Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:396

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
15_2689
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvang termijn tijdelijke afwijking bestemmingsplan

De zaak betreft een vergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, bijlage II van het Bor. Verweerder kan volstaan met het aannemelijk maken dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd, en dient niet de tijdelijkheid van de behoefte aan te tonen. De rechtbank is van oordeel dat de tien-jarentermijn gaat lopen vanaf de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of het daarmee strijdige gebruik een aanvang neemt. Dat de tijdelijkheid van de behoefte niet langer aannemelijk dient te worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel, nu de wetgever daarvoor in de plaats wel voor ogen heeft gehad dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Ofschoon in de rechtspraak omtrent de aanvang van het tijdelijk gebruik onder artikel 17 van de WRO door de Afdeling uitdrukkelijk werd gerefereerd aan de tijdelijke behoefte (zie de uitspraak van 10 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5096), ziet de rechtbank aanleiding om bij deze oude rechtspraak aan te sluiten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het gebruik van de bevoegdheid in artikel 4, elfde lid, bijlage II van het Bor met minder waarborgen is omkleed dan de bestemmingsplanprocedure of de procedure ingevolge artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 3, van de Wabo.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 15/2689, SHE 15/2759

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2016 in de zaak tussen

[eisers 1] , te [woonplaats] , eisers 1

(gemachtigde: mr. drs. W.J.W. van Eijk),

[eisers 2] , te [woonplaats] , eisers 2,

(gemachtigde: drs. C.M.L. Willems-Dekkers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: J.J.H. van Goch).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [bedrijf 1]gevestigd te Zaandam,

2. [bedrijf 2] , gevestigd te Zaandam,

3. [bedrijf 3]gevestigd te Zaltbommel,

(gemachtigde: mr. J.C. van Oosten).

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 4 maart 2015 (het primaire besluit) aan [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en het maken van uitweg, ten behoeve van het uitbreiden van een tijdelijk winkelcentrum op de locatie aan de Vlietdijk, Mosasingel en Groote Wielenlaan te Rosmalen (projectlocatie).

Bij besluit van 28 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eisers 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/2689, dat van eisers 2 onder zaaknummer SHE 15/2759.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 herroept het primaire besluit, voor zover daarbij is beslist dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor 10 jaar na de datum van het bestreden besluit en bepaalt dat omgevingsvergunning wordt verleend tot 8 juli 2018;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eisers 1 en aan eisers 2 te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1 tot een bedrag van € 1.488,- en van eisers 2 tot een bedrag van € 1.488,-.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 8 juli 2008 heeft verweerder besloten tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de duur van vijf jaar voor het bouwen en in stand houden van een winkelcentrum op de projectlocatie. Na afloop van deze termijn is het winkelcentrum blijven bestaan. Op 6 augustus 2015 heeft [bedrijf 3] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de uitbreiding van het winkelcentrum. Verzoekers zijn woonachtig in de directe nabijheid van het winkelcentrum. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet voldoet aan de ter plaatse geldende bestemming ‘Groen en verkeer’.

2. In artikel 4, elfde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komt een ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Verweerder heeft in het primaire besluit met gebruikmaking van deze mogelijkheid in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vergunning verleend tot 4 maart 2025. Eisers stellen zich op het standpunt dat geen omgevingsvergunning voor de duur van 10 jaren kon worden verleend.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder (om gebruik te kunnen maken van deze bevoegdheid) niet langer aannemelijk hoeft te maken dat sprake is van een tijdelijke behoefte, maar dat verweerder kan volstaan met het aannemelijk maken dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd, omdat immers anders impliciet de activiteit voor onbepaalde tijd zou worden vergund. De rechtbank verwijst in dit kader naar de Nota van toelichting bij de wijziging van het Bor per 1 november 2014 (Stb. 2014, 333 pag. 25) en naar de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:34). De rechtbank is van oordeel dat het winkelcentrum na afloop van de termijn zonder problemen kan worden gesloopt en dat de oude situatie kan worden hersteld.

4. In de Nota van toelichting (Stb. 2014, 333 pag. 55) staat de volgende passage: “De in de vergunning gestelde termijn op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan maximaal tien jaar bedragen. Indien een vergunning voor een langere tijdsduur moet worden verleend, kan (behoudens de mogelijkheden met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Wabo), slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, vergunning worden verleend. De termijn in de vergunning kan worden verlengd, of er kan opnieuw voor dezelfde activiteit vergunning worden verleend, mits de totale tijdsduur van tien jaar niet wordt overschreden. Op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan dus niet telkens opnieuw voor een duur van tien jaar vergunning worden verleend.”
Uit deze passage leidt de rechtbank af dat de wetgever heeft beoogd te bepalen dat slechts voor een periode van maximaal tien jaar met gebruik van de bevoegdheid in artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor, kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Gelet op dit uitgangspunt van de wetgever is de rechtbank van oordeel dat de tien-jarentermijn gaat lopen vanaf de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of het daarmee strijdige gebruik een aanvang neemt. Dat de tijdelijkheid van de behoefte niet langer aannemelijk dient te worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel, nu de wetgever daarvoor in de plaats wel voor ogen heeft gehad dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Ofschoon in de rechtspraak omtrent de aanvang van het tijdelijk gebruik onder artikel 17 van de WRO door de Afdeling uitdrukkelijk werd gerefereerd aan de tijdelijke behoefte (zie de uitspraak van 10 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5096), ziet de rechtbank aanleiding om bij deze oude rechtspraak aan te sluiten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het gebruik van de bevoegdheid in artikel 4, elfde lid, bijlage II van het Bor met minder waarborgen is omkleed dan de bestemmingsplanprocedure of de procedure ingevolge artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 3, van de Wabo. Zo kan worden volstaan met de reguliere voorbereidingsprocedure en hoeft geen ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld. De Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant is evenmin expliciet van toepassing. De enkele omstandigheid dat bij de wijziging van het Bor per 1 november 2014 niet is voorzien in overgangsrecht, leidt evenmin tot een ander oordeel. De rechtbank leidt hieruit niet af dat de wetgever heeft beoogd om voor bestaande legale of illegale afwijkingen een nieuwe aanvangsdatum in het leven te roepen. Dit zou er immers toe leiden dat de totale tijdsduur veel langer zou worden dan de door de wetgever beoogde tien jaren en dat bestaande illegale situaties door een procedure met lichtere rechtswaarborgen zouden kunnen worden gesauveerd. Het komt de rechtbank voor dat dit niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Nu de aanvangsdatum van de termijn voor tijdelijke afwijking noch onder het oude recht, noch onder het nieuwe recht wettelijk is vastgelegd, valt niet in te zien waarom op dit onderdeel de wetgever zou hebben moeten voorzien in overgangsrecht.

Deze beroepsgrond slaagt.

5. Eisers voeren aan dat de vergunning is verleend in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Eisers 1 betwijfelen de noodzaak van het winkelcentrum en in ieder geval de bijbehorende winkels, gelet op de nabijheid van het centrum van Rosmalen. Ook wijzen zij op de aanwezigheid van (te kleine ) afvalcontainers waar veel troep omheen ligt. Dit was niet het plaatje dat zij in gedachten hadden toen zij hun woning jaren geleden kochten. Eisers 2 wijzen op de nadelen en overlast van het winkelcentrum in de vorm van verlies van uitzicht, hangjongeren, geluidsoverlast, verkeersoverlast en parkeeroverlast. Zij vrezen voor waardevermindering van hun woning.

6. Verweerder en de derde-partijen hebben opgemerkt dat inmiddels is voorzien in een ondergrondse afvalvoorziening. Zij verwijzen verder naar de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag. Met betrekking tot verkeersoverlast als gevolg van een busbaan langs De Grote Wielen, merkt verweerder op dat dit niet het gevolg is van het bestreden besluit.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tijdelijke winkelcentrum niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de eerste plaats gaat het om een tijdelijke voorziening. In de ruimtelijke onderbouwing is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Voor zover sprake is van verkeersoverlast door de aanwezigheid van de busbaan, is dit niet het gevolg van het bestreden besluit maar van het besluit dat ten grondslag heeft gelegen aan de aanleg van de busbaan. De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de noodzaak voor een tijdelijk winkelcentrum in afwachting van de bouw van de woonwijk aan de overzijde van de plas. Dat sprake is van een onaanvaardbare geluidsoverlast vanwege het winkelcentrum hebben eisers evenmin aannemelijk gemaakt. Ook in de gestelde waardevermindering van de woningen van eisers, ziet de rechtbank geen aanleiding voor weigering van de vergunning.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen voor zover vergunning is verleend tot 4 maart 2025. De rechtbank zal bepalen dat vergunning wordt verleend tot 8 juli 2018. Dat is tien jaren na verlening van de vrijstelling ex artikel 17 van de WRO.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor zowel eisers 1 als eisers 2 vast op € 1.488,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. J. Heijerman, leden, in aanwezigheid van mr. F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.