Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3928

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
15_6759
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op verzoek van de gezamenlijke Noord-Brabantse waterschappen op 3 februari 2015 aan de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant (Fbe) door gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende ontheffing als bedoeld in artikel 68 van de Flora- en faunawet (Ffw). Het gaat om een "ontheffing op voorhand" voor het wegvangen en herplaatsen, weren en verontrusten van bevers en voor het vernielen van hun burchten, het plaatsen van drains en het gebruik van speciale voor het vangen van bevers ontworpen vangkooien, op grond waarvan de Fbe machtigingen kan verlenen aan de (uitvoerders van de) waterschappen.

De Fbe is overeenkomstig artikel 29 van de Ffw erkend als samenwerkingsverband van jachthouders en is daarmee gerechtigd om publiekrechtelijke taken uit te oefenen.

Verweerder heeft bij de verlening van de ontheffing beoordeeld of aan de in artikel 68 van de Ffw vervatte waarborgen van artikel 16 van de Habitatrichtlijn is voldaan. De rechtbank vermag niet in te zien dat, op het moment dat die afwegingen zijn gemaakt en de noodzaak voor het onmiddellijk moeten kunnen optreden in het belang van de openbare veiligheid in voldoende mate is komen vast te staan, bij de verlening van de machtigingen door de Fbe die afwegingen telkens opnieuw zouden moeten worden gemaakt. Dat tegen de afgifte van een machtiging geen afzonderlijke rechtsmiddelen openstaan, maakt dan ook niet dat een effectieve toegang tot de rechter niet is gewaarborgd. Er wordt voldaan aan de waarborgen van artikel 68 van de Ffw ter bevordering van de gunstige staat van instandhouding van de bever.

De rechtbank is er echter niet van overtuigd geraakt dat de ontheffing niet kan worden gebruikt voor verstoring van de bever op het moment dat de openbare veiligheid niet direct in het geding is. In de ontheffing is geen beperking aangebracht met betrekking tot de categorie van waterkeringen waarvoor deze geldt. Ook niet de waterstandsverhoging ten gevolge van het aanleggen van dammen in ieder oppervlaktewater behoeft te leiden tot een zodanige stijging van het waterpeil, dat dit acuut gevaar voor de openbare veiligheid oplevert. Het advies van het Faunafonds, waarop verweerder zich heeft gebaseerd, beperkt zich tot de ondergraving van waterkeringen die tot onmiddellijk ingrijpen noodzaakt.

Niet aannemelijk is geworden dat er alternatieven bestaan. Verder is de uitvoering van de ontheffing door deskundigen in voldoende mate gewaarborgd.

Volgt vernietiging van het bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6759

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2016 in de zaak tussen

Stichting Sirene, te Oud Gastel, eiseres,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder,

(gemachtigden: L.L.J.M. Klijs en J.H. Rhader).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant (Fbe), te ’s-Hertogenbosch.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de Fbe, ten behoeve van de gebruikers van de ontheffing, op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet (Ffw) een 'ontheffing op voorhand' verleend voor het mogen overtreden van de artikelen 9, 10, 11, 13, 14 en 15 van deze wet.


Bij besluit van 3 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Eiseres is vertegenwoordigd door haar voorzitter [persoon 1] . Verweerder is vertegenwoordigd door gemachtigden, die werden vergezeld door M. Cox, van het waterschap Aa en Maas. De Fbe is vertegenwoordigd door [persoon 2] .

Op 20 mei 2016 heeft de rechtbank het ter zitting besproken besluit van verweerder van 9 mei 2016 ontvangen, waarbij de geldigheidsduur van de verleende ontheffing, zonder de ontheffing zelf te wijzigen, is verlengd tot 1 juli 2017. De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat het beroep wordt geacht van rechtswege mede betrekking te hebben op het besluit van 20 mei 2016.

Overwegingen

1. Op 3 februari 2015 heeft de Fbe een ontheffing als bedoeld in artikel 68 van de Ffw aangevraagd. De aanvraag heeft betrekking op het wegvangen en herplaatsen, weren en verontrusten van bevers (Castor Fiber) en het vernielen van hun burchten, het plaatsen van drains en het gebruik van speciale voor het vangen van bevers ontworpen vangkooien. In de aanvraag is verwezen naar het rapport 'De verwachte ontwikkelingen van de beverpopulatie in Nederland: naar een bevermanagement' uit 2011, waarin staat dat de beverpopulatie de komende jaren een zodanige ontwikkeling zal doormaken dat het niet te voorkomen is dat schade en overlast zullen toenemen.
De aanvraag is ingediend op verzoek van de gezamenlijke Noord-Brabantse waterschappen, in het belang van de openbare veiligheid en heeft betrekking op probleemlocaties binnen het verzorgingsgebied van die waterschappen in de gehele provincie Noord-Brabant.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde ontheffing verleend voor de periode tot en met 23 mei 2016. De ontheffing geldt voor alle infrastructurele dijklichamen en waterlopen in de gehele provincie Noord-Brabant. Aan de ontheffing zijn vijf voorschriften verbonden. In het eerste voorschrift is bepaald dat de Fbe bevoegd is de ontheffing om te zetten in machtigingen aan de uitvoerende Noord-Brabantse waterschappen.
Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit tot verlening van de ontheffing, waarvan de geldigheidsduur bij het in het procesverloop genoemde besluit van 9 mei 2016 tot 1 juli 2017 is verlengd. Deze verlenging, zonder wijziging van de ontheffing zelf, is ter zitting besproken. Besproken is ook dat uitspraak zou worden gedaan vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de ontheffing, dan wel het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur zou worden meegenomen in de procedure.

2.1

De rechtbank ziet zich eerst geplaatst voor de - ambtshalve te beantwoorden - vraag of eiseres belanghebbende is.

Als de belangen van rechtspersonen worden mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2

Eiseres stelt zich, volgens artikel 2 van haar statuten, ten doel:
a. Het ontplooien van activiteiten die een bijdrage kunnen leveren aan het behoud dan wel herstel van natuur en milieu in westelijk Noord-Brabant, in het bijzonder de gemeenten Steenbergen, Moerdijk en Halderberge;
b. Het vergroten van de betrokkenheid van de bevolking bij de natuur- en milieuproblematiek in westelijk Noord-Brabant en daarbuiten;
c. Het bevorderen van de samenwerking in de meest ruime zin van het woord tussen de stichting en anderen die zich op welke wijze dan ook bezig houden met, dan wel invloed uitoefenen op de natuur- en milieuproblematiek, alsmede het bevorderen van samenwerking tussen die voornoemde anderen.

2.3

Uit artikel 2, onder a, van de statuten volgt dat eiseres streeft naar behoud en herstel van natuur en milieu in westelijk Noord-Brabant. In het bijzonder is dat streven gericht op de gemeenten Steenbergen, Moerdijk en Halderberge. Die verbijzondering sluit het streven naar behoud en herstel van natuur en milieu op het grondgebied van andere gemeenten in West-Brabant niet uit. Deze doelstelling is gericht op het behartigen van algemene belangen alsbedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het gebied waarop de aanvraag voor de ontheffing betrekking heeft, ligt binnen de territoriale begrenzing van de statutaire doelomschrijving.

2.4

Eiseres heeft tijdens de hoorzitting van de hoor- en adviescommissie voor bezwaar- en beroepschriften op 6 juli 2015 verklaard dat haar feitelijke werkzaamheden bestaan uit het schrijven van stukken, het geven van voorlichting over de natuur en het indienen van zienswijzen tegen bepaalde plannen. Zij heeft naar haar zeggen een overkoepelende functie en onderhoudt contacten met de gemeenten bij overstijgende activiteiten.

Uit een desgevraagd door eiseres bij de rechtbank ingediend overzicht van haar feitelijke werkzaamheden kan worden afgeleid dat eiseres, naast het voeren van procedures, diverse andere feitelijke werkzaamheden verricht. Zo participeert zij in discussies en dialogen over plannen en beleidsvoornemens die verband houden met haar statutaire doel, zoals deelname in de mestdialoog met de provincie, overleg met de provincie over de verzilting van het Krammer/Volkerak en deelname in een klankwerkgroep over het provinciale inpassingsplan AFC. Verder verricht eiseres voorlichtingsactiviteiten. Op het overzicht staan bijvoorbeeld de voorlichting aan ondernemers over de Natuurbeschermingswet en een reeks artikelen over natuur in de Steenbergse Courant.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de door eiseres gedane opgave van haar feitelijke werkzaamheden te twijfelen. Ook zijn deze niet betwist door verweerder.

2.5

De rechtbank is, gezien de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van eiseres, van oordeel dat eiseres door de ontheffing rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Dit betekent dat verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

3.1

Eiseres voert in de eerste plaats aan dat de 'ontheffing op voorhand' niet is aangevraagd door en verleend aan een belanghebbende, in dit geval een waterschap in Noord-Brabant. Zij wijst daarbij op artikel 68, zesde lid, van de Ffw, op grond waarvan verweerder een ontheffing kan verlenen aan anderen dan een faunabeheereenheid.

Aan de voorwaarden die daarvoor in dit artikel worden gesteld, wordt volgens eiseres in dit geval voldaan. Volgens haar ontbreekt bijvoorbeeld een noodzaak voor een faunabeheerplan voor de bever, aangezien ingrepen dienen plaats te vinden volgens de regels in de Ffw en de Habitatrichtlijn. Daarnaast ontbreekt de noodzaak van een ingrijpen door tussenkomst van jagers en is de zorg van een faunabeheereenheid voor de bever overbodig.

3.2

Verweerder heeft geen aanleiding gezien om een ontheffing te verlenen aan anderen dan de Fbe. Niet is gebleken dat de gevallen, bedoeld in artikel 68, zesde lid, van de Ffw, zich hier voordoen.

3.3

Op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw, kunnen gedeputeerde staten, onder meer in het belang van de openbare veiligheid, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten ontheffing verlenen van een groot aantal verbodsbepalingen die ter bescherming van die diersoorten in de Ffw zijn opgenomen. Een ontheffing kan worden verleend, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend. Voorwaarde is verder dat het Faunafonds moet worden gehoord.
Op grond van het vierde lid van dit wetsartikel wordt de ontheffing slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

Op grond van het zesde lid van dit wetsartikel kan de ontheffing ook aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend, indien:

a. de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan gelet op de soort dan wel de aard of omvang van te verrichten handelingen;

b. de noodzaak ontbreekt dat de te verrichten handelingen worden verricht door tussenkomst van een faunabeheereenheid;

c. het gebied waar de handelingen worden verricht niet is gelegen in een gebied waarover zich de zorg van een faunabeheereenheid uitstrekt.

3.4

Op grond van artikel 68, vierde lid, van de Ffw moet een ontheffing worden verleend aan een faunabeheereenheid. Het zesde lid van dit wetsartikel biedt verweerder echter de mogelijkheid om ook aan anderen dan een faunabeheereenheid een ontheffing te verlenen.

Als uitgangspunt dient te gelden dat verweerder moet beschikken op een aanvraag zoals deze is ingediend. In dit geval is de ontheffing aangevraagd door een faunabeheereenheid en is deze, overeenkomstig de wettelijke bepaling, aan de Fbe verleend.

Ook al zou in dit geval sprake zijn van een geval als genoemd in de onderdelen a tot en met c van artikel 68, zesde lid, van de Ffw, dan nog zou verweerder niet behoeven af te zien van de verlening van een ontheffing aan de Fbe. Eiseres heeft niets aangevoerd wat de rechtbank tot de conclusie zou moeten leiden dat verweerder de ontheffing niet aan de Fbe had mogen verlenen.

Dit betoog faalt.

4.1

Eiseres stelt in essentie dat de Fbe niet gerechtigd is om publiekrechtelijke taken uit te oefenen. Het is aan verweerder als bevoegd gezag om te beoordelen of aan de randvoorwaarden en waarborgen van artikel 16 van de Habitatrichtlijn en artikel 68 van de Ffw is voldaan en daartegen moet een rechtsgang openstaan. In dit geval wordt pas bij de afgifte van machtigingen door de Fbe een toets aan deze voorwaarden en waarborgen uitgevoerd, zonder dat voor derden duidelijk is hoe de afweging daarover heeft plaatsgevonden. De machtigingen kunnen ongelimiteerd en ongecontroleerd worden verleend, waardoor de gunstige staat van instandhouding niet is gegarandeerd, omdat het areaal van de bever kan worden verkleind.

De machtigingen worden niet gepubliceerd en zijn niet vatbaar voor inspraak, bezwaar of beroep. Van een effectief rechtsmiddel is daarmee geen sprake. Dit is in strijd met het Verdrag van Aarhus, dat onder meer de toegang tot de rechter waarborgt.

4.2

Verweerder stelt dat hij de Fbe op grond van artikel 29 van de Ffw heeft erkend als de combinatie van samenwerkingsverbanden van jachthouders. Dit betekent, gelet op artikel 68, vierde lid, van de Ffw, dat een ontheffing kon worden verleend aan de Fbe, op basis van het (gewijzigde) faunabeheerplan. Op grond van deze ontheffing kan de Fbe machtigingen verlenen aan individuele uitvoerders, in dit geval de uitvoerende Noord-Brabantse waterschappen. De ontheffing wordt onder verantwoordelijkheid en toezicht van de Fbe uitgevoerd. Daartoe zijn voorschriften aan de ontheffing verbonden. Verweerder houdt op grond van artikel 80 van de Ffw de mogelijkheid om invloed en controle uit te oefenen op de naleving.

Volgens verweerder valt, gelet op de opgave door de Zoogdiervereniging uit maart 2015, niet te verwachten dat door de eventuele verplaatsing van bevers de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt.

4.3

Artikel 29, eerste lid, onder a, van de Ffw, bepaalt dat verweerder samenwerkingsverbanden van jachthouders kan erkennen als faunabeheereenheden ten behoeve van:
a. het beheer van diersoorten en
b. de bestrijding van schade aangericht door dieren.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat de Fbe de taak heeft om schade aan de in de wet genoemde belangen te voorkomen en/of te beperken. De Fbe vervult een loketfunctie, wat betekent dat aanvragen voor ontheffingen bij de Fbe terechtkomen. De Fbe beoordeelt aanvragen om ontheffing, wanneer deze volledig zijn, en levert ze aan bij verweerder. Verweerder voert een laatste toets uit. Als de ontheffing wordt verleend, komt deze op naam van de Fbe. Die verstrekt vervolgens, op basis van de ontheffing, machtigingen aan de uitvoerders. De Fbe houdt zich niet met de uitvoering bezig. De uitvoering wordt via machtigingen toevertrouwd aan ter zake deskundigen.

4.4

Eiseres heeft niet weersproken dat verweerder de Fbe heeft erkend als samenwerkingsverband van jachthouders in Noord-Brabant. Deze erkenning is in overeenstemming met artikel 29, eerste lid, onder a, van de Ffw. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar opvatting dat de Fbe niet gerechtigd is om publiekrechtelijke taken uit te oefenen.

4.5

Eiseres lijkt, met haar stelling dat "voor zover nodig een beroep wordt gedaan op de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn", te bedoelen dat artikel 16 van die Richtlijn niet goed in artikel 68 van de Ffw is geïmplementeerd. Ten overstaan van de voorzieningenrechter op 18 januari 2016 heeft zij echter verklaard dit niet te hebben willen betogen, maar te hebben bedoeld aan te geven dat de Ffw niet goed wordt uitgevoerd.

Ervan uitgaande dat 16 van de Habitatrichtlijn juist is geïmplementeerd, kan eiseres geen rechtstreeks beroep doen op dit artikel en zal de rechtbank het bestreden besluit moeten beoordelen aan de hand van artikel 68 van de Ffw. Dit neemt niet weg dat dit artikel moet worden toegepast en uitgelegd in het licht van artikel 16 van de Habitatrichtlijn.

4.6

De kern van eiseres' betoog is dat de wijze van ontheffingverlening zich niet verdraagt met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw en met onvoldoende waarborgen is omkleed, omdat niet verweerder maar de Fbe pas in het kader van de afgifte van een machtiging zou beoordelen of op dat moment de openbare veiligheid in geding is en tegen de afgifte van de machtiging geen bezwaar en beroep openstaat.

De rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.11 bevatten de overwegingen en het oordeel van de rechtbank hierover.

4.7

In de aanvraag om ontheffing is aangegeven dat deze wordt ingediend op verzoek van de gezamenlijke Noord-Brabantse waterschappen. Omdat de bever een beschermde inheemse diersoort is, is iedere bewust uitgevoerde handeling die de bever kan verstoren ontheffingsplichtig. Omdat de bever in incidentele gevallen een probleem kan opleveren voor de openbare veiligheid, moet bij calamiteiten snel kunnen worden ingegrepen. Daarom is het nodig om een "ontheffing op voorhand" te verkrijgen.

4.8

In het advies van het Faunafonds van 26 februari 2015 is geadviseerd om de aangevraagde getrapte ontheffing op voorhand te verlenen, omdat bij calamiteiten snel moet worden ingegrepen. Het Faunafonds overweegt dat wanneer bevers de waterkering ondergraven dit de kans verhoogt op een dijkdoorbraak. Als in de toekomst sprake is van schade, dienen de dijklichamen en de ondergravingen hersteld te worden, waarbij het mogelijk is dat bevers opzettelijk zullen worden verontrust. Met de herstelwerkzaamheden aan de dijklichamen kan de openbare veiligheid gewaarborgd blijven.

4.9

Verweerder heeft in het primaire besluit gewezen op het positieve advies van het Faunafonds. Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat de veiligheid in het geding kan komen wanneer graverij, waaronder die in dijklichamen, en het opwerpen van dammen de waterstaatkundige veiligheid in gevaar brengt. Het gaat daarbij niet alleen om ondergraving, maar ook om veranderingen in waterpeil. De ontheffing is verleend voor alle infrastructurele dijklichamen en waterlopen in de provincie Noord-Brabant. Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden, waarin is bepaald dat de Fbe verantwoordelijk blijft voor het naleven van de aan de ontheffing verbonden voorschriften en die ervoor moeten zorgen dat de uitvoering van de maatregelen moet plaatsvinden overeenkomstig het beverprotocol, opgesteld door de gezamenlijke waterschappen in Noord-Brabant, en in overleg met de Zoogdiervereniging. Verder voorzien de voorschriften in de melding van de activering van machtigingen aan de toezichthouder en aan rapportage over de wijze waarop van de machtigingen gebruik is gemaakt in het jaarverslag van de Fbe, dat jaarlijks in juni aan verweerder moet worden toegezonden.

Bij de verlening van de ontheffing is rekening gehouden met het herziene Faunabeheerplan waarin een hoofdstuk "Bevers" is opgenomen.

4.10

Niet kan worden gezegd dat verweerder niet al bij de verlening van de ontheffing heeft beoordeeld of aan de in artikel 68 van de Ffw vervatte waarborgen van artikel 16 van de Habitatrichtlijn is voldaan. De door verweerder bij de verlening van de ontheffing gemaakte afwegingen wijzen erop dat die beoordeling wel degelijk is gemaakt. De rechtbank vermag niet in te zien dat, op het moment dat die afwegingen zijn gemaakt en de noodzaak voor het onmiddellijk moeten kunnen optreden in voldoende mate is komen vast te staan, bij de verlening van de machtigingen door de Fbe die afwegingen telkens opnieuw zouden moeten worden gemaakt. Dat tegen de afgifte van een machtiging geen afzonderlijke rechtsmiddelen openstaan, maakt dan ook niet dat een effectieve toegang tot de rechter niet is gewaarborgd, temeer daar eiseres in deze procedure de systematiek van de ontheffing op voorhand aan de bestuursrechter heeft kunnen voorleggen. Met de verlening van de ontheffing op voorhand ter waarborging van de openbare veiligheid wordt voldaan aan de waarborgen van artikel 68 van de Ffw ter bevordering van de gunstige staat van instandhouding van de bever.

4.11

Niettemin slaagt eiseres' betoog. De rechtbank is er namelijk niet van overtuigd geraakt dat de ontheffing niet kan worden gebruikt voor verstoring van de bever op het moment dat de openbare veiligheid niet direct in het geding is. Niet de ondergraving van iedere waterkering zal direct gevaar opleveren voor de openbare veiligheid. In de ontheffing is echter geen beperking aangebracht met betrekking tot de categorie van waterkeringen waarvoor deze geldt. Ook niet de waterstandsverhoging ten gevolge van het aanleggen van dammen in ieder oppervlaktewater behoeft te leiden tot een zodanige stijging van het waterpeil, dat dit acuut gevaar voor de openbare veiligheid oplevert. De rechtbank betrekt hierbij dat het advies van het Faunafonds, waarop verweerder zich heeft gebaseerd, zich beperkt tot de ondergraving van waterkeringen die, in verband met de bescherming van de openbare veiligheid, tot onmiddellijk ingrijpen noodzaakt.

Al met al kan uit de combinatie van de aanvraag, het Faunabeheerplan, het advies van het Faunafonds, het primaire besluit en het bestreden besluit niet worden opgemaakt in welke situaties precies sprake is van een calamiteit waarbij de openbare veiligheid in het geding is, zodat de ontheffing onvoldoende waarborgen bevat dat daarvan ook alleen maar gebruik wordt gemaakt wanneer die veiligheid in het geding is.

Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en genomen.

5.1

Volgens eiseres heeft verweerder niet aangetoond dat er geen alternatieven zijn. Eiseres veronderstelt dat dit een gevolg is van het feit dat er geen concreet geval was waarin dit kon worden beoordeeld.

5.2

Eiseres heeft niet aangegeven wat haars inziens de alternatieven zijn, voor het geval dat bevers ter bescherming van de openbare veiligheid worden verstoord.

Bij gebruikmaking van de ontheffing zal de getrapte werkwijze van het Beverprotocol Brabant worden gevolgd. Volgens het Beverprotocol treft het waterschap ten behoeve van de veiligheid – waar mogelijk en zo nodig – structurele maatregelen om te voorkomen dat de bever een waterkering of oever langs de waterkering gebruikt als woonplaats of compenserende maatregelen treft. Tijdens de hoogwaterperiode in oktober tot maart wordt de bever direct weggevangen en wordt het oeverhol gedicht. Gedurende de rest van het jaar wordt het dier ontmoedigd het hol of de gang in de kering te gebruiken. Blijkens de trapsgewijze werkwijze van het Beverprotocol wordt begonnen met de minst verregaande maatregel.

Ervan uitgaande dat het vertrek van de bever vanaf een bepaalde plaats uit het oogpunt van openbare veiligheid noodzakelijk kan zijn, valt niet in te zien welke alternatieve mogelijkheden er bestaan dan het verontrusten en – eventueel – uiteindelijk verplaatsen van bevers.

Dit betoog faalt.

6.1

Volgens eiseres is de uitvoering van de ontheffing door deskundigen niet gewaarborgd. Volgens het Soortenprotocol van het Ministerie van Economische zaken, moeten ingrepen worden verricht door deskundige biologen. In hoofdstuk 3.8 wordt uitgelegd wat onder een beverdeskundige moet worden verstaan. Hier staan volgens eiseres geen jagers bij.

6.2

Verweerder wijst erop dat de ontheffing onder verantwoordelijkheid en toezicht van de Fbe wordt uitgevoerd. Daartoe zijn voorschriften aan de ontheffing verbonden, waaronder voorschrift 4 dat bepaalt dat handelingen uitsluitend plaatsvinden door door het waterschap aan te wijzen personen en in overleg en met inzet van de zoogdierenvereniging.

6.3

Volgens het door eiseres genoemde hoofdstuk is een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis moeten zijn opgedaan doordat de deskundige zich bijvoorbeeld aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam is voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties, zoals de Zoogdiervereniging.

In dit geval is aan de ontheffing voorschrift 4 verbonden, dat waarborgt dat een deskundige van de Zoogdiervereniging bij de uitvoering wordt betrokken. De rechtbank acht hiermee de uitvoering van de ontheffing door deskundigen in voldoende mate gewaarborgd.

Dit betoog faalt.

7. Het beroep is, gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 heeft overwogen, gegrond. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd. Voor vernietiging van het besluit van 9 mei 2016, waarbij de geldigheidsduur van de bij het primaire besluit verleende ontheffing is verlengd, bestaat geen aanleiding, omdat het beroep geen betrekking op de geldigheidsduur van de ontheffing.

8. De rechtbank ziet, gezien de aard van het gebrek, de omstandigheid dat herstel daarvan naar verwachting de nodige voorbereidingstijd zal vergen en de looptijd van de ontheffing is gekoppeld aan de looptijd van het Faunabeheerplan die op 1 juli 2017 afloopt, geen aanleiding om toepassing te geven aan afdeling 8.2.2a van de Awb (bestuurlijke lus).

9. Verweerder zal worden opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen.

10. Verder zal worden bepaald dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht voor de beroepsprocedure moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om, met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen;

  • -

    bepaalt dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,- moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. J. Lie en

mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.