Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3730

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-07-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
15 _ 6766
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015 – hulp bij het huishouden – beleidsregels – normtijden – boodschappendienst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6766

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.A.M. van Vlerken),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo, verweerder

(gemachtigden: G.J. van den Elsen-Robbertsen en A. Minten).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres in aanmerking gebracht voor ondersteuning bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) over de periode van 5 februari 2015 tot en met 18 februari 2015 gedurende 8 uur en 15 minuten per week in de vorm van zorg in natura. Deze ondersteuning wordt over de periode van 19 februari 2015 tot en met 31 maart 2015 verlaagd naar 4 uur en 35 minuten voor zwaar en licht huishoudelijk werk inclusief kamers opruimen, verzorging van kleding en linnengoed en voor het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Over de periode van 1 april 2015 tot en met 31 maart 2017 wordt de ondersteuning - vanwege het vervallen van de ondersteuning voor het doen van boodschappen - verlaagd naar 3 uur en 35 minuten.

Bij besluit van 27 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Eiseres noch haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt bij de beoordeling van het beroep de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Geïndiceerde zorg tot en met 18 februari 2015

2. Bij besluit van 6 februari 2014 heeft verweerder de huishoudelijke hulp die eiseres ontving in natura ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), luidend tot 1 januari 2015, verlengd voor de periode van 2 februari 2014 tot en met 18 februari 2015. Eiseres is daarbij geïndiceerd voor 3 uur en 15 minuten hulp bij het huishouden per week. Haar inwonende dochter [dochter] kon daarnaast wekelijks 2 uur zwaar huishoudelijk werk en 3 uur licht huishoudelijk werk verrichten. Hierdoor had eiseres wekelijks recht op maximaal 1 uur voor het zwaar huishoudelijk werk en 2 uur en 15 minuten voor het licht huishoudelijk werk, met inbegrip van het bereiden van de warme maaltijden.

3. Bij beslissing op bezwaar van 24 april 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 november 2014 heeft verweerder het bestreden besluit herzien omdat [dochter] tijdelijk in detentie zat. Tot en met 4 februari 2015 is eiseres geïndiceerd voor 8 uur en 15 minuten huishoudelijke hulp. Van 5 februari 2015 tot en met 18 februari 2015 heeft eiseres weer recht op 3 uur en 15 minuten hulp bij het huishouden. Blijkens een mailbericht van 4 februari 2015 (gedingstuk 16) heeft verweerder besloten over laatstgenoemde periode ook 8 uur en 15 minuten toe te kennen.

4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 maart 2015 in de procedure met zaaknummer AWB 14/1929 het besluit van 24 april 2014 vernietigd omdat verweerder niet zonder nader medisch advies heeft kunnen vasthouden aan de conclusie dat [dochter] ten behoeve van eiseres wekelijks 2 uur zwaar huishoudelijk werk en 3 uur licht huishoudelijk werk, inclusief het koken, kon verrichten. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Bij besluit van 7 april 2015 heeft verweerder het bezwaarschrift tegen het besluit van 6 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, omdat inmiddels gebleken was dat [dochter] niet meer thuis woonde en het er niet op leek dat zij dat op korte termijn weer wel zou gaan doen. Tegen het besluit van 7 april 2015 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Gezien het besluit van 7 april 2015, gelezen in samenhang met het mailbericht van 4 februari 2015, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat eiseres voor de periode tot en met 18 februari 2015 geïndiceerd was voor 3 uur zwaar huishoudelijk werk en 5 uur en 15 minuten licht huishoudelijk werk, waarbij het bereiden van de warme maaltijden inbegrepen was.

Geïndiceerde zorg vanaf 19 februari 2015

5. Eiseres heeft verzocht om verlenging van de indicatie. Op 4 februari 2015 is eiseres ten kantore van verweerder gehoord. Bij het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in staat is tot zwaar en licht huishoudelijk werk en kamers opruimen, verzorging kleding/linnengoed en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Voor het doen van boodschappen wordt geen ondersteuning toegekend omdat boodschappendiensten als voorliggende voorziening worden aangemerkt. Rekening houdend met de gewijzigde normtijden is aan eiseres voor de overige werkzaamheden na een afbouwperiode 3 uur en 35 minuten toegekend.

6. Naar aanleiding van het bezwaar heeft Treve Advies op verzoek van verweerder onderzoek gedaan. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 juni 2015. In het rapport is geconcludeerd dat eiseres beperkingen heeft ten gevolge van een neurologische/orthopedische aandoening, een urologische aandoening, een luchtwegaandoening en huisstofmijtallergie.

7. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres blijkens het medisch advies geen zwaar werk kan verrichten, maar wel deels licht werk en deels de was kan doen. Aan eiseres zijn de door verweerder gehanteerde maximale normtijden toegekend. Er is rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden doordat – ondanks dat alle elementaire woonfuncties zich op de begane grond van de woning van eiseres bevinden – toch rekening is gehouden met het gebruik van een slaapkamer boven. Ook is rekening gehouden met haar urologische aandoening en heeft eiseres de tijd gekregen om een voorliggende voorziening te regelen voor het doen van boodschappen. De gewijzigde normtijden zijn tot stand gekomen in overleg met de zorgaanbieders. Die hebben aangegeven de essentiële hygiëne te kunnen waarborgen met de nieuwe normtijden.

Beoordeling van het beroep

8. Naar vaste rechtspraak loopt de beoordelingsperiode in zaken als de onderhavige in beginsel van de datum van de aanvraag tot de beslissing op bezwaar, in deze zaak dus van 16 februari 2015 tot en met 27 oktober 2015 (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4559).

9. Eiseres stelt in beroep dat zij onvoldoende beperkt is geacht. In bezwaar is aangevoerd dat het reiken, boven schouderhoogte werken, het grijpen en schrijven lang niet altijd mogelijk is, dat onvoldoende rekening is gehouden met haar rolstoelsituatie en met het feit dat zij geregeld (tijdelijk) verlamd is. Ze kan het hoofd en de heup niet goed buigen en draaien. Treve Advies heeft ook niet onderkend dat haar uithoudingsvermogen beperkt is. Eiseres kan niet koken of de afwas doen wanneer zij bedlegerig is en dat kan zij evenmin wanneer zij in haar rolstoel zit omdat het aanrecht te hoog is. Verweerder had deze gronden moeten voorleggen aan een medisch deskundige en niet van eiseres een tegenexpertise mogen verlangen. Eiseres verzoekt de rechtbank een onderzoek door een onafhankelijk deskundige te gelasten.

10. Verweerder heeft ter onderbouwing van het bestreden besluit verwezen naar het advies van zijn Commissie voor Bezwaarschriften van 20 oktober 2015. De Commissie heeft vastgesteld dat er in het primaire besluit van is uitgegaan dat eiseres in het geheel niet in staat is tot licht of zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging. In het naar aanleiding van het bezwaar uitgebrachte medisch advies door Treve Advies is geconcludeerd dat eiseres gedeeltelijk wel in staat zou zijn tot licht huishoudelijk werk en wasverzorging, hetgeen zou moeten leiden tot een lagere indicatie dan in het primaire besluit is toegekend. De Commissie acht het in strijd met het verbod van reformatio in peius om bij de beslissing op bezwaar uit te gaan van een mindere beperking dan in het primaire besluit is gedaan. Naar ter zitting is bevestigd is daarom in de beslissing op bezwaar uitgegaan van dezelfde beperkingen als in het primaire besluit. Niet in geschil is dat die laatste dezelfde beperkingen zijn als waarvan in het besluit van 6 februari 2014 is uitgegaan. In het aanvraagformulier van 16 februari 2015 (gedingstuk 14) heeft eiseres zelf aangegeven dat sinds de vorige toekenning geen wijziging in de medische situatie en haar beperkingen heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft tenslotte in bezwaar of beroep niet gesteld dat haar medische situatie of haar beperkingen ten opzichte van 6 februari 2014 zijn gewijzigd. Deze grief van eiseres slaagt dus niet.

11. De grieven dat verweerder bij zijn beoordeling niet van de juiste beperkingen is uitgegaan en zich niet heeft mogen baseren op het medisch advies van Treve Advies behoeven om deze reden geen bespreking. Dit betekent tevens dat de rechtbank geen aanleiding ziet om een onafhankelijk deskundige in te schakelen ten behoeve van nader (medisch) onderzoek.

12. De grief dat verweerder eiseres ten onrechte in staat acht tot maaltijdbereiding slaagt wel. Verweerder is er blijkens het hiervoor overwogene in het primaire en het bestreden besluit van uitgegaan dat de medische toestand en de beperkingen van eiseres niet gewijzigd zijn ten opzichte van de beperkingen die bij het besluit van 6 februari 2014 tot uitgangspunt zijn genomen. Daarmee valt niet te rijmen dat eiseres voorheen niet, maar in de periode in geding wel in staat kon worden geacht tot maaltijdbereiding.

13. Ook de grief dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat er diverse supermarkten zijn in de gemeente die boodschappen bezorgen, en dat eiseres ook gebruik kan maken van vrijwilligers, slaagt. Verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dommelvallei+ 2015 'De verordening in uitvoering' (hierna: de Beleidsregels). Volgens vaste jurisprudentie (zoals de uitspraak van de CRvB van 16 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2205) is het uitgangspunt dat een boodschappendienst een algemeen gebruikelijke voorziening is die aan het verstrekken van voorzieningen voor het doen van boodschappen in de weg staat, niet in strijd met de Wmo, mits deze boodschappendienst daadwerkelijk beschikbaar is, door de aanvrager financieel kan worden gedragen en adequate compensatie biedt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze uitspraak onder de Wmo 2015 geen gelding meer zou hebben. Het ligt aldus op de weg van verweerder te onderzoeken of ook in het geval van eiseres aan deze voorwaarden wordt voldaan. In de Beleidsregels is een dergelijke onderbouwing niet te vinden, nu daarin slechts wordt aangegeven:

“…dat algemene voorzieningen (…) commerciële diensten (marktvoorziening) [kunnen] zijn zoals een boodschappenbezorgdienst van een supermarkt.”

Ook in het primaire en bestreden besluit wordt de beschikbaarheid van een boodschappendienst niet concreet gemaakt en blijft onbesproken of deze door eiseres financieel kan worden gedragen en of deze haar adequate compensatie biedt. Verweerder heeft daarom met de enkele verwijzing naar de Beleidsregels niet genoegzaam onderbouwd dat sprake is van een algemene voorziening die zich kwalificeert als voldoende compensatie van de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid van eiseres. Het bestreden besluit is dus in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een dragende motivering.

14. Eiseres stelt dat een goede onderbouwing ontbreekt voor de normtijden voor licht en zwaar huishoudelijk werk die verweerder heeft toegepast.

15. Verweerder stelt dat de Beleidsregels voorzien in een standaard indicatieve tijdsnormering. Als er reden is om af te wijken van deze normeringen kan dat, mits rekening wordt gehouden met de factoren voor minder of meer hulp en mits onderbouwd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat verweerder tot 1 januari 2014 is uitgegaan van de door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in het Protocol huishoudelijke verzorging voor de indicatiestelling AWBZ (Protocol) vastgestelde normtijden. Omdat die normtijden ruimhartig waren heeft verweerder met ingang van 1 januari 2014 lagere normtijden vastgesteld, op aangeven van verweerders consulenten die ruime ervaring hebben met indicatiestelling, en op basis van signalen van cliënten, die zeiden dat ze meer dan genoeg hulp kregen. Verweerder heeft de thans in de Beleidsregels opgenomen normtijden vastgesteld na overleg met zorgaanbieders. Deze zijn er niet bij gebaat als de normtijden te laag zijn, zodat er niet van hoeft te worden uitgegaan dat de thans geldende normtijden te laag zijn vastgesteld.

16. De rechtbank overweegt dat de CRvB in zijn uitspraken van 11 november 2015, ECLI: NL:CRVB:2015:4262, en 27 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:430, heeft geoordeeld dat beleidsregels, gelet op de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, op objectieve criteria dienen te berusten, en dat die criteria moeten worden vastgesteld aan de hand van deugdelijk onderzoek. In die uitspraken is geoordeeld dat overleg met gecontracteerde zorgaanbieders en cliëntenraden daartoe niet toereikend is. Dat deze uitspraken zijn gedaan onder de werking van de Wmo, maakt niet dat het onder de Wmo 2015 te voeren beleid niet op objectief, door onafhankelijke - dat wil zeggen geen belang bij de uitkomst hebbende - derden te verrichten onderzoek zou moeten berusten.

17. De rechtbank stelt vast dat de in de Beleidsregels neergelegde, en van het Protocol afwijkende, normtijden niet berusten op objectieve criteria, steunend op deugdelijk onderzoek. Verweerder heeft zich ter onderbouwing van het bestreden besluit dus niet kunnen baseren op de Beleidsregels. Daaraan doet niet af dat verweerder in het geval van eiseres de in de Beleidsregels aangegeven maximale normtijden heeft toegekend. Immers, het geïndiceerde aantal uren bedraagt 4 uur en 35 minuten met, en 3 uur en 35 minuten zonder de ondersteuning voor het doen van boodschappen. Bij het ontbreken van een objectieve onderbouwing voor de gehanteerde normtijden zoals hiervoor bedoeld, ontbreekt een rechtvaardiging voor het verschil tussen 4 uur en 35 minuten dan wel 3 uur en 35 minuten en 8 uur en 15 minuten, zoals voorheen geïndiceerd. Ook in zoverre is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een dragende motivering. Ook deze grief slaagt.

18. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, rechtsoverweging 5.7.4, zal de rechtbank bepalen dat eiseres in aanmerking wordt gebracht voor ondersteuning bij het huishouden gedurende 8 uur en 15 minuten per week in de vorm van zorg in natura ten behoeve van zwaar en licht huishoudelijk werk inclusief kamers opruimen en het bereiden van de warme maaltijden, verzorging van kleding en linnengoed en voor het doen van boodschappen voor het dagelijks leven, een en ander voor de periode vanaf de datum van verzending van deze uitspraak tot en met 31 maart 2017.

19. Aanleiding bestaat verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

20. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat eiseres voor de periode vanaf de datum van verzending van deze uitspraak tot en met 31 maart 2017 in aanmerking wordt gebracht voor ondersteuning bij het huishouden gedurende 8 uur en 15 minuten per week in de vorm van zorg in natura ten behoeve van zwaar en licht huishoudelijk werk inclusief kamers opruimen en het bereiden van de warme maaltijden, verzorging van kleding en linnengoed en voor het doen van boodschappen voor het dagelijks leven;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder eiseres het in beroep betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. P.A. Buijs en mr. M. van 't Klooster, leden, in aanwezigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.