Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3846

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
01/880192-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De ten tijde van het plegen van de feiten 17-jarige verdachte heeft zijn moeder, oma en zusje omgebracht. De rechtbank vindt drie keer moord bewezen en past het volwassenenstrafrecht toe (77b Sr.). Het jeugdstrafrecht is gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de problematiek van verdachte niet toereikend. Verdachte kan niet als volledig ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd ten tijde van het plegen van de feiten, maar wel als sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van het voorarrest op. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op, waarbij de Minister wordt geadviseerd voornoemde tbs-maatregel met ingang van 1 september 2017 te doen aanvangen. Verdachte moet de schade van € 10.505,-- aan de nabestaande(n) vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880192-15

Datum uitspraak: 20 juli 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: [detentieplaats]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek ter terechtzitting van 11 december 2015, 22 februari 2016, 11 mei 2016 en 6 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 november 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 6 juli 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 01 september 2015 te Veghel [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een halter(stang)/dumbell, in elk geval een zwaar en/of hard voorwerp, met kracht op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;

2. hij op of omstreeks 01 september 2015 te Veghel [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] met kracht bij de hals/keel/nek te pakken en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een halter(stang)/dumbell, in elk geval een zwaar en/of hard voorwerp, met kracht op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;

3. hij op of omstreeks 01 september 2015 te Veghel, [slachtoffer 3] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, bij die [slachtoffer 3] , met zijn hand(en) en/of duim(en), met kracht de keel dicht te knijpen en/of (aldus) te wurgen en/of haar te smoren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs1

Vaststaande feiten.

Op 1 september 2015 omstreeks 17.41 uur werd door [nabestaande 1] naar het alarmnummer 112 gebeld. Zij meldde huilend dat zij voor de woning van haar zus aan de [adres 1] stond en dat zij zich ernstige zorgen maakte, omdat zij haar zus al de hele dag niet kon bereiken en uit navraag bleek dat haar kinderen die dag niet op school waren geweest.2

Verbalisanten kwamen omstreeks 17.55 uur ter plaatse en betraden deze woning. In de woonkamer troffen zij twee personen aan, beiden liggend op de grond in een grote hoeveelheid bloed. Verbalisanten constateerden dat hulp voor deze personen niet meer kon baten.

Op de eerste verdieping troffen zij op de overloop een halter zonder gewichten aan die besmeurd was met bloed. In een slaapkamer zagen zij een jong meisje, liggend op haar rug. Gelet op de stand en de kleur van het lichaam was duidelijk dat zij was overleden.3

Uit de lijkschouw van de drie slachtoffers bleek dat zij vermoedelijk waren overleden in de ochtend van 1 september 2015.4

De drie stoffelijke overschotten zijn door [nabestaande 2] en [nabestaande 3] geïdentificeerd als zijnde hun moeder [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] , hun zus [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] , en hun nichtje [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] .5

De vorm van de in de woning aangetroffen bebloede halterstang met de borgmoeren paste bij de afdruk op het shirt van [slachtoffer 1] .6 Deze halterstang is veiliggesteld onder [naam halterstang] .7

Uit pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer 1] is gebleken dat er sprake was van diverse breuken aan de schedel, zowel aan het schedeldak als de schedelbasis. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld. De letsels hebben onder andere geleid tot bloeduitstorting onder de hersenvliezen, vochtophoping in de hersenen, hersenzwelling en herseninklemming, waardoor hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen kunnen zijn ontstaan met overlijden tot gevolg.

Aan de borstkas werden onderhuidse bloeduitstortingen en aan de rug oppervlakkige huidbeschadigingen vastgesteld. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld.

Door de patholoog is geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer 1] wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen, ontstaan als verwikkelingen van meervoudig ingewerkt heftig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op het hoofd zoals door meervoudig slaan met een hard en substantieel voorwerp kan zijn opgeleverd.8

Uit pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer 2] is gebleken dat er bij haar sprake was van schedelbreuken, bij leven ontstaan, die er op duiden dat de geweldsinwerking op het hoofd heftig is geweest. De geweldsinwerking op het hoofd heeft geleid tot ernstige traumatische hersenschade en herseninklemming waarmee het overlijden door hersenfunctiestoornissen wordt verklaard.

Verspreid over het lichaam werden onderhuidse bloeduitstortingen vastgesteld die bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch meervoudig stomp botsend en kantig geweld.

De patholoog heeft geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer 2] wordt verklaard door verwikkelingen ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch meervoudig heftig stomp botsend en kantig geweld op het hoofd.9

Uit een microsporenonderzoek aan de schedeldelen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de halterstang ( [naam halterstang 2] ) is gebleken dat er in de schedelletsels verchroomd staal is aangetroffen en dat er op de halterstang deeltjes zijn aangetroffen die bestaan uit calcium, fosfor en zuurstof, hetgeen qua elementsamenstelling overeenkomt met bot.10

Uit pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer 3] is gebleken dat er sprake was van huidletsels aan beide zijden in de hals als gevolg van bij leven opgelopen geweld op de hals. Deze kunnen bij wurghandelingen ontstaan. Er zijn bloeduitstortingen in zowel oppervlakkige als diepe halsspieren vastgesteld.

De patholoog heeft geconcludeerd dat [slachtoffer 3] als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals (verstikking) is overleden.11

Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf de zomer zelfmoordneigingen had. Hij werd op 1 september 2015 wakker met de gedachte dat hij die dag zelfmoord wilde plegen. Hij was bang dat zijn moeder, oma en zusje hem van dat plan zouden kunnen weerhouden. Verdachte besloot daarom om hen dood te maken. Hij heeft dit besloten tussen 7.00 en 8.00 uur. Het was de eerste keer dat hij deze gedachte had. Hij voelde zich een beetje gespannen vanwege het feit dat hij hen dood ging maken. Verdachte is zijn gezicht gaan wassen in de badkamer, waar vandaan hij constateerde dat zijn moeder naar beneden ging. Verdachte is toen meteen naar de slaapkamer van zijn moeder gegaan waar zijn zusje lag te slapen. Verdachte heeft zijn zusje vervolgens gewurgd door met beide handen haar keel dicht te knijpen. Hij deed dit “in stilte” omdat hij niet wilde dat zijn moeder en zijn oma - die beneden in de woning waren - dit zouden horen. Verdachte hoorde zijn zusje stikken en zag dat zij met haar voeten op het matras schopte. Op het moment dat de huid van zijn zusje paars kleurde en zij moeite had met ademen wist verdachte dat hij nu de kans had om zijn moeder te doden. Verdachte is toen naar zijn kamer gegaan en heeft een dumbell (halterstang, toevoeging rechtbank) gepakt en daarvan een soort hamer gemaakt. Hij heeft de klemmetjes van de dumbell verwijderd en de gewichten er afgehaald. Vervolgens heeft hij de klemmetjes aan één kant van de dumbell vastgemaakt. Verdachte deed dit omdat de dumbell dan meer bobbeltjes had en hij dacht dat dit meer schade zou aanrichten.

Verdachte is met de geprepareerde dumbell naar beneden gegaan en meteen op zijn moeder afgelopen. Hij heeft haar toen heel hard met de dumbell op haar achterhoofd geslagen, waardoor zij onmiddellijk op de grond viel. Zij bewoog niet meer.

Vervolgens wilde verdachte zijn oma aanvallen, maar zij hield haar handen boven haar hoofd waardoor het verdachte niet meteen lukte om haar te slaan. Ook greep zij de dumbell vast. Verdachte is met zijn oma in een hevig gevecht geraakt. Hij heeft haar met de dumbell hard op haar hoofd geslagen waardoor zij op de grond viel.

Verdachte is hierop teruggegaan naar zijn moeder. Zij lag met haar rug op de grond. Verdachte heeft haar op haar buik gedraaid en haar nog een aantal keer met de dumbell op haar hoofd geslagen. Hij wilde zeker weten dat zij dood was. Verdachte is ook nog terug gegaan naar zijn oma om haar nogmaals met de dumbell te slaan.

Daarna is verdachte teruggegaan naar de bovenverdieping om in de badkamer de dumbell onder de kraan af te spoelen. Verdachte deed dit omdat de dumbell inmiddels flink bebloed was, waardoor hij geen goede grip meer had. Verdachte is toen ook nog bij zijn zusje gaan kijken en hij zag haar nog op bed liggen. Verdachte is weer naar beneden gegaan en heeft zijn moeder en oma wederom meerdere malen hard geslagen met de dumbell. Tussendoor is verdachte weer naar de badkamer gegaan omdat hij de bloedspetters weg wilde wassen. Daarna is hij weer bij zijn zusje gaan kijken. Verdachte hoorde haar ademen. Hij heeft haar toen voor de tweede maal gewurgd. Later, toen hij zag dat zij nog bewoog en hoorde dat zij om haar moeder riep en de kamer uit wilde rennen, heeft hij haar voor de derde maal gewurgd door haar bij de keel te pakken en deze lang dicht te knijpen, net zolang tot hij moeite kreeg om met zijn duimen te knijpen. Toen verdachte zag dat zij bewusteloos werd en geen beweging meer maakte heeft hij nog een paar keer naar haar hart geluisterd om te horen of het nog klopte. Verdachte deed dit omdat hij er zeker van wilde zijn dat zij dood was. Hij merkte dat haar handen en voeten wit werden en koud aanvoelden. Verdachte dacht toen dat zij dood was.12

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouwe wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk zijn moeder [slachtoffer 1] , zijn oma [slachtoffer 2] en zijn zusje [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd.

De rechtbank baseert zich hierbij op hetgeen hierboven onder “vaststaande feiten” is vermeld, waaronder de sectierapporten van het NFI en de gedetailleerde verklaringen van verdachte, waarin hij bekent dat hij zijn moeder, zijn oma en zijn zusje heeft gedood en dat dit ook zijn intentie was.

Moord of doodslag?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met voorbedachten raad zijn moeder, oma en zusje van het leven heeft beroofd.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering, of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachten raad heeft gehandeld.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht de rechtbank in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Uit de verklaringen van verdachte en zijn elkaar opvolgende gedragingen blijkt dat verdachte een voorgenomen plan had om zijn moeder, zijn oma en zijn zusje om het leven te brengen.

Hij had dit - naar eigen zeggen ten overstaan van de politie - meteen besloten toen hij wakker werd. Verdachte is vervolgens opgestaan en heeft eerst zijn gezicht gewassen. Op het moment dat zijn moeder naar beneden ging is hij naar zijn zusje gegaan om haar te wurgen. Toen zij moeite had met ademen en haar huid paars kleurde, wist verdachte dat hij de kans had om zijn moeder te doden. Verdachte is hierop naar zijn kamer gegaan, heeft een dumbell gepakt en deze geprepareerd op de hiervoor omschreven wijze, omdat hij dacht dat deze zo “meer schade zou aanrichten”. Vervolgens is hij naar beneden gegaan en heeft hij zijn moeder en zijn oma meerdere malen hard met de geprepareerde dumbell op het hoofd geslagen. Verdachte heeft daarna het bloed van de dumbell afgewassen om een betere grip te krijgen en is teruggekeerd om zijn moeder en zijn oma nogmaals meerdere malen hard met de dumbell op het hoofd te slaan.

Zijn zusje heeft hij op drie verschillende momenten gewurgd, waarbij hij bij de laatste keer heeft gecontroleerd of zij nog een hartslag had.

De rechtbank concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden en af te zien van zijn voorgenomen plan, maar dat hij dit niet heeft gedaan. Verdachte is juist meerdere malen teruggekeerd bij de slachtoffers om de geweldshandelingen nogmaals toe te passen, omdat hij er naar eigen zeggen “zeker van wilde zijn dat zij dood zouden zijn”.

Aldus staat voor de rechtbank vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank constateert dat er geen contra-indicaties zijn die het aannemen van voorbedachten raad in de weg staan.

De rechtbank acht daarom de onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde moorden bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 1 september 2015 te Veghel [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] meermalen, met een halter(stang)/dumbell, met kracht op het hoofd en lichaam te slaan;

2. op 1 september 2015 te Veghel [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] met kracht bij de nek te pakken en vervolgens meermalen, met een halter(stang)/dumbell, met kracht op het hoofd en lichaam te slaan;

3. op 1 september 2015 te Veghel, [slachtoffer 3] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen, bij die [slachtoffer 3] , met zijn handen en/of duimen, met kracht de keel dicht te knijpen en aldus te wurgen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De raadsvrouwe heeft hiertoe aangevoerd dat de gedragsdeskundigen psychiater drs. A. Grochowska en de GZ-psycholoog drs. R. Haveman van Forensisch Centrum Teylingereind ter terechtzitting hebben aangegeven dat zij op basis van de door hen vastgestelde persoonlijkheidsstoornis weliswaar hebben geconcludeerd dat verdachte ten aanzien van zijn handelen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, maar dat zij niet geheel kunnen uitsluiten dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van zijn handelen op 1 september 2015.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Voornoemde gedragsdeskundigen hebben in hun klinisch multidisciplinair rapport van 9 februari 2016 geconcludeerd dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen. Ter terechtzitting hebben zij benadrukt dat deze conclusie recht doet aan hetgeen zij op basis van hun gedragsdeskundig onderzoek hebben vastgesteld.

Ter nadere onderbouwing hiervan hebben voornoemde gedragsdeskundigen ter terechtzitting aangegeven dat bij verdachte - ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen - sprake is geweest van enig besef, nu verdachte enkele bewuste en rationele keuzes heeft gemaakt.

De rechtbank ziet hiervan voorbeelden in het dossier en wijst daarbij op de weloverwogen handelingen van verdachte, zoals reeds beschreven, en het meerdere malen terugkeren naar de slachtoffers om er zeker van te zijn dat zij niet meer leefden. Daarnaast heeft verdachte onder meer verklaard dat hij, voordat hij zijn zusje voor de tweede keer wurgde, zijn gezicht heeft gewassen omdat er bloedvlekken op zijn gezicht zaten en zijn witte t-shirt met bloedvlekken in een mandje heeft gegooid waar normaal de was in gaat. Hij heeft verklaard dat hij na zijn handelingen door Veghel is gaan lopen en cola heeft gekocht, hetgeen door de politie is geverifieerd en klopt. Verdachte heeft de woning via de achterdeur verlaten omdat hij hoorde dat zijn tante voor de woning stond. Verdachte is ook bij de woning van zijn tante gaan kijken om na te gaan of zij “al iets door zou hebben” en is terug gelopen naar zijn woning waar hij allemaal politiemensen zag staan. Verdachte heeft toen gevraagd wat daar gebeurd was en naar eigen zeggen “zogenaamd gedaan alsof hij nergens iets van wist”.

Er zijn derhalve naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde geen enkele controle had over zijn handelen en dat zijn gedrag geheel werd bepaald door zijn hierna te melden persoonlijkheidsstoornis.

Om die reden zal de rechtbank verdachte niet als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwen. De rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het hierna nader te bespreken klinisch multidisciplinair rapport van oordeel dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

Er zijn aldus naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht het volwassenenstrafrecht toe te passen.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3 (3x moord):

-Een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

-Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft verzocht om een combinatie van jeugdstrafrecht en volwassenenstrafrecht toe te passen. De raadsvrouwe heeft hiertoe aangevoerd dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast ten aanzien van een aan verdachte op te leggen maatregel en dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast ten aanzien van een aan verdachte op te leggen straf.

De raadsvrouwe heeft - gelet op haar primaire standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging - verzocht om aan verdachte alleen de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen.

Subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf/jeugddetentie van korte duur op te leggen en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn moeder, zijn oma en zijn zusje.

Op gruwelijke en nietsontziende wijze heeft hij zijn moeder en zijn oma meerdere malen met een tot een zwaar slagwapen geprepareerde dumbell hard op het hoofd geslagen en zijn zusje tot driemaal toe gewurgd, ten gevolge waarvan zij zijn overleden.

De drie slachtoffers waren geheel machteloos tegen het explosieve geweld dat door hun (klein)zoon en broer op hen werd uitgeoefend. De laatste momenten in hun leven zullen verschrikkelijk zijn geweest.

Door de gedragingen van verdachte zijn drie naaste familieleden van hem nodeloos en op een afschuwwekkende manier uit het leven weggerukt.

Verdachte heeft met zijn handelen onherstelbaar leed en onmetelijk veel verdriet toegebracht aan de nabestaanden van de slachtoffers, zoals ook blijkt uit hetgeen door nabestaande [nabestaande 1] ter terechtzitting is verwoord. Het moet daarbij voor hen onverteerbaar zijn dat verdachte geen enkel gevoel van spijt zegt te hebben van zijn daden.

Deze feiten veroorzaken bovendien ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de personen die in de nabijheid van de slachtoffers leefden in het bijzonder. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of op verdachte het jeugd- of het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten 17 jaar oud.

In beginsel wordt ten aanzien van een 17-jarige dader het jeugdstrafrecht toegepast. Artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid het sanctiestelsel voor volwassenen toe te passen, mits aan ten minste één van de daar genoemde criteria wordt voldaan. De rechtbank constateert dat aan alle in dat artikel genoemde criteria is voldaan, te weten:

- de ernst van de begane feiten, te weten drie maal moord;

- de omstandigheden, waaronder deze feiten zijn begaan;

- de persoonlijkheid van verdachte, meer in het bijzonder de hierna vermelde persoonlijkheidsstoornis van verdachte en de behandelmogelijkheden die de deskundigen geïndiceerd achten. In het bijzonder is daarbij van belang de visie van de deskundigen dat er sprake is van een defect in de persoonlijkheid van betrokkene, waarbij volwassen behandelmogelijkheden beter aansluiten. In de visie van de deskundigen zijn de behandelmogelijkheden binnen de PIJ-maatregel ontoereikend, en overstijgen de problematiek van betrokkene en het risico het pedagogische karakter van de behandelingen die in jeugdinrichtingen worden aangeboden. De TBS behandelmodaliteiten sluiten beter aan bij de problematiek van betrokkene en de samenhang daarvan met het ten laste gelegde.

De rechtbank acht in deze zaak met deze verdachte het jeugdstrafrecht derhalve niet toereikend en zal aan artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht toepassing geven en de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing laten.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de wet geen mogelijkheid om een combinatie van

van volwassenstrafrecht en jeugdstrafrecht toe te passen, zoals de raadsvrouwe heeft voorgesteld.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat in het onderhavige geval (gedeeltelijke) toepassing van het jeugdstrafrecht op gespannen voet staat met het vereiste dat bij strafoplegging de zwaarte van de straf mede in verhouding moet staan tot de ernst van de feiten, nu bij de toepassing van het jeugdstrafrecht maximaal 24 maanden jeugddetentie kan worden opgelegd.

De bewezen verklaarde feiten dienen, gezien voormelde ernst en omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, vanuit het oogpunt van vergelding, te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van, na te noemen, aanmerkelijke langere duur.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat verdachte - zoals uit het hierna weergegeven advies en de conclusie van de gedragsdeskundigen volgt - ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of naast de op te leggen gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling dient te worden opgelegd.

De psychiater drs. A. Grochowska en de GZ-psycholoog drs. R. Haveman van Forensisch Centrum Teylingereind hebben in hun klinisch multidisciplinair rapport van 9 februari 2016 onder meer het volgende geconcludeerd en geadviseerd:

Het beeld dat uit het multidisciplinaire gedragskundig onderzoek naar voren komt is dat van een jongeman met ernstige comorbide problematiek. Deze wordt primair geclassificeerd als een autismespectrumstoornis in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis (niet anderszins omschreven), PDD-NOS. Secundair is sprake van een (niet specifieke) taal-spraakstoornis, die zich uit in een defect in de toepassing ofwel expressie van taal.

In meer beschrijvende termen wordt deze problematiek als volgt uiteengezet. De “theory of mind” oftewel het vermogen om zich in de gedachtewereld van anderen te verplaatsen is bij betrokkene beperkt. (…)

Daarnaast is sprake van een gebrekkige emotionele beleving en weinig tot geen empathische beleving jegens anderen.

Het gevoelsleven is bij betrokkene dermate verstoord dat hij nauwelijks contact heeft met zijn eigen emoties en deze dan ook nauwelijks beleeft. Ook die van anderen zijn voor hem zowel cognitief als emotioneel niet te begrijpen of in te voelen. (…)

De geconstateerde beperkingen zijn fors en versterken elkaar. Betrokkene is een jongeman met duidelijke sociale, cognitieve en emotionele beperkingen. Er is sprake van een rigide denkpatroon en een gebrek aan interesse in anderen. Betrokkene komt zeer vlak over in het contact en er is geen sprake van wederkerigheid. Feitelijk heeft hij, vanuit zijn beperkingen, een zeer egocentrische, in de zin van autistische, levenshouding. De morele ontwikkeling is dan ook niet geïnternaliseerd. Op dat gebied functioneert betrokkene op zeer laag niveau (peuterleeftijd). In bredere zin is sprake van forse oordeel- en kritiekstoornissen die als een uiting van de autismespectrumproblematiek moeten worden gezien. Met andere woorden zou gezegd kunnen worden dat hij bij problemen een autistische logica toepast. Deze is voor hem vanzelfsprekend, maar voor anderen moeilijk invoelbaar of te begrijpen.

(…)

Bovengenoemde emotionele- en gedragskenmerken worden geduid in het kader van

PDD-NOS en niet als trekken van psychopathie ofwel van een pathologische (antisociale/narcistische) persoonlijkheidsontwikkeling c.q. oppositioneel-opstandige gedragsstoornis.

(…)

In samenvattende zin kan gezegd worden dat betrokkene gezien zijn leeftijd te maken kreeg met nieuwe eisen aan zijn functioneren, hij ging nadenken over de toekomst en besloot dat deze weinig interessant was. Hij kwam hierdoor spreekwoordelijk gezien in een soort gedachtenfuik terecht waarbij zijn gedachten zich steeds verder gingen consolideren in de richting van zelfmoord. Zijn autistische gedachtegang met gebrek aan morele en empathische beleving heeft erin geresulteerd dat hij geen andere alternatieven zag dan zelfmoord plegen. Zijn familie zou hem hierbij mogelijk tegenhouden waardoor hij, wederom vanuit zijn psychische beperkingen, als beste oplossing het ombrengen van zijn familie zag.

De problematiek heeft verder doorgewerkt in het feit dat hij vanwege zijn gebrekkige emotionele beleving onvoldoende heeft ingevoeld dat zijn handelen ontoelaatbaar was. Hij was zich op cognitief niveau bewust van het ontoelaatbare van zijn gedrag, maar zijn ernstige emotionele beperkingen hebben ervoor gezorgd dat hij onvoldoende intrinsieke druk voelde om conform zijn cognitief besef te handelen. Zijn eigen belang was hierin groter, de autistische problematiek is in deze egocentrische keuze in sterke mate zichtbaar. Gezien al het bovenstaande wordt geadviseerd om betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen indien het ten laste gelegde wordt bewezen.

(…)

Vanuit de delictbespreking, het strafdossier en het diagnostisch beeld wordt een sterk verband tussen het ten laste gelegde en de stoornis gezien.

(…)

Het is niet ondenkbaar dat hij in de toekomst opnieuw in een situatie terechtkomt waar hij geweld als de oplossing voor zijn problemen ziet. Het gevaar is voornamelijk gelegen in het feit dat betrokkene geen interne rem of corrigerende gedachten heeft. Zijn autistische logica, gebrek aan empathie en gebrekkig moreel functioneren kunnen er opnieuw in resulteren dat hij een vorm van geweld als een legitieme oplossing ziet. Het ontbreken van gevoelens van schaamte, schuld of spijt ten aanzien van het huidige ten laste gelegde laat ook zien dat betrokkene hier zelfs achteraf gezien geen afstand van neemt.

(…)

Samenvattend kan ten aanzien van het recidiverisico gesteld worden dat betrokkene in zijn leven geen patroon van agressie heeft laten zien en dat onderzoekers het recidiverisico voornamelijk vanuit de mogelijke ernst van de recidive als hoog beschouwen. Met andere woorden: er is geen sprake van een hoge frequentie van agressie, maar eerder een (mogelijk kleine) kans op zeer ernstig agressief gedrag. Het algehele recidiverisico wordt dan ook als hoog beschouwd. Gezien het feit dat een behandeling vermoedelijk (zeer) lang zal duren en dat deze mogelijk in een langdurige vorm van begeleiding en toezicht zal moeten overgaan, is een behandelmaatregel noodzakelijk om het risico op recidive te verminderen. Onderzoekers realiseren zich dat betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde zeventien was. Vanuit het gedragskundig onderzoek is ook zichtbaar dat hij qua ontwikkelingsniveau lager dan zijn leeftijdgenoten functioneert. Onderzoekers merken echter op dat de problematiek van dien aard is dat betrokkene qua ontwikkelingsniveau zal achterblijven.

De prognose is ongunstig. Vanuit de klinische indruk schatten onderzoekers in dat betrokkene voor een langere periode zal zijn aangewezen op zorg en toezicht om het recidiverisico te verlagen. Het valt in de huidige situatie lastig te voorspellen of hij op deelgebieden verbetering kan laten zien. (…)

De werkwijze zoals deze binnen de volwassen TBS setting wordt gehanteerd is hiervoor het meest aangewezen. Er is sprake van een defect in betrokkenes persoonlijkheid waarbij volwassen behandelmodaliteiten beter aansluiten. De behandelmogelijkheden binnen de PIJ-maatregel zijn ontoereikend. De problematiek en het risico overstijgen het pedagogische karakter van de behandelingen die in jeugdinrichtingen worden aangeboden. De TBS behandelmodaliteiten sluiten beter aan bij de aard van de problematiek en de samenhang daarvan met het ten laste gelegde, indien bewezen. Tenuitvoerlegging van een PIJ-maatregel in de TBS is overwogen. Alles overziend zijn onderzoekers echter van mening dat de TBS-maatregel beter aansluit op de ernst van de geconstateerde problematiek en de verwachte behandelduur.

Geadviseerd wordt om gezien al het bovenstaande aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.”

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over. Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De hierna te kwalificeren feiten betreffen misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het ernstige misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

Advies omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen.

Overeenkomstig artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht adviseert de rechtbank de Minister uitdrukkelijk de behandeling van de verdachte te laten aanvangen op het moment dat er twee jaren van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf zijn verstreken. Meer specifiek adviseert de rechtbank de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van 1 september 2017 te doen aanvangen.

Aan dit advies liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

De verdachte was 17 jaar oud ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en er is bij hem sprake van een zeer ernstige stoornis. Gelet op zijn leeftijd en de rol die zijn stoornis heeft gepleegd bij het plegen van de delicten, dient er naast de te ondergane straf tevens substantiële aandacht te zijn voor behandeling van die stoornis. De hiervoor genoemde gedragsdeskundigen hebben ter terechtzitting het belang van een zo spoedig mogelijke aanvang van de behandeling van de verdachte beklemtoond. Zij hebben daartoe onder meer opgeworpen dat er bij verdachte sprake is van zeer ernstige pathologie, waarbij hij aangewezen zal zijn op een (zeer) langdurig behandeltraject dat hem binnen het kader van de terbeschikkingstelling kan worden geboden.

Daarnaast is van groot belang dat de samenleving erbij gebaat is dat jegens de verdachte, in het geval hij weer op vrije voeten komt, al het mogelijke is gedaan om het gevaar van herhaling van gewelddadige gedragingen te voorkomen.

De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend die aanvankelijk € 11.305,- bedroeg.

(te weten: post uitvaartkosten ad € 9.000,- en post reiskosten, te weten: vliegticket voor [nabestaande 1] , [nabestaande 4] en [nabestaande 5] ad € 860,-, vliegticket voor [nabestaande 6] ad € 400,-, vliegticket voor [nabestaande 9] ad € 400,- en vliegticket voor [nabestaande 7] , [nabestaande 8] en [nabestaande 1] ad € 645,-).

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de benadeelde partij de vordering verminderd met een bedrag van € 800,- (betreffende post: vliegticket [nabestaande 6] en vliegticket [nabestaande 9]) zodat thans een vordering ter hoogte van € 10.505,- resteert.

De raadsman van de benadeelde partij heeft verzocht de reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2015 en de uitvaartkosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2015.

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de raadsvrouwe hebben verzocht om de vordering geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, de reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2015 en de uitvaartkosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2015.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, de reiskosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2015 tot de dag der algehele voldoening en de uitvaartkosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2015 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, de reiskosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2015 tot de dag der algehele voldoening en de uitvaartkosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 57, 77b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: moord. T.a.v. feit 2: moord. T.a.v. feit 3: moord. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3: Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3: Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Adviseert de Minister dringend de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van 1 september 2017 te doen aanvangen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3: Maatregel van schadevergoeding van € 10.505,- subsidiair 87 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [nabestaande 2] van een bedrag van € 10.505,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 87 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post uitvaartkosten ad € 9.000,- en reiskosten ad € 1.505,-).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

De reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2015 tot de dag der algehele voldoening en de uitvaartkosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [nabestaande 2] , van een bedrag van € 10.505,-, te weten materiële schadevergoeding (post uitvaartkosten ad € 9.000,- en reiskosten ad € 1.505,-).

De reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2015 tot de dag der algehele voldoening en de uitvaartkosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. E. Boersma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 20 juli 2016.

Mr. van Gameren is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd 15022016.1050.6041 (onderzoek TGO Hobo).

2 Proces-verbaal bevindingen transcriptie melding verdachte situatie aan meldkamer politie, delictproces-verbaal C.1., proces-verbaal pag. 73-74.

3 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 7 september 2015, delictproces-verbaal C.1., proces-verbaal pag. 82-84.

4 Proces-verbaal sporenonderzoek op 1 en 2 september 2015 d.d. 28 oktober 2015, delictproces-verbaal C.1., proces-verbaal pag. 833.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2015, delictproces-verbaal C.1., proces-verbaal pag. 169.

6 Proces-verbaal sporenonderzoek op 1 en 2 september 2015 d.d. 28 oktober 2015, delictproces-verbaal C.1., proces-verbaal pag. 833.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek op 1 en 2 september 2015 d.d. 28 oktober 2015, delictproces-verbaal C.1., proces-verbaal pag. 835.

8 NFI-rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 7 december 2015.

9 NFI-rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 29 januari 2016.

10 NFI-rapport “Microsporenonderzoek aan schedeldelen naar aanleiding van het aantreffen van drie stoffelijke overschotten in Veghel op 1 september 2015” d.d. 19 februari 2016.

11 NFI-rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 23 december 2015.

12 Verklaring van verdachte afgelegd bij de politie d.d. 2 september 2015, persoonsdossier B.1., proces-verbaal pag. 37-43 en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 juli 2016.