Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3966

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2016
Datum publicatie
25-07-2016
Zaaknummer
01/879029-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek voorarrest waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor witwassen, medeplegen van witwassen, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879029-13

Datum uitspraak: 25 juli 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2016 en 11 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 juni 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een woning met garage en/of aanhorigheden gelegen aan [adres 2] te [gemeente 1] , heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde woning met garage en/of aanhorigheden, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 oktober 2013, te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) - (telkens) van een voorwerp, danwel van een of meer voorwerpen, te weten een hoeveelheid geld van euro 41.000,- en/of een hoeveelheid geld van euro 4000,-, in elk geval een of meerdere hoeveelheden geld, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans (telkens) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, danwel een of meer voorwerpen, te weten een hoeveelheid geld van euro 41.000,- en/of een hoeveelheid geld van euro 4000,-, in elk geval een of meerdere hoeveelheden geld, was of wie bovenomschreven voorwerp, danwel een of meer voorwerpen, te weten een hoeveelheid geld van euro 41.000,- en/of een hoeveelheid geld van euro 4000,- in elk geval een of meerdere hoeveelheden geld voorhanden had, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans (telkens) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of

- (telkens) een voorwerp, danwel een of meer voorwerpen, te weten een hoeveelheid geld, danwel een of meerdere hoeveelheden geld, waaronder:

* diverse geldbedragen met betrekking tot de aankoop/betaling van (luxe) gebruiksgoederen (onder meer sanitair, inbouwapparatuur en/of elektronische apparatuur); en/of

* diverse geldbedragen ten behoeve van de verbouwing van de woning [adres 2] te [gemeente 1] ; en/of

* diverse geldbedragen ten behoeve van levensonderhoud en/of kleding; en/of

* diverse geldbedragen voor (buitenlandse) vakanties; en/of

* diverse geldbedragen voor betaling van energienota's, huurpenningen en/of verzekeringenpremies; * en/of een of meer andere geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans (telkens) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij op of omstreeks 25 januari 2013 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een schenkingsovereenkomst (tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] als 'schenker' en [medeverdachte 2] als 'begiftigde') - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid in voormelde schenkingsovereenkomst opgenomen, althans verklaard:

'De schenker verklaart te hebben geschonken van hand tot hand aan de begiftigde sub 2 genoemd, een bedrag van éénenvijftigduizend euro (euro 51.000,00), welk bedrag de begiftigde sub 2 genoemd verklaarde van haar ouders genoemd, te hebben ontvangen en welke schenking zij derhalve bij deze accepteert.' en/of die schenkingsovereenkomst voorzien van zijn,verdachtes, handtekening, in elk geval die schenkingsovereenkomst ondertekend,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de feiten 1, 2 en 3 bewezen te verklaren. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de woning aan [adres 2] te ‘s-Hertogenbosch is gefinancierd met een hypothecaire lening en met de inbreng van

€ 49.848,51 aan eigen vermogen. Dit eigen vermogen is afkomstig uit een gestelde lening van [bedrijf 1] van € 41.000,-. De herkomst van deze € 41.000,- is echter onduidelijk. Uit de administratie van [bedrijf 1] zou moeten blijken dat dit bedrag voor € 31.000,- afkomstig is van een verkochte partij badkamers. De inkoop van deze badkamers is echter niet terug te vinden in de administratie en voorts staat het bestaan van deze partij in het geheel niet vast. Ook de contante storingen (twee x € 4.000,- en één keer

€ 2.000,-) op de rekening van [bedrijf 1] , kort voor de overboeking van de

€ 41.000,- kunnen niet direct gelinkt worden aan verkopen in de administratie. Ook deze herkomst is derhalve onduidelijk. Nu een heldere legale herkomst van bovengenoemd bedrag ontbreekt, kan volgens de officier van justitie met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat dit bedrag een legale herkomst heeft gehad en blijft als enige aanvaardbare verklaring voor de herkomst over dat dit een criminele herkomst is geweest.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier verwezen naar het voorgaande met betrekking tot de € 41.000,-. Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 4.000,- kan bewezen worden dat verdachte de werkelijke herkomst en vindplaats heeft verborgen en verhuld. Het geldbedrag werd contant aangetroffen in een airco in de woning van verdachte en hij heeft hierover geen concrete en min of meer verifieerbare verklaring afgelegd. Ook de geldbedragen ten behoeve van de aankopen van luxegoederen, sanitair, levensonderhoud, vaste lasten en reisjes, zijn onverklaard gebleven qua herkomst. De officier van justitie heeft zich derhalve op standpunt gesteld, nu de legale herkomst van de gelden onduidelijk is gebleven en sprake is van onderlinge verbondenheid van de afzonderlijke witwashandelingen, dat sprake is van gewoontewitwassen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte, zijn partner en zijn dochter de schenkingsovereenkomst allen hebben getekend en dat het stuk diende en is gebruikt om als echt en onvervalst door te gaan. Verdachte heeft echter bij de politie verklaard dat het geld niet is geschonken en één en ander nooit is doorgegaan. Er heeft derhalve geen overdracht van € 51.000,- aan [medeverdachte 2] door haar ouders plaatsgevonden ten behoeve van de aankoop van het pand aan [adres 2] te [gemeente 1] . Gelet hierop kan feit 3 ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat verdachte niet de rechthebbende van de woning is. Hij heeft de woning niet gekocht en is dus niet de eigenaar van de woning. Tevens is hij niet de gebruiker van de woning. Derhalve heeft verdachte nimmer de woning verworven of voorhanden gehad.

De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, daar verdachte dit feit min of meer heeft bekend.

Voor feit 3 dient ook vrijspraak te volgen, nu de schenking van € 51.000,- aan dochter [medeverdachte 2] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat verdachte daar bij de politie anders over heeft verklaard is heel plausibel, nu hij bang was dat hij op fiscaal gebied problemen zou krijgen door de schenking. Er is derhalve geen sprake van een valse schenkingsovereenkomst.

Het oordeel van de rechtbank.1

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Inkomensgegevens [verdachte] :

[verdachte] was van 15 november 2010 tot 30 september 2012 bij de belastingdienst geregistreerd als vennoot in de onderneming “ [bedrijf 2] ”2.

Volgens de gegevens van de belastingdienst is door [bedrijf 2] in de periode van het vierde kwartaal 2010 tot en met derde kwartaal 2012 op aangiften omzetbelasting een omzet van nul aangegeven.

Door de belastingdienst zijn de gegevens van de aangiften inkomstenbelasting 2008 tot en met 2011 uitgeleverd3. In de aangiften inkomstenbelasting 2008 tot en met 2010 worden er met betrekking tot [verdachte] geen looninkomsten en geen winst uit onderneming aangegeven. Het betreffen hier zogenaamde “nihil-aangiften” wat inhoudt dat in alle persoonlijke rubrieken het getal “0” is ingevuld.

In de gegevens van de aangifte inkomstenbelasting 2011 is met betrekking tot [verdachte] het volgende aangegeven4:

  • -

    een fiscale winst, voor fiscale faciliteiten, van € 206,-;

  • -

    een storting van kapitaal van € 2.766,-;

  • -

    aan het begin van het jaar geen ondernemingsvermogen;

  • -

    aan het einde van het jaar een ondernemersvermogen van €2.972,-.

Looninkomsten [verdachte] (vanaf november 2012):

Uit de door de belastingdienst uitgeleverde loonheffingsstaten, periode november 2012 tot en met april 20135, valt af te lezen dat [verdachte] bij [bedrijf 1] de volgende bruto salarissen ontving:

- november 2012 een brutoloon genoot van €1.874,25;

- december 2012 een brutoloon genoot van €1.874,25;

- januari 2013 een brutoloon genoot van € 1.750,-;

- februari 2013 een brutoloon genoot van € 1.750,-;

- maart 2013 een brutoloon genoot van € 1.750,-;

- april 2013 een brutoloon genoot van €1.750,-.

In de door de ING uitgeleverde bankafschriften over de periode 11-1-2011 tot en met 14-5-2013 van [rekeningnummer 1] , op naam van [medeverdachte 1] zijn de volgende netto salarisbedragen ten behoeve van [verdachte] bijgeschreven:

30 november 2012 € 1453,97 salaris november 20126;

31 december 2012 € 1453,97 salaris december 20127;

30 januari 2013 €1454,89 salaris januari 20138;

5 april 2013 €1454,89 salaris maart 20139.

Door de ING bank zijn over de periode 4 augustus 2011 tot en met 4 juli 2013 bankafschriften uitgeleverd van de bankrekening van [bedrijf 1] , [rekeningnummer 2] . Uit deze bankafschriften komen geen andere salarisbetalingen aan [verdachte] naar voren dan de vier die hierboven staan.10

Inkomsten [medeverdachte 1] (partner van verdachte):

Looninkomsten

Bij de belastingdienst zijn over de jaren 2008 tot en met 2012 geen looninkomsten bekend van [medeverdachte 1] .11

Winst uit onderneming:

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel komt naar voren dat [medeverdachte 1] onder de handelsnaam “ [bedrijf 3] ’ van 13 december 2007 tot en met 31 januari 2011 een éénmanszaak exploiteerde.12

Bij de belastingdienst zijn aangiften inkomstenbelasting ingeleverd ten name van [medeverdachte 1] . De jaarstukken van de onderneming zijn onderdeel van de digitale aangifte. Met betrekking tot [medeverdachte 1] zijn de volgende gegevens bekend:

Aangifte inkomstenbelasting 200813

In de specificatie (jaarstukken) welke bij de aangifte inkomstenbelasting 2008 gevoegd is staat dat:

  • -

    er een omzet gerealiseerd is van € 34.664,-;

  • -

    er een verlies van € 12.648,- gemaakt is;

  • -

    het kassaldo eind 2008 € 359,- was;

  • -

    het banksaldo eind 2008 € 3.517,- was;

  • -

    er eind 2008 een onderhandse lening van de moeder was van € 12.500,-.

In de bij de aangifte behorende kapitaalsvergelijking is vermeld dat er in 2008 een bedrag van € 5.298,- als privé storting is aangegeven.

Aangifte inkomstenbelasting 200914

In de specificatie (jaarstukken) welke bij de aangifte inkomstenbelasting 2009 gevoegd is staat dat:

  • -

    er een omzet gerealiseerd is van € 11.229,-;

  • -

    er een verlies van € 3.445,- gemaakt is;

  • -

    het kassaldo eind 2009 € 464,- bedroeg;

  • -

    er eind 2009 geen banksaldo vermeld is;

  • -

    er bij de onderhandse lening van de moeder geen bedrag vermeld is.

In de bij de aangifte behorende kapitaalsvergelijking staat dat er in 2009 een bedrag van €20.406,- als privé storting aangegeven is.

Aangifte inkomstenbelasting 201015

In de specificatie (jaarstukken) welke bij de aangifte inkomstenbelasting 2010 gevoegd is staat dat:

  • -

    een bedrag van “0” ingevuld bij de rubriek “saldo fiscale winstberekening”

  • -

    en er een privé onttrekking uit de onderneming is geweest van € 913,-.

De aangifte inkomstenbelasting 2010 is, met uitzondering van de rubriek “saldo fiscale

winstberekening” een zogenaamde ‘nihil-aangifte” wat inhoudt dat de overige rubrieken welke betrekking hebben op het belastingjaar 2010 niet gevuld zijn en/of gevuld zijn met een “0”. Het vastgesteld belastbaar inkomen van [medeverdachte 1] was in 2010 € 0.

Aangifte inkomstenbelasting 201116

In de specificatie (jaarstukken) welke bij de aangifte inkomstenbelasting 2011 gevoegd is

is een omzet aangegeven van € 10.000,-. In 2011 is een winst behaald van € 1.302,-.

Banksaldo:

Het banksaldo van de ING rekening, [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , bedroeg volgens het bankafschrift op 31 december 2012 € 1813,99.17

Contante opnamen:

Van de rekening bij de ING bank [rekeningnummer 1] , op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] werd in de periode 11 januari 2011 tot en met 14 mei 2013 in totaal

€ 2.020,- contant opgenomen.18 De opnames hebben plaatsgevonden op:

17 januari 2012, € 100,-19;

24 januari 2012, € 100,-20;

9 januari 2013, € 500,-21;

1 februari 2013, € 500,-22;

8 maart 2013, € 20,-23;

10 april 2013, € 200,-24;

26 april 2013, € 600,-25.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 7 juli 2016 verklaard dat hijzelf geen bankrekening heeft, maar dat hij en zijn partner gezamenlijk gebruik maken van de bankrekening van zijn partner.26

Aangetroffen contant geld:

Op 8 oktober 2013 is bij de doorzoeking van de woning27 van verdachte aan [adres 1] in [gemeente 1] een geldbedrag inbeslaggenomen van € 4.000,-. Dit bedrag is aangetroffen in de airco.28

Stortingen contant geld:

Van 8 februari 2011 tot en met 9 oktober 2012 is in totaal € 5.630,- contant gestort op [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] .

Contante betalingen huishoudelijke kosten bij een postagentschap:

In de periode van januari 2011 tot en met mei 2013 zijn meerdere maandelijks terugkerende kosten, waaronder huur, energie, zorgverzekeringen en incidentele boetes niet via de bank betaald, maar contant betaald op een postagentschap. Uit de bankafschriften blijkt dat in deze periode tien huurtermijnen, acht energienota’s en drie nota’s van het waterbedrijf per bank zijn betaald.29 Uit de nota’s blijkt dat door het contant betalen van acceptgirokaarten, bijkomende kosten van € 7,50 tot € 10,- zijn betaald30.

Contante betalingen van gebruiksgoederen:

Tijdens de doorzoeking op 2 april 201331 in de woning van verdachte aan [adres 1] in [gemeente 1] zijn op 2 april 2013 nota’s inbeslaggenomen.

31 januari 2011 T-mobilefactuur van € 106,9032;

3 februari 2011 T-mobilefactuur van € 240,- (afgerond)33;

20 juni 2011 Ipad cover € 618,-34;

19 juli 2012 Ipad € 599,-35;

20 februari 2013 witgoedapparaat Siemens € 776,4036.

Uitgaven boodschappen:

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard37 dat zij iedere week ongeveer € 150,- in contanten van [verdachte] overhandigd kreeg. Daar betaalde zij hun boodschappen van maar ook haar kleding.

Ontbreken van geldopnames ten tijde van vakanties:

Uit de bankafschriften van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] zijn geen opnames geconstateerd bij een buitenlandse geldautomaat. Er zijn wel kosten gemaakt voor vliegreizen.38

Contante betalingen met betrekking tot de woning aan [adres 2] in [gemeente 1] :

Nadat [medeverdachte 2] , de dochter van verdachte, op 27 februari 2013 de woning aan [adres 2] in [gemeente 1] gekocht heeft is de woning uitgebouwd en gerenoveerd.

Getuige P.J.M. Blom , directeur Trysch Beheer BV heeft op 8 oktober 2013 bij de politie verklaard39 dat in eerste instantie de dochter van [verdachte] , [medeverdachte 2] hem had benaderd. Later nam [verdachte] het over, die liep er ook de hele dag te klussen.

Op 16 oktober 2013 verklaarde [getuige 1] nog aanvullend40 dat hij een aantal onderaannemers voor de werkzaamheden op [adres 2] in dienst had gehad. Een verbouwing als deze zou € 50.000,- tot € 60.000,- euro moeten kosten, echter zonder de badkamer, keuken en vloer.

[getuige 2] heeft bij de politie verklaard41 dat hij samen met zijn collega [persoon 1] op het adres [adres 2] te [gemeente 1] een aanbouw heeft gemaakt, een fundering heeft gestort, stelwerk heeft uitgevoerd, een vloer heeft gestort en een dakconstructie heeft gemaakt. Verder heeft hij verklaard dat de dochter van [verdachte] op [adres 2] ging wonen en dat haar vader de opdrachtgever van het project was. De vader was de grote man. Het totaal bedrag van tien facturen bedroeg € 5671,25 euro, gericht aan [bedrijf 4] .

[getuige 3] heeft bij de politie verklaard42 dat hij voor de dakbedekking inclusief isolatie in totaal € 40,- per vierkante meter berekende en dat het werk dat hij voor [getuige 1] uitvoerde zwart gebeurde en de betaling van € 1.200,- of € 1.300,- cash gebeurde. [verdachte] was de klant, maar hij wist niet of hij daar ook woonde.

[getuige 4] heeft bij de politie verklaard43 dat [verdachte] bij hem in de zaak is geweest in Uden en heeft toen diverse goederen uitgezocht voor de woning van zijn dochter. Zijn bedrijf heeft de goederen aan hem verkocht voor € 8.600,-. [verdachte] heeft de goederen voor de badkamer in delen zelf opgehaald en steeds afzonderlijk contant betaald voor wat hij heeft meegenomen. In totaal heeft [verdachte] € 8.600,- contant betaald voor deze goederen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard44 dat de woning aan [adres 2] te [gemeente 1] in februari 2013 is gekocht en dat [medeverdachte 2] er in juli 2013 is ingetrokken. Verdachte heeft de verbouwing in de woning gedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 7 juli 2016 verklaard dat hij nog geld had liggen van de beddenverkoop, die hij weleens zwart had verkocht. Met dit geld heeft hij zijn dochter [medeverdachte 2] geholpen met de aankoop en verbouwing van haar huis aan [adres 2] te [gemeente 1] .

Ten aanzien van de € 41.000,-:

Op 5 februari 2013 is € 4.000,- contant gestort op bankrekening 2941344 op naam van [bedrijf 1] .45 Op 6 februari 2013 is weer € 4.000,- contant gestort op voornoemde rekening46. Op 11 februari 2013 is een bedrag van € 2.000,- contant gestort op de rekening van [bedrijf 1]47.

In de kasadministratie van februari 2013 wordt bij Inkomsten onder “verkoop” dd 1 februari 2013 een bedrag van € 10.000,- geboekt met de omschrijving “voorschot Dld op verkoop” zonder nadere toelichting.

Op 5 februari, en 6 februari 2013 wordt onder Uitgaven steeds een bedrag van € 4000,- en op 9 februari 2013 een bedrag van € 2000,- geboekt met de omschrijving storting naar bank.

Op 11 februari 2013 is op de bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van

€ 31.000,- door [bedrijf 5] overgeboekt, met als omschrijving “spoedbetaling [bedrijf 5] , aankoop partij badkamers 50 pallets.48

Bij de doorzoeking van de woning aan [adres 1] te [gemeente 1] op 8 oktober 201349 is een factuur d.d. 5 februari 2013 aangetroffen50 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5] voor 50 pallets badkamers ter waarde van € 31.000,-.

Op 11 februari 2013 is door [bedrijf 1] een bedag van € 41.000,- gestort op de ABN AMRO bankrekening van [medeverdachte 2] onder vermelding van: “volgens afspraak”.51

Tijdens de doorzoeking in het pand van [bedrijf 1] aan [adres 3] te [gemeente 2] op 2 oktober 2013 werd een niet ondertekende leningsovereenkomst van

€ 41.000,- gedateerd op 10 maart 2013 op naam van [bedrijf 1] en [medeverdachte 2] aangetroffen.52

[medeverdachte 3] heeft hierover op 8 oktober 2013 bij de politie verklaard53 dat het bedrag van € 31.000,- een transactie betreft van de verkoop van het sanitair. Hij heeft geen idee hoe [bedrijf 1] aan deze badkamers kwam, maar er moet een factuur zijn. Uit zijn hoofd weet hij niet de inkoopprijs van deze badkamers. De inkoop zal per kas betaald zijn. Op de vraag wat de herkomst is van het totaal aan contante geld gestort op 5, 6 en 11 februari 2013 op [rekeningnummer 2] , verklaart medeverdachte dat dit van de contante omzet is. Hij zelf heeft dit geld gestort. Alle stortingen kunnen alleen door medeverdachte gedaan worden.

Op de vraag wat medeverdachte kan vertellen over de overschrijving van € 41.000,- op de bankrekening van [medeverdachte 2] verklaart hij dat na de verkooptransacties van [verdachte] in relatie tot de partij sanitair en de verkoopdagen er een groot bedrag op de bank stond. [verdachte] heeft toen aangegeven dat [medeverdachte 2] een huis wilde kopen en daarvoor een eigen inleg nodig had. Hij heeft toen gezegd dat het geld op die rekening van [verdachte] was en hij er dus over kon beschikken. Medeverdachte heeft een leningsovereenkomst opgesteld tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 2] . Hier zat ook een aflossingsschema bij en een rentetarief. De leningsovereenkomst zou zowel in de administratie van [bedrijf 1] als bij [medeverdachte 2] zitten.

Op 4 februari 2013 heeft medeverdachte hierover nog aanvullend bij de politie verklaard54 dat toen [verdachte] de partij badkamers aan [bedrijf 5] verkocht had aan hem vroeg of hij het bedrag dat binnen moest komen kon gebruiken voor zijn dochter [medeverdachte 2] . Medeverdachte is de enige die een overschrijving kan uitvoeren dus dat heeft hij gedaan. De liquiditeit van [bedrijf 1] kwam op dat moment flink onder druk te staan. Ten aanzien van de contant gestorte € 10.000,- heeft medeverdachte verklaard dat hij daarnaar herhaaldelijk bij [verdachte] over heeft gevraagd. Maar tot op heden heeft hij niets gezien. Tot nu toe heeft hij geen zekerheid of er een voorschot ontvangen is vanuit Duitsland. [verdachte] verklaarde dat het te maken had met bedden en matrassen, deze verkoop heeft hij ook niet terug kunnen vinden in de voorraadadminstratie die hij zelf bijhield, ook omdat hij geen enkele omschrijving had gekregen.

Bij de politie heeft verdachte met betrekking tot de omzet verklaard55dat het bedrag van

€ 31.000,- een transactie betreft van de verkoop van het sanitair. Hij weet niet meer precies aan wie hij de partij verkocht heeft, hij denkt aan [bedrijf 5] , maar hij weet dit niet zeker. Hij weet ook niet meer van wie hij deze partij ingekocht heeft. Verdachte weet ook niet meer hoeveel hij daarvoor betaald heeft, dat kan 10 a 15.000,- zijn geweest. [bedrijf 1] heeft er een goede winst op gepakt.

Kader voor de beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling als uitgangspunt dat er geen direct bewijs voor (een) brondelict(en) aanwezig is.

De rechtbank dient vervolgens vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen ten aanzien van de woning aan [adres 2] en het geldbedrag van € 41.000,-:

Uit de bankafschriften van [bedrijf 1] blijkt dat er op 11 februari 2013 een bedrag van € 31.000,- ontvangen is van [bedrijf 5] onder vermelding van “spoedbetaling en aankoop van een partij van 50 pallets badkamers”. Er is echter geen inkoopfactuur of betalingsbewijs van de aankoop door [bedrijf 1] van deze partij sanitair en badkamermeubilair. Uit de kasadministratie blijkt niet van een contante betaling en uit de bankafschriften blijkt niet van een girale betaling die mogelijk verband zou kunnen houden met de aankoop van de partij sanitair. Ook zijn er geen stukken (zoals een laadbon of een factuur van een transportbedrijf) waaruit blijkt dat deze goederen aan [bedrijf 1] zijn geleverd. Uit de door verdachte ter terechtzitting overgelegde foto’s blijkt ook niet dat deze partij is aangekocht of geleverd aan [bedrijf 1] .

[bedrijf 1] handelde bovendien in bedden en matrassen, niet in sanitair en badkamermeubilair. Op 5, 6 en 11 februari 2013 is in totaal € 10.000,- contant gestort op de bankrekening van [bedrijf 1] . Ook de herkomst van de drie contante stortingen van in totaal € 10.000,- is volstrekt onduidelijk en niet verantwoord in de verkoopadministratie van [bedrijf 1] . Vervolgens is op 11 februari 2013 een bedrag van € 41.000,-, zijnde precies het bedrag van € 31.000,- en de contante stortingen tezamen van € 10.000,-, overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 2] ten behoeve van de financiering van de aankoop van een woning. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, het vermoeden van witwassen van de € 41.000,- rechtvaardigen.

Vermoeden van witwassen ten aanzien van diverse geldbedragen ten behoeve van de (verbouwing van de) woning aan [adres 2] en diverse geldbedragen ten behoeve van luxe goederen en levensonderhoud:

Verdachte genoot in de jaren 2008 tot en met oktober 2012 geen looninkomsten en zijn partner [medeverdachte 1] genoot in de jaren 2008 tot en met 2012 geen looninkomsten. Verdachte genoot bij [bedrijf 1] vanaf november 2012 een netto maandsalaris van afgerond € 1.454,-. De fiscale resultaten van verdachte uit onderneming van de jaren 2010 en 2011 zijn samengevoegd in de aangifte 2011 en bedraagt een resultaat van € 206,-. [bedrijf 2] waar verdachte vennoot was, heeft geen omzet aangegeven. In de jaren 2008 en 2009 is door [medeverdachte 1] een verlies van respectievelijk

€ 12.648,- en € 3.455,- aangegeven in haar aangifte inkomstenbelasting. In 2011 heeft zij een winst van € 1.302,- aangegeven. Het saldo op de ING bankrekening, nummer 8304962 bedroeg op 31 september 2012 € 1.813,99.

Verder is nog van belang dat uit de bewijsmiddelen volgt dat van de rekening bij de ING bank [rekeningnummer 1] , op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] in de periode 11 januari 2011 tot en met 14 mei 2013 in totaal € 2.020,- contant werd opgenomen. Verdachte zelf heeft geen bankrekening, maar gebruikt de rekening van zijn echtgenote.

Op grond van het ontbreken van voldoende legale inkomsten van verdachte en zijn partner voor de geconstateerde uitgaven en de omstandigheid dat vele uitgaven contact zijn voldaan terwijl verdachte en zijn echtgenote slecht € 2.020,- contant hebben opgenomen bestaat het gerechtvaardigd vermoeden dat sprake is geweest van witwassen met betrekking tot diverse geldbedragen. Hetzelfde geldt voor de € 4.000,- welke in de woning van verdachte op een ongebruikelijke plek is aangetroffen.

Verklaring verdachte € 41.000,-.

Bij de politie heeft verdachte met betrekking tot de omzet verklaard dat het bedrag van

€ 31.000,- een transactie betreft van de verkoop van het sanitair. Hij weet niet meer precies aan wie hij de partij verkocht heeft, hij denkt aan [bedrijf 5] , maar hij weet dit niet zeker. Hij weet ook niet meer van wie hij deze partij ingekocht heeft. Verdachte weet ook niet meer hoeveel hij daarvoor betaald heeft, dat kan 10 á 15.000,- euro zijn geweest. [bedrijf 1] heeft er een goede winst op gepakt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de partij badkamers ingekocht is voor

€ 5.000,- bij [bedrijf 6] .

De rechtbank acht de verklaring van verdachte met betrekking tot de opbrengsten van de partij sanitair niet aannemelijk nu deze volstrekt niet onderbouwd is. Bovendien acht de rechtbank de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring ongeloofwaardig, daar hij bij de politie in oktober 2013 geen idee had waar de partij sanitair was ingekocht en het aankoopbedrag door hem werd begroot op een bedrag van tien- tot vijftienduizend euro. Pas ter terechtzitting van 7 juli 2016 komt verdachte met de verklaring dat de partij is ingekocht voor € 5.000,-. Hij heeft deze verklaring verder op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht het bovendien onaannemelijk dat een partij sanitair voor een bedrag van

€ 5.000,- wordt ingekocht en vervolgens wordt verkocht voor een bedrag van € 31.000,- aan [bedrijf 5] , een bedrijf dat blijkens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel een autobedrijf betreft. De rechtbank acht het verder opmerkelijk dat dit bedrag giraal is gestort, terwijl uit de administratie van [bedrijf 1] blijkt dat alle overige inkopen en verkopen contant per kas plaatsvonden. Alleen salarisbetalingen en betalingen aan de belastingdienst werden per bank gedaan. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte over de herkomst van de overige € 10.000,- evenmin een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door verdachte afgelegde verklaringen voor de herkomst van het geldbedrag van € 41.000,- niet concreet, niet of beperkt verifieerbaar en in zijn totaliteit hoogst onwaarschijnlijk zijn dat deze verklaringen terzijde worden geschoven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het genoemde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Verklaring verdachte € 4.000,-.

Verdachte heeft bij de politie geen verklaring willen afleggen met betrekking tot de aangetroffen € 4.000,- in de airco in zijn woning. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit bedrag kasgeld betrof van [bedrijf 1] dat hij bij hem thuis veilig heeft willen opbergen om het vervolgens aan [medeverdachte 3] af te geven waarna die het weer op de bankrekening van [bedrijf 1] zou storten. De rechtbank acht deze eerst ter terechtzitting van 7 juli 2016 door verdachte afgelegde verklaring niet geloofwaardig, nu dit bedrag, gelet op alle onregelmatigheden en hiaten in de administratie, niet terug te voeren is tot de administratie van [bedrijf 1] . Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het genoemde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Verklaring verdachte ten behoeve van de (verbouwing van de) woning aan [adres 2] en diverse geldbedragen ten behoeve van luxe goederen en levensonderhoud:

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nog gelden had liggen die hij had gespaard uit verdiensten van de beddenhandel die hij “was vergeten op te geven aan de Belastingdienst”, welke hij heeft gebruikt voor de verbouwing van de woning aan [adres 2] . De geldbedragen ten behoeve van de aankopen van luxegoederen en levensonderhoud zijn onverklaard gebleven, nu verdachte niet inzichtelijk heeft gemaakt waar de gelden vandaan kwamen. Ook hier kan daarom de conclusie getrokken worden dat het niet anders kan dan dat genoemde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen:

Uit het voorgaande volgt dat verdachte door middel van misdrijf verkregen geldbedragen heeft aangewend om de koopsom van de woning van zijn dochter aan [adres 2] te [gemeente 1] te financieren. Vervolgens heeft verdachte alle kosten van de verbouwing door middel van door misdrijf verkregen gelden voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zijn dochter geholpen bij het verwerven van de woning en hij heeft door de aankoop en verbouwing van de woning, zich schuldig gemaakt aan witwassen van die woning en de geldbedragen waarmee de aankoop en de verbouwing is gefinancierd. Dat zijn dochter is vrijgesproken van het witwassen van de woning doet daar niet aan af. Zij heeft de woning weliswaar met behulp van haar vader verworven, maar zij wist niet van de criminele herkomst van de bedragen waarmee haar vader heeft bijgedragen aan de financiering.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de aangetroffen € 4.000,- in de airco en van diverse geldbedragen voor luxegoederen en levensonderhoud. De rechtbank acht derhalve de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de duur van de periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de frequentie van de gepleegde handelingen en de intentie waarmee verdachte dit heeft gedaan, kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesproken over een gewoonte maken van witwassen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3:

Door de ABN AMRO is een kopie van een schenkingsovereenkomst uitgeleverd, gedateerd 25 januari 2013 te ‘s-Hertogenbosch56. Deze schenkingsovereenkomst komt voort uit het hypotheekdossier met betrekking tot de door de [medeverdachte 2] afgesloten hypotheek voor het pand [adres 2] in [gemeente 1] . In deze schenkingsovereenkomst zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] als schenker opgenomen en is [medeverdachte 2] als begiftigde opgenomen. In de schenkingsovereenkomst is het volgende opgenomen:

“De schenker verklaart te hebben geschonken van hand tot hand aan de begiftigde sub 2 genoemd, een bedrag van éénenvijftigduizendeuro (€ 51.000,00), welk bedrag de begiftigde sub 2 genoemd verklaarde van haar ouders genoemd, te hebben ontvangen en welke zij derhalve bij deze accepteert”.

De schenkingsovereenkomst is op 25 januari 2013 ondertekend door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

[getuige 5] , financieel adviseur bij [bedrijf 7] , heeft bij de politie verklaard57 dat [medeverdachte 2] een woning wilde kopen in [gemeente 1] voor een bedrag van € 180.000,-. Het was een woning op het [adres 2] in [gemeente 1] . Aan de hand van de door haar overgelegde bescheiden heeft de [getuige 5] berekend dat zij toen, op 17 januari 2013, een bedrag kon lenen van ongeveer € 137.000,-. Hij heeft haar toen de mogelijkheden genoemd om het financieringstekort op te vullen. Eén van de mogelijkheden was een belastingvrije schenking van € 51.000,- door de ouders aan [medeverdachte 2] . Haar vader, de heer [verdachte] , zei toen dat die schenking wel tot de mogelijkheden behoorde.

De getuige [getuige 7] , senior fraudespecialist hypotheken bij de ABN AMRO bank, heeft bij de politie verklaard58 dat de combinatie van de verstrekte werkgeversverklaring, de salarisspecificatie én de schenkingsovereenkomst de ABN-AMRO bank er toe bewogen hebben om [medeverdachte 2] een hypotheek te verstrekken ten behoeve van de aankoop van het onroerend goed [adres 2] in [gemeente 1] voor een bedrag van € 137.000,-. De ABN AMRO was op het moment van transporteren niet op de hoogte dat de schenking van € 51.000,- niet doorgegaan was. [getuige 6] heeft verklaard dat indien de ABN-AMRO hiervan op de hoogte was, de hypotheek niet verstrekt zou zijn.

Verdachte heeft hierover bij de politie verklaard59 dat dit nooit is gebeurd. Het is wel zijn handtekening die onder de overeenkomst staat. Ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben getekend. Hij heeft het geld niet geschonken en één en ander is nooit doorgegaan. Hij weet niet wie de schenkingsovereenkomst heeft opgemaakt. Het is nooit gebeurd, het is niet doorgegaan.

Verder heeft verdachte bij de politie over de storting van € 41.000,- verklaard dat dit een lening betrof van [bedrijf 1] en dat [medeverdachte 2] daarvoor € 300,- per maand zou gaan betalen.

[medeverdachte 3] heeft hierover op 8 oktober 2013 bij de politie verklaard60 dat na de verkooptransacties van [verdachte] in relatie tot de partij sanitair en de verkoopdagen er een groot bedrag op de bank stond. [verdachte] heeft toen aangegeven dat [medeverdachte 2] een huis wilde kopen en daarvoor een eigen inleg nodig had. Hij heeft toen gezegd dat het geld op die rekening van [verdachte] was en hij er dus over kon beschikken. Verdachte heeft een leningsovereenkomst opgesteld tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 2] . Hier zat ook een aflossingsschema bij en een rentetarief. De leningsovereenkomst zit zowel in de administratie van [bedrijf 1] als bij [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 3] heeft bij de politie op 4 februari 2013 aanvullend verklaard61 dat in september 2013 € 300,- is ingehouden op het salaris van [medeverdachte 2] . Dit was de aflossing van de lening.

Overwegingen

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de gestorte € 41.000,- op de rekening van zijn dochter [medeverdachte 2] , niet een lening betrof, maar een schenking zoals benoemd in de schenkingsovereenkomst van 25 januari 2013. Hij heeft dit bedrag van [bedrijf 1] geleend om daarmee te kunnen voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van de schenkingsovereenkomst. [medeverdachte 3] heeft vervolgens abusievelijk, kennelijk omdat [medeverdachte 3] wist dat het geld bedoeld was voor de aankoop van de woning door zijn dochter [medeverdachte 2] , een overeenkomst van geldlening opgesteld op naam van [medeverdachte 2] in plaats van op zijn naam.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Zo heeft [medeverdachte 3] bij de politie verklaard dat verdachte had aangegeven dat [medeverdachte 2] een huis wilde kopen en daarvoor een eigen vermogen nodig had. [medeverdachte 3] heeft toen een leningsovereenkomst opgesteld tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 2] . Hier zat ook een aflossingsschema bij en een rentetarief. Het betrof een lening voor de aan te schaffen woning op verzoek van verdachte. Bovendien heeft [medeverdachte 3] destijds ook verklaard dat in september 2013 € 300,- was ingehouden op het salaris van [medeverdachte 2] . Ook verdachte heeft bij de politie over de storting van € 41.000,- verklaard dat dit een lening betrof van [bedrijf 1] en dat [medeverdachte 2] daarvoor € 300,- per maand zou gaan betalen. Gelet op deze verklaringen acht de rechtbank de eerst ter terechtzitting van verdachte afgelegde verklaring dat dit de schenking betrof zoals genoemd in de schenkingsovereenkomst van 25 januari 2013 ongeloofwaardig en schuift deze verklaring ter zijde en houdt verdachte aan zijn eerder afgelegde verklaring bij de politie.

De rechtbank stelt op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen vast dat de schenking van verdachte en [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] een fictieve schenking betreft en dat de schenkingsovereenkomst valselijk is opgemaakt teneinde een hypothecaire lening te bewerkstellingen voor de aankoop van de woning aan [adres 2] te [gemeente 1] . Nu verdachte de schenkingsovereenkomst heeft getekend, terwijl hij wist dat de schenking niet is doorgegaan en ook niet zou doorgaan acht de rechtbank het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Wegens een gebrek aan bewijsmiddelen spreekt de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch , een voorwerp, te weten een woning met garage gelegen aan [adres 2] te [gemeente 1] , heeft verworven, terwijl hij wist, dat bovenomschreven voorwerp -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 augustus 2013, te 's-Hertogenbosch , tezamen en in vereniging met een ander zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader - van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld van euro 41.000,-, de werkelijke aard en de herkomst verborgen en verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten, dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

en

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 oktober 2013, te 's-Hertogenbosch , van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, - van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld van euro 4000,-, de werkelijke aard en de herkomst verborgen en verhuld, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

en

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 augustus 2013, te 's-Hertogenbosch , van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte,

- telkens voorwerpen, te weten meerdere hoeveelheden geld, waaronder:

* diverse geldbedragen met betrekking tot de aankoop/betaling van (luxe) gebruiksgoederen (onder meer sanitair, inbouwapparatuur en elektronische apparatuur); en

* diverse geldbedragen ten behoeve van de verbouwing van de woning [adres 2] te [gemeente 1] ; en

* diverse geldbedragen ten behoeve van levensonderhoud en kleding; en

* diverse geldbedragen voor (buitenlandse) vakanties; en

* diverse geldbedragen voor betaling van energienota's, huurpenningen en verzekeringenpremies; heeft verworven en voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij, verdachte, telkens wist, dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

Ten aanzien van feit 3:

op 25 januari 2013 te [gemeente 1] een schenkingsovereenkomst (tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] als 'schenker' en [medeverdachte 2] als 'begiftigde') - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid in voormelde schenkingsovereenkomst opgenomen, althans verklaard:

'De schenker verklaart te hebben geschonken van hand tot hand aan de begiftigde sub 2 genoemd, een bedrag van éénenvijftigduizend euro (euro 51.000,00), welk bedrag de begiftigde sub 2 genoemd verklaarde van haar ouders genoemd, te hebben ontvangen en welke schenking zij derhalve bij deze accepteert.'

en die schenkingsovereenkomst voorzien van zijn, verdachtes, handtekening, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf gelet op het tijdsverloop niet meer aan de orde kan zijn. Hij heeft gevraagd om aan verdachte een taakstraf op te leggen. Voorts heeft de raadsman gevraagd rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zo heeft verdachte een eenmanszaak in de beddenhandel en daarmee voorziet hij zichzelf en zijn partner van inkomen. Indien verdachte naar de gevangenis gestuurd zou worden, moet hij zijn bedrijf daarna weer opnieuw opbouwen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) witwassen van geld en goederen en heeft daarvan een gewoonte gemaakt. Verdachte heeft daardoor bijgedragen aan de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer. Bovendien heeft hij van criminele activiteiten afkomstige gelden onttrokken aan het zicht van justitie en aan deze illegale verworven bedragen een schijn van legale herkomst gegeven. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte geruime tijd profijt heeft getrokken van voorwerpen/opbrengsten afkomstig uit enig misdrijf. Hij heeft hierbij gehandeld uit puur winstbejag.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Verdachte heeft een valse schenkingsovereenkomst door zijn dochter laten gebruiken en zij heeft daarmee een hypotheek verkregen. Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen, dat in de juistheid van dergelijke geschriften moet kunnen worden gesteld, geschaad.

Gezien de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Verder is de rechtbank van oordeel dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk aan de verdachte dient te worden opgelegd, enerzijds om de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door hem opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank weegt bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken en daardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De rechtbank neemt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Echter, bij de strafoplegging van verdachte is zoals gezegd de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geschonden. De behandeling in eerste aanleg is, zonder enige daartoe gebleken aanleiding, onvoldoende voortvarend geweest. Zonder schending van de redelijke termijn zou bovengenoemde gevangenisstaf voor de duur van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk passend zijn geweest. Nu de redelijk termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag.De rechtbank stelt vast dat thans nog beslag rust op:

  • -

    Een kentekenplaat, met [kenteken] met goednummer 586958;

  • -

    Een kentekenbewijs, deel 1a+1b [kenteken] met goednummer 586959;

  • -

    Een computer met muis en toetsenbord met goednummer 613985;

  • -

    Een beeldscherm met goednummer 613994.

De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer gevorderd van de hiervoor genoemde kentekenplaat en kentekenbewijs. Ten aanzien van de computer en het beeldscherm heeft de officier van justitie gevraagd om teruggave aan verdachte.

De raadsman van verdachte heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de inbeslaggenomen kentekenplaat en kentekenbewijs vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat verdachte bij de politie heeft verklaard dat het [kenteken] een kenteken betreft van een al lang gesloopte motor.

De rechtbank zal voorts de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen computer met muis en toetsenbord en het inbeslaggenomen beeldscherm aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 57, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

witwassen

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van witwassen

en

gewoontewitwassen

Ten aanzien van feit 3:

valsheid in geschrift Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen:

  • -

    Een kentekenplaat, met [kenteken] met goednummer 586958;

  • -

    Een kentekenbewijs, deel 1a+1b [kenteken] met goednummer 586959;

Teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte te weten:

  • -

    Een computer met muis en toetsenbord met goednummer 613985;

  • -

    Een beeldscherm met goednummer 613994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. J.J.A. Donkersloot, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier,

en is uitgesproken op 25 juli 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Integraal Afpakteam Brabant, Locatie [gemeente 1] , genummerd PL20130902 1500 60063.

2 Uittreksel van de Kamer van Koophandel, d.d. 9 juni 2013, pagina 70026.

3 Belastinggegevens aangifte IB 2008, 2009, 2010, 2011 [verdachte] pagina 70013-70025.

4 Belastinggegevens aangifte IB 2011 [verdachte] pagina 70022-70025.

5 Loonheffingsstaten november 2012, december 2012, januari 2013, maart 2013, april 2013 van [bedrijf 1] , pagina 70027-70053.

6 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 11 december 2012, pagina 70113.

7 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 8 januari 2013, pagina 70115.

8 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 12 februari 2013, pagina 70118.

9 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 9 april 2013, pagina 70122.

10 Bankafschriften [bedrijf 1] [rekeningnummer 2] , pagina 70425-70450.

11 Belastingdienstgegevens met betrekking tot [medeverdachte 1] , pagina 70180-70190.

12 Uittreksel Kamer van Koophandel, d.d. 18 juni 2013, pagina 70191.

13 Belastingdienstgegevens aangifte IB 2008 inclusief jaarstukken [medeverdachte 1] , pagina 70192-70214.

14 Belastingdienstgegevens aangifte IB 2009 inclusief jaarstukken [medeverdachte 1] , pagina 70215-70235.

15 Belastingdienstgegevens aangifte IB 2010 inclusief jaarstukken [medeverdachte 1] , pagina 70236-70244.

16 Gegevens aangifte inkomstenbelasting 2011 [medeverdachte 1] , pagina 70728-70751.

17 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] d.d. 8 januari 2013, pagina 70116.

18 Analyse [rekeningnummer 3] , t.n.v. [medeverdachte 1] over de periode 11 januari 2011 tot en met 14 mei 2013, pagina 70178.

19 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 14 februari 2012, pagina 70091.

20 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 14 februari 2012, pagina 70091.

21 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 12 februari 2013, pagina 70117.

22 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 12 februari 2013, pagina 70118.

23 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 12 maart 2013, pagina 70091.

24 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 14 mei 2013, pagina 70124.

25 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 1] , d.d. 14 mei 2013, pagina 70124.

26 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 7 juli 2016

27 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, d.d. 8 oktober 2013, pagina 40051-40052.

28 Foto aantreffen € 4.000,- in airco, pagina 70859.

29 Analyse [rekeningnummer 3] , t.n.v. [medeverdachte 1] over de periode 11 januari 2011 tot en met 14 mei 2013, pagina 70178.

30 Acceptgiro’s, pagina 70462-70470.

31 Proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming woning, d.d. 2 april 2013, pagina 40205-40207.

32 Factuur [bedrijf 8] d.d. 31 januari 2011, pagina 70474.

33 Factuur [bedrijf 8] d.d. 3 februari 2011, pagina 70475.

34 Factuur [bedrijf 9] d.d. 20 juni 2011, pagina 70471.

35 Factuur [bedrijf 10] d.d. 19 juli 2012, pagina 70472.

36 Factuur [bedrijf 11] d.d. 20 februari 2013, pagina 70476.

37 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 9 oktober 2013, pagina 50050-50060.

38 Analyse [rekeningnummer 3] , t.n.v. [medeverdachte 1] over de periode 11 januari 2011 tot en met 14 mei 2013, pagina 70178.

39 Proces-verbaal verhoor van een getuige d.d. 8 oktober 2013, pagina 60002-60006.

40 Proces-verbaal verhoor van een getuige d.d. 16 oktober 2013, pagina 60007-60008.

41 Proces-verbaal van verhoor van een getuige d.d. 8 oktober 2013, pagina 60029-60033.

42 Proces-verbaal van verhoor van een getuige d.d. 8 oktober 2013, pagina 60024-60029.

43 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 oktober 2013, pagina 60039-60041.

44 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 oktober 2013, pagina 50009-50018.

45 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 2] , d.d. 7 februari 2013, pagina 70443.

46 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 2] , d.d. 7 februari 2013, pagina 70443.

47 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 2] , d.d. 11 februari 2013, pagina 70444.

48 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 2] , d.d. 11 februari 2013, pagina 70444.

49 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, d.d. 8 oktober 2013, pagina 40051-40052.

50 Factuur [bedrijf 1] , 5 februari 2013, pagina 70520.

51 Bankafschrift ING van [rekeningnummer 2] , d.d. 11 februari 2013, pagina 70444.

52 Leningsovereenkomst, d.d. 10 maart 2013, pagina 70701.

53 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 oktober 2013, pagina 50070-50112.

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 februari 2014, pagina 50126-50137.

55 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 oktober 2013, pagina 50009-50018.

56 Schenkingsovereenkomst gedateerd 25 januari 2013, pagina 70373-70374.

57 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 december 2013, pagina 60051-60052.

58 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 februari 2014, pagina 60054-60060.

59 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2013, pagina 50019-50025.

60 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 oktober 2013, pagina 50070-50112.

61 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 februari 2013, pagina 50126-50137.