Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3891

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
C/01/310386 / KG ZA 16-397
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke bewaring paard. Omdat niet is komen vast te staan dat het paard niet goed wordt verzorgd en evenmin is komen vast te staan dat de bewaarder partijdig is, zal de vordering tot vervanging van de bewaarder worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/310386 / KG ZA 16-397

Vonnis in kort geding van 18 juli 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.A.J. Jansen te Amsterdam-Duivendrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTIUS HORSES B.V.,

gevestigd te Heusden,

gedaagde,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Altius Horses B.V. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 juli 2016 met 7 producties,

  • -

    de brief vam mr Wensing van 14 juli 2016 met prod 1 t/m 14,

  • -

    de akte rectificatie tevens eisvermeerdering met productie 8,

  • -

    het antwoord op akte wijziging eis

  • -

    de mondelinge behandeling van 15 juli 2016, waar Altius Horses B.V. is bijgestaan door mr M. Ueffing en C. Duursma,

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    deakte eiswijziging en vermeerdering van 15 juli 2016,

  • -

    de pleitnota van Altius Horses B.V..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn mede-eigenaar van het paard [naam paard] (hierna: het paard). [eiseres] berijdt het paard, terwijl Altius Horses B.V. voor een aantal kosten opdraait. Zij zijn al sedert jaren in meerdere procedures verwikkeld. Thans is een verdelingsprocedure tussen hen aanhangig.

2.2.

Op 7 juli 2016 heeft Altius Horses B.V. met verlof van de voorzieningenrechter beslag tot afgifte op het paard gelegd en het paard in gerechtelijke bewaring genomen. Het paard bevindt zich thans op de paardenkliniek [naam 4] , waar het ook wordt getraind in opdracht van de bewaarder.

2.3.

In zijn vonnis van 11 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder andere de vorderingen van [eiseres] tot opheffing van het gelegde beslag en de bewaring afgewezen.

2.4.

In zijn brief van 14 juli 2016 aan mr Jansen schrijft mr Wensing: “In ieder geval bestaat er enerzijds geen enkel bezwaar tegen het uitvoeren van een veterinair onderzoek onder aanwezigheid van een door uw cliënte uitgekozen erkende paarden arts”.

2.5.

In zijn brief van 14 juli 2016 aan mr Wensing schrijft [naam 1] : “Hierbij deel ik u mede dat het paard [naam paard] wat bij mij in gerechtelijke bewaring staat optimaal wordt verzorgd. Het paard krijgt twee maal per dag de benodigde beweging. Dit alles onder veterinaire begeleiding. Naar aanleiding van eerdere kreupelheidsbevindingen is het niet wenselijk om het paard te onderwerpen aan een dressuurtraining voordat een uitgebreid kreupelheidsonderzoek heeft plaatsgehad. Het is juist dat het paard is gereden echter dit was geen training maar alleen het geven van beweging om het paard niet te belasten. Ik heb geen absolute boxrust voorgeschreven. Ik heb mevrouw Jansen dit ook uitdrukkelijk verteld. Verder is er geen enkel voornemen geweest om het paard te verhuizen. Ik heb iets over gehoord, maar dat waren berichten van anderen. U bent nooit bij het paard geweest en evenmin heeft u als waarnemer opgetreden. Aangezien wij van mevrouw [eiseres] tal van opdrachten en instructies kregen heb ik voorgesteld om het verdere communicatietraject door de advocaten te laten verlopen”.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - de vervanging van de bewaarder door [naam 2] , de veroordeling van Altius Horses B.V. te gehengen en gedogen dat het paard door een dierenarts in opdracht van [eiseres] wordt onderzocht en een verbod het paard bij een handelsstal te laten onderbrengen.

3.2.

Altius Horses B.V. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding moet uitsluitend de vraag worden beantwoord of de bij beschikking van de voorzieningenrechter van aangestelde bewaarder [naam 1] (hierna: de heer [naam 1] ) door de door [eiseres] voorgestelde bewaarder [naam 2] (hierna: de heer [naam 2] ) moet worden vervangen. Het beslag en de bewaring staan niet ter discussie. Vervanging zou aan de orde kunnen zijn als vast zou komen te staan dat het paard niet goed wordt verzorgd dan wel als de onpartijdigheid van de bewaarder in het geding zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat het paard niet goed wordt verzorgd. Niet aannemelijk is dat het paard in opdracht van mr Wensing absolute boxrust voorgeschreven heeft gekregen. Zulks is door de heer [naam 1] in zijn verklaring van 14 juli 2016 ook betwist. Dat de bewaarder niet steeds aanwezig is, is in dit geval geen argument om een andere bewaarder te benoem. De heer [naam 1] heeft zich door [naam 3] (hierna: de heer [naam 3] ) laten vervangen. De deskundigheid van de heer [naam 3] is door partijen niet betwist. Het paard is door de heer [naam 3] bij aankomst gekeurd, hetgeen, naar de voorzieningenrechter begrijpt, gebruikelijk is. Van een onrechtmatige keuring is dan ook geen sprake. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat van de zijde van de bewaarder met beide partijen is gecommuniceerd en beide partijen het paard hebben kunnen zien. Dat de heer [naam 1] de rechterhand is van mr Wensing heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt. Dat de heer [naam 1] partijdig is, is dan ook niet aannemelijk geworden. Omdat niet is komen vast te staan dat het paard niet goed wordt verzorgd en evenmin is komen vast te staan dat de heer [naam 1] partijdig is, zal de vordering tot vervanging van de heer [naam 1] door de heer [naam 2] worden afgewezen.

4.2.

De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiseres] de afgelopen vier jaar een bijzondere band met het paard heeft opgebouwd en het haar zeer heeft getroffen dat het paard plots uit zijn vertrouwde omgeving is weggehaald en zij thans het paard niet kan trainen, zij het paard overigens niet kan verzorgen en met het paard niet aan wedstrijden kan deelnemen. De voorzieningenrechter meent evenwel dat de bewaarder het paard op een goede manier zonder allerlei commotie van de zijde van partijen moet kunnen bewaren. Het is niet gewenst dat partijen de manege waar het paard staat bezoeken en rechtstreeks contact opnemen met de heer [naam 1] . Partijen dienen zich dan ook van bezoeken aan de manege waar het paard zich bevindt te onthouden en de heer [naam 1] niet anders dan via de advocaten te benaderen.

4.3.

Wat de voorzieningenrechter betreft is er geen reden waarom het paard thans door een door [eiseres] aan te wijzen dierenarts zou moeten worden onderzocht. Het paard bevindt zich immers in bewaring bij een terzake deskundige en er is geen enkele aanleiding voor enig onderzoek op dit moment. [eiseres] noemt ook geen grondslag voor haar vordering. Ook deze vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.4.

In zijn brief van 14 juli 2016 bevestigt de heer [naam 1] dat het paard niet zal worden verplaatst. Ook het door [eiseres] gevraagde verbod tot het verplaatsen van het paard, zal dan ook worden afgewezen.

4.5.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Altius Horses B.V. worden begroot op:

- griffierecht € 250,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.066,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Altius Horses B.V. tot op heden begroot op € 1.066,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2016.