Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3927

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
16_471
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2809, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bestemmingsplan wijkt af van 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, van de VR 2014, zodat verweerder de voorliggende omgevingsvergunning voor bouwen diende te toetsen aan artikel 34, eerste lid, van de VR 2014. De eerste vraag die hierbij moet worden gesteld is of sprake is van een toename van bestaande gebouwen. In deze zaak betekent dit concreet of een toename plaats vindt ten opzichte van het in 2011 vergunde gebouw. Toen was een mestput vergund die buiten de stal uitstak. De mestput is circa 2 meter diep. In het in 2011 vergunde bouwplan was voorzien dat de mestput in de stal zou zijn voorzien van roosters en buiten de stal zou zijn afgedekt met zware houten balken. De roosters zijn betrekkelijk eenvoudig weg te nemen, ook om de mest te kunnen verzetten. Daarmee is de mestput feitelijk toegankelijk en aan te merken als een gebouw. Van een toename is geen sprake dus wordt voldaan aan de VR 2014.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/287 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/471

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, verweerder

(gemachtigden: M.C.J. Antonis en M. Walta).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [vestigingsplaats] (vergunninghouder),

(gemachtigde: mr. drs. F.K. van den Akker).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een rundveestal, gelegen op het perceel [adres] , voor de activiteiten “het (ver)bouwen van een bouwwerk” en “het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”.

Eiser heeft tegen dit besluit op 7 juli 2015 bezwaar gemaakt. Op 18 augustus 2015 heeft eiser het bezwaar aangevuld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 23 september 2015 heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd.

Bij uitspraak van 28 september 2015 (zaaknummer SHE 15/2655) heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen het gewijzigde primaire besluit van 23 september 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Bij besluit van 2 november 2011 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevings-vergunning (BR 2010.191) verleend voor het bouwen van een rundveestal op het perceel [adres] , waarbij een bruto vloeroppervlakte is vergund van 1.130 m².

Na de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1553) is deze vergunning onherroepelijk.

1.2

Met het oog op wijzigingen aan de inrichting en indeling van de stal heeft vergunninghouder op 5 februari 2015 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Op 5 februari 2015 heeft vergunninghouder eveneens een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) bij verweerder ingediend. Hiertoe heeft verweerder abusievelijk de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd.

1.3

In het gewijzigde primaire besluit is uiteindelijk vergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan en een OBM (als bedoeld in respectievelijk artikel 2.1, eerste lid onder a, c en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht). In het bestreden besluit is het gewijzigde primaire besluit gehandhaafd onder verwijzing naar het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie.

2.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat de totale oppervlakte van de stal niet is toegenomen. Volgens eiser is de in 2011 vergunde mestput geen gebouw en leidt het primaire besluit tot een toename van de oppervlakte van bestaande gebouwen in strijd met artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (VR 2014) zoals dat gold ten tijde van het gewijzigde primaire besluit. Ingevolge artikel 34 lid 1 van de Verordening ruimte 2014 had verweerder rekening dienen te houden met de vereisten omtrent fijnstofbelasting en geurhinder. Dat is niet onderzocht.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de totale oppervlakte van de in 2011 vergunde bebouwing (stal met mestput) circa 1.190 m2 bedraagt. Dat de mestput deels buiten de stal ligt doet daaraan niet af. De mestput is een gebouw en is bouwkundig en functioneel onlosmakelijk met de stal verbonden.

2.3

Volgens vergunninghouder is de mestput onderdeel van de in 2011 vergunde stal en moet de oppervlakte van de mestput, voor zover deze buiten de stal uitsteekt, reeds daarom tot de stal worden gerekend. Aldus is geen sprake van een uitbreiding van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 34 van de VR 2014.

2.4

De VR 2014 is per 15 juli 2015 gewijzigd. Artikel 34, eerste lid, van de VR 2014 luidt thans als volgt:
Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, gelden de volgende voorwaardelijke bepalingen:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij is alleen toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; (et cetera).

Ingevolge artikel 34 derde lid, van de VR 2014 wordt in afwijking van artikel 2, derde lid, onder oppervlakte van bestaande gebouwen in het eerste en tweede lid, verstaan de oppervlakte van de gebouwen die:

a. (..),

b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning; of

c. (..).

2.5

De rechtbank stelt voorop dat ten tijde van het bestreden besluit deze versie (en niet de voorgaande versie) van de VR 2014 van toepassing was en dat verweerder aan de hierboven weergegeven versie moest toetsen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de aanvraag voor de rundveestal in strijd is met het bestemmingsplan en dat voor deze afwijking eveneens omgevingsvergunning is gevraagd en is verleend. Dit komt niet geheel duidelijk tot uitdrukking in het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit waarin de commissie heeft gekeken of sprake was van een toename van bestaande bebouwing (het toetsingscriterium in artikel 34 van de VR 2014 zoals dat gold voor 15 juli 2015). Verweerder heeft ter zitting echter aangegeven dat in het bestreden besluit is bekeken of sprake is van een toename van bestaande gebouwen.

2.6

Verweerder heeft in het bestreden besluit verzuimd aan te geven of het onderliggende bestemmingsplan “Buitengebied” (het bestemmingsplan) afwijkt van het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, van de VR 2014. Als het bestemmingsplan niet afwijkt, hoeft niet aan artikel 34, eerste lid, van de VR 2014 te worden getoetst. De rechtbank stelt evenwel vast dat het bestemmingsplan geen bepalingen bevat zoals in 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, van de VR 2014 en dat slechts uitbreiding van de bebouwing ten behoeve van een als zodanig aangeduide intensieve veehouderij, is verboden. Artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, van de VR 2014 hebben echter betrekking op uitbreiding van alle veehouderijen. Het bestemmingsplan wijkt daarmee af van 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, van de VR 2014, zodat verweerder diende te toetsen aan artikel 34, eerste lid, van de VR 2014.

2.7

De eerste vraag die hierbij moet worden gesteld is of sprake is van een toename van bestaande gebouwen. In deze zaak betekent dit concreet of een toename plaats vindt ten opzichte van het in 2011 vergunde gebouw. Bij besluit van 2 november 2011 is een stal vergund met een bruto vloeroppervlakte van ongeveer 1.130 m2. Onderdeel van het bouwplan is tevens een mestput die met een oppervlakte van 60 m2 is gelegen buiten de begrenzing van het vloeroppervlak van de vergunde stal. De besluiten van 4 juni 2015 en 23 september 2015 zien op de bouw van een stal met een vloeroppervlakte van circa 1.190 m2. De in deze besluiten vergunde bouwplannen voorzien in een mestput die zich volledig onder de vloer van de stal bevindt en niet meer deels daarbuiten.

2.8

Naar het oordeel van de rechtbank is de mestput een gebouw in de zin van artikel 1.31 van de VR 2014. Desgevraagd is aangegeven dat de mestput circa 2 meter diep is. In het in 2011 vergunde bouwplan was voorzien dat de mestput in de stal zou zijn voorzien van roosters en buiten de stal zou zijn afgedekt met zware houten balken. De roosters zijn betrekkelijk eenvoudig weg te nemen, ook om de mest te kunnen verzetten. Anders dan de luchtwasser in de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV1834) kan op betrekkelijk eenvoudige wijze toegang worden verkregen tot de mestput. Aldus is de mestput feitelijk toegankelijk. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraken van de Afdeling van 27 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3195) en 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2145). Reeds hierom kan de oppervlakte van de mestput voor zover deze uitsteekt voorbij de muren van de in 2011 vergunde stal, bij de toetsing aan artikel 34, eerste lid, van de VR 2014, worden betrokken.

Daarom is geen sprake van een toename van de oppervlakte van bestaande gebouwen en is het primaire besluit niet in strijd met artikel 34, eerste lid van de VR 2014 genomen. In het midden kan blijven of de mestput een constructie is die zowel bouwkundig als functioneel één geheel vormt met de stal. Deze beroepsgrond faalt.

3.1

Eiser stelt tevens dat verweerder geen uitvoering heeft gegeven aan de bedoeling van het bestreden besluit, te weten dat de tekst die abusievelijk is opgenomen ten aanzien van de OBM-milieueffectrapportage, uit het primaire besluit verwijderd moet worden.

3.2

Partijen zijn het er over eens dat onder het kopje OBM milieueffectrapportage (OBM mer) abusievelijk de volgende tekst is opgenomen: “met 2 dierplaatsen voor fokstieren en overige rundvee tot 2 jaar en 25 dierplaatsen voor vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar”. Ingevolge het bestreden besluit dient dit tekstblok uit de omgevingsvergunning te worden verwijderd.

3.3

De rechtbank verstaat het bestreden besluit aldus dat hiermee is beoogd te beslissen dat de betreffende passage daarmee uit de omgevingsvergunning is verwijderd. Dit is desgevraagd bevestigd door verweerder. Ofschoon eiser moet worden toegegeven dat het bestreden besluit onduidelijk is, leidt dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond faalt.

4.1

Eiser stelt voorts dat er geen schriftelijke documenten aan het besluit ten grondslag zijn gelegd waaruit de grondgebondenheid blijkt. Als niet kan worden gesproken van grondgebondenheid moet de vergunning worden geweigerd op grond van art. 5.2.2 onder c. van de planregels.

4.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondgebondenheid in de aanloop naar de totstandkoming van het primaire besluit ten onrechte niet is onderzocht. Dit is alsnog gebeurd in de bezwaarfase. Verweerder verwijst naar de Gecombineerde opgave 2015 voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, waaruit blijkt dat vergunninghouder meer gronden heeft dan ten tijde van de in 2011 verleende vergunning. In de hierboven genoemde uitspraak van 30 april 2014 heeft de Afdeling reeds aangenomen dat sprake is van een grondgebonden bedrijf.

4.3

Vergunninghouder heeft opgemerkt dat dit eigenlijk een handhavingskwestie is. Pas als de stal wordt gebruikt, dient vergunninghouder over voldoende gronden te beschikken opdat zijn bedrijf als grondgebonden bedrijf in overeenstemming met de planregels in gebruik is. Indien hij geen voldoende gronden heeft, kan verweerder hiertegen optreden. Volgens vergunninghouder dient eiser aannemelijk te maken dat er onvoldoende gronden zijn.

4.4

In de uitspraak van 30 april 2014 heeft de Afdeling het volgende overwogen: ”Ter zitting heeft [appellant sub 2] onweersproken gesteld dat zijn onderneming binnen een straal van tien km rondom het perceel gronden in eigendom en in pacht heeft, waarmee na realisering van de voorziene rundveestal 66% van het benodigde ruwvoer kan worden geproduceerd en thans een ruwvoeroverschot heeft. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013 in zaak nr. 201210432/1/A1, op het standpunt heeft kunnen stellen dat gronden die binnen een afstand van tien km van zijn onderneming zijn gelegen tot de directe omgeving daarvan behoren. Evenzeer heeft zij daarin terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het voortbrengend vermogen van de gronden die [appellant sub 2] binnen die straal tot zijn beschikking heeft, ertoe leidt dat zijn onderneming na realisering van de rundveestal nog steeds als grondgebonden agrarisch bedrijf is aan te merken.

Dat [appellant sub 2], als gesteld, een deel van de binnen voormelde straal van derden gehuurde gronden ten tijde van het besluit van 1 mei 2012 niet tot zijn beschikking had, heeft haar er terecht niet toe geleid te oordelen dat zijn onderneming niet als grondgebonden agrarisch bedrijf is aan te merken, nu hij voldoende gronden in de directe omgeving in eigendom en pacht heeft. [appellant sub 1] wordt niet gevolgd in het betoog dat hij van de rechtbank onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om aan te tonen dat de onderneming van [appellant sub 2] onvoldoende onbebouwde gronden in de directe omgeving tot haar beschikking heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het advies van de AAB aan zijn besluit van 1 mei 2012 ten grondslag heeft mogen leggen, nu daarin is uiteengezet, hoeveel hectare gronden [appellant sub 2] in eigendom en pacht heeft en hoeveel hectare grond hij van derden huurt en [appellant sub 1] daarop heeft kunnen reageren. [appellant sub 1] is ter zitting van de rechtbank in de gelegenheid gesteld op het door [appellant sub 2] op die zitting overgelegde kaartmateriaal te reageren, hetgeen hij bij brief van 20 maart 2013 aan de rechtbank nogmaals heeft gedaan. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, is voor het antwoord op de vraag of de onderneming van [appellant sub 2] als grondgebonden agrarisch bedrijf valt aan te merken, gelet op de begripsbepaling voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet vereist dat op de onbebouwde gronden in de directe omgeving alle mest van de rundveestapel kan worden afgezet.”

4.5

Anders dan vergunninghouder is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het verlenen van een omgevingsvergunning duidelijk moet zijn dat het bedrijf beschikt althans kan beschikken over voldoende gronden. Dit vormt immers ook de reden voor het vergunnen van de stal. Gelet op de geringe toename van oppervlakte van de stal zelf heeft verweerder in deze zaak kunnen volstaan met een vergelijking tussen de oppervlakte van de gronden die het bedrijf ter beschikking had in 2011 ten tijde van de destijds verleende vergunning en de oppervlakte van de gronden in de gecombineerde opgave. Met het overleggen van de gecombineerde opgave heeft vergunninghouder voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een grondgebonden veehouderij. Een advies van de agrarische adviescommissie is hiervoor niet noodzakelijk. Niet in geschil is dat eiser de gronden in de gecombineerde opgave ter beschikking heeft. Partijen verschillen louter van mening over de vraag of het aantal hectare volstaat om het bedrijf van vergunninghouder als grondgebonden veehouderij te kwalificeren. Deze beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.