Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3964

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2016
Datum publicatie
25-07-2016
Zaaknummer
01/865113-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van gewoonteheling tot 165 dagen gevangenisstraf waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaar en een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865113-15

Datum uitspraak: 25 juli 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1955] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 december 2015, 1 maart 2016 en 11 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 november 2015. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 maart 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 27 maart 2008 tot en met 17 maart 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) op één of meer tijdstip(pen) in bovengenoemde periode, na te melden goederen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goed(eren) (telkens) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, te weten:

1. op of omstreeks 25 februari 2015 een personenauto, merk BMW, type 5 serie, gekentekend [kenteken 1] en/of twee Belgische kentekenplaten (delict 1) en/of

2. op of omstreeks 17 maart 2015 een personenauto, merk Jaguar, type XF, oorspronkelijk voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 2] (delict 2) en/of

3. op of omstreeks 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Caddy, oorspronkelijk gekentekend [kenteken 3] (delict 3) en/of

4. in of omstreeks de periode van 13 februari 2015 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk BMW, type 3-serie, gekentekend [kenteken 4] , althans een carrosseriedeel en/of een motor en/of dashboard en/of portier en/of achterbumper en/of brandstoftank van voornoemde personenauto (delict 4) en/of

5. in of omstreeks de periode van 5 februari 2015 tot en met 17 maart 2015 een personenauto merk BMW, type 316i, gekentekend [kenteken 5] , althans bekledingspanelen van een autoportier en/of de zitting van de achterbank en/of een airbag en/of achterbumper afkomstig van voornoemde personenauto (delict 5 en delict 16) en/of 6. in of omstreeks de periode van 4 augustus 2014 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk BMW, type 3 serie, gekentekend [kenteken 6] , althans een brandstoftank en/of een subframe en/of een (onderdeel van) een achteras van een voornoemde personenauto (delict 5) en/of

7. in of omstreeks de periode van 11 augustus 2014 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, oorspronkelijk voorzien van het Duitse kenteken [kenteken 7] (delict 6) en/of

8. in of omstreeks de periode van 13 februari 2015 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Mercedes, type E200, gekentekend [kenteken 8] , althans een motorkap en/of tankklep en/of een deurpaneel afkomstig van voornoemde personenauto (delict 9) en/of

9. in of omstreeks de periode van 13 mei 2013 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk BMW, type 320, gekentekend [kenteken 9] , althans een portier, afkomstig van voornoemde personenauto (delict 17) en/of

10. in of omstreeks de periode van 26 januari 2015 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Mercedes, type C180, gekentekend [kenteken 10] , althans een portier en/of drie (gordijn)airbags afkomstig van voornoemde personenauto (delict 18) en/of

11. in of omstreeks de periode van 30 augustus 2011 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Citroen, type C3, gekentekend [kenteken 11] , althans een (gordijn)airbag afkomstig van voornoemde personenauto (delict 19) en/of

12. in of omstreeks de periode van 14 januari 2015 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volvo, type V60, gekentekend [kenteken 12] , althans een carrosseriedeel afkomstig van voornoemde personenauto (delict 20) en/of

13. in of omstreeks de periode van 6 juni 2011 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 13] , althans een dashboard en/of drie airbags en/of een portier en/of een achterbank en/of een voorstoel van voornoemde personenauto (delict 21) en/of

14. in of omstreeks de periode van 31 oktober 2013 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 14] , althans een carrosseriedeel en/of meerdere, althans een, portier(en) afkomstig van voornoemde personenauto (delict 22) en/of

15. in of omstreeks de periode van 27 november 2013 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Touran, gekentekend [kenteken 15] , althans een portier afkomstig van voornoemde personenauto (delict 23) en/of

16. in of omstreeks de periode van 27 september 2010 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 16] , althans een portier en/of dashboard afkomstig van voornoemde personenauto (delict 24) en/of

17. in of omstreeks de periode van 24 januari 2015 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 17] , althans een portier afkomstig van voornoemde personenauto (delict 26) en/of

18. in of omstreeks de periode van 9 oktober 2014 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Bora, gekentekend [kenteken 18] , althans een (bestuurders)airbag afkomstig van voornoemde personenauto (delict 27) en/of

19. in of omstreeks de periode van 27 maart 2008 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Passat, gekentekend [kenteken 19] , althans een (bestuurders)airbag en/of een zekeringkast afkomstig van voornoemde personenauto (delict 28) en/of 20. in of omstreeks de periode van 22 april 2014 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 20] , althans een carrosseriedeel en/of bekledingspaneel afkomstig van voornoemde personenauto (delict 29) en/of

21. in of omstreeks de periode van 17 januari 2014 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 21] , althans een bekledingspaneel afkomstig van voornoemde personenauto (delict 30) en/of

22. in of omstreeks de periode van 7 augustus 2014 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 22] , althans een carrosseriedeel en/of een zekeringkast van voornoemde personenauto (ongenummerd delict tussen delicten 30 en 31) en/of

23. in of omstreeks de periode van 14 augustus 2013 tot en met 17 maart 2015 een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 23] , althans een klokkenwinkel afkomstig van voornoemde personenauto (delict 31);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2008 tot en met 17 maart 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, althans in Nederland, op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere personenauto's, te weten een BMW, gekentekend [kenteken 1] en/of een Jaguar, oorspronkelijk voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 2] en/of een Volkswagen type Caddy, oorspronkelijk gekentekend [kenteken 3] en/of een Volkswagen type Golf, oorspronkelijk voorzien van het Duitse kenteken [kenteken 7] , en/of auto-onderdelen (onder andere carrosseriedelen en/of airbags en/of portieren en/of dashboards en/of bekledingspanelen en/of een motorblok en/of een motormanagementsysteem) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto's en/of auto-onderdelen (telkens) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van een gewoonte maken van het medeplegen van zowel opzet- als schuldheling van de in de tenlastelegging genoemde voertuigen en voertuigonderdelen en heeft daartoe, samengevat weergegeven, aangevoerd dat verdachte gelet op de omstandigheden niet wist, noch redelijkerwijs had moeten vermoeden dat al deze voertuigen en voertuigonderdelen van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de onder sub 2 tot en met 23 genoemde voertuigen en voertuigonderdelen.

Het is afhankelijk van de omstandigheden of kan worden aangenomen dat bij verdachte de wetenschap of het vermoeden van de criminele herkomst van de voertuigen en/of voertuigonderdelen bestond. In de onderhavige zaak wordt voor die beoordeling in aanmerking genomen dat verdachte al jarenlang werkzaam is in zijn eigen autoschadebedrijf. In dat licht bezien mag van verdachte een zekere expertise worden verwacht bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Dit geldt temeer nu niet kan worden miskend dat juist in de tweedehandsautobranche een niet te verwaarlozen kans bestaat op aanbod van gestolen auto’s en auto-onderdelen, door al dan niet particuliere aanbieders. Een goede boekhouding is bovendien een wettelijk vereiste (zie ook artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht). Daarmee kan immers (mede) inzichtelijk worden gemaakt dat een inkoop of inruil naar het zich liet aanzien niets verdachts om het lijf had. Eveneens kan een goede boekhouding aanknopingspunten bieden voor de opsporing van de aanbieder van gestolen waren. Tegen deze achtergrond mag van een verdachte in de autobranche worden verwacht dat hij – geconfronteerd met de criminele herkomst van voorwerpen in zijn bedrijf – een verklaring aflegt omtrent de herkomst van de betreffende voorwerpen en die verklaring zoveel mogelijk met zijn boekhouding onderbouwt.

Uit het ontbreken van dergelijke verklaringen en een deugdelijke boekhouding volgt niet zonder meer dat aangenomen kan worden dat verdachte wetenschap of het vermoeden heeft gehad van de criminele herkomst van voertuigen en/of voertuigonderdelen. Daarvoor is – mede gelet op de grote hoeveelheid auto’s en auto-onderdelen die verdachten in het kader van hun reguliere bedrijfsactiviteiten onder zich hadden – op zijn minst een bijkomende omstandigheid ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of gebruikmaken van het voorwerp vereist, waaruit het bestaan van wetenschap of het vermoeden van de criminele herkomst bij de verdachte kan volgen. Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank in het geval van verdachte in voldoende mate aanwezig om de conclusie te trekken dat verdachte die wetenschap heeft gehad. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

De rechtbank stelt op de eerste plaats vast dat bij een zoeking op het bedrijfsterrein van het bedrijf van verdachte en zijn broer [medeverdachte 2] , verspreid over het bedrijfsterrein, een grote hoeveelheid voertuigen en voertuigonderdelen worden aangetroffen, die, gelet op de in het dossier aanwezige aangiftes, van diefstal afkomstig blijken te zijn. Eén voertuig, een Volkswagen Caddy, wordt door verbalisanten aangetroffen in de spuitcabine van het bedrijf, waarbij de werklamp staat gericht op de hoek waar het voertuig identificatienummer (hierna: VIN-nummer) aangebracht is geweest en waarbij op die bewuste plek de plamuurlaag nog niet opnieuw is afgelakt. Daarnaast wordt aan de sleutelbos een niet fabrieksmatige sleutel aangetroffen die veel voorkomt bij gestolen voertuigen.

Verbalisanten hebben waargenomen dat op het buitenterrein en in de loods zich opvallend veel onderdelen van relatief jonge voertuigen bevinden, dat deze onderdelen niet geordend en onbeschermd voor weersinvloeden in de buitenlucht liggen opgeslagen, ogenschijnlijk niet volgens een bepaald systeem daar zijn neergezet en dat in een aantal gevallen onderdelen verstopt lijken te zijn. Tussen de delen die buiten rond een grote opening van de loods liggen, treffen verbalisanten verschillende carrosseriedelen aan, waarbij wordt waargenomen dat bij diverse van deze delen het fabrieksmatig aangebrachte VIN-nummer weggeslepen is.

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat bij een aantal van de onder sub 2 tot en met 23 genoemde voertuigen en/of voertuigonderdelen het fabrieksmatig aangebrachte VIN-nummer onzichtbaar is gemaakt en/of dat over het fabrieksmatig aangebrachte VIN-nummer een ander VIN-nummer is aangebracht en/of dat het fabrieksmatig aangebrachte VIN-nummer is weggeslepen en/of dat een voertuig is opgebouwd uit onderdelen van verschillende andere, gestolen, voertuigen.

Verdachte heeft, zowel bij de politie, als ook ter terechtzitting van 11 juli 2016, geen verklaring kunnen geven voor de hiervoor omschreven feitelijkheden. Verdachte heeft wel verklaard dat in de meeste gevallen de klant zelf de onderdelen voor een gewenste reparatie meebracht, dat daarvan niets werd vastgelegd in een boekhouding en dat er niet aan klanten werd gevraagd naar de herkomst van de bewuste onderdelen. Van een aanzienlijk deel van voornoemde voertuigen en voertuigonderdelen is gebleken dat deze zijn gestolen in een relatief korte periode voorafgaand aan de doorzoeking op 17 maart 2015, namelijk tussen 14 januari 2015 en 13 februari 2015. De rechtbank acht het onaannemelijk dat ten aanzien van al deze voertuigen, gelet op de korte periode gelegen tussen de diefstal van de originele voertuigen en het moment dat (onderdelen van) deze voertuigen zijn aangetroffen bij het bedrijf van verdachte, klanten van het bedrijf van verdachte afzonderlijk van elkaar voor hun reparaties onderdelen van gestolen voertuigen hebben gekocht en aangeleverd, waarbij zij niet alleen de onderdelen hebben meegenomen die nodig waren voor de desbetreffende reparaties, maar ook nog andere onderdelen die in dat geval op het terrein zijn achtergebleven. Hetzelfde geldt, weliswaar in mindere mate gelet op het langere tijdsverloop, ook voor de voertuigen en voertuigonderdelen die voor 14 januari 2015 zijn gestolen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de enorme hoeveelheid van diefstal afkomstige goederen die is aangetroffen op het terrein van verdachte, het ontbreken van een geloofwaardige verklaring daarvoor, al dan niet ondersteund met een gedegen boekhouding, in combinatie met de hiervoor weergeven specifieke omstandigheden, waaronder de wijze waarop de Volkswagen Caddy is aangetroffen en de hoeveelheid onderdelen zonder de fabrieksmatig aangebrachte VIN-nummers, het niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de illegale herkomst van de voertuigen en voertuigonderdelen ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan, althans ten tijde van het voorhanden krijgen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de hier betreffende (onderdelen van) auto’s uit misdrijf afkomstig waren.

Gelet op al het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de betreffende voertuigen en voertuigonderdelen. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Ten aanzien van de onder sub 1 genoemde personenauto en kentekenplaten.

Tussen 23 en 24 februari 2015 wordt er een personenauto van het merk BMW met het kenteken [kenteken 1] gestolen. Bij het uitlezen van het technisch hulpmiddel dat door de politie op deze auto is bevestigd, wordt gezien dat dit voertuig op 24 februari 2015 om 20.56 uur in beweging komt en dat de auto zich op dat moment beweegt over [adres 2] te Nistelrode. Deze straat ligt vlakbij autobedrijf van verdachte en zijn broer. Op 25 februari 2015 tussen 10.00 uur en 10.30 uur brengt verdachte deze auto naar het bedrijf van [medeverdachte 1] . Deze [medeverdachte 1] verklaart dat hij van verdachte de Nederlandse kentekenplaten van de auto moest halen en moest vervangen door Belgische kentekenplaten die in de auto lagen, en dat hij de auto helemaal leeg moest halen. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze verklaring in twijfel te trekken, te meer daar op het briefje met de te verhelpen storingen dat in de auto lag, een dergelijke opdracht niet stond vermeld. Uit het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt dat de originele kentekenplaten van de betreffende BMW bij [medeverdachte 1] achter een kast lagen en de bijbehorende kentekenpapieren in de afvalcontainer.

Verdachte verklaart ter terechtzitting van 11 juli 2016 dat hij deze auto op 24 februari 2015 in opdracht van een zekere [persoon 1] heeft weggebracht om een aantal storingen te verhelpen. Verdachte heeft verklaard dat hij weleens voor deze [persoon 1] aan auto’s heeft gewerkt maar dat hij niet weet waar hij woont of wat zijn telefoonnummer is. Ter terechtzitting van 11 juli 2016 heeft verdachte voorts verklaard dat hij geen vragen heeft gesteld aan [persoon 1] toen hij de auto meenam.

Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien met de eerdere conclusies ten aanzien van de opzetheling van voertuigen en voertuigonderdelen op het bedrijfsterrein van het bedrijf van verdachte, oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap moet hebben gehad van de illegale herkomst van het voertuig ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan, althans dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit voertuig uit misdrijf afkomstig was.

Gelet op al het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van het betreffende voertuig. Het andersluidend verweer van de verdediging wordt verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wist dat de twee kentekenplaten van diefstal afkomstig waren. Van de opzetheling van deze kentekenplaten zal verdachte dan ook worden vrijgesproken. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat schuldheling van deze kentekenplaten niet aan verdachte ten laste is gelegd.

Medeplegen.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat er ten aanzien van het bewezen verklaarde sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn broer [medeverdachte 2] . Daartoe acht de rechtbank redengevend dat beide verdachten eigenaar zijn van het bedrijf en zij ook allebei werkzaam zijn in het bedrijf, waarbij, aldus de verklaring van [medeverdachte 2] , zij geen speciale taken hebben binnen het bedrijf en allebei hetzelfde doen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn daarmee hun rollen volledig inwisselbaar. Gelet op al het voorgaande kan het medeplegen van de opzetheling van alle onder sub 2 tot en met 23 genoemde voertuigen en voertuigonderdelen wettig en overtuigend worden bewezen. Periodes van afwezigheid van verdachte in verband met - bijvoorbeeld - een (kort durend) verblijf in het buitenland, leiden niet tot een ander oordeel.

Gelet op hetgeen de rechtbank eerder met betrekking tot het onder sub 1 genoemde voertuig heeft vastgesteld acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de opzetheling van dat voertuig heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] .

Periode.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de tenlastegelegde opzetheling wettig en overtuigend worden bewezen voor de periode vanaf 1 december 2014 tot en met 17 maart 2015. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat zich in ieder geval in december 2014 een gestolen voertuig(onderdeel) op het bedrijfsterrein van verdachte bevond; medeverdachte [medeverdachte 2] heeft immers bij de rechter-commissaris verklaard de Volkswagen Golf, die hij voor zijn zoon [naam] had bestemd (Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 7] ), eind 2014 te hebben gekocht. Ten aanzien van de periode 27 maart 2008 tot 1 december 2014 zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Gewoonte.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte gedurende de hiervoor vermelde periode een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling. In de hoge frequentie van de gevallen van heling die de rechtbank gedurende die periode bewezen acht, ligt besloten dat er sprake was van gewoonteheling.

Conclusie ten aanzien van de bewezenverklaring.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank het medeplegen van opzetheling van voertuigen en voertuigonderdelen, waarvan verdachte een gewoonte heeft gemaakt, wettig en overtuigend worden bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

in de periode van 1 december 2014 tot en met 17 maart 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers hebben verdachte en zijn mededader op tijdstippen in bovengenoemde periode na te melden goederen verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van die goederen telkens wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen, te weten:

1. een personenauto, merk BMW, type 5 serie, gekentekend [kenteken 1] en

2. een personenauto, merk Jaguar, type XF, oorspronkelijk voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 2] en

3. een personenauto, merk Volkswagen, type Caddy, oorspronkelijk gekentekend [kenteken 3] , en

4. een carrosseriedeel van een personenauto, merk BMW, type 3-serie, gekentekend [kenteken 4] , en

5. een airbag en een achterbumper van een personenauto merk BMW, type 316i, gekentekend [kenteken 5] , en 6. een brandstoftank en een subframe en (een onderdeel van) een achteras van een personenauto, merk BMW, type 3 serie, gekentekend [kenteken 6] , en

7. een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, oorspronkelijk voorzien van het Duitse kenteken [kenteken 7] , en

8. een motorkap en een tankklep en een deurpaneel afkomstig van een personenauto, merk Mercedes, type E200, gekentekend [kenteken 8] , en

9. een portier, afkomstig van een personenauto, merk BMW, type 320, gekentekend [kenteken 9] , en

10. een portier en (gordijn)airbags afkomstig van een personenauto, merk Mercedes, type C180, gekentekend [kenteken 10] , en

11. een gordijnairbag afkomstig van een personenauto, merk Citroen, type C3, gekentekend [kenteken 11] , en

12. een carrosseriedeel afkomstig van een personenauto, merk Volvo, type V60, gekentekend [kenteken 12] , en

13. een dashboard en drie airbags en een portier en een achterbank en een voorstoel van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 13] , en

14. meerdere portieren afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 14] , en

15. een portier afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Touran, gekentekend [kenteken 15] , en

16. een portier en een dashboard afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 16] , en

17. een portier afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 17] , en

18. een bestuurdersairbag afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Bora, gekentekend [kenteken 18] , en

19. een bestuurdersairbag en een zekeringkast afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Passat, gekentekend [kenteken 19] , en 20. een bekledingspaneel afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 20] , en

21. een bekledingspaneel afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 21] , en

22. een zekeringkast van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 22] , en

23. een klokkenwinkel afkomstig van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, gekentekend [kenteken 23] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 2 jaar met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een grote hoeveelheid voertuigen en voertuigonderdelen. Opzetheling, zeker van een omvang als de onderhavige, is een ernstig strafbaar feit. Heling bevordert diefstal en zorgt bovendien voor een illegaal circuit van goedkope goederen, waardoor de reguliere, eerlijke (detail)handel wordt verstoord en schade wordt toegebracht. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte voorafgaand aan deze feiten niet eerder voor een vermogensdelict was veroordeeld en, voor zover thans bekend, sindsdien ook geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verder acht de rechtbank een taakstraf voor de duur als hierna te melden passend en geboden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van een aanzienlijk kortere periode komt en verder van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de rechthebbenden, nu naar het oordeel van de rechtbank op basis van de in het dossier aanwezige aangiftes van al deze voorwerpen de rechtmatige eigenaar kan worden vastgesteld en het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 416 en 417 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

primairmedeplegen van een gewoonte maken van opzetheling Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. primair:Gevangenisstraf voor de duur van 165 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2jaren

Taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: de voorwerpen als vermeld onder nummer 1 tot en met 70 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 6 juni 2016, aan de rechthebbenden.

Voornoemde beslaglijst is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en dient als hier ingevoegd en herhaald te worden beschouwd.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is met ingang van 15 december 2015 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter,

mr. M. Senden en mr. A.M. de Koning, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 25 juli 2016.

Mr. A.M. de Koning is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.