Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4140

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
C/01/305190 / HA ZA 16-170
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van de man tot medewerking aan een echtscheiding naar sjiitisch-islamitisch recht. De weigering van de man daaraan vrijwillig mee te werken is in dit geval jegens de vrouw onrechtmatig. De redenen daarvoor zijn dat de vrouw zo wordt gedwongen in het religieuze huwelijk te blijven, wat haar bijvoorbeeld beperkt in haar mogelijkheden om een nieuwe relatie aan te gaan. Deze beperking van haar vrijheid om haar leven naar eigen wens in te richten wordt niet gerechtvaardigd door de wens van de man om de bruidsgift terug te ontvangen, wat in dit geval de enige reden is voor de man om zijn medewerking aan een scheiding te weigeren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 149
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/121 met annotatie van mr. dr. I. Sumner
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4950
Prg. 2016/244
EB 2016/88

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/305190 / HA ZA 16-170

Vonnis in verzet van 3 augustus 2016

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. V.K.S. Budhu Lall te 's-Gravenhage,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. Z.M. Alaca te Eindhoven.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 maart 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn beiden afkomstig uit Irak, op zeer jonge leeftijd naar Nederland gekomen, wonen sindsdien in Nederland en hebben beide de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Partijen behoren tot de sjiitische stroming van de islam.

2.3.

Partijen hebben op 27 april 2014 te Assen volgens de voorschriften van de sjiitische leer ten overstaan van twee getuigen een islamitisch huwelijk gesloten (hierna: het religieuze huwelijk), waartoe een huwelijksakte is opgemaakt.

2.4.

Tussen partijen is of was geen sprake van een burgerlijk huwelijk.

2.5.

Partijen zijn op 7 juni 2014 gaan samenwonen. Kort daarna zijn tussen hen relatieproblemen ontstaan. De vrouw is eind mei 2015 uit de gezamenlijke woning vertrokken. De affectieve relatie tussen partijen is toen geëindigd.

2.6.

De vrouw heeft de man meermalen verzocht zijn medewerking te verlenen aan een echtscheiding naar islamitisch recht. De man heeft zijn medewerking daaraan tot op heden geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de man - kort samengevat - zal veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van het religieuze huwelijk op straffe van een dwangsom.

3.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van de vrouw toegewezen met dien verstande dat (a) de te verlenen medewerking is beperkt tot de (als één van de alternatieven in de vordering genoemde) variant van het uitspreken van de talaq en (b) met beperking van de dwangsom. Verder is de man veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 626,16.

3.3.

De man vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van de vrouw alsnog worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de man in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2.

Vaststaat dat tussen partijen een religieus huwelijk is gesloten dat tot op heden naar religieus recht geldig is. In geschil is of en hoe dit religieus huwelijk ontbonden kan worden. De vrouw heeft gesteld dat naar sjiitisch-islamitisch recht een echtscheiding tot stand gebracht kan worden doordat de man de talaq uitspreekt ten overstaan van een imam en twee getuigen. De (raadsman van de) man heeft ter comparitie de geldigheid van deze procedure betwist. Dit bij gebrek aan wetenschap en onder gelijktijdige erkenning daaromtrent (nog) geen deskundige - bijvoorbeeld een imam - te hebben bevraagd.

De rechtbank stelt vast dat de (talaq)procedure in vergelijkbare rechtszaken, waarnaar partijen hebben verwezen, als vaststaand feit is aangemerkt en de geldigheid daarvan was in die zaken kennelijk tussen partijen niet in geschil. Dit is een belangrijke aanwijzing voor de juistheid van de stelling van de vrouw. De rechtbank acht de blote betwisting door de man in het licht van voornoemde stelling en jurisprudentie onvoldoende. Om die reden moet van de juistheid van de stelling van de vrouw worden uitgegaan gelet op het bepaalde in artikel 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dat - voor zover hier van belang - luidt: “Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen (…)”.

4.3.

De vordering van de vrouw is gericht op een veroordeling van de man om mee te werken aan een echtscheiding naar islamitisch recht. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is deze vordering in behandeling te nemen en dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De man stelt daartoe dat sprake is van alleen een religieus huwelijk (en niet daarnaast ook een burgerlijk) en dat een echtscheiding slechts aanhangig kan worden gemaakt bij een shariarechter, bijvoorbeeld in Groot-Brittannië.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Vooropgesteld wordt dat er geen sprake is van een vordering strekkende tot ontbinding van een religieus huwelijk (waartoe de burgerlijke rechter inderdaad niet bevoegd zou zijn). Er is sprake van een vordering uit onrechtmatige daad strekkende tot veroordeling van de man tot medewerking aan de totstandbrenging van een echtscheiding naar religieus recht. De burgerlijke rechter dient de bevoegdheidsvraag te beantwoorden op basis van het recht waarin de eisende partij (hier: de vrouw) vraagt te worden beschermd. De vordering is in dit geval gebaseerd op onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW en daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven.

Daarnaast is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vorderingen geen reden aanwijsbaar. De man heeft gesteld dat het geschil tussen partijen dient te worden voorgelegd aan een sharia-rechtbank. Een niet-ontvankelijkverklaring zou alleen aan de orde kunnen zijn als er een andere rechtsgang openstaat bij een alternatieve rechter (welke benadering in de rechtspraktijk met name aan de orde is bij de afbakening tussen de burgerlijke en de bestuursrechter). De door de man genoemde sharia-rechtbank is niet een bij de wet ingestelde onafhankelijke rechter (als bedoeld in artikel 112 Grondwet en artikel 6 EVRM) en reeds daarom is voor een niet-ontvankelijkheidverklaring geen plaats. Dat de (raadsman van de) man ter comparitie desgevraagd heeft verklaard niet zeker te weten of een sjiitische-islamitische shariarechtbank daadwerkelijk bestaat of dat een imam als rechter zou kunnen optreden, kan derhalve worden gelaten voor wat het is.

4.4.

De man heeft als inhoudelijk verweer aangevoerd dat het religieus huwelijk naar Nederlands recht rechtsgevolg mist, zodat er geen sprake kan zijn van enige daardoor veroorzaakte rechtsinbreuk. In dat verband heeft de man onder andere aangevoerd dat het bestaan van het naar Nederlands recht niet erkende religieuze huwelijk niet in de weg staat aan het sluiten van een burgerlijk huwelijk, zodat bijvoorbeeld geen sprake kan zijn van schending van het in artikel 12 EVRM neergelegde grondrecht te mogen huwen. Dit verweer kan naar het oordeel van de rechtbank geen doel treffen, omdat niet de rechtsvraag voorligt naar de geldigheid van het religieus huwelijk noch een vordering tot ontbinding daarvan. Aan de orde is de vraag of de weigerachtigheid van de man een onrechtmatige daad vormt jegens de vrouw. Uit de omstandigheid dat een religieus huwelijk niet wordt erkend als burgerlijk huwelijk volgt nog niet dat een religieus huwelijk, of het tegen de wil van één van de gehuwden laten voortbestaan daarvan, geen feitelijke gevolgen zou kunnen hebben die zouden kunnen worden aangemerkt als een onrechtmatige daad van de ene huwelijkspartner jegens de andere.

4.5.

Bij de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een onrechtmatige daad is van belang dat - voortvloeiende uit het hierboven al aangehaalde artikel 149 Rv - als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist de volgende feitelijke gevolgen van het (voort)bestaan van het religieuze huwelijk vaststaan. In de eerste plaats vormt het religieuze huwelijk, ook na verbreking van de samenwoning en beëindiging van de affectieve relatie tussen partijen, een belemmering voor de vrouw om opnieuw een relatie aan te gaan of opnieuw in het huwelijk te treden, wat geldt voor zowel een religieus als een burgerlijk huwelijk. Deze belemmering is feitelijk van aard en vooral gelegen in de omstandigheid dat de sociale omgeving van de vrouw haar zonder echtscheiding naar islamitisch recht als gehuwd zal blijven beschouwen. Dat maakt dat de vrouw het risico loopt zich bij een volgende relatie of huwelijk buiten die sociale omgeving te plaatsen. Of er wel of niet juridische belemmeringen bestaan ten aanzien van een burgerlijk huwelijk is daarbij niet relevant. In de tweede plaats brengt het religieuze huwelijk een ondergeschikte positie van de vrouw met zich, doordat zij verplicht is haar man te gehoorzamen. Deze fundamentele ongelijkheid tussen de vrouwelijke en de mannelijke partner - die op zichzelf al niet strookt met de grondrechtelijke gelijkheid tussen de seksen - blijft bestaan indien er geen echtscheiding plaatsvindt ofschoon de vrouwelijke partner die wel wenst. Zij kan deze naar islamitisch recht niet afdwingen; de mannelijke partner kan dat wel (door verstoting, zijnde het op de hierboven geschetste wijze uitspreken van de talaq). In de derde plaats loopt de vrouw het risico om - zonder een echtscheiding - bij het aangaan van een nieuwe relatie of huwelijk te worden blootgesteld aan eerwraak en strafvervolging. In Irak - het land van herkomst van partijen - wordt een dergelijke situatie (geen echtscheiding naar religieus recht maar wel een nieuwe relatie) aangemerkt als overspel, wat daar een strafbaar feit is.

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde feitelijke gevolgen van het voortbestaan van het huwelijk - terwijl de affectieve relatie feitelijk is beëindigd - een inbreuk vormen op de rechten en vrijheden van de vrouw.

4.6.

De vraag is dan of deze inbreuken in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd worden. Dat is in ieder geval niet het geval op basis van een eigen vrije keuze van de vrouw: zij wenst nu een echtscheiding en wil de genoemde inbreuken/beperkingen niet (meer); dat zij in het verleden vrijwillig heeft gekozen om dit religieuze huwelijk aan te gaan doet daar niet aan af.

De man heeft geen (religieuze) bezwaren aangevoerd tegen de echtscheiding als zodanig. Ter comparitie is gebleken, dat hij evenwel slechts aan de echtscheiding wil meewerken als de vrouw aan hem teruggeeft de gouden sieraden en het bedrag van € 4.000 die hij de vrouw heeft gegeven in verband met het aangaan van het huwelijk (hierna: de bruidsgift).

De rechtbank stelt vast dat uit dit debat tussen partijen blijkt dat zich hier - anders dan in soortgelijke gevallen in de jurisprudentie - geen botsing van grondrechten voordoet. De man poneert als enige inhoudelijke verweer tegen de vordering immers het beweerdelijke terugvorderingsrecht van de bruidsgift. De man beroept zich - anders dan de vrouw - niet op enig grondrecht en in zoverre is van een botsing van grondrechten in deze zaak geen sprake. De man heeft zijn verweer verder uitgewerkt door aan te voeren dat toewijzing van de vordering hem feitelijk zal dwingen tot de echtscheiding over te gaan waardoor hij wordt beroofd van de mogelijkheid het echtscheidingsgeschil aan een religieuze instantie voor te leggen waar hij zijn terugvorderingsclaim naar voren zou kunnen brengen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verweer niet slagen. In de eerste plaats is gesteld noch gebleken dat de man heeft geprobeerd of concreet van plan is alsnog te proberen deze door hem als samenhangend geziene kwesties aan een religieuze autoriteit voor te leggen. In dat verband is van belang dat ter comparitie door (de raadsman van) de man is verklaard dat hierover nog niet een imam of een andere deskundige is benaderd en dat evenmin is uitgezocht of een sjiitisch-islamitische shariarechtbank bestaat. In de tweede plaats heeft de man geen vordering in reconventie ingesteld, zodat niet kan worden gezegd dat de vordering van de vrouw in conventie hem heeft beroofd van de mogelijkheid zijn terugvorderingsclaim ter beoordeling voor te leggen. Uit deze overwegingen blijkt dat het verweer van de man al moet stranden omdat het feitelijke grondslag ontbeert.

4.7.

De rechtbank komt dan tot de afronding van de beoordeling. Belangrijker nog dan de hierboven genoemde reden voor afwijzing van het verweer betreffende de terugvorderingsclaim is dat die claim inhoudelijk in geen verhouding staat tot de onder 4.5 genoemde gevolgen van het voortbestaan van het religieuze huwelijk. Deze louter financiële claim weegt uiteraard veel minder zwaar. Die vaststelling in het licht van de overige overwegingen hierboven brengen de rechtbank tot de volgende slotsom.

Het is in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat de man een relatie is aangegaan met de vrouw op de enkele basis van een islamitisch huwelijk - waardoor de vrouw de rechtsbescherming moet missen die is verbonden aan het burgerlijk huwelijk terwijl zij wel terecht komt in een naar religieus recht ondergeschikte positie aan de man - en vervolgens - terwijl het einde van de affectieve relatie en de samenwoning door beiden als een gegeven wordt beschouwd - weigert mee te werken aan een echtscheiding volgens de regels van het toepasselijke religieuze recht, waardoor de vrouw in de ondergeschikte positie blijft, risico’s op eerwraak en strafvervolging loopt en niet mag hertrouwen en dat terwijl die weigerachtigheid louter is ingegeven door financiële motieven. De weigerachtigheid van de man vormt onder de genoemde, in onderling verband en samenhang te beschouwen, omstandigheden een onrechtmatige daad jegens de vrouw.

4.8.

Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden bekrachtigd. Hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht kan als niet (langer) ter zake doende verder buiten beschouwing blijven.

4.9.

De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen. De kosten worden aan de zijde van de vrouw begroot op:

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 904,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bekrachtigt het door deze rechtbank op 13 januari 2016 onder zaaknummer / rolnummer C/01/302121 / HA ZA 15-863 gewezen verstekvonnis,

5.2.

veroordeelt de man in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 904,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.