Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3624

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2016
Datum publicatie
08-07-2016
Zaaknummer
5064765 \ EJ VERZ 16-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid kantonrechter/ bestuurdersaansprakelijkheid /gevoegde verzoekschriften/7:686a lid 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1976
AR-Updates.nl 2016-0723
OR-Updates.nl 2016-0220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zaaknummer: 5064765 \ EJ VERZ 16-316

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 5064765 \ EJ VERZ 16-316

Beschikking van 4 juli 2016

in de zaak van:

I. [werknemer] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.A.M. Lem.

tegen:

1 [S.] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Corfas B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. G. Leijten.

Partijen worden hierna afzonderlijk “ [werknemer] ”, “ [S.] ” en “Corfas” genoemd.

Verwerende partij gezamenlijk wordt “ [S.] c.s.” genoemd en wordt daarbij, omwille van de leesbaarheid, aangeduid in mannelijk enkelvoud.

1 Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van [werknemer] , ontvangen op 10 mei 2016;

  • -

    het verweerschrift van [S.] c.s., ontvangen op 31 mei 2016.

Slechts de formele grondslag van het verzoek strekkende tot aansprakelijkstelling van verwerende partij in de hoedanigheid van statutair bestuurder van Vlisco Netherlands B.V. (hierna: Vlisco) is behandeld tijdens de zitting van 21 juni 2016. [werknemer] heeft pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen, welke vanaf pagina 15 relevant zijn voor het onderhavige verzoek. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.2.

Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vlisco vervaardigt, bewerkt en drijft handel in textielproducten, kunststoffen, de daarvoor benodigde grondstoffen en de daaraan verwante goederen.

2.2.

[werknemer] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 december 2010 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Vlisco. Laatstelijk in de functie van Project Office Manager, voor 40 uur per week, tegen een salaris van laatstelijk € 5.126,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, 13e maande en emolumenten.

2.3.

[werknemer] is gedurende het dienstverband met Vlisco naast haar functie van Project Office Manager steeds werkzaam geweest als Personal Assistant (PA) van de heer [O.] , statutair bestuurder/CEO tot 8 september 2015.

2.4.

[S.] is per 14 september 2015 benoemd tot statutair bestuurder/CEO van Vlisco.

2.5.

Bij brief van 28 januari 2016 schrijft Vlisco onder andere dat een concreet vermoeden bestaat dat [werknemer] vertrouwelijke en/of bedrijfsgevoelige informatie heeft verstrekt aan de heer [O.] , voormalig CEO van Vlisco, in de periode van zijn non-actiefstelling (d.d. 8 september 2015) tot en met heden.

2.6.

Bij brief van 16 februari 2016 heeft de advocaat van [werknemer] Vlisco op grond van slecht werkgeverschap aansprakelijk gesteld voor de door [werknemer] geleden schade, in ieder geval maar niet uitsluitend, bestaande uit advocaatkosten ter hoogte van

€ 2.032,80 inclusief btw.

2.7.

Bij brief, gedateerd 19 februari 2016, is [werknemer] op staande voet ontslagen. In deze brief, het onderzoeksrapport van Hoffmann incluis, wordt verwezen naar in het onderzoek van Vlisco c.q. Hoffmann Bedrijfsrecherche geconstateerde handelingen, die zowel in onderlinge samenhang als ieder voor zich een dringende reden voor ontslag op staande voet leveren in de zin van artikel 7:678 BW.

2.8.

Bij brief van 23 februari 2016 heeft de advocaat van [werknemer] aan de advocaat van Vlisco meegedeeld dat het ontslag vernietigbaar is ex artikel 7:681 BW. [werknemer] heeft Vlisco bij kort geding gedagvaard tot doorbetaling van het loon vanaf 1 februari 2016.

2.9.

Bij verzoekschrift van 19 april 2016 heeft [werknemer] de kantonrechter verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen (aanhangig onder nummer 5013653 / EJ VERZ 16-281).

2.10.

Bij brief van 21 april 2016, gericht aan Alter Domus Nederland B.V., is Corfas een termijn geboden om te reageren op de in deze brief geschetste handelwijze van de in deze brief met name genoemde personen. Daarbij wordt aangegeven dat wordt overwogen om de statutair bestuurders van Vlisco te betrekken bij de inmiddels aangespannen procedure.

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt op grond van artikel 7:686a lid 3 BW juncto artikel 7:611 BW juncto artikel 6:162 BW:

  • -

    te verklaren voor recht dat [S.] c.s. als bestuurders van Vlisco ten aanzien van haar in strijd met artikel 6:162 BW hebben gehandeld, dientengevolge als statutair bestuurders van Vlisco ten opzichte van [werknemer] persoonlijk mede aansprakelijk zijn voor de door [werknemer] dientengevolge geleden en nog te lijden schade;

  • -

    [S.] c.s. – hoofdelijk – te veroordelen om:

- aan [werknemer] te betalen de tot op heden door haar geleden schade van

€ 16.616,73, alsook aan [werknemer] te betalen de door haar vanaf 19 april 2016 te lijden gevolgschade, nader op te maken bij staat;

- aan [werknemer] te betalen de in goede justitie te bepalen door [werknemer] geleden reputatieschade en immateriële schade,

met veroordeling van [S.] c.s. in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt [werknemer] , beknopt weergegeven, ten grondslag dat Vlisco ten opzichte van haar in strijd met de eisen van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW heeft gehandeld door ten onrechte een ontslag op staande voet te construeren. [S.] en Corfas, zijn naast Vlisco, op grond van artikel 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [werknemer] als gevolg van het handelen van Vlisco heeft geleden, lijdt en zal lijden. [S.] c.s. kan zelf ook een ernstig verwijt worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van Vlisco worden gemaakt. [S.] c.s. is door [werknemer] de uitdrukkelijke mogelijkheid geboden om het ontslag op staande voet terug te draaien en de door haar geleden schade aan haar te vergoeden. [S.] c.s. heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt en heeft zich daarmee achter de handelwijze van Vlisco opgesteld en zich aldus geïdentificeerd met die handelwijze en aldus gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij naar verkeersnormen persoonlijk jegens [werknemer] in acht hadden moeten nemen.

3.3.

De handelwijze van Vlisco en haar bestuurders heeft voor [werknemer] behoorlijke schade veroorzaakt. Zij heeft zich vanaf 20 januari 2016 moeten laten adviseren en bijstaan door een advocaat gespecialiseerd in het arbeidsrecht. De kosten hiervan bedragen

€ 17.116,73. Hierop strekt in mindering het bij vonnis in kort geding van 15 april 2016 toegekende bedrag van € 500,00, zodat nog € 16.616,73 aan haar dient te worden vergoed. [werknemer] heeft daarnaast reputatieschade geleden doordat zij ten onrechte op staande voet is ontslagen hetgeen diffamerend is geweest voor haar reputatie binnen en buiten de onderneming van Vlisco. Daarenboven heeft [werknemer] immateriële schade vanwege het feit dat zij sinds 16 december 2015 volledig en langdurig arbeidsongeschikt is geraakt vanwege de werksituatie en de gang van zaken vanaf 14 januari 2016 een negatieve invloed heeft gehad op haar gezondheid.

3.4.

Deze vorderingen kunnen worden ingediend bij verzoekschrift, omdat zij verband houden met het reeds door [werknemer] ingediende verzoekschrift ex artikel 7:681 BW en de daarbij tegen Vlisco ingediende nevenvordering schadevergoeding. De grondslag van de bij dat verzoekschrift ingediende nevenvordering is gebaseerd op artikel 7:611 BW, zijnde een lex specialis van artikel 6:162 BW, en is gebaseerd op exact hetzelfde feitencomplex als het feitencomplex in dit verzoekschrift opgegeven. De tegen [S.] c.s. bij het onderhavige verzoekschrift ingediende vorderingen houden derhalve voldoende verband met het al ingediende verzoekschrift ex artikel 7:681 BW en de daarin geformuleerde nevenvorderingen, zodat deze vorderingen op grond van artikel 7:686a lid 3 BW bij verzoekschrift kunnen worden ingediend.

3.5.

[werknemer] verzoekt gezamenlijke behandeling van het onderhavige verzoek met het eerder door haar ingediende verzoekschrift ex artikel 7:681 BW.

4 Het verweer

4.1.

[S.] c.s. verzoekt bij wijze van voorbeslissing [werknemer] primair niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen en/of over te gaan tot een onbevoegd verklaring ex artikel 72 Rv en/of subsidiair te beslissen dat het onderhavig verzoek zich niet leent voor gezamenlijke behandeling met het verzoek strekkende tot vernietiging van het ontslag op staande voet.

4.2.

Aan zijn verzoek om [werknemer] primair niet-ontvankelijk te verklaren legt [S.] c.s., beknopt weergegeven, ten grondslag dat het onderhavige verzoek is gebaseerd op artikel 6:162 BW, zodat het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW toepassing mist.

Het betreft geen vordering op grond van het arbeidsovereenkomstenrecht, noch staat de vordering in enig verband met het einde van de arbeidsovereenkomst. Een vordering gebaseerd op onrechtmatige daad jegens de bestuurders van een vennootschap kan niet worden beschouwd als een vordering die verband houdt met een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW.

Daarbij geldt dat [werknemer] haar vorderingen niet in één maar in twee afzonderlijke verzoekschriften aanhangig heeft gemaakt, met een tussenliggende periode van drie weken, en deze verzoekschriften heeft ingesteld tegen andere partijen: het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet is gericht tegen haar werkgever en het onderhavige verzoek is gericht tegen twee bestuurders van haar werkgever.

De procedure inzake de bestuurdersaansprakelijkheid heeft een volledig ander juridisch kader en kent een andere juridische toetsing dan het verzoek strekkende tot vernietiging van het ontslag op staande voet. Partijen zullen daarom ook worden bijgestaan door een andere raadsman/raadsvrouw. Ook leent een vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid zich in essentie niet voor een snelle behandeling zoals in het arbeidsovereenkomstenrecht thans wordt nagestreefd.

De conclusie is dat [werknemer] de onderhavige vorderingen niet op grond van artikel 7:686a lid 3 BW bij verzoekschrift kan indienen, maar dat deze aanhangig dienen te worden gemaakt bij dagvaarding.

4.3.

Omdat niet kan worden gesteld dat de vermeende vorderingen van [werknemer] géén hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigen, is [S.] c.s. van mening dat de kantonrechter op grond van artikel 93 lid 2 Rv juncto artikel 72 Rv niet bevoegd is om van deze vorderingen kennis te nemen. Op grond van artikel 99 lid 1 Rv dient [werknemer] zich alsdan ten aanzien van [S.] te richten tot de rechtbank Oost-Brabant, locatie

’s-Hertogenbosch en/of ten aanzien van Corfas tot de rechtbank Amsterdam.

4.4.

Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat artikel 7:686a lid 3 wel van toepassing is en de vorderingen ingesteld tegen de bestuurders van Vlisco wel bij verzoekschrift aanhangig kunnen worden gemaakt, verzoekt [S.] c.s. subsidiair om de twee zaken te splitsen op grond van artikel 7:686a lid 10 BW.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter dient zich in eerste instantie de vraag naar zijn bevoegdheid te stellen.

Vastgesteld kan worden dat de vorderingen geen betrekking hebben op een arbeidsovereenkomst tussen deze partijen zodat de kantonrechter niet op grond van de aard van het verzoek bevoegd is. De enkele vermelding van artikel 7:611 BW in het verzoek kan niet als grondslag van de vordering worden beschouwd, aangezien vaststaat, en de vordering als zodanig daarvan ook uitgaat, dat de vorderingen zich niet richten tot de werkgever.

Niet evident is vervolgens dat het belang van de vorderingen onder een waarde van € 25.000,00 blijven. Aldus is de kantonrechter uit dien hoofde evenmin bevoegd. De zaak dient daarom te worden behandeld en beslist door de sector civiel van deze rechtbank. Deze onbevoegdheid strekt zich ook uit over de vraag naar de wijze waarop dient te worden voortgeprocedeerd.

5.2.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de vorderingen, zoals hiervoor onder punt 3.1. uiteengezet, bij verzoekschrift kunnen worden ingediend. Zij bedoelt daarmee kennelijk te zeggen dat die vorderingen via die combinatie onder de bevoegdheid van de kantonrechter kunnen worden gebracht. Zij wijst op de mogelijkheid om op grond van artikel 7:686a lid 3 BW om in de in afdeling 9 van boek 7 genoemde beëindigingsprocedures daarmee verband houdende andere vorderingen in te dienen door middel van een verzoekschrift. Doel daarvan is dat met elkaar samenhangende geschilpunten daardoor in één gerechtelijke procedure kunnen worden beslecht. Het gaat daarbij in beginsel om alle mogelijke vorderingen die bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan kunnen worden ingediend (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 37).

5.3.

Voor zover daaruit door verzoekster wordt geconcludeerd dat dit effect heeft voor de bevoegdheid van de kantonrechter geldt het volgende.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de parlementaire geschiedenis niet dat de wetgever bij de in artikel 7:686a lid 3 BW geboden mogelijkheid om nevenvorderingen bij verzoekschrift in te kunnen dienen ook het oog heeft gehad op vorderingen die niet (rechtstreeks) voortvloeien uit de contractuele verhouding tussen een werkgever en een werknemer. Mede gelet op de doelmatigheidsoverwegingen die aan de invoering van deze bepaling ten grondslag hebben gelegen, is de kantonrechter van oordeel dat deze bepaling niet zo ruim kan worden uitgelegd dat ook vorderingen anders dan tussen een werkgever en werknemer en welke niet zijn gebaseerd op een arbeidsovereenkomst, met een verzoekschrift ingeleid kunnen worden. De wetgever lijkt daarbij tot uitgangspunt te hebben genomen dat één verzoekschrift wordt ingediend, zodat het er ook daarom voor gehouden moet worden dat het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW toepassing mist wanneer een andere procespartij op een andere wettelijke grondslag in een procedure wordt betrokken. Aldus zal ook in principe de bevoegdheid van de kantonrechter steeds afgeleid kunnen worden uit de aard van de vordering, namelijk gebaseerd op een arbeidsovereenkomst.

5.4.

De kantonrechter volgt [werknemer] niet in haar stelling dat ook de onderhavige vorderingen betrekking hebben op het einde of het herstel van de arbeidsovereenkomst. Zelfs wanneer beide verzoekschriften gezamenlijk zouden worden behandeld, zoals [werknemer] wenst, is daarvan naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. [S.] en Corfas gelden als voormeld jegens [werknemer] niet als werkgever. De eventuele aansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen van [S.] c.s. dient te worden beoordeeld op grond van artikel 6:162 BW. Hoewel het feitencomplex van de ingestelde vorderingen gelijk is, kan [werknemer] niet worden gevolgd in haar stelling dat het juridisch kader en daarmee de juridische toetsing exact hetzelfde is.

5.5.

Aldus wordt vastgesteld dat het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW met betrekking tot uitbreiding van de bevoegdheid van de kantonrechter in dit geval toepassing mist.

5.6.

Dit leidt ertoe dat de kantonrechter op grond van artikel 71 Rv de zaak zal verwijzen naar de sector civiel van deze rechtbank, waar de procedure zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart zich onbevoegd om van de door [werknemer] ingestelde vorderingen tegen [S.] c.s. met betrekking tot artikel 6:162 BW (bestuurdersaansprakelijkheid) kennis te nemen;


verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de sector civiel van deze rechtbank, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen voort te procederen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2016.