. Voor zover verweerder wel bevoegd is de woning te sluiten, hebben verzoekers aangevoerd dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid de woning te sluiten. Daartoe hebben verzoekers onder meer gesteld dat sluiting van de woning betekent dat het hulpverleningstraject dat zij inmiddels met diverse instanties zijn aangegaan teniet zal worden gedaan.

6. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

7. Voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen is niet vereist dat daadwerkelijk drugs zijn verhandeld. Uit het woord "daartoe" in deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid ontstaat door de enkele aanwezigheid in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarbij is in beginsel aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, indien de aangetroffen drugs de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, te weten 0,5 gram (5 ml GHB) bij harddrugs, 5 gram bij softdrugs en 5 wiet- of hennepplanten, overschrijdt.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel de 100 milliliter GHB als de 14,5 xtc-pillen die in de woning zijn aangetroffen een handelshoeveelheid harddrugs betreft, dat verweerder op grond daarvan in beginsel heeft mogen aannemen dat de drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking en dat hij op grond daarvan in beginsel bevoegd is een last onder bestuursdwang aan verzoekers op te leggen. Volgens verzoekers betroffen de drugs echter een gebruiksvoorraad voor verzoeker voor een periode van 4 à 5 maanden. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat een drugsverslaafde altijd grotere hoeveelheden inslaat. Verweerder heeft tijdens de zitting gemotiveerd weersproken dat de drugs voor eigen gebruik waren. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de drugs voor eigen gebruik waren. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen. Op 20 juni 2016, dus twee maanden nadat de drugs waarop het bestreden besluit is gebaseerd in de woning werden aangetroffen, is verzoeker door de politie aangehouden met – zelfs als zou moeten worden uitgegaan van de door verzoeker genoemde hoeveelheden, die aanzienlijk lager zijn dan de in de bestuurlijke rapportage van de politie Oost-Brabant vermelde hoeveelheden, die verzoeker betwist – een veelvoud van de minimum hoeveelheid die als een handelshoeveelheid harddrugs kan worden aangemerkt, te weten 11 xtc-pillen en 100 milliliter GHB. Over die gebeurtenis heeft verzoeker tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat hij deze drugs bij zich had omdat hij, nadat op 20 april 2016 zijn gebruiksvoorraad drugs voor 4 à 5 maanden door de politie inbeslaggenomen was, geen gebruiksvoorraad meer had en nieuwe drugs heeft gekocht. Die verklaring acht de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting – die vooralsnog niet is gegeven – niet aannemelijk. Immers, zo blijkt uit het zich onder de stukken bevindende verslag van het op 8 juni 2016 met verzoeker gehouden zienswijzegesprek, zat verzoeker op 8 juni 2016 in een behandeltraject om van zijn drugsverslaving af te komen en gebruikte hij naar eigen zeggen op dat moment geen drugs meer. Naar het de voorzieningenrechter voorkomt, is het onder die omstandigheden op zijn minst niet logisch dat verzoeker een gebruiksvoorraad drugs aanlegt. Weliswaar heeft verzoeker tijdens de zitting terecht opgemerkt dat niet gebleken is dat het NFI de op 20 juni 2016 onder hem inbeslaggenomen drugs heeft getest, maar die omstandigheid geeft de voorzieningenrechter geen reden voor twijfel aan de juistheid van de mededeling in de, op ambtsbelofte opgemaakte, bestuurlijke rapportage van de politie Oost-Brabant dat de drugs positief zijn getest. Dat, zoals verzoekers hebben gesteld, niet gebleken is van meldingen uit de buurt van overlast in en rond de woning, betekent op zichzelf niet dat verweerder op basis van de hem beschikbare informatie als voormeld niet aannemelijk heeft mogen achten dat de drugs in de woning aanwezig waren om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Immers is overlast in en rond de woning geen voorwaarde voor de conclusie dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet, maar slechts één van de mogelijke indicatoren om tot die conclusie te komen. Gelet op het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bevoegd was aan verzoekers een last onder bestuursdwang op te leggen.

9. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid een last onder bestuursdwang op te leggen door de woning drie maanden te sluiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en ook tijdens de zitting niet voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de sluiting, ondanks de daartegen door verzoekers geuite bezwaren, gerechtvaardigd acht. Verweerder heeft zich vooralsnog onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat verzoekers op dit moment in een behandel- en/of hulptraject zitten, waar diverse organisaties bij betrokken zijn. Zo heeft verzoeker zich direct na het incident op 20 april 2016 vrijwillig onder behandeling laten stellen voor zijn drugsverslaving van Novadic/Kentron en wordt het gehele gezin sinds het incident begeleid door Veilig Thuis, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de drie nog schoolgaande kinderen van verzoekers. De kinderen gaan in dezelfde buurt naar school en hebben om die reden belang bij het behoud van toegang tot de woning. Met de organisatie Ons Welzijn heeft verzoekster gesprekken om haar leven weer op de rails te krijgen. Volgens verzoekers is het voor het welslagen van de ingezette behandel- en/of hulptrajecten van wezenlijk belang dat zij in de woning kunnen blijven wonen. Daarbij hebben verzoekers erop gewezen dat zij financieel niet in staat zijn drie maanden een andere woning te betrekken waarvan de daarmee gepaard gaande kosten bovenop de hypotheek-lasten van hun woning komen. Volgens verzoekers zal een tijdelijk onderkomen bij familie en/of vrienden met zich brengen dat het gezin wordt “opgeknipt”, nu het om een gezin van vijf personen gaat. Niemand uit hun omgeving zal voor drie maanden een gezin van vijf personen in huis willen/kunnen nemen, aldus verzoekers. Als het gezin wordt “opgeknipt”, zal dat volgens verzoekers in de weg staan aan het welslagen van de ingezette behandel- en/of hulptrajecten. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij een zorgplicht heeft en dat verzoekers in geval van nood gebruik kunnen maken van crisisopvang in het Verdihuis, waarvoor een wachttijd geldt van 5 à 6 weken. Het is volgens verweerder echter aan verzoekers om tijdig om hulp te vragen, na eerst zelf aantoonbaar tevergeefs te hebben gezocht naar vervangende woonruimte. Hierbij miskent verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoekers voormelde bezwaren tegen de sluiting niet eerst tijdens de zitting maar (in ieder geval) ook al in hun bezwaarschrift van 19 juli 2016 bij hem onder de aandacht hebben gebracht. In dat licht bezien kan verweerder niet volstaan met de in het bestreden besluit en de ter zitting gegeven motivering. Verweerder zal in het nog te nemen besluit op bezwaar, voor zover hij de sluiting handhaaft, moeten motiveren waarom hij het, ondanks de bezwaren daartegen van verzoekers, gerechtvaardigd acht dat de woning drie maanden wordt gesloten.

10. Omdat verweerder de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden vooralsnog niet voldoende heeft gemotiveerd, wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit schorst tot zes weken na de dag van bekendmaking van het door verweerder te nemen besluit op het bezwaar van verzoekers.

11. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van (eenmaal) € 168,– voldoet.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (eenmaal) € 992,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (eenmaal) € 168,– aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van (eenmaal) € 992,–, te betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van de Brink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.