Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:415

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
15 _ 3104
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2488, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunningen voor de aanleg van de fasen 3 en 4, fasen 5 en 6b en fase 6a van het project Dynamisch Beekdal.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak in de zaak over fase 6a van het project heeft verweerder niet alleen een herstelbesluit in die zaak genomen, maar ook in de gelijktijdig ter zitting behandelde zaken over de fasen 3 en 4 en de fasen 5 en 6b, herstelbesluiten genomen.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet is een aantal beroepsgronden buiten beschouwing gelaten.

Beekherstel, in de zin van het bestemmingsplan, houdt niet zozeer het herstel en de ontwikkeling van het beekdalsysteem in de oorspronkelijke situatie in, maar veeleer die van de waarden die beekdalsystemen hebben.

De rechtbank is het niet geheel met verweerder eens dat op grond van de planregels geen rekening behoeft te worden gehouden met potentiële waarden, maar in de adviezen is met het advies van dergelijke waarden ten gevolge van de werkzaamheden wel degelijk rekening gehouden, dan wel is dit gevolg, bij de betrokken werkzaamheid in bijlage 2 bij de planregels, niet genoemd als mogelijk gevolg voor de landschappelijke en natuurwaarden.

Verweerder behoefde aan alternatieven geen aandacht te schenken.

Voor zover het de zaak SHE 15/1640 E betreft, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het herstelbesluit heeft hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 15/3104

SHE 15/3107

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2016 in de zaak tussen

het Groene Hart, te Den Dungen, eiser,

(gemachtigde: [gemachtigde A] en [gemachtigde B] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel, verweerder,

(gemachtigden: mr. H. Besselink en B. van Houtum-Heil).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Waterschap Aa en Maas, te 's-Hertogenbosch,

(gemachtigden: mr. R.E. Wannink, ing. B. Pastor, E. van Laarhoven en drs. M. Kits),

Combinatie De Vaart, te 's-Hertogenbosch,

(gemachtigden J. van Bokhoven en dr. ir. G.P.C. van Oosterhout),

(hierna gezamenlijk te noemen: vergunninghouders).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2015 heeft verweerder aan het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas (het Waterschap) een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van het Dynamisch Beekdal, deeltraject Molenhoek, Middelrode en Seldensate fase 3 en 4, voor de activiteiten bouwen (van een aantal kunstwerken en een waterwindmolen), aanleggen (van een kanorustplaats en andere diverse aanlegwerkzaamheden) en het kappen van bomen.

Bij besluit van eveneens 24 september 2015 heeft verweerder aan Combinatie De Vaart (de Combinatie) een omgevingsvergunning verleend voor de OVA-aanleg van het Dynamisch Beekdal, fase 5 en 6b (Hersend en Aaveld), ten behoeve van de activiteit aanleggen (van een kanorustplaats en andere diverse aanlegwerkzaamheden).

Eiseres heeft tegen de besluiten beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder de

zaaknummers SHE 15/3104 (fase 3 en 4) en SHE 15/3107 (fase 5 en 6b).

Bij uitspraak van 3 november 2015 (zaaknummers SHE 15/3102 en SHE 15/3106) heeft de

voorzieningenrechter de besluiten van 24 september 2015 geschorst, voor zover deze

betrekking hebben op de activiteiten bouwen, uitvoeren van werkzaamheden en kappen op

de percelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden"

en de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterbergingsgebied" tot en met 31 januari 2016, met

uitzondering van de percelen gelegen binnen het zwart omlijnde gebied op de afbeelding in rechtsoverweging 15 van de uitspraak.

Bij brieven van 3 november 2015 heeft eiseres de gronden van het beroep in beide beroepszaken aangevuld.

Op 16 november 2015 heeft verweerder het besluit van 24 september 2015, waarbij omgevingsvergunning is verleend voor de fasen 5 en 6b, gewijzigd en op 17 november 2015 het besluit van 24 september 2015 voor de fasen 3 en 4 (de wijzigingsbesluiten).

Verweerder en het Waterschap hebben, voor zover het het wijzigingsbesluit met betrekking tot de fasen 3 en 4 betreft, verzocht om opheffing van de door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 3 november 2015 getroffen voorlopige voorziening. De verzoeken zijn geregistreerd onder zaaknummers SHE 15/6460 en SHE 15/6535.

De Combinatie heeft, voor zover het het wijzigingsbesluit met betrekking tot de fasen 5 en 6b betreft, verzocht om opheffing van de door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 3 november 2015 getroffen voorlopige voorziening. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/6458.

Bij brief van 28 november 2015 heeft eiseres een reactie gegeven op de wijzigingsbesluiten.

Bij uitspraak van 3 december 2015 heeft de voorzieningenrechter de bij uitspraak van 3 november 2015 getroffen voorlopige voorziening met betrekking tot de besluiten van 24 september 2015 opgeheven, voor zover het gaat om het zwart omlijnde gebied dat is aangegeven in rechtsoverweging 3 van die uitspraak, de werkzaamheden in verband met aanleg van de persleiding genoemd in rechtsoverweging 4 en voor deelgebied Molenhoek. De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening voor het overige in stand gelaten.

De behandeling ter zitting heeft, tezamen met de voortgezette behandeling van de zaak SHE 15/1640, plaatsgevonden ter zitting van 19 januari 2016. Partijen zijn alle vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

Formele aspecten

1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

In dit geval is sprake van een wijzigingsbesluit, omdat aan de vergunning alsnog een voorschrift is verbonden, inhoudende dat alle werkzaamheden in beginsel moeten plaatsvinden onder ecologische begeleiding of aan de hand van een ecologisch werkprotocol.

Het beroep in beide zaken heeft daarom mede betrekking op de wijzigingsbesluiten van 16 en 17 november 2015.

2.1

Op grond van artikel 8:1 van de Awb, in combinatie met artikel 7:1 van de Awb, dient degene aan wie het recht is toegekend om beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

Dit beginsel lijdt uitzondering in het geval dat het bestuursorgaan, op grond van artikel 7:1a van de Awb instemt met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.

2.2

In dit geval heeft eiser, naar aanleiding van de rechtsmiddelenclausule in de besluiten van 24 september 2015, tegen die besluiten beroep ingesteld.

Blijkens de overwegingen van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2015, berust de vermelding van die beroepsmogelijkheid op een vergissing.

Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij, ook in het geval de rechtbank de beroepen zou doorzenden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift, of wanneer hij zelf alsnog bezwaar zou maken, verweerder zou verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft desgevraagd op die zitting aangegeven in te stemmen met rechtstreeks beroep.

In navolging van de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat zij, onder die omstandigheden, bevoegd is om de ingestelde beroepen inhoudelijk te beoordelen.

3.1

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

3.2

Zoals in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 november 2015 is aangegeven (de rechtsoverwegingen 8, 9 en 10) hadden de beroepsgronden ten tijde van de behandeling van de verzoeken om voorlopige voorziening betreffende de besluiten van 24 september 2015 alleen betrekking op percelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterberging" en op de omstandigheid dat verweerder zelf niet zou hebben beoordeeld of de vergunde activiteiten noodzakelijk zijn ten behoeve van de verbetering van het waterbergend vermogen.

3.3

Op 3 november 2015 heeft eiser zijn beroep aangevuld en aangevoerd dat verweerder de noodzakelijke ontgravingen ten behoeve van de realisering van bouwwerken ten onrechte niet heeft getoetst. Ook ten aanzien van deze werkzaamheden heeft eiser aangevoerd dat verweerder de noodzaak daarvan ten behoeve van de verbetering van het waterbergend vermogen niet zelf heeft beoordeeld.

3.4

In de reactie op de wijzigingsbesluiten heeft eiser, naast het leveren van commentaar op de beantwoording van een aantal vragen door Grontmij en verweerder, als nieuwe beroepsgronden het volgende aangevoerd. In de projectplannen wordt geen optimaal gebruik gemaakt van de bergingscapaciteiten van het beekdal. Mede door de weigering van medewerking door enkele grondeigenaren in het beekdalgebied draagt de keuze voor de waterbergingspercelen volgens eiser een hoog toevalligheidsgehalte en berust de aanwijzing niet op een afweging waarbij de natuurbelangen of het herstel van het beekdalsysteem het uitgangspunt heeft gevormd. Dit is volgens eiser een significante afwijking van het oorspronkelijke Koepelplan Dynamisch Beekdal van de Aa uit 2006, waarin een integraal beekdalherstel zonder dijken, een vrije wateruitloop van beek in dal en hermeandering in de vroegere bedding als uitgangspunten zijn opgenomen. Omdat de projectplannen nog niet zijn uitgevoerd, is in beginsel nog bijsturing mogelijk.

3.5

De rechtbank zal de nieuwe gronden, voor zover zij niet een reactie betreffen op de beantwoording van een aantal vragen door Grontmij en verweerder, op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet buiten behandeling laten.

Inhoudelijke behandeling

4. De rechtbank gaat, bij de inhoudelijke behandeling van de beroepen, uit van de volgende feiten.

Het gebied waarin de vergunde activiteiten worden uitgevoerd, gaat onderdeel uitmaken van het kanaalpark dat langs het nieuwe Maximakanaal wordt aangelegd. In verband met de aanleg van het Maximakanaal, wordt een zogenoemd Dynamisch Beekdal verwezenlijkt.

De in deze zaken aan de orde zijnde fasen 3, 4, 5 en 6b maken deel uit van het Dynamisch Beekdal.

5. Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat verweerder heeft verzuimd om zelf na te gaan of de vergunde activiteiten noodzakelijk zijn ten behoeve van de verbetering van waterbergend vermogen neemt de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter in diens uitspraak van 3 november 2015 over en maakt dit oordeel tot het hare. Evenals de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak al is getoetst in het kader van de vaststelling van het door het Waterschap vastgestelde onderliggende projectplan ten behoeve van het Dynamisch Beekdal. Dit projectplan is inmiddels onherroepelijk. Het aspect van voldoende waterberging maakt deel uit van het toetsingskader van projectplannen ingevolge artikel 2.1 van de Waterwet en kan dan ook in het kader van deze procedure niet tot vernietiging van de bestreden besluiten leiden.

Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Verweerder heeft de wijzigingsbesluiten genomen naar aanleiding van de constatering van de voorzieningenrechter, in rechtsoverweging 8 van de uitspraak van 3 november 2015, dat aan de besluiten van 24 september 2015 hetzelfde gebrek kleeft als aan het besluit waarop de tussenuitspraak van 21 oktober 2015, zaaknummer SHE 15/1640 T, betrekking heeft. Daarom heeft verweerder in deze zaken dezelfde vragen beantwoord als die welke in rechtsoverweging 5.1 van de tussenuitspraak zijn opgenomen.

6.2

Omdat de beroepsgronden in deze zaak in grote lijnen overeenkomen met de gronden die hebben geleid tot de tussenuitspraak en de einduitspraak van heden in de zaak met het zaaknummer SHE 15/1640 E, met betrekking tot fase 6a van het dynamisch beekdal, komt de verdere beoordeling door de rechtbank in deze zaken in grote lijnen overeen met die in de zaak met nummer SHE 15/1640 E. In deze zaak zal de rechtbank dienen te beoordelen of de besluiten van 24 september 2014, zoals deze zijn gewijzigd op 16 en 17 november 2015, in stand kunnen blijven.

6.3

Verweerder heeft in de wijzigingsbesluiten verwezen naar de door Grontmij opgestelde adviezen, vervat in de memo's van 12 en 13 november 2015. Hij heeft die adviezen aan zijn besluiten van 24 september 2015 ten grondslag gelegd.

6.4

Grontmij heeft aangegeven dat de toetsing, overeenkomstig artikel 6.7, tweede lid, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel", moet plaatsvinden aan de hand van bijlage 2 bij de planregels. In deze bijlage zijn, per ingreep, het doel en de mogelijke gevolgen van de ingreep op onder andere de landschappelijke en natuurwaarden beschreven.

De Grontmij heeft in de memo's per aangevraagde werkzaamheid aangegeven welke gevolgen deze kunnen hebben op de landschappelijke en natuurwaarden en deze gevolgen beschreven en afgewogen.

De Grontmij komt - in essentie - tot de conclusie dat van onaanvaardbare gevolgen voor de landschappelijke en natuurwaarden geen sprake is, dat het waterschap in het projectplan heeft aangegeven welke maatregelen er worden getroffen om het beekherstel te bereiken en dat er geen aanpassingen aan de vergunde activiteiten nodig zijn.

Ter zitting heeft verweerder, met betrekking tot het beekherstel benadrukt dat hij de visie van eiser over wat beekherstel inhoudt niet deelt. Volgens verweerder gaat het niet zozeer om het herstel van de beek in de situatie van voor 1930, maar om het herstel van de dynamische processen die een beek heeft. Dat, wat dat betreft, het project Dynamisch Beekdal niet voldoet aan het Koepelplan, kan niet alleen niet in deze procedure aan de orde komen, maar maakt ook niet dat de werkzaamheden niet passen in het bestemmingsplan. De werkzaamheden die zijn aangevraagd dragen bij aan een natuurlijker loop van de beek, waardoor volledig wordt voldaan aan het bestemmingsplan.

Volgens verweerder zijn, gelet op de adviezen van Grontmij, aanpassingen niet nodig.

6.5

In zijn reactie op de wijzigingsbesluiten heeft eiser gewezen op een aantal, zijns inziens, algemene tekortkomingen in de adviezen van Grontmij. Daardoor zijn volgens eiser de feitelijke gevolgen van de vergunde werkzaamheden nog steeds niet behoorlijk in beeld gebracht.

Deels is dit een gevolg van een onjuiste voorstelling van zaken en onjuiste interpretaties van de gevolgen. Er worden volgens eiser appels met peren vergeleken. Volgens eiser had een vergelijking moeten plaatsvinden tussen de voorgenomen activiteit en de situatie die met hetzelfde budget aan natuurverbeteringsmaatregelen kan worden bereikt bij optimaal gebruik van de natuurontwikkelingspotenties van het beekdal met gelijktijdig herstel van het authentieke beekdalsysteem.

Vooral acht eiser in dit verband van belang dat de potentiële natuurontwikkelingswaarden die aan de dalbodem zijn verbonden niet als een te verliezen natuurwaarde zijn onderkend en meegewogen.

6.6

Indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. Niet alleen door middel van een deskundigenadvies, maar ook anderszins, kan worden gemotiveerd waarom er reden bestaat te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van een deskundige of waarom dit dusdanige gebreken bevat dat het bestuursorgaan zijn besluitvorming daarop niet mocht baseren.

6.7

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, op grond van wat eiser heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het advies van Grontmij dusdanige gebreken bevat dat verweerder zich niet op dit advies mocht baseren.

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat eiser, blijkens zijn beroep en het verhandelde ter zitting, de opvatting huldigt dat van beekherstel uitsluitend sprake zal kunnen zijn, als dit leidt tot een zoveel mogelijk herstellen van het beekdalsysteem zoals dat was voor de kanalisering van de Aa. De rechtbank volgt eiser niet in die opvatting.

De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat het bestemmingsplan betrekking heeft op het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden in het beekdalsysteem en de werkzaamheden die zijn aangevraagd bijdragen aan een natuurlijker loop van de beek en zo volledig wordt voldaan aan het bestemmingsplan. Ook de bewoordingen "behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden" voor het beekdalsysteem, in artikel 6.1, onder r, van de planregels, wijzen erop dat niet zozeer sprake is van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het beekdalsysteem in de oorspronkelijke situatie, maar veeleer van de waarden die beekdalsystemen hebben. De omstandigheid dat eiser er, naar hij ter zitting heeft gesteld, van overtuigd was dat het bestemmingsplan daar wel op zag en hij daarom geen rechtsmiddelen heeft aangewend in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan, heeft tot gevolg gehad dat eisers opvatting over de betekenis van de planregel niet eerder is getoetst. Dit betekent echter niet dat de opvatting van eiser in het kader van deze procedure tot een andere interpretatie van de planregels kan leiden.

6.8

De rechtbank is het niet geheel eens met verweerder dat, zoals hij ter zitting heeft betoogd, op grond van de planregels geen rekening behoeft te worden gehouden met potentiële waarden.

Uit bijlage 2 bij de planregels kan worden op gemaakt dat bij bepaalde werkzaamheden wel met het vervallen van potentiële ontwikkelingsmogelijkheden rekening moet worden gehouden. Bij het diepploegen en -woelen is aangegeven dat de mogelijke gevolgen bestaan uit onder andere een drastische wijziging van de groeiplaatscondities en bij het egaliseren dat dit kan leiden tot het verlies aan gradiënten. De wijziging in groeiplaatscondities en het verlies aan gradiënten betreffen wel degelijk gevolgen voor ontwikkelingsmogelijkheden.

Dit betekent echter niet dat de rechtbank aan eisers opvatting, dat in het advies de negatieve gevolgen van de werken voor de toekomstige natuurontwikkelingskansen ten onrechte niet in beschouwing zijn genomen, de consequentie verbindt dat de geconstateerde gebreken in de besluitvorming niet zijn hersteld. Uit de adviezen van Grontmij blijkt namelijk dat wel degelijk met het verlies aan potentiële waarden ten gevolge van de hiervoor genoemde werkzaamheden rekening is gehouden. Zelfs met betrekking tot het graven van het watervoerend profiel ten behoeve van het realiseren van de nieuwe waterloop heeft Grontmij hiermee rekening gehouden, terwijl het verlies van ecologische gradiënt in bijlage 2 bij de planregels niet is genoemd als mogelijk gevolg voor de landschappelijke en natuurwaarden ten gevolge van het afgraven van de bodem.

6.9

Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn opvatting dat Grontmij een onjuiste vergelijking heeft gemaakt. Deze vergelijking gaat uit van eisers opvatting over wat "beekherstel" zou moeten inhouden. Uit hetgeen hiervoor en in de uitspraak van heden in de zaak SHE 15/1640 E is overwogen, vloeit al voort dat de rechtbank die opvatting niet deelt.

6.10

Voor zover eiser meent dat verweerder aandacht had moeten besteden aan de vraag of door aanpassing van de plannen een minder zware belasting van het gebied ten behoeve van de waterberging mogelijk is, volgt de rechtbank eiser evenmin. Verweerder dient te beslissen over de activiteiten die zijn aangevraagd. Indien die activiteiten op zichzelf aanvaardbaar zijn, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich hier voordoet.

De rechtbank betrekt hierbij dat, naar ter zitting niet door eiser is weersproken, het overnemen van de door eiser voorgestane alternatieven zou betekenen dat het aan de realisering van het Dynamisch Beekdal ten grondslag liggende projectplan van het waterschap Aa en Maas zou moeten worden aangepast.

6.11

Uit het voorafgaande kan worden afgeleid dat verweerder in de besluiten van 24 september 2015, zoals die zijn gewijzigd op 16 en 17 november 2015, afdoende heeft gemotiveerd wat de gevolgen van de vergunde werkzaamheden zijn op de landschappelijke en natuurwaarden in het gebied waarin die werkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Ook heeft verweerder afdoende duidelijk gemaakt dat die werkzaamheden bijdragen aan de realisering van beekherstel, zoals dat met de vaststelling van het bestemmingsplan is beoogd. De rechtbank volgt verweerder eveneens in zijn opvatting dat naar aanleiding van de ingestelde beroepen geen aanpassing van de vergunde activiteiten nodig zijn.

7. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep in beide zaken ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en

mr. H.F.M.W. van Rijswick, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.