Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:4017

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
16 _ 225
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WW-dagloon. Toepassing van de hoofdregel voor dagloonberekening, zoals neergelegd in artikel 1b, eerste lid van de WW, leidt in het geval van eiser niet tot een resultaat dat in strijd is met het principe dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van betrokkene bij het intreden van het verzekerde risico. Eiser heeft in de gehele referteperiode maar één week geen inkomsten genoten, zodat met toepassing van de hoofdregel niet op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/225

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2016 inzake het beroep en het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E.M. Lucassen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. W.J.C. Rademakers).

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend per 10 augustus 2015. De hoogte van de uitkering is gebaseerd op een dagloon van € 101,43.

Bij besluit van 16 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting is het onderzoek heropend en is de zaak door de enkelvoudige kamer verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser was werkzaam in de bouw. Hij had in 2014 en 2015 zes dienstbetrekkingen, waaruit hij loon ontving. Eisers dienstverband bij één van zijn werkgevers, KB Interim B.V., is op 10 augustus 2015 geëindigd. Per deze datum heeft eiser op 27 juli 2015 een WW-uitkering aangevraagd.

2. In geschil is enkel de hoogte van het dagloon, waarop de WW-uitkering is gebaseerd.

3. Blijkens het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat hij het dagloon correct heeft berekend. De referteperiode, waarover het dagloon wordt berekend, loopt van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015. In die periode had eiser inkomsten van zes verschillende werkgevers tot een totaalbedrag van € 26.367,63. Het dagloon is dan € € 26.367,63: 261. Daarop heeft verweerder een indexering van 0,40% toegepast, resulterend in het bedrag van € 101,43. Verweerder wijst erop dat hij als uitvoerende instantie gehouden is toepassing te geven aan de geldende wet- en regelgeving.

4. Eiser voert aan dat in zijn geval, gelet op artikel 2, vijfde lid, van het Dagloonbesluit, uit moet worden gegaan van een kortere referteperiode. Daarnaast voert eiser, onder verwijzing naar jurisprudentie, aan dat de manier waarop het dagloon door verweerder is vastgesteld op gespannen voet staat met de WW. Uitgangspunt van deze wet is namelijk dat het dagloon een representatieve afspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van de verzekerde. Het dagloon is te laag vastgesteld. Anders dan in het oude Dagloonbesluit, zoals dat gold vóór

1. juli 2015, is het nu niet mogelijk om rekening te houden met het feit dat eiser niet de gehele referteperiode heeft gewerkt.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Op grond van artikel 1b, eerste lid, van de WW (vóór 1 juli 2015 artikel 45, eerste lid, van de WW) wordt als dagloon voor de berekening van de hoogte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

7. Met ingang van 1 juli 2015 is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) gewijzigd. In Hoofdstuk 2 van het Dagloonbesluit zijn de bepalingen voor de vaststelling van het dagloon voor de WW neergelegd.

8. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder referteperiode de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden. Op grond van het vijfde (thans vierde) lid van genoemd artikel is de referteperiode voor een reguliere WW-uitkering in afwijking van het eerste lid korter dan een jaar, indien er in de referteperiode, bedoeld in het eerste lid, geen recht op loon bestond of geen loon is genoten. In dat geval is de referteperiode de periode vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden.

9. Ten aanzien van eisers stelling dat moet worden uitgegaan van een kortere referteperiode, overweegt de rechtbank dat, in tegenstelling tot de situatie waarop artikel 2, vijfde lid (oud), van het Dagloonbesluit van toepassing is, eiser in de referteperiode wél loon heeft genoten. Reeds daarom kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling. Voor het oordeel dat deze bepaling niet van toepassing is op eisers situatie, vindt de rechtbank tevens steun in de door verweerder aangehaalde Nota van Toelichting (Staatsblad, jaargang 2015, nr. 152, pag. 18). De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een referteperiode die loopt van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015. Deze beroepsgrond faalt.

10. Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover thans van belang, is het dagloon van uitkeringen op grond van de WW de uitkomst van de volgende berekening: [(A-B) x 108/100 + C] / D waarbij

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die vakantiebijslag reserveren;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die geen vakantiebijslag reserveren; en

D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft.

11. In artikel 5, eerste lid, zoals dat luidde in het oude Dagloonbesluit, dat gold tot 1 juli 2015, stond, voor zover thans van belang, D voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer (…) werkloos is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

12. Met het Dagloonbesluit zoals dat per 1 juli 2015 geldt, is de berekening van het dagloon dus in zoverre gewijzigd dat in gevallen waarin de referteperiode één jaar is, het in die periode genoten loon altijd door 261 wordt gedeeld. Anders dan tot 1 juli 2015 wordt daarbij voor de berekening van de hoogte van het dagloon dus geen rekening meer gehouden met situaties waarin niet gedurende de gehele referteperiode, maar slechts gedurende een deel daarvan loon is genoten.

13. De rechtbank overweegt dat toepassing van de hoofdregel voor dagloonberekening, zoals neergelegd in artikel 1b, eerste lid van de WW, niet mag leiden tot een resultaat dat in strijd is met het principe dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van betrokkenen bij het intreden van het verzekerde risico. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, ten aanzien van artikel 45, eerste lid, van de WW geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 14 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4685 en de uitspraak van 23 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4322). Aan het dagloon in de WW ligt het loondervings- en verzekeringsprincipe ten grondslag. Aangezien strekking en inhoud van het huidige artikel 1b, eerste lid, van de WW met het oude artikel 45, eerste lid, van de WW overeenkomen, acht de rechtbank deze jurisprudentie onverkort van toepassing.

14. De rechtbank stelt vast dat, blijkens de stukken, eiser in de gehele referteperiode slechts één week, te weten de week van 26 januari 2015 tot en met 31 januari 2015, geen loon heeft genoten. In de overige tijdvakken binnen de referteperiode is sprake van loon. Onder deze omstandigheden wordt, door het gedurende de referteperiode genoten loon van eiser te delen door 261, naar het oordeel van de rechtbank – anders dan in haar eerdere tussenuitspraak van 17 maart 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1181, en de bijbehorende einduitspraak van 25 april 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1953 het geval was – niet op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW. Dat eiser in de tijdvakken waarover hij loon heeft ontvangen mogelijk niet op alle dagen heeft gewerkt, maakt het voorgaande niet anders. Bij de bepaling van het dagloon is immers het aantal in de referteperiode gelegen dagloondagen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Dagloonbesluit, bepalend en niet het aantal gewerkte dagen. Verweerder heeft daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Dat het dagloon door de dwingendrechtelijke toepassing van laatstgenoemde bepaling leidt tot een resultaat dat geen redelijke weerspiegeling meer is van het welvaartsniveau van eiser, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de aard van de wetgevende functie en de positie van de rechter in ons staatsbestel er toe leidt, dat de rechter slechts in uitzonderlijke gevallen dient te besluiten tot een buiten toepassing laten van dwingendrechtelijke bepalingen. Een dergelijke situatie doet zich – anders dan in de hierboven genoemde uitspraken van deze rechtbank – in eisers geval niet voor. De beroepsgrond faalt.

15. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, zal eisers verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. E.J.J.M. Weyers en

mr. F.M. Rijnbeek, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.