Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3644

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
5043054
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Art. 7:673d BW en 24 Ontslagregeling. Verzoek tot betaling restant transitievergoeding toegewezen. Wg heeft ten onrechte Overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers toegepast.

Wg heeft, na verkrijging van toestemming van het UWV en na de verklaring van het UWV dat wg niet in aanmerking komt voor de Overbruggingsregeling, de arbeidsovereenkomst met wn opgezegd tegen een langere opzegtermijn. Wg heeft wn niet laten weten dat hij, met wijziging van de referentieperiode voortkomend uit de langere opzegtermijn, alsnog in aanmerking wilde komen voor de Overbruggingsregeling. Naast goed wg-schap volgt ook uit een redelijke uitleg van de regelgeving dat wg niet in aanmerking komt voor de Overbruggingsregeling. De aanvraag ontslagvergunning UWV en de aanvraag om afgifte van een verklaring dat wg een beroep kan doen op de Overbruggingsregeling dienen in samenhang te worden bezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2024
AR-Updates.nl 2016-0764
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 5043054

EJ verz. : 16-275

Uitspraak : 8 juli 2016

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. T.H. Poot,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ferro Informatie Systemen B.V.,

gevestigd te Oss,

verweerster,

gemachtigde: mr. F.P.J. Schraa.

Partijen zullen in het vervolg worden aangeduid als “ [verzoekster] ” en “FIS”.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. De hoogte van de transitievergoeding vast te stellen op het bedrag van € 6.338,-- bruto;

2. FIS te veroordelen tot betaling van het restant van de transitievergoeding ter hoogte van
€ 5.686,-- bruto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening, onder overlegging van een correcte bruto/netto-specificatie;

3. FIS te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van
€ 659,30 conform de staffel BIK vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van dit bedrag tot aan de dag der voldoening;

4. FIS te veroordelen in de kosten van deze procedure.

1.2.

Het verzoekschrift, met producties, is op 29 april 2016 ter griffie ontvangen.
FIS heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 16 juni 2016 per telefax nog aanvullende stukken toegezonden ten behoeve van de mondelinge behandeling.

1.3.

Op 17 juni 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigde van [verzoekster] heeft haar standpunten toegelicht aan de hand van aantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting. Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten
2.1. [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is vanaf 1 april 1997 tot 1 februari 2016 in dienst geweest bij FIS in de functie van medewerkster DTP, tegen een bruto salaris van laatstelijk
€ 780,--, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.2.

FIS heeft op 10 juli 2015 voor (onder meer) [verzoekster] een ontslagvergunning aangevraagd vanwege bedrijfseconomische redenen. Daarbij heeft FIS zich beroepen op de Overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers (hierna Overbruggingsregeling) en heeft zij op basis van artikel 8 van de Ontslagregeling een daartoe strekkende verklaring aangevraagd.

2.3.

Bij beschikking van 11 augustus 2015 heeft het UWV de gevraagde toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, verleend. Tevens heeft het UWV verklaard dat FIS niet aan alle voorwaarden voldoet voor de Overbruggingsregeling. Aangezien FIS in 2012 een positief nettoresultaat heeft behaald, heeft FIS geen negatief nettoresultaat over de drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst van de werknemers eindigt of niet wordt voortgezet.

2.4.

Per brief van 31 augustus 2015 heeft FIS de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd met ingang van 1 februari 2016, derhalve tegen een langere opzegtermijn.

2.5.

Aan [verzoekster] is door FIS met toepassing van de Overbruggingsregeling slechts een deel van de transitievergoeding betaald, namelijk een bedrag van ter hoogte van € 702,00 bruto.

2.6.

Bij brief van 10 maart 2016 is namens FIS aan [verzoekster] uitgelegd dat bij de berekening van de transitievergoeding rekening is gehouden met de Overbruggingsregeling en dat als referteperiode de jaren 2013, 2014 en 2015 als uitgangspunt zijn genomen.

Per e-mail van 21 maart 2016 verzoekt [verzoekster] aan FIS om haar de volledige transitievergoeding te voldoen, onder verwijzing naar de afwijzing van het UWV om aan FIS een verklaring Overbruggingsregeling transitievergoeding te verstrekken.

FIS is hiertoe niet overgegaan.

3 Het verzoekschrift en het verweerschrift

3.1.

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat FIS ten onrechte de Overbruggingsregeling heeft toegepast. Uit de wet en de Ontslagregeling van het UWV volgt dat er voor toepassing van deze regeling aan meerdere eisen moet worden voldaan. Of aan deze eisen wordt voldaan, wordt redelijkerwijs niet door een werkgever bepaald. Dit wordt getoetst door het UWV. Het UWV heeft expliciet te kennen gegeven dat de Overbruggingsregeling niet van toepassing is op FIS. Aldus stelt FIS ten onrechte dat de Overbruggingsregeling wel van toepassing is en heeft zij een te laag bedrag aan transitievergoeding aan [verzoekster] voldaan.

3.2.

FIS voert als verweer tegen het verzoek van [verzoekster] aan dat, uitgaande van de in artikel 24 lid 2 van de Ontslagregeling geformuleerde voorwaarden, waarbij voor wat betreft de toetsing van die voorwaarden moet worden gekeken naar de boekjaren 2013, 2014 en 2015 omdat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] is geëindigd per 1 februari 2016, zij voldoet aan die voorwaarden en aldus in aanmerking komt voor de Overbruggingsregeling.

Daarbij heeft FIS aangevoerd dat de afwijzing van het UWV van de gevraagde verklaring tot toepassing van de Overbruggingsregeling, geen beschikking betreft in de zin van de Awb maar slechts een niet op rechtsgevolg gerichte verklaring en zodoende geen constitutief vereiste is voor de toepassing van artikel 7:673d BW en artikel 24 van de Ontslagregeling.
Subsidiair beroept FIS zich erop dat ten onrechte door het UWV is geconcludeerd dat 2012 voor FIS tot een positief netto resultaat heeft geleid, nu ook 2012 met in achtneming van het bepaalde in artikel 12a lid 1 Wet Loonbelasting (LB) in feite een negatief resultaat heeft opgeleverd. Wegens de slechte financiële situatie heeft de directeur van FIS zijn salaris met toestemming van de belastingdienst immers op een zodanig laag bedrag vastgesteld dat van een gebruikelijke vergoeding niet kan worden gesproken, dit om ten behoeve van de bank het verlies te beperken.

4 De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van de nagezonden stukken waar FIS ter onderbouwing van haar standpunt (zowel voorafgaand aan als in deze procedure) naar verwezen heeft, heeft [verzoekster] verzocht deze stukken niet in ontvangst te nemen nu deze te laat zijn ingebracht.
Aangezien deze stukken, behalve de concept jaarrekening van 2015, reeds in de UWV ontslagprocedure zijn ingebracht, zal de kantonrechter deze, voor zover relevant, bij zijn beoordeling betrekken. [verzoekster] was hiermee immers bekend. De concept jaarrekening 2015 zal de kantonrechter wel buiten beschouwing laten.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat [verzoekster] het verzoek tijdig heeft ingediend, nu het is ontvangen binnen drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd.

4.3.

Partijen twisten over de hoogte van de door FIS aan [verzoekster] te betalen transitievergoeding.

4.4.

In artikel 6:673d BW is, kort gezegd, voorzien in een overbruggingsregeling voor kleine werkgevers als het gaat om de verschuldigde transitievergoeding. Werkgevers met minder dan 25 werknemers mogen bij de berekening van de verschuldigde transitievergoeding uitgaan van de duur van het dienstverband te rekenen vanaf 1 mei 2013 als het ontslag is ingegeven door de slechte financiële situatie waarin de werkgever verkeert.

4.5.

In de Ontslagregeling is in artikel 24, tweede lid, geregeld onder welke cumulatieve voorwaarden artikel 673d BW van toepassing is, te weten:
a. het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over de drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet is kleiner geweest dan nul;
b. de waarde van het eigen vermogen van de onderneming van de werkgever, als bedoeld in het Besluit modellen jaarrekening, was negatief aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet; en
c. binnen de onderneming van de werkgever aan het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, is de waarde van de vlottende activa kleiner dan de schulden met een resterende looptijd van ten hoogste een jaar.
In de toelichting bij artikel 24 Ontslagregeling is voorts het volgende vermeld:
“Het is aan de werkgever die gebruik maakt van de mogelijkheid om een lagere transitie-vergoeding te betalen om aan te tonen dat aan deze voorwaarden voldaan is. In de eerste plaats (onderdeel a) moet worden aangetoond dat over de drie voorafgaande boekjaren het netto resultaat van de onderneming van de werkgever kleiner is geweest dan nul. Het gaat dan om de boekjaren gelegen voor het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de enkelvoudige jaarrekeningen over de afgelopen drie boekjaren en de winst- en verliesrekening.”(…)”In de tweede plaats dient binnen de onderneming van de werkgever sprake te zijn van een negatief eigen vermogen (onderdeel b), dat wil zeggen dat de waarde van de activa van de onderneming kleiner zijn dan de waarde van de passiva van de onderneming. Het gaat daarbij om het eigen vermogen dat is vastgesteld conform de regels die daaromtrent worden gesteld in het Besluit modellen jaarrekening. Ten slotte moeten de vlottende activa binnen de onderneming van de werkgever per het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, kleiner zijn dan de kortlopende schulden (onderdeel c). Naar bedrijfseconomische maatstaven is van een dergelijke slechte liquiditeitspositie sprake als de zogenoemde current ratio minder dan 1 is.”

4.6.

FIS stelt primair dat zij voldoet aan de bepalingen in artikel 7:673d BW, juncto artikel 24 van de Ontslagregeling om in aanmerking te komen voor de Overbruggingsregeling, omdat voor wat betreft de toetsing van die voorwaarden moet worden gekeken naar de boekjaren 2013, 2014 en 2015 omdat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] is geëindigd per
1 februari 2016.

4.7.

Vaststaat dat FIS op 10 juli 2015 reden zag om voor [verzoekster] een ontslagvergunning aan te vragen vanwege bedrijfseconomische redenen en dat FIS, na verkrijging van toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] reeds in 2015 had kunnen opzeggen, gelet op de wettelijke opzegtermijn.
FIS is daartoe niet overgegaan vanwege de drukke periode in de maanden november 2015 tot en met januari 2016. Daarnaast heeft FIS een afwijzende verklaring van het UWV ontvangen ter zake van het beroep op de Overbruggingsregeling en heeft zij [verzoekster] nimmer laten weten het niet eens te zijn met deze verklaring. Evenmin heeft FIS [verzoekster] laten weten dat zij, met wijziging van de referentieperiode voortkomend uit een langere opzegtermijn, alsnog in aanmerking wilde komen voor de Overbruggingsregeling. Welbeschouwd heeft FIS [verzoekster] met haar handelwijze op het verkeerde been gezet.
Goed werkgeverschap brengt met zich mee dat werknemers wat betreft de toekenning van een transitievergoeding en de hoogte hiervan goed geïnformeerd worden en niet later de rekening gepresenteerd krijgen. Het gevolg voor [verzoekster] is evident: Weliswaar is door FIS haar loon doorbetaald, maar de aan haar in 2016 uitgekeerde transitievergoeding is, uitgaande van de overgelegde jaarstukken, significant lager dan de transitievergoeding waarop [verzoekster] in 2015 aanspraak had kunnen maken en het loon dat zij in januari 2016 heeft verdiend.

4.8.

Naast goed werkgeverschap volgt naar het oordeel van de kantonrechter ook uit een redelijke uitleg van de regelgeving dat FIS niet in aanmerking komt voor de Overbruggingsregeling. FIS heeft op 10 juli 2015 een ontslagvergunning aangevraagd, waarbij zij zich heeft beroepen op de Overbruggingsregeling en op basis van artikel 8 van de Ontslagregeling een daartoe strekkende verklaring heeft aangevraagd. Hiermee heeft FIS haar referentieperiode vastgelegd. Niet voor niets moet de verklaring gelijktijdig worden verzocht met de aanvraag voor een ontslagvergunning. Immers, de ontslagvergunning van [verzoekster] is verleend met in achtneming van de (toekomstige) bedrijfsresultaten van FIS en de hoogte van de toe te kennen transitievergoeding. Zodoende heeft het UWV in zijn oordeel beide verzoeken in samenhang bezien.
Gelet op deze samenhang geeft de Ontslagregeling naar het oordeel van de kantonrechter geen ruimte om (achteraf) ‘een knip te maken’ tussen de aanvraag van een ontslagvergunning en een aanvraag voor een verklaring waarin staat dat de werkgever voldoet aan de voorwaarden voor de Overbruggingsregeling.

4.9.

De kantonrechter betrekt hierbij dat met de Verzamelwet SZW in artikel 7:673d lid 1 BW per 1 januari 2016 een aanpassing is gedaan ten aanzien van de referentieperiode voor de berekening van het gemiddeld aantal werknemers. Daardoor is niet meer bepalend de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, maar de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarin de ontslagprocedure is gestart.
Dat voornoemde aanpassing in artikel 24 Ontslagregeling ten aanzien van de referentie-periode niet per 1 januari 2016 is doorgevoerd maar pas per 1 juli 2016, vormt in het onderhavige geval onvoldoende grondslag om (voor wat betreft de voorwaarden genoemd in het tweede lid van artikel 24 Ontslagregeling) als referentiejaren de boekjaren 2013, 2014 en 2015 te hanteren (als zijnde de boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst is geëindigd).
Artikel 24 Ontslagregeling stond in de periode van 1 januari 2016 tot 1 juli 2016 immers op gespannen voet met artikel 7:673d BW en gelet op de hiervoor overwogen samenhang gaat naar het oordeel van de kantonrechter in onderhavig geval het bepaalde in artikel 7:673d BW voor.

4.10.

FIS betoogt subsidiair dat door het UWV ten onrechte is geconcludeerd dat 2012 tot een positief netto resultaat heeft geleid, nu ook 2012 met in achtneming van het bepaalde in artikel 12a lid 1 Wet LB in feite een negatief resultaat heeft opgeleverd.
De kantonrechter volgt dit betoog van FIS niet. In de Ontslagregeling, noch in de toelichting daarop, is voldoende aanleiding te vinden om geen rekening te houden met bijzondere omstandigheden zoals door de werkgever gesteld. De stelling van FIS dat het salaris van haar directeur met toestemming van de belastingdienst immers op een zodanig laag bedrag is vastgesteld dat van een gebruikelijke vergoeding niet kan worden gesproken, zodat de conclusie moet zijn dat – indien wordt uitgegaan van een gebruikelijke vergoeding voor de directeur - het bedrijfsresultaat wel negatief is, zou met zich brengen dat niet de cijfers als zodanig voldoende inzicht moeten kunnen geven, maar - bijvoorbeeld - de interpretatie van de accountant over de bedrijfsresultaten. De Ontslagregeling geeft naar het oordeel van de kantonrechter geen ruimte voor een dergelijke alternatieve wijze van vaststellen van het bedrijfsresultaat over de drie aan het ontslag voorafgaande jaren. Een dergelijke interpretatieve wijze van vaststelling zou ook te zeer in strijd zijn met de rechtszekerheid die een werknemer kan ontlenen aan de Ontslagregeling omdat het zou kunnen leiden tot het standpunt van de werkgever dat het bedrijfsresultaat weliswaar positief is, maar dat rekening moet worden gehouden met bijzondere (boekhoudkundig onderbouwde) omstandigheden die er toe moeten leiden dat het resultaat tòch als negatief moet worden aangemerkt, waartegen een werknemer vervolgens moeilijk verweer zou kunnen voeren.

4.11.

Nu de hoogte van het door [verzoekster] verzochte restant van de verschuldigde transitievergoeding door FIS niet is bestreden, zal het onder 1. door [verzoekster] bij verzoekschrift verzochte, worden toegewezen.

De door [verzoekster] verzochte veroordeling van FIS tot betaling van de wettelijke rente over het restant van de transitievergoeding ter hoogte van € 5.686,00 bruto, is - gelet op artikel 7:686a lid 1 BW - toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, derhalve vanaf 1 maart 2016.

4.12.

Als niet weersproken is eveneens toewijsbaar het door [verzoekster] verzochte bedrag ad
€ 659,30 ter zake buitengerechtelijke incassokosten.

De door [verzoekster] verzochte wettelijke rente over de buitengerechtelijk incassokosten is niet toewijsbaar, nu gesteld noch gebleken is dat deze kosten reeds zijn gemaakt.

4.14.

FIS zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

stelt de hoogte van de transitievergoeding vast op het bedrag van € 6.338,-- bruto;

5.2.

veroordeelt FIS tot betaling van het restant van de transitievergoeding ter hoogte van
€ 5.686,-- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag der voldoening, onder overlegging van een correcte bruto/netto-specificatie;

5.3.

veroordeelt FIS tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van
€ 659,30;

5.4.

veroordeelt FIS tot betaling van de proceskosten, tot op heden begroot op € 223,00 ter zake griffierecht en € 500,00 ter zake het gemachtigdensalaris;

5.5.

verklaart deze beschikking, voor wat betreft de veroordelingen tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. T. Zuidema, kantonrechter, en op 8 juli 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.