Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4108

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
01/993242-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het exploiteren van een hennepkwekerij en de gevaarzettende wijze waarop hij in de stroomvoorziening van die kwekerij heeft voorzien. Verdachte wordt veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. De schadevergoedingsmaatregel wordt niet opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/993242-16

Datum uitspraak: 02 augustus 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juli 2016. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie .

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juni 2016. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 4 april 2016 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 441 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 4 april 2016 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie/stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3. hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 4 april 2016 in de gemeente Eindhoven, in elk geval in Nederland, in het pand gelegen aan [adres 1] te Eindhoven, opzettelijk enig elektriciteitswerk als bedoeld in artikel 90ter onder 1 van het wetboek van strafrecht, toebehorende aan [benadeelde partij] , heeft beschadigd en/of stoornis in de gang of in de werking van voornoemd elektriciteitswerk heeft veroorzaakt en/of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, terwijl daarvan levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen - te weten brandgevaar voor die woning en mogelijk zwaar letsel voor de mensen in de directe omgeving van voornoemde woning - te duchten was, immers heeft hij in die woning de zegel(s) van de hoofdaansluitingskast van de elektriciteitsaansluiting gemanipuleerd en/of illegale gemanipuleerde zekeringen toegevoegd en/of het deksel van de aansluitkast verwijderd en/of (vervolgens) een illegale elektriciteitsaansluiting (ten behoeve van een in die woning aanwezige hennepplantage) gemaakt met ondeugdelijke beveiliging.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Uit de inhoud van het procesdossier en met name uit de daarin opgenomen processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten en de verklaring die verdachte aan de politie heeft afgelegd, blijkt dat verdachte in de periode van 1 maart 2015 tot en met 4 april 2016 een hennepkwekerij van 441 planten heeft geëxploiteerd in de woning gelegen aan [adres 2] te Eindhoven en dat hij met die kwekerij meerdere oogsten heeft gerealiseerd. Gelet op de wijze waarop de officier van justitie dit feit aan verdachte ten laste heeft gelegd, te weten het opzettelijk telen van 441 hennepplanten, daarmee kennelijk doelend op de in de woning aangetroffen planten bij de doorzoeking op 4 april 2016, gaat de rechtbank er van uit dat de officier van justitie in de tenlastelegging op één oogst heeft gedoeld. De rechtbank zal de periode waarin het ten laste gelegde feit is gepleegd daarom aanzienlijk verkorten, nu het immers een feit van algemene bekendheid is dat de gemiddelde kweekcyclus van een hennepplant onder kunstlicht ongeveer tien weken bedraagt.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. in de periode van 01 januari 2016 tot en met 4 april 2016 in de gemeente Eindhoven opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 1] 441 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. in de periode van 01 maart 2015 tot en met 4 april 2016 in de gemeente Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie/stroom toebehorende aan [benadeelde partij] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3. in de periode van 01 maart 2015 tot en met 4 april 2016 in de gemeente Eindhoven in het pand gelegen aan [adres 1] te Eindhoven, opzettelijk een ten opzichte van enig elektriciteitswerk als bedoeld in artikel 90ter onder 1 van het wetboek van strafrecht, toebehorende aan [benadeelde partij] , genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen - te weten brandgevaar voor die woning -- te duchten was, immers heeft hij in die woning de zegels van de hoofdaansluitingskast van de elektriciteitsaansluiting gemanipuleerd en illegale zekeringen toegevoegd en het deksel van de aansluitkast verwijderd en vervolgens een illegale elektriciteitsaansluiting ten behoeve van een in die woning aanwezige hennepplantage gemaakt met ondeugdelijke beveiliging.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft ruim een jaar lang een hennepkwekerij geëxploiteerd. Van de [mogelijk] nadelige gevolgen daarvan voor de maatschappij, van de gevaarzetting die is ontstaan door de wijze waarop in de stroomvoorziening van de hennepkwekerij is voorzien en van het crimineel karakter van zijn handelen, heeft verdachte zich niets aangetrokken. Van hennep is algemeen bekend dat het gebruik van deze drug gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers. Wetenschappelijk is aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft.

Ook levert een hennepkwekerij waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en waarvoor de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, schade op voor het elektriciteitsbedrijf en (brand)gevaar voor de omgeving. Daarnaast is bekend dat de hennepteelt steeds meer een onderdeel vormt van het werkterrein van de zware misdaad en de niets ontziende wijze waarop de daarbij betrokken personen te werk gaan. Daarvoor heeft verdachte geen oog gehad.

Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

De strafmodaliteit

Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoording voor zijn handelen willen afleggen. Het heeft er alle schijn van dat verdachte zich aan de gevolgen van zijn handelen heeft willen onttrekken door zich onvindbaar te maken. Verdachte heeft immers, nadat hij was uitgeschreven op het adres [adres 1] te Eindhoven, niet kenbaar gemaakt op welk adres hij daarna verbleef en evenmin heeft verdachte een adres opgegeven waar voor hem bestemde poststukken zouden kunnen worden toegezonden. Daarmee heeft verdachte zich aan het oog van de autoriteiten onttrokken. Tegen die achtergrond acht de rechtbank oplegging van een taakstraf niet zinvol omdat de rechtbank ernstige twijfel heeft of verdachte een hem opgelegde taakstraf ook daadwerkelijk zal uitvoeren.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen, enerzijds om de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds om door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend is.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] .

De rechtbank acht de vordering, nu deze niet is weersproken en deze haar niet kennelijk onrechtmatig of kennelijk ongegrond voorkomt, geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2016, de dag van de indiening van de vordering, tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 600,-- ter zake van de kosten van rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief in kantonzaken. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Oplegging van deze maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht heeft tot doel dat de Staat namens het slachtoffer wat daartoe de mogelijkheden ontbeert, de schade op veroordeelde probeert te verhalen. Gelet op de omvang van en de organisatie binnen het bedrijf van de benadeelde partij acht de rechtbank het voor de benadeelde partij niet belastend het toegewezen schadebedrag zelf te incasseren. Daarom zal de rechtbank de door de benadeelde partij verzocht en door de officier van justitie gevorderde schadevergoedingsmaatregel niet opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 161bis, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en

3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

Verklaart de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Diefstal waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Opzettelijk een ten opzichte van enige elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf

Ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.

 Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf van drie maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , van een bedrag van € 15.183,62 (vijftienduizend honderd drieëntachtig euro en tweeënzestig eurocent), bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op

€ 600,-- (zeshonderd euro). Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. L.G.J.M. van Ekert, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 2 augustus 2016.