Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4055

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
01/865080-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:4836, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van twee brutale en gewelddadige woningovervallen tezamen en in vereniging met anderen gepleegd.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 10 jaren op. Deze opgelegde straf is zwaarder dan de officier van justitie heeft geëist.

Daarnaast moet verdachte met de mededaders de schade van € 6.252,50 en

€ 40.733,76 aan de slachtoffers vergoeden.

Vrijspraak van een poging tot moord/doodslag en twee bedrijfsinbraken.

De rechtbank heft het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/865080-15 en 01/865050-15 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 29 juli 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juli 2016 en 15 juli 2016.

Op de zitting van 11 september 2015 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken met parketnummers 01/865080-15 en 01/86505015 zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 13 augustus 2015. De tenlasteleggingen zijn op de terechtzitting van 11 september 2015 aangepast conform het bepaalde bij artikel 314a Sv. Nadat de tenlaste-legging met parketnummer 01/865050-15 op de terechtzitting van 8 juli 2016 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

parketnummer 01/865080-15

1. hij

op of omstreeks 04 maart 2015 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning gelegen aan de [adres 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (30.000 euro) en/of een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

-die [slachtoffer 2] met een koevoet, althans met een hard en/of scherp en/of zwaar voorwerp

meermalen, althans eenmaal met (aanzienlijke) kracht op het hoofd en/of vervolgens op de

ribben geslagen en/of

-die [slachtoffer 1] met een (hard en/of scherp en/of zwaar) voorwerp meermalen, althans

eenmaal met (aanzienlijke) kracht in het gezicht geslagen en/of

-(met kracht) de ringen van de vingers van die [slachtoffer 1] losgetrokken en/of

-(met kracht) de armbanden en/of het horloge van de pols, althans de arm van die [slachtoffer 1]

losgetrokken;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

parketnummer 01/865050-15

1. hij op of omstreeks 13 januari 2015 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een (honkbal)knuppel, althans met een hard en/of zwaar voorwerp meermalen, althans eenmaal met (aanzienlijke) kracht op/tegen het hoofd en/of de benen van die [slachtoffer 3] heeft geslagen (al dan niet terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel 289 / 287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 21 februari 2015 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een slagerij gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een hoeveelheid vlees en/of een hoeveelheid garnalen en/of een hoeveelheid messen en/of een hoeveelheid (keuken- en/of snij)machines en/of een hoeveelheid weegschalen en/of een hoeveelheid snijplanken en/of een hoeveelheid barbecues en/of een hoeveelheid gasflessen en/of een hoeveelheid broodmanden en/of een hoeveelheid plastic lepels en/of een hoeveelheid afvalbakken en/of een hoeveelheid (ham)haken en/of een hoeveelheid beeldschermen en/of een hoeveelheid bewakingscamera's en/of een decoder en/of een koffiezetapparaat en/of een biertap en/of een messenslijper en/of een hogedrukreiniger en/of een bestelauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

3. hij op of omstreeks 12 maart 2015 te Oss tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een vriescel, behorende bij een bedrijfspand gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

4. hij op of omstreeks 19 maart 2015 te Heesch, gemeente Bernheze,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning gelegen aan [adres 5] ) heeft weggenomen een hoeveelheid hennep(planten) en/of een telefoon en/of een babyfoon en/of een hoeveelheid sleutels en/of een personenauto en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

B.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid hennep(planten) en/of een telefoon en/of een babyfoon en/of een hoeveelheid sleutels en/of een personenauto en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), als volgt heeft/hebben gehandeld,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 5] vastgegrepen en/of (terug) de woning (gelegen aan [adres 5] ) in geduwd en/of (daarbij) die [slachtoffer 5] de woorden toegevoegd: "naar binnen, naar binnen" en/of

- een vuurwapen op (het hoofd en/of in de nek van) die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] gedrukt en/of gericht (gehouden);

(artikel 312 / 317 Wetboek van strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij telkens samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een vijftal delicten heeft gepleegd, te weten - kort gezegd - een poging tot moord/doodslag, twee woningovervallen en twee bedrijfsinbraken.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van hetgeen onder parketnummer 01/865080-15 is ten laste gelegd en dat zij de verdachte zal vrijspreken van alle feiten tenlastegelegd onder parketnummer 01/86505015.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft op gronden als vermeld in de pleitnota integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

t.a.v. parketnummer 01/865050-15 feiten 1 t/m 3:

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

t.a.v. parketnummer 01/865050-15 feit 4A:

t.a.v. feit 4 A.

I. De rechtbank stelt op grond van de in de bewijsbijlage A opgenomen en weergegeven bewijsmiddelen onder meer het volgende vast.

Op 18 maart 2015 om 16:23 uur en 16:25 trommelt [medeverdachte 1] verdachte en [medeverdachte 2] telefonisch op om bij hem langs te komen. [medeverdachte 1] zegt in dit verband nog tegen [medeverdachte 2] dat hij is gebeld door ‘de neus’ en dat je dan wel weet waarover het gaat. Verdachte en [medeverdachte 2] geven hieraan gevolg en zitten omstreeks 17:01 uur in de achtertuin van de woning van [medeverdachte 1] .

Op 19 maart 2015 te 03:41 uur verlaten verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de woning van [medeverdachte 1] te [gemeente 2] , stappen in de auto [medeverdachte 2] en rijden weg. [medeverdachte 2] is aan de bestuurderszijde ingestapt.

Op 19 maart 2015 tussen 04:21 uur en 05:16 uur bevindt de Volkswagen Golf, [kenteken 1] , in gebruik bij [medeverdachte 2] zich op circa 5 minuten loopafstand van het adres [adres 5] te [gemeente 1] .

Op 19 maart 2015 rond 04:45 uur worden de bewoners ( [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ) van de woning gelegen aan [adres 5] te [gemeente 1] overvallen door drie mannen met bivakmutsen. Één van

hen is in het bezit van een zwart/zilverkleurig vuurwapen (pistool). Twee van de daders, waaronder de man met het vuurwapen, zijn bijna even groot (rond 1.78 meter) en de derde

man is circa 20 centimeter groter. De man het vuurwapen blijft bij de bewoners staan en de

twee andere mannen nemen hennepplanten mee van de op de zolder gelegen hennepkwekerij.

De drie daders rijden weg in de auto van [slachtoffer 5] . In deze auto ligt ook de porte

monnee van [slachtoffer 5] met daarin diverse pasjes.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn respectievelijk 1,76 meter en 1, 78 meter. [verdachte] is een kop groter. Dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ongeveer dezelfde lengte hebben en dat [verdachte] beduidend langer is, is ook ter terechtzitting door de rechtbank vastgesteld.

Verdachte benadert op 19 maart 2015 tussen 05:44:41 uur en 05:47:43 uur meerdere personen, waaronder [betrokkene 1] om hem te komen helpen.

De auto van [medeverdachte 2] rijdt op 19 maart 2015 omstreeks 06:10 uur weg van de woning van verdachte.

Verdachte voert op 19 maart 2015 in de tijdspanne van 09:53 uur t/m 14:55 uur vele telefoon-gesprekken met [betrokkene 2] over iets wat verdachte voor hem heeft. Er wordt druk onderhandeld over de prijs ervan.

Verdachte vraagt op 19 maart 2015 te 10:02 uur zijn broer [betrokkene 3] om langs te komen om mensen op te komen halen.

Op 19 maart 2015 omstreeks 19:01 uur worden in de woning van [medeverdachte 2] een herenportemonnee aangetroffen alsmede een rijbewijs, een identiteitsbewijs en (Rabo) bankpasje telkens ten name van slachtoffer [slachtoffer 5] . Voorts wordt een donkere jas aangetroffen die sterk naar hennep ruikt, terwijl nergens in de woning hennep is gevonden. Het betreft een dik gewatteerde herenjas, heupmodel, merk Munero Ramez, waarvan meerdere naden en beide ellebogen zijn afgezet met bruin leer. Op camerabeelden van 19 maart 2015 om 03:32:36 uur en 03:32:54 uur afkomstig van de woning van [medeverdachte 1] draagt [medeverdachte 2] een jas met een zeer sterke gelijkenis aan deze jas.

Op 19 maart 2015 rond 19:47 uur worden op het dak van de woning van verdachte een paar werkhandschoenen aangetroffen. Volgens de betrokken verbalisant roken deze handschoenen enorm naar hennep.

Op 19 maart 2015 rond 18:47 uur wordt in de woning van [medeverdachte 1] een zak met henneptoppen aangetroffen. Er is in elk geval sprake van 35 gram hennepplanten met steel.

Ook wordt in de woning een zwart/zilverkleurig vuurwapen (pistool) aangetroffen.

In een OVC-gesprek met zijn echtgenote [betrokkene 4] d.d. 10 april 2015 zegt medeverdachte [medeverdachte 2] dat ‘het kutte is met die andere zaak dat ze een portemonnee’. [betrokkene 4] heeft van anderen gehoord dat verdachte dat nooit mee naar huis had mogen nemen.

In een OVC-gesprek op 7 mei 2015 verneemt [medeverdachte 1] van zijn vader dat deze op 5 mei 2015 [betrokkene 1] (zo leidt de rechtbank af uit de context van de bewijsmiddelen) heeft opgezocht en haar heeft bevraagd over de inhoud van haar verhoor diezelfde dag. Het woord weed valt. Zijn vader vertelt ook nog dat hij naar de afkoper is geweest en deze heeft aangeraden zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Verdachte bevestigt in ditzelfde gesprek dat het bij hem aangetroffen vuurwapen van hem is.

In een OVC-gesprek van 10 juni 2015 verneemt [medeverdachte 1] van zijn moeder dat zij diezelfde dag [betrokkene 2] heeft aangesproken voorafgaand aan zijn verhoor die dag en tegen hem heeft gezegd dat hij moest zwijgen.

II. De inhoud en strekking van de diverse telefoongesprekken kort na de overval en de daarop volgende telefoongesprekken met [betrokkene 2] in combinatie met de inhoud van de OVC-gesprekken met zijn ouders en het 14 uur na de overval (een roof van hennepplanten) in

de woning van [medeverdachte 1] aantreffen van hennepplanten met steel, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat [medeverdachte 1] kort na de overval hennepknippers (waaronder [betrokkene 1] ) heeft benaderd en geregeld en aansluitend in onderhandeling is getreden met een afnemer van de hennep ( [betrokkene 2] ).

III. Zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen, zijn op de dag van de henneproof een paar werkhandschoenen met een enorme hennepgeur op het dak van de woning van verdachte aangetroffen. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 20 maart 2015 heeft verdachte verklaard dat hij deze handschoenen voor zijn werk gebruikt. Op 21 maart 2015 heeft hij bij de politie desgevraagd verklaard dat hij niet weet hoe het kan dat de handschoenen zo naar hennep ruiken (p. 331). Tijdens de terechtzitting van 8 juli 2016 heeft verdachte de mogelijkheid geopperd dat de sterke hennepgeur op de handschoenen mogelijk het gevolg is van zijn softdrugsgebruik. Als hem vervolgens door de rechtbank de vraag wordt gesteld of de handschoenen iets met de henneproof te maken hebben, beroept hij zich op zijn zwijgrecht. De rechtbank stelt vast dat verdachte in elk geval niet eenduidig over de handschoenen heeft verklaard en dat zijn ter zitting afgelegde verklaring over de aanwezige hennepgeur zonder nadere uitleg als onaannemelijk en van onvoldoende gewicht terzijde kan worden geschoven.

IV. De rechtbank constateert dat ruim 15 uren na de henneproof zeer sterk naar hennep ruikende handschoenen op een opmerkelijke en dubieuze locatie op het perceel van de woning van verdachte zijn aangetroffen.

V. Voor wat betreft het daderschap van verdachte acht de rechtbank meer in het bijzonder

het navolgende van belang:

*verdachte is op een opmerkelijk tijdstip (03:41 uur), zijnde een uur voor de overval,

samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een auto gestapt, waarna de auto

vanaf de woning [medeverdachte 1] in [gemeente 2] is weggereden;

*de auto van [medeverdachte 2] staat 40 minuten later, circa een half uur voor de overval, voor

een aaneengesloten periode van circa een uur stil in de directe nabijheid van de woning

van de slachtoffers te [gemeente 1] ;

*de beide slachtoffers maar ook een getuige verklaren ondubbelzinnig over drie daders,

waarvan de opgegeven lengtes naadloos passen bij die van verdachte en [medeverdachte 1]

en [medeverdachte 2] ;

*ruim 15 uur na de overval, meer specifiek een roof van hennepplanten, worden bij verdachte op een opmerkelijke en dubieuze locatie zeer sterk naar hennep ruikende handschoenen aangetroffen. Verdachte heeft hiervoor geen plausibele verklaring gegeven;

*diezelfde dag worden bij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorwerpen aangetroffen die rechtstreeks in verband met deze woningoverval kunnen worden gebracht.

VI. Zoals hierna zal worden besproken, is verdachte ruim twee weken na de onderhavige overval samen met twee andere daders, waaronder [medeverdachte 1] , ook als medepleger betrokken geweest bij een gewelddadige woningoverval op 4 maart 2015.

Bij die overval was eveneens sprake van drie daders met gezichtsbedekking en een dader die zichtbaar langer was dan de twee andere daders. De rechtbank zal voor het bewijs van de onderhavige woningoverval/henneproof op 19 maart 2015 mede de redengevende feiten en omstandigheden bezigen die aan de bewezenverklaring van het soortgelijke incident van 4 maart 2015 ten grondslag liggen.

VII. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij de overval op slachtoffer [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . De rechtbank acht voorts op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 1] de man met het vuurwapen is geweest en daarmee de slachtoffers heeft bedreigd en dat verdachte en [medeverdachte 2] onderwijl de hennepplanten hebben gepakt. Hiermee is tevens de voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokkenen, waaronder verdachte, gegeven.

t.a.v. 01/865080-15:

I. De rechtbank stelt op grond van de in de bewijsbijlage B opgenomen en weergegeven bewijsmiddelen onder meer het volgende vast.

[medeverdachte 1] zegt op 4 maart 2015 te 00:22 uur in een telefoongesprek met medeverdachte [medeverdachte 2] dat hij er nu aankomt en vraagt [medeverdachte 2] om open te doen. [verdachte] bevindt zich die dag tussen 01:10:59 en 01:13:05 uur op het balkon van de woning van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] woont in de directe nabijheid van de [adres 2] .

Op 4 maart 2015 omstreeks 02:00 uur worden slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de slaap-kamer van de woning gelegen aan de [adres 2] te [gemeente 2] in hun slaap verrast door drie jonge mannen met gezichtsbedekking. De mannen eisen goud en geld. Een van de mannen is langer dan de andere twee mannen. De langste man slaat de slachtoffers met een oranje koevoet. Slachtoffer [slachtoffer 1] wordt ermee in het gezicht geraakt. De langste man spreekt met een licht Surinaams accent. De twee andere daders zijn Nederlanders. De woning wordt door de mannen doorzocht en de uiteindelijke buit bestaat uit een geldbedrag van circa 29.000 euro en vele sieraden die grotendeels van de vingers van slachtoffer [slachtoffer 1] zijn afgetrokken. De dagschoot van de voordeur is verbroken.

Verdachte is langer dan [medeverdachte 1] .

In de gang en badkamer van de woning van de slachtoffers zijn schoensporen aangetroffen veroorzaakt door de linkerschoen van een in de woning van verdachte aangetroffen schoen van het merk Nike.

Op 19 maart 2015 werd in de woning van [medeverdachte 1] een tas met drie hoofdbedekkingen aangetroffen, waaronder een zwarte bivakmuts met enkel twee gaten voor de ogen.

Op 23 maart 2015 is in de schuur behorende bij de woning van [medeverdachte 1] een oranje koevoet aangetroffen met daarop het DNA van [slachtoffer 1] . De braakschade aan de voordeur van de woning van [slachtoffer 1] is door deze koevoet veroorzaakt.

In afgeluisterde gesprekken met zijn broer spreekt verdachte kortstondig met een buitenlands accent.

De rechtbank stelt - als tussenconclusie – vast dat [verdachte] een van de (tenminste) drie daders is geweest van de overval op de [adres 2] te [gemeente 2]

II. [verdachte] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris en vervolgens bij de politie en ter terechtzitting een verklaring afgelegd die niet alleen ziet op zijn eigen betrokkenheid, maar ook van belang is voor de vraag of [medeverdachte 1] bij dit feit betrokken is geweest. De verklaring van [verdachte] komt in het kort op het volgende neer.

Rond de zomer van 2014 in Nijmegen heeft hij in het park, toen hij daar veel kwam om te blowen, een Antilliaanse jongen leren kennen. In februari 2015 heeft deze Antilliaanse jongen hem 1500 euro geleend voor zijn appartement omdat hij in geldnood zat. Er was geen terugbetalingstermijn afgesproken, het geld moest gewoon zo snel mogelijk terug. Ze hebben ook geen telefoonnummers en adressen uitgewisseld. Hij kent wel zijn naam, maar die wil hij niet noemen in verband met de veiligheid van hemzelf en zijn vriendin.

Twee dagen voor het feit -als [verdachte] in het park in Nijmegen is om te blowen- spreekt de Antilliaanse jongen hem aan dat hij binnen een week zijn geld terug wil. Als [verdachte] dan aangeeft dat zijn inkomen nog steeds te laag is zegt de Antilliaan: “ik weet het goed gemaakt, ik weet in [gemeente 2] nog ergens geld te halen en jij gaat me daarbij helpen”. Hij moest een dag later om 01.30u klaar staan bij de grote Albert Heijn in Oss en zorgen dat hij iets te breken had. [verdachte] verklaart in shock toegestemd te hebben. Hij heeft vooraf de koevoet bij [medeverdachte 1] geleend. “Als ik gereedschap nodig had, kon ik dat pakken gevraagd en ongevraagd. Wij vertrouwen elkaar blindelings. Ik moest het wel netjes terug brengen.”

Voor dat hij naar de Albert Heijn ging is hij nog een sigaret gaan roken bij [medeverdachte 2] .

Bij de Albert Heijn ontmoet hij de Antiliaan en een andere jongen. Ze hebben vervolgens de auto in de buurt geparkeerd. De deur beneden stond open. De deur boven heeft de andere jongen die erbij was met de koevoet open gebroken. [verdachte] verklaart buiten te zijn blijven staan. Nadat hij hoort dat er geschreeuwd of gevochten werd –het was een kabaal- loopt hij in het donker op het geluid af de woning in. Het was aan de linker kant ergens en hij heeft een paar keer ‘”hee!” geroepen. Toen hij geen reactie kreeg is hij naar buiten gerend. Hij heeft in de buurt van de auto gewacht. Later ziet hij dat de Antiliaan en de andere jongen een tasje in de auto leggen en het park in lopen naast de parkeerplaats. Hij heeft vervolgens de koevoet uit de auto genomen en is naar huis gegaan. Hij heeft thuis zijn handen gewassen en het breekijzer afgedaan. Dat was helemaal smerig, het leek op bloed. De dag erna heeft hij -zonder [medeverdachte 1] te informeren over vorenstaande- het breekijzer terug gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze lezing van de verdachte volstrekt geen geloof worden gehecht.

In de kern komt de verklaring van de verdachte er op neer dat hij zonder concrete terugbetalingstermijn of andere afspraken 1500 euro leent van iemand die hij alleen maar van de straat kent, zonder uitwisseling van telefoonnummers en adresgegevens. Nog daargelaten dat een dergelijke gang van zaken moeilijk voorstelbaar is – immers, deze Antilliaanse man leent een aanzienlijk geldbedrag uit zonder zekerheid dat hij dit ooit nog terugbetaald krijgt, althans zonder zekerheid dat hij verdachte ooit nog weet te achterhalen voor een terugbetaling nu hij geen contactgegevens van verdachte heeft gekregen – is het nog moelijker voorstelbaar dat deze persoon vervolgens ter terugbetaling van de schuld de verdachte betrekt bij en een belangrijke rol toebedeelt bij de uitvoering van een zeer ernstig strafbaar feit, zonder verdachte echt goed te kennen en zonder zich er eerst van te vergewissen of de verdachte voor zoiets wel ‘uit het juiste hout’ zou zijn gesneden. Verdachte moest er immers naar eigen zeggen “bij zijn mocht het uit de hand lopen” en had kennelijk een belangrijke taak door “buiten bij de deur te staan”, klaarblijkelijk ten behoeve van de uitkijk gedurende een gewelddadige woningoverval door de andere twee. De rechtbank kan hier simpelweg geen geloof aan hechten.

Maar de verklaring van verdachte herbergt nog meer ongeloofwaardige aspecten.

Zo kan de rechtbank zich eveneens moeilijk voorstellen dat de daders van de overval op de [adres 2] , na heftig geweld te hebben gepleegd op de bewoners maar hen wel levend en in staat om de politie te alarmeren achter te hebben gelaten, eerst naar hun auto lopen om daarin de tas met koevoet te leggen, deze onafgesloten achter laten om vervolgens het park in te lopen. Daarmee zouden ze kennelijk achteloos het levensgrote risico voor lief nemen dat de intussen gealarmeerde politie de auto aantreft met daarin de koevoet en andere mogelijke sporen die naar de daders leiden. Veel meer zou het dan voor de hand hebben gelegen dat de daders met gebruikmaking van die auto zo snel als mogelijk na de overval de plaats van het delict zouden ontvluchten. Het door verdachte geschetste scenario is op dit punt minstgenomen onaannemelijk.

Voorts wijst de rechtbank nog op het feit dat [verdachte] zijn vriendschap met [medeverdachte 1] als hecht beschrijft. In dat verband heeft [verdachte] verklaard dat hij en [medeverdachte 1] “elkaar blindelings vertrouwen”. Tegen die achtergrond is het – uitgaande van de lezing van [verdachte] – naar het oordeel van de rechtbank ook niet goed voor te stellen dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, de bij de overval gebruikte koevoet bij [medeverdachte 1] in de schuur terughangt zonder deze in te lichten over het incident waarbij die koevoet was gebruikt. Verdachte wist dat de koevoet gebruikt was om de voordeur mee open te breken en hij heeft minstgenomen ernstig moeten vermoeden dat deze ook gebruikt was bij geweldplegingen op de bewoners. Hij had immers geschreeuw en gevecht gehoord vanuit de woning en naar eigen zeggen was de koevoet, toen hij deze uit de auto viste, besmeurd met iets dat leek op bloed. Goede redenen waarom de verdachte heeft nagelaten om [medeverdachte 1] in te lichten over het voorval waarmee de koevoet was gebruikt, heeft de verdachte niet gegeven. De rechtbank heeft die ook niet kunnen vinden; te minder, als daarbij in aanmerking wordt genomen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkens het onder 4 bewezenverklaarde (parketnummer 01/865050-15) feit 15 dagen later wel samen een gewapende woningoverval uitvoeren.

Bovendien wordt de lezing van [verdachte] weersproken door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, meer specifiek de verklaringen van beide aangevers die verklaren over drie daders aan het bed, terwijl als van de verklaring van [verdachte] zou moeten worden uitgegaan, niet meer dan twee personen aan het bed van de slachtoffers zouden kunnen hebben gestaan. Redenen waarom aan de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op dit punt zou moeten worden getwijfeld heeft de rechtbank echter niet gevonden. Zij hebben steeds consistent verklaard dat er drie daders waren die plotseling aan het bed stonden en de overval hebben gepleegd. Hun waarnemingen zijn evident betrouwbaar gebleken. Zo hebben zij bijvoorbeeld ieder voor zich verklaard dat de daders een oranje koevoet bij zich hadden, een specifiek detail dat objectief bezien naderhand blijkt te kloppen. Dat zij zich omtrent het aantal daders hebben vergist, is dan ook op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Ten slotte weegt de rechtbank bij het beoordelen van de geloofwaardigheid en aannemelijkheid van de verklaring van [verdachte] mee dat diens verklaring niet verifieerbaar is geworden doordat hij telkens heeft geweigerd om de naam van de door hem bedoelde Antilliaanse man te noemen en dat deze verklaring in een laat stadium en na kennisname van de inhoud van het strafdossier op dit punt is afgelegd.

Op grond van de vaststelling dat de schoensporen in de woning van de slachtoffers zijn veroorzaakt door schoenen die bij [verdachte] in beslag zijn genomen, in samenhang bezien met de verklaring van [verdachte] dat hij bij de overval betrokken is geweest,

acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] een van de drie daders is geweest die de slachtoffers aan hun bed hebben zien staan. Op basis van hetgeen hierboven is overwogen hecht de rechtbank geen enkel geloof aan de verklaring van [verdachte] voor zover deze inhoudt dat [medeverdachte 1] niet bij de overval betrokken is geweest. Bij gebreke van aanwijzingen voor een ander oordeel, moet deze verklaring geacht worden te zijn afgelegd ten einde hem zelf een kleinere rol bij de overval toe te dichten en om tegelijkertijd bij de rechtbank ingang te doen vinden dat zijn [medeverdachte 1] niet bij deze overval betrokken is geweest, hoewel diens oranje koevoet met de daarop aangetroffen sporen van een van de slachtoffers in samenhang bezien met hetgeen overigens tot bewijs wordt gebezigd, anders indiceren.

III. Zoals hiervoor reeds is besproken, is [medeverdachte 1] ruim twee weken na de onderhavige overval samen met twee andere daders, waaronder verdachte, ook als medepleger betrokken geweest bij een gewelddadige woningoverval op 19 maart 2015. Bij die overval was eveneens sprake van drie daders met gezichtsbedekking, waaronder een dader die zichtbaar langer was dan de andere twee daders.

De rechtbank zal voor het bewijs van de onderhavige overval op 4 maart 2015 (parketnummer 01/865080-15) wat betreft het daderschap van [medeverdachte 1] mede de redengevende feiten en omstandigheden bezigen die aan de bewezenverklaring van het soortgelijke incident van 19 maart 2015 (feit 4A) ten grondslag liggen.

IV. De rechtbank leidt uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] ruim anderhalf uur voor de overval naar de woning van [medeverdachte 2] is gegaan, alwaar 40 minuten later ook verdachte aanwezig is geweest, terwijl ongeveer een uur later de overval is gepleegd, in samenhang bezien met de omstandigheid dat het de koevoet van [medeverdachte 1] is geweest, waarmee de te overvallen woning werd opengebroken en een van de slachtoffers werd geslagen, en dit alles gecombineerd met de aan de bewezenverklaring van feit 4A ten grondslag liggende redengevende feiten en omstandigheden, af dat [medeverdachte 1] een van de daders is geweest.

IV. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte met twee mededaders,

waaronder [medeverdachte 1] , de betreffende woning is binnengedrongen en gezamenlijk de slaapkamer is ingelopen waarna de slachtoffers om geld en goud werden gesommeerd en beiden ernstig werden mishandeld met onder meer de oranje koevoet. De woning is doorzocht en na het uiteindelijke aantreffen van de goederen van hun gading hebben zij de woning gezamenlijk verlaten.

V. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte mede de overval heeft gepleegd. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen betrokkenen is dusdanig evident aanwezig dat dit geen nadere bespreking behoeft.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen zoals uitgeschreven in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen

is dat verdachte:

parketnummer 01/865080-15

1. op 04 maart 2015 te Oss, tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning gelegen aan de [adres 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (circa 29.000 euro) en een hoeveelheid sieraden toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd vooraf-gegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

-die [slachtoffer 2] met een koevoet meermalen met kracht op het hoofd en/of vervolgens op de

ribben geslagen en

-die [slachtoffer 1] met een hard voorwerp eenmaal met kracht in het gezicht geslagen en

-met kracht de ringen van de vingers van die [slachtoffer 1] losgetrokken en

-met kracht de armbanden en het horloge van de pols van die [slachtoffer 1] losgetrokken.

parketnummer 01/865050-15

4 A op 19 maart 2015 te Heesch, gemeente Bernheze tezamen en in vereniging met anderen

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres 5] heeft weggenomen een hoeveelheid hennepplanten en een telefoon en een babyfoon en een hoeveelheid sleutels en heeft weggenomen een personenauto en een portemonnee met inhoud toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hebbende hij, verdachte en zijn mededaders,

-die [slachtoffer 5] vastgegrepen en terug de woning (gelegen aan [adres 5] ) in geduwd daarbij

die [slachtoffer 5] de woorden toegevoegd: "naar binnen, naar binnen" en

-een vuurwapen op (het hoofd en/of in de nek van) die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] gedrukt en/of

gericht (gehouden).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

t.a.v. feit parketnummer 01/01/865080-15:

-een gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van voorarrest;

-opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich niet over de strafoplegging uitgelaten.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee brutale en gewelddadige woningovervallen.

Slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden in hun slaapkamer, tijdens de slaap, verrast door drie mannen met gezichtsbedekking die hen om geld en goud sommeerden. Één van hen had een ijzeren koevoet in zijn handen. Hiermee zijn beide slachtoffers zonder enige aanleiding geslagen. Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft hierdoor haar rechter jukbeen en rechter oogkas gebroken en [slachtoffer 2] liep een schedelbreuk op. Verdachte en zijn mededaders hebben circa € 29.000,= en vele gouden sieraden buitgemaakt. De ringen werden hierbij op hardhandige wijze van de vingers van slachtoffer [slachtoffer 1] afgetrokken. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat er excessief geweld is uitgeoefend op de slachtoffers, waaronder

op de destijds bijna 70-jarige [slachtoffer 1] . Het gaat hier om buitengewoon gewelddadig maar bovenal lafhartig handelen ten opzichte van volstrekt weerloze slachtoffers.

Slachtoffers [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zagen zich in de vroege ochtenduren in hun woning geconfronteerd met drie gemaskerde daders waarvan één dader zichtbaar in het bezit was van een vuurwapen en dit wapen ook op dreigende wijze tegen de hoofden van de slacht-offers heeft gedrukt zodat de twee andere daders, waaronder verdachte, ongestoord de hennepplantage konden plunderen.

Het hoeft geen betoog dat verdachte door zijn handelen een grote inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit op grove wijze heeft geschonden, dit laatste met name in het geval van slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Een woningoverval, zeker wanneer daarbij sprake is van het gebruik van een vuurwapen of toepassing van buitensporig geweld, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang in het dagelijkse bestaan last van kunnen hebben. Immers, een woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig en geborgen moet kunnen voelen. Het spreekt voor zich dat de overvallen grote gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers hebben veroorzaakt. Uit de ter terechtzitting door [slachtoffer 1] voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook dat dit voor haar het geval is. Ze is ruim een jaar later, ondanks EMDR-therapie, nog alle nachten bang en is sedertdien niet meer gelukkig geweest. Het voelt alsof ze levenslang heeft gekregen. Bovendien blijkt uit haar verklaring dat de rechterkant van haar gezicht nog steeds, mogelijk blijvend, is verdoofd.

In de kern genomen karakteriseren de feiten zich door een grote minachting voor andermans persoonlijke belangen en eigendommen om zichzelf op een snelle en gemakzuchtige wijze ter verrijken, terwijl daaraan in de weg staande slachtoffers met zeer grof geweld worden gedwongen om mee te werken of uit de weg te gaan.

Dat het eigenbelang bij verdachte voorop staat ziet de rechtbank bevestigd in zijn (latere) verklaring over zijn gestelde betrokkenheid op de overval op de slachtoffers van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Een berekenende verklaring waarin hij zijn medeverdachte ontlast en zijn eigen aandeel beperkt tot een ondergeschikte en niet ten laste gelegde bijdrage.

Woningovervallen veroorzaken in zijn algemeenheid ook veel maatschappelijke onrust en verontwaardiging en voeden algemene gevoelens en angst en onveiligheid in de samenleving.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij niet mee heeft willen werken aan een gedragsdeskundig onderzoek en een rapport van de reclassering. Verdachte heeft geen enkel inzicht verschaft over de achtergronden van zijn criminele keuzes en daden. De rechtbank houdt, verdachte, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, ten volle verantwoordelijk voor zijn handelen en gaat bij het bepalen van de strafmaat dan ook uit van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank heeft gezien dat verdachte in 2012 terzake van vermogensdelicten en een geweldsdelict met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank acht geen van belang zijnde omstandigheid aanwezig om in matigende zin mee rekening te houden.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een overval op een woning met licht geweld c.q. bedreiging luidt het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Voor een woningoverval met ander, ernstiger, geweld luidt dat oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats en oordeelt dat in verband met een

juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie feit 4A van parketnummer 01/865050-15 bewezen acht en de rechtbank voorts van oordeel is

dat de op te leggen straf recht doet aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde

misdrijven en de feiten en omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden.

Voorlopige hechtenis.

Met inachtneming van het voorgaande is rechtbank van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang dient te worden opgeheven. Gezien de

aard en ernst van de bewezenverklaarde (12-jaars) feiten en de wijze waarop deze feiten hebben plaatsgevonden en de strafoplegging, zijn de persoonlijke belangen die verdachte bij het voortduren van de schorsing heeft volstrekt ondergeschikt aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . (01/865080-15)

Het standpunt van de officier van justitie.

Integrale toewijzing van de materiële kosten en matiging van de gevorderde immateriële schade. Het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente. Hoofdelijke aansprakelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Primair: niet-ontvankelijkverklaring gezien de bepleite vrijspraak.

Subsidiair: matiging van de immateriële schade.

Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht toetsend aan de maatstaf van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 5.000,= als immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 1.252,50 als materiële schadever-

goeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk de datum van het delict en vanaf de datum van de indiening van de vordering, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het hoger gevorderde bedrag aan immateriële schade, omdat dit onderdeel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel (in zoverre) zou een uitgebreide behandeling zou vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk de datum van het delict (immateriële schade) en vanaf de datum van de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (01/865080-15)

Het standpunt van de officier van justitie.

Integrale toewijzing van de materiële kosten en matiging van de gevorderde immateriële schade. Het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente. Hoofdelijke aansprakelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Primair: niet-ontvankelijkverklaring gezien de bepleite vrijspraak..

Subsidiair: niet-ontvankelijkverklaring in de posten waar nog een claim van de verzekering loopt en van het gestelde weggenomen geldbedrag, nu de hoogte van dat laatste bedrag niet vaststaat. Matiging van de immateriële schade.

Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht toetsend aan de maatstaf van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 5.000,= als immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 35.733,76 als materiële schadever-

goeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk de datum van het delict en vanaf de datum van de indiening van de vordering, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal een bedrag van € 1.000,= van de post diefstal geld afwijzen, nu dit geldbedrag in de woning is teruggevonden en aldus ten onrechte is gevorderd..

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het hoger gevorderde bedrag aan immateriële schade, omdat dit onderdeel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel (in zoverre) zou een uitgebreide behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk de datum van het delict (immateriële schade) en vanaf de datum van de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (01/865050-15, feiten 1 en 2)

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich te dier zake niet expliciet uitgelaten.

Het standpunt van de verdediging.

Niet-ontvankelijkverklaringen van de benadeelde partijen in de vorderingen gezien de bepleite vrijspraken.

Het oordeel van de rechtbank.. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van de feiten waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben. De rechtbank zal de telkens de kosten van partijen

compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen schoenen,

nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave hiervan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 57, 60a, 63, 310 en 312.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feiten 1, 2 en 3 van parketnummer 01/865050-15) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde onder parketnummers 01/865080-15 en 01/865050-15

feit 4 A bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. 01/865080-15: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. t.a.v. 01/865050-15 feit 4A: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

t.a.v. 01/865080-15 en 01/865050-15 feit 4 A:

Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden.

t.a.v. 01/865080-15: Maatregel van schadevergoeding van € 6.252,50 subsidiair 66 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 6.252,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 66 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 5.000,= immateriële schade en een bedrag van € 1.252,50 materiële schade. Verdachte

is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) respectievelijk vanaf de datum van de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 6.252,50 , te weten EUR 5.000,= immateriële schade en € 1.252,50 materiële schade. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) respectievelijk vanaf de datum dan de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het hoger gevorderde bedrag aan immateriële schade niet ontvankelijk is.

t.a.v. 01/865080-15: Maatregel van schadevergoeding van € 40.733,76 subsidiair 238 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 40.733,7 6, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 238 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 5.000,= immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 35.733,76 materiële schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) respectievelijk vanaf de datum van de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de [slachtoffer 1] van een bedrag van € 40.733,76, te weten

€ 5.000,= immateriële schadevergoeding en € 35.733,76 materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) respectievelijk vanaf de datum van de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het hoger gevorderde bedrag aan immateriële schade niet ontvankelijk is.

Wijst af een bedrag van EUR 1.000,= (post diefstal geld)

t.a.v. 01/865050-15 feit 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de vordering.

Compenseert de kosten aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

t.a.v. 01/865050 feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 4] in de vordering.

Compenseert de kosten aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

t.a.v. beslag:

Teruggave inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten: schoenen (Nike).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. S.B.C. Nicolaes, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 29 juli 2016.