Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3930

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
16_1389
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2472, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht 3e tranche Abm en bestemmingsplan. 2.7 Wabo

De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de inrichting (2.1 lid 1 onder e Wabo) is buiten behandeling gesteld omdat het project ook in strijd is met het bestemmingsplan. Eiser stelt dat na 1 januari 2013 kon worden volstaan met een melding. Voor het wijzigen van een inrichting waar meer dan 900 varkens worden gehouden is onder het huidige recht ook een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wabo vereist. Op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan geen varkens zijn gehouden. Het houden van varkens is in strijd met de bestemming ‘Bedrijf’ Verweerder heeft terecht overwogen dat voor het opnieuw houden van varkens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo is vereist. Deze vergunning is niet aangevraagd. Daarom heeft verweerder de aanvraag terecht niet in behandeling genomen op basis van artikel 2.7 van de Wabo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/1389

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R. Ligtvoet),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer, verweerder,

(gemachtigden: M.M.L van Lankvelt en mr. J.P.L.M. van der Velden).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten eisers aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de inrichting aan de [adres] niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 15 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.2

Eiser (en voorheen zijn vader) heeft een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting aan de [adres] (de projectlocatie). Op 21 juli 1983 is een vergunning op basis van de toenmalige Hinderwet verleend voor een varkenshouderij met 1.344 mestvarkens en een aantal fokzeugen, biggen en beren. De vergunning is gewijzigd bij de acceptatie van de kennisgeving ingevolge artikel 1a van het Hinderbesluit. Ter plaatse werd met deze vergunning een akkerbouwbedrijf en varkenshouderij uitgeoefend.

1.3

In verband met de voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein Saxe Gotha heeft verweerder op 23 september 1991 de projectlocatie gekocht van de vader van eiser. Na aankoop van het perceel heeft de projectlocatie op basis van het bestemmingsplan “Saxe Gotha II” de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden B1’ gekregen. Op 22 oktober 2009 heeft verweerder het daaropvolgende bestemmingsplan “Saxe Gotha” (het bestemmingsplan) vastgesteld. In de uitspraak van 21 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN1864) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het beroep tegen het bestemmingsplan, waarin de projectlocatie de bestemming “Bedrijf” heeft, ongegrond verklaard.

1.4

Onderdeel van de koopovereenkomst was, dat de gemeente Boxmeer zich zou inspannen om het bedrijf te verplaatsen naar een alternatieve locatie. Er is thans echter nog steeds geen locatie voor verplaatsing van het bedrijf voorhanden, die de instemming van eiser heeft. De laatste locatie die partijen hebben besproken, is een bedrijf aan de [adres] . Verweerder heeft op 3 december 2014 aangegeven geen medewerking meer te willen verlenen aan de noodzakelijke wijziging van het bestemmingsplan voor deze alternatieve locatie.

1.5

Sinds 2008 heeft eiser vanwege de gewijzigde eisen met betrekking tot dierenwelzijn geen varkens meer gehouden op de projectlocatie.

1.6

Op 8 mei 2011 heeft eiser een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingediend voor het wijzigen van de inrichting op de projectlocatie.

Op 25 januari 2012 heeft verweerder een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) aangevraagd bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS Noord-Brabant) ingevolge artikel 47b van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) en artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, in verband met enkele in de nabijheid gelegen Brabantse Natura 2000-gebieden. GS Noord-Brabant heeft op 13 september 2013 een positieve ontwerp-vvgb gegeven. Op 10 maart 2014 heeft verweerder een vvgb aangevraagd bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg (GS Limburg) in verband met de nabijheid van een Limburgs Natura 2000-gebied. GS Limburg heeft op 1 december 2014 een positieve ontwerp-vvgb gegeven.

1.7

Bij brieven van 6 augustus 2015 en 1 oktober 2015 heeft verweerder eiser gevraagd zijn aanvraag aan te vullen met een aanvraag voor het gebruik van de projectlocatie in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo. Dat heeft eiser niet gedaan.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder, in navolging van het advies van de gemeentelijke bezwaarcommissie, het primaire besluit in stand gelaten. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gelaten op grond van artikel 2.7 eerste lid, van de Wabo, omdat volgens verweerder het houden van varkens in strijd is met het bestemmingsplan en eiser zijn aanvraag niet heeft uitgebreid met een verzoek om toestemming voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan.

3.1

Eiser stelt dat de periode tussen de aanvraag op 8 mei 2011 en de datum van het primaire besluit onredelijk lang is, zodat verweerder in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid. Eiser bevindt zich al bijna 20 jaar in een zeer onwenselijke situatie op grond waarvan het naar de mening van eiser op de weg van verweerder had gelegen om sneller duidelijkheid te verschaffen over de aanvraag van 8 mei 2011.

3.2

Verweerder geeft als verklaring voor de termijnoverschrijding aan dat omdat vvgb’s van GS Noord-Brabant en GS Limburg noodzakelijk waren. Daarbij komt, aldus verweerder dat hij, gelet op artikel 2.7 van de Wabo, van mening is dat deze grond er niet toe kan leiden dat een ander besluit had moeten worden genomen.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen redelijke termijn in acht heeft genomen. Verweerder had eiser veel eerder kunnen vragen de aanvraag aan te vullen, maar heeft hiermee gewacht tot 2015. Niet valt in te zien waarom verweerder heeft gewacht totdat de (ontwerp)vvgb’s waren ontvangen. Hiermee heeft verweerder eiser nodeloos in onzekerheid laten verkeren. Dat eiser verweerder niet heeft verzocht sneller een besluit te nemen, leidt niet tot een ander oordeel. Opmerkelijk in dit verband is dat verweerder tevens bijna drie jaren heeft gewacht met het aanvragen van een vvgb bij GS Limburg. Verweerder heeft hiervoor ook ter zitting, desgevraagd, geen goede verklaring kunnen geven. Deze beroepsgrond slaagt.

4.1

Eiser voert aan dat de aanvraag op 8 mei 2011 noodzakelijk was in verband met de vereiste aanpassingen voor emissiearme huisvesting van varkens. Echter, in de periode tussen de vergunningaanvraag en het primaire besluit is de relevante wet- en regelgeving gewijzigd en wel zodanig dat de aangevraagde wijzigingen niet langer vergunningplichtig zijn. Inmiddels kan worden volstaan met een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Verweerder heeft daarom de aanvraag van 8 mei 2011 ten onrechte buiten behandeling gelaten, nu er niet langer meer sprake is van een vergunningplicht, aldus eiser.

4.2

Verweerder stelt zich op grond van artikel X, tweede lid, van het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen (het Besluit) op het standpunt dat er in het onderhavige geval sprake is van een aanvraag van een activiteit als bedoeld in artikel II, onderdeel A, van het Besluit. Dat betekent volgens verweerder dat de aanvraag van eiser niet als een (vormvrije) melding moet worden afgedaan. Ook als eiser zijn aanvraag van 8 mei 2011 intrekt en een melding op grond van het Abm doet, zal hij een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo moeten indienen. Ook deze aanvraag zal volgens verweerder betrekking moeten hebben op de activiteit afwijken van het bestemmingsplan.

4.3

Ingevolge het Besluit zijn het Abm en het Besluit omgevingsrecht (Bor) gewijzigd. Ingevolge artikel X, tweede lid, van het Besluit, blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, voor zover die aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit die in artikel II, onderdeel A, van het Besluit is aangewezen, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A. Voorwaarden hiervoor zijn dat de aanvraag moet zijn ingediend voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, en dat op die aanvraag nog niet onherroepelijk is beslist.

Ingevolge artikel II, onderdeel A, van het Besluit is artikel 2.2a van het Bor gewijzigd en is een vijfde lid ingevoegd, waarbij als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo tevens wordt aangewezen: het oprichten of wijzigen van een dierenverblijf voor het houden van ten minste 900 varkens behorend tot de diercategorieën D1 tot en met D3. Dit vijfde lid is inmiddels vernummerd naar artikel 2.2a, vierde lid, van het Bor.

4.4

Voor het wijzigen van een inrichting waar meer dan 900 varkens worden gehouden is onder het huidige recht een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wabo vereist. Als eiser nu een melding zou indienen voor de beoogde wijzigingen van de inrichting, zou hij nog steeds een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo moeten aanvragen. Eiser stelt ten onrechte dat hij voor het wijzigen van zijn inrichting (zoals aangevraagd) kan volstaan met een melding op grond van het Activiteitenbesluit en geen omgevingsvergunning nodig heeft. Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Eiser stelt dat zijn agrarisch bedrijf onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt en dat hij géén omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig heeft. Dit is volgens eiser door de Afdeling in de in rechtsoverweging 1.3 genoemde uitspraak van 21 juli 2010 bevestigd. Volgens eiser is altijd sprake geweest van een gemengd landbouwbedrijf dat sinds 1991 op de projectlocatie is voortgezet tot en met de dag van vandaag. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat een deelactiviteit, namelijk het houden van varkens binnen zijn bedrijf langer dan één jaar is gestopt. Eiser verwijst in dat verband naar de Verordening Ruimte, die evenmin een onderscheid maakt tussen intensieve veehouderij en een agrarisch bedrijf, maar enkel tussen grondgebonden en niet grondgebonden agrarische bedrijven. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook ten onrechte buiten behandeling gelaten.

5.2

Verweerder stelt dat er, op het moment dat het bestemmingsplan op 21 januari 2010 in werking trad, al geen dieren meer werden gehouden. Met een verwijzing naar artikel 16.1 van de planregels stelt verweerder dat eiser dus geen beroep kan doen op het overgangsrecht. Daarom is het houden van dieren in strijd met het bestemmingsplan en is hiervoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo vereist. Deze activiteit is onlosmakelijk verbonden met het wijzigen van de inrichting. Omdat eiser de hiervoor benodigde toestemming niet heeft aangevraagd is de (resterende) aanvraag buiten behandeling gesteld.

5.3

Artikel 16 van de planregels van het bestemmingsplan luidt als volgt:

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

5.4

De Afdeling heeft in bovengenoemde uitspraak over het bestemmingsplan het volgende overwogen: “Nu de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat positief bestemmen van het bestaande gebruik van het perceel op ruimtelijke gronden ongewenst is, omdat het perceel is gelegen op een bedrijventerrein, heeft hij het bestaande gebruik van het perceel in redelijkheid opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen.” De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak van de Afdeling niet zonder meer volgt dat het gehele bedrijf van eiser onder het overgangsrecht valt.

5.5

Vast staat dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan geen varkens zijn gehouden. Het houden van varkens is in strijd met de bestemming ‘Bedrijf’ alsmede in strijd met de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden B1’ van het daarvoor geldende bestemmingsplan “Saxe Gotha II”. Verweerder heeft terecht overwogen dat voor het opnieuw houden van varkens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo is vereist. Deze vergunning is niet aangevraagd. Daarom heeft verweerder de aanvraag terecht niet in behandeling genomen op basis van artikel 2.7 eerste lid, van de Wabo. Dat het akkerbouwbedrijf ter plaatse wel is voortgezet tot op de dag van vandaag, leidt niet tot een ander oordeel. Het akkerbouwbedrijf is weliswaar een agrarisch bedrijf (gericht op het voorbrengen van producten) en ook in strijd met het bestemmingsplan, maar door middel van het tevens houden van varkens op de door eiser voorgestane wijze wordt de afwijking met het bestemmingsplan vergroot. Het houden van varkens heeft een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling met meer milieugevolgen voor de omgeving dan een akkerbouwbedrijf. Door het houden van varkens wordt de afwijking met het bestemmingsplan naar aard en omvang vergroot. Dit is in strijd met artikel 16, tweede lid, van de planregels. Deze beroepsgrond faalt

6. Gelet op rechtsoverweging 3.3 zal het beroep gegrond worden verklaard en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De termijnoverschrijding leidt echter niet tot het oordeel dat verweerder daarom is gehouden alsnog de aanvraag in behandeling te nemen dan wel de gevraagde vergunning te verlenen in strijd met artikel 2.7 eerste lid, van de Wabo. De rechtbank adviseert zowel eiser als verweerder alsnog in overleg te treden om naar een andere oplossing voor het onderliggende geschil te zoeken.

7.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 496,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. E.A.C. Spoormakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.