Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3589

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
01/879042-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek voorarrest voor medeplegen van poging tot doodslag. Verdachte is betrokken geweest bij een schietpartij maar heeft zelf niet geschoten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte bij de voorbereiding van het bezoek van de plaats delict als bij het bezoek zelf, waarbij door de medeverdachten is geschoten met een vuurwapen, een zodanige rol gespeeld, dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en de verdachten.

Verwerping beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879042-15

Datum uitspraak: 6 juli 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 februari 2016, 11 mei 2016, 15 juni 2016 en 22 juni 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 januari 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 juni 2016 is gewijzigd (bijlage 1), is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 oktober 2014 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een of meer andere personen (te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ) opzettelijk van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

met een of meer vuurwapen(s) op/in de richting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)nen heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer ander(en) op of omstreeks 4 oktober 2014 te Eindhoven, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een of meer andere personen (te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ) opzettelijk van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn/hun mededader(s), althans alleen, met een of meer vuurwapen(s) op/in de richting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)nen heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstippen in de periode 1 tot en met 4 oktober 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door (telkens) opzettelijk

- die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer ander(en) op de hoogte heeft

gebracht van een conflict en/of

- die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer ander(en) naar de [adres 1]

[adres 1] heeft geleid/doen brengen en/of

- bij de [adres 1] heeft aangebeld (teneinde [medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] voornoemd naar buiten te lokken) en/of

- een of meer ander(en) gewenkt/een teken gegeven/aangegeven dat zij moesten

komen (helpen);

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 oktober 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), (een) vuurwapen(s) getoond aan en/of gericht op die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of - op korte afstand - van voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] - met een of meer vuurwapen(s) een of meerdere schot(en) gelost/afgevuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op zaterdagmiddag 4 oktober 2014 heeft een schietpartij plaatsgevonden op de [adres 1] . De schietpartij vond plaats tussen enerzijds het “kamp” van verdachte en zijn medeverdachten en anderzijds het “kamp” van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

Op de verdachte rust primair de verdenking dat hij met zijn medeverdachten gepoogd heeft om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voornoemd van het leven te beroven. In subsidiaire zin wordt hem verweten dat hij hiertoe medeplichtig is geweest. Meer subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft bedreigd.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de gronden in het schriftelijk requisitoir heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Wat betreft het primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] geen opzet had op de dood van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] . kon niet voorzien dat de bijeenkomst zo uit de hand zou lopen en kan niet worden gezien als medepleger van het door medeverdachte 1 (waarmee wordt bedoeld: de medeverdachte die als eerste door de poort gaat bij de [adres 1] ) toegepaste geweld. [verdachte] dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat medeverdachte 1 zich ten aanzien van de door hem geloste schoten op noodweer kan beroepen, zodat (ook) [verdachte] dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank.1

Bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden die haar uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken.

112 meldingen en bevindingen ter plaatse.

Op 4 oktober 2014 omstreeks 15:51 uur heeft de meldkamer van de politie meerdere meldingen binnengekregen dat er geschoten is op de [adres 1] en dat er meerdere personen en voertuigen de plaats delict hebben verlaten.2

De ter plaatse gearriveerde verbalisanten hebben in en om voornoemde woning geen personen aangetroffen. In een bijgebouw rechts van de woning hebben de verbalisanten een beeldscherm aangetroffen waarop beelden zichtbaar zijn van vier camera’s.3 De beelden van de twee camera’s die gericht zijn op de binnenplaats van de woning aan de [adres 1] , zijn veiliggesteld, inbeslaggenomen en uitgekeken door de verbalisanten. Op deze beelden – die hierna nader zullen worden beschreven – is te zien dat na een kort gesprek bij het hek van voornoemde woning tussen enerzijds drie mannen (die uit een zwarte Audi zijn gestapt) en anderzijds twee mannen (die uit voornoemde woning naar het hek zijn gelopen), een schietpartij ontstaat waarbij over en weer wordt geschoten.4

Bewoner [adres 1] .

De [adres 1] betreft een vrijstaande woning, gelegen in een woonwijk.5 Voornoemde woning behoort in eigendom toe aan [getuige 1] , die de woning heeft verhuurd aan [medeverdachte 1] .6

Forensisch onderzoek aan de hulzen.

Op 4 oktober 2014 omstreeks 16:37 uur heeft een forensisch technisch sporenonderzoek plaatsgevonden op de [adres 1] . Daarbij zijn negen hulzen aangetroffen, veiliggesteld en ieder gewaarmerkt met een uniek SIN-nummer zoals hierna weergegeven.

  • -

    Huls 1 (merk S&B, kaliber 9x19mm) PD-nummer 5: SIN-nummer AAGX4734NL;

  • -

    Huls 2 (merk S&B, kaliber 9x19mm) PD-nummer 6: SIN-nummer AAGX4735NL;

  • -

    Huls 3 (merk S&B, kaliber 6,35mm) PD-nummer 8: SIN-nummer AAGX4732NL;

  • -

    Huls 4 (merk S&B, kaliber 9x19mm) PD-nummer 11: SIN-nummer: AAGX4729NL:

  • -

    Huls 5 (merk S&B, kaliber 6,35mm) PD-nummer 10: SIN-nummer AAGX4730NL;

  • -

    Huls 6 (merk Geco, kaliber 9x19mm) PD-nummer 22: SIN-nummer AAGX4719NL;

  • -

    Huls 7 (merk Geco, kaliber 9x19mm) PD-nummer 13: SIN-nummer: AAGX4727NL;

  • -

    Huls 8 (merk S&B, kaliber 6x35mm) PD-nummer 17: SIN-nummer: AAGX4723NL;

  • -

    Huls 9 (merk S&B, kaliber 6x35mm) PD-nummer 20: SIN-nummer: AAGX4720NL.7

Aangetroffen vuurwapens.

Op 31 maart 2015 werd door een voorbijganger in de bosjes ter hoogte van de [adres 2] een vuurwapen aangetroffen (hierna: vuurwapen 1).8 In dezelfde bosjes op zeer korte afstand van de plaats waar vuurwapen 1 was gevonden, werd door de verbalisanten een tweede vuurwapen aangetroffen (hierna: vuurwapen 2).9 Op 1 april 2015 is door een speurhond bij een ijzeren hek behorende bij een pand aan de [adres 3] een derde vuurwapen aangetroffen (hierna: vuurwapen 3).10

Forensisch onderzoek aan de vuurwapens

Alle aangetroffen vuurwapens zijn onderworpen aan een forensisch technisch onderzoek, waarbij het volgende is gebleken.

- Vuurwapen 1 betreft een pistool van het merk CZ, model 75D Compact, kaliber 9x19mm. In het patroonmagazijn van voornoemd wapen zijn minimaal vijf kogelpatronen aanwezig. In de loopkamer van het vuurwapen is één kogelpatroon aanwezig. Vuurwapen 1 is voorzien van het SIN-nummer AAEZ9297NL.

- Vuurwapen 2 betreft een pistool van het merk Glock, model 17, kaliber 9x19mm. In het patroonmagazijn van voornoemd vuurwapen zijn minimaal 11 kogelpatronen aanwezig. In de loopkamer van het vuurwapen is één kogelpatroon aanwezig. Vuurwapen 2 is voorzien van het SIN-nummer AAIJ7297NL.

- Vuurwapen 3 betreft een pistool van het merk CZ, model 1945, kaliber 6,35mm Browning. Het patroonmagazijn van voornoemd vuurwapen is leeg. Vuurwapen 3 is voorzien van het SIN-nummer AAII7605NL.11

Vergelijkend onderzoek door het NFI naar de hulzen.

De veiliggestelde en gewaarmerkte hulzen – zoals hiervoor weergegeven – zijn voor een vergelijkend kogel- en hulsonderzoek verzonden naar het NFI te ’s-Gravenhage. De hulzen 4, 6 en 7 zijn opgenomen in de Landelijke Verzameling Kogels en Hulzen (hierna: LVKH) van het NFI onder nummer 8159A. De hulzen 1 en 2 zijn opgenomen in de LVKH onder nummer 8159B en de hulzen 3, 5, 8 en 9 onder nummer 8159C. De conclusie van dit onderzoek luidt:

- Het is extreem veel waarschijnlijker wanneer de hulzen 4, 6 en 7 verschoten zijn met één en hetzelfde vuurwapen dan wanneer de hulzen verschoten zijn met meerdere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken;

- Het is extreem veel waarschijnlijker wanneer de hulzen 1 en 2 verschoten zijn met één en hetzelfde vuurwapen dan wanneer de hulzen verschoten zijn met meerdere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken;

- Het is extreem veel waarschijnlijker wanneer de hulzen 3, 5, 8 en 9 verschoten zijn met één en hetzelfde vuurwapen dan wanneer de hulzen verschoten zijn met meerdere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.12

Vergelijkend onderzoek door het NFI tussen de hulzen en de vuurwapens.

Voornoemde hulzen zijn vervolgens vergeleken met vuurwapen 1, 2 en 3. De conclusie van dit vergelijkend onderzoek luidt:

- Het is iets waarschijnlijker wanneer de hulzen opgenomen in de LVKH onder nummer 8159A (hulzen 4, 6 en 7) zijn verschoten met een ander pistool van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool dan wanneer de hulzen zijn verschoten met het pistool AAIJ7297NL (vuurwapen 2: [adres 4] );

- Het is extreem veel waarschijnlijker wanneer de hulzen opgenomen in de LVKH onder nummer 8159B (hulzen 1 en 2) zijn verschoten met het pistool AAEZ9297NL (vuurwapen 1: CZ 75D Compact) dan wanneer de hulzen zijn verschoten met een ander pistool van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool;

- Het is extreem veel waarschijnlijker wanneer de hulzen opgenomen in de LVKH onder nummer 8159C (hulzen 3, 5, 8 en 9) zijn verschoten met het pistool AAII7605NL (vuurwapen 3: CZ 1945, Browning) dan wanneer de hulzen zijn verschoten met een ander pistool van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.

- Ten behoeve van het onderzoek zijn met voornoemde drie vuurwapens proefschoten gelost. Tijdens het proefschieten zijn geen storingen opgetreden.13

Verklaring aangever [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] (roepnaam [medeverdachte 1] ) heeft op 17 oktober 2014 aangifte gedaan van poging tot doodslag/moord. Hij heeft als aangever onder meer het volgende verklaard (kort en zakelijk weergegeven):

Ik was samen met [medeverdachte 2] uit [gemeente] thuis op de [adres 1] . Omstreeks 15.40 uur kwam een zwarte Audi A3 de oprit oprijden. Ik ben toen met [medeverdachte 2] naar buiten gelopen. Ik zag drie personen uit de auto stappen, van wie twee personen een vest aan hadden van motorclub [motorclub 1] . De derde man was zwart gekleed en had geen hesje aan. De man met het ronde hoofd (persoon 1) was de enige die sprak. Ik hoorde dat hij zei “mijn broeder hier, die krijgt nog geld van jou”. Hierbij gebaarde hij naar persoon 2 die in het zwart was gekleed. Ik zou niet weten waarvoor ik geld schuldig zou moeten zijn. Ik zei “ik ken heel die vent niet, dus je kunt beter gewoon oprotten hier en van mijn erf af”. Op dat moment deden persoon 1 en persoon 3 (ringbaardje en kaal) hun vest open. Ik zag dat zij vuurwapens bij zich droegen. Het gesprek escaleerde. Zij bleven er op aandringen dat ze naar binnen wilden en dat ze met ons wilden praten. Op een gegeven moment liep [medeverdachte 2] richting de voordeur van de woning. Ik zag dat persoon 1 de poort opendeed en binnen kwam lopen, gevolgd door persoon 2 en 3. Ik liep naar de voordeur toe om deze te openen. Persoon 1 kwam naar mij toe en gaf mij een paar harde stompen in mijn rug. Er ontstond een worsteling tussen persoon 1 en mij. Persoon 1 pakte toen een vuurwapen en schoot gericht op ons. Persoon 3 begon ook te schieten. [medeverdachte 2] vuurde met een vuurwapen op persoon 1 en 3. Zij vuurden terug en renden vervolgens naar de poort. Ik kan me niet herinneren dat persoon 2 heeft geschoten. Persoon 2 is naar de opening van de poort gerend en vluchtte weg. Persoon 1, 2 en 3 renden naar de Audi en reden met volle vaart weg.14

[medeverdachte 1] is tevens aangemerkt als verdachte en heeft zich in die hoedanigheid beroepen op zijn zwijgrecht.15

Verklaring verdachte [medeverdachte 2] .

Verdachte [medeverdachte 2] (roepnaam [medeverdachte 2] ) heeft in zijn verklaring bij de politie op 10 februari 2015 onder meer het volgende verklaard (kort en zakelijk weergegeven):

De woensdag voorafgaand aan het schietincident (de rechtbank begrijpt: 1 oktober 2014) kwam een jongen bij [medeverdachte 1] die [verdachte] heet. Hij kwam met een zwarte Audi A3. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben toen een gesprek gehad in de garage van de woning van [medeverdachte 1] . Het gesprek ging over en weer tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , waarbij [verdachte] de agressor was. Hij zei “dit moet opgelost worden, anders kom je er wel achter wie ik echt ben en dan zit je zwaar in de problemen”. Op 4 oktober 2014 kwam ik bij [medeverdachte 1] . Op de keukentafel lag een pistool. Het wapen was een Babybrowning van het kaliber 6,35mm. Ik weet dat [medeverdachte 1] te horen had gekregen dat hij het dreigement van [verdachte] serieus moest nemen. [medeverdachte 1] vertelde mij dat ik daar ook het slachtoffer van zou worden, omdat wij elkaar bijna elke dag zagen. Ze zouden ons meenemen en doodmaken. Op enig moment hoorde ik de bel gaan. Ik zag de Audi en [verdachte] . [verdachte] stond voor het poortje. Ik heb toen het vuurwapen gepakt van de keukentafel en in de rechterzak van mijn trainingspak gedaan. We zijn toen naar buiten gelopen. Bij de poort stonden drie mannen, onder wie [verdachte] . [verdachte] had een zwart petje op en een zwarte jas aan. Wij werden aangesproken door een man met een memberjas van [motorclub 1] aan. Ook de andere persoon had een memberjas aan. [verdachte] had geen memberjas aan. De gladgeschoren man voerde het woord. Hij zei “we komen hier om dingen op te lossen”. Ik heb gezegd “ik weet niet wie jullie zijn, dus oprotten”. Ik zag dat de mannen een kogelwerend vest aan hadden. Ze hadden ook vuurwapens bij zich. Ik wilde terug lopen en zei tegen [medeverdachte 1] dat hij de voordeur van de woning moest openmaken. Wij liepen toen terug richting de woning. Vervolgens kwamen de mannen naar ons toe met getrokken wapens. Ik zag dat [medeverdachte 1] klappen kreeg toen hij de deur probeerde open te maken. Persoon 1 heeft geschoten. Ik kon niet meer rationeel denken op dat moment. De situatie was op dat moment te bedreigend/schokkend. Ik heb het wapen gepakt en daarmee geschoten. Ik heb zeker twee keer geschoten. Tijdens mijn vlucht ben ik mijn vuurwapen verloren.16

Verklaring verdachte [verdachte] .

Verdachte [verdachte] heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 7 januari 2016 onder meer het volgende verklaard (kort en zakelijk weergegeven)17:

Ik ben op 4 oktober 2014 aanwezig geweest bij het incident op de [straat] . Ik ben op de camerabeelden te zien. Ik ben de persoon met zwarte kleding en een zwart petje. Ik ben de persoon die als eerste naar het hek toe loopt. Op de woensdag vóór 4 oktober 2014 ben ik ook in die woning geweest (de rechtbank begrijpt: 1 oktober 2014). Ik ben daar toen mishandeld en bedreigd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Na die woensdag gingen de bedreigingen door per telefoon. Ik wist dat [medeverdachte 2] lid was van [motorclub 2] . Ik zelf was lid van [motorclub 1] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wisten dat niet. Ik dacht dat dat het opgelost zou kunnen worden als zij zouden zien dat ik lid was van [motorclub 1] . Ik heb na die woensdag met medeclubleden van [motorclub 1] het probleem besproken. Er is afgesproken dat het vreedzaam opgelost moest worden. Op 4 oktober 2014 ben ik er naar toe gegaan om het probleem uit te praten en op te lossen. Het zou opgelost worden door mij samen met de twee personen die ook aan de poort hebben gestaan. Wij waren daar met de zwarte auto. De bus die is meegekomen achter de zwarte auto, had er eigenlijk niets mee te maken. Wij waren op doorreis en we zouden een stop maken in Eindhoven. Ik had geen wapen bij me. Ik had wel een kogelvrij vest aan, uit bescherming van mijzelf. Toen wij aan de poort stonden, kwamen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanlopen en vroegen ze “wat moeten jullie”. Van onze kant werd kenbaar gemaakt dat de twee personen die met mij waren van [motorclub 1] waren en dat ik ook van [motorclub 1] was. Er werd gezegd dat we het wilden uitpraten. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wilden daar niets van weten en [medeverdachte 2] zei “oprotten”. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] liepen naar de voordeur van het huis en [medeverdachte 2] zei “ik schiet jullie allemaal kapot”. Ik besliste op dat moment niet wat er zou gaan gebeuren. Ik heb het in hun handen gelaten. De eerste persoon die door de poort liep, liep naar [medeverdachte 2] toe. De tweede persoon die met mij bij de poort stond, is achter mij aan het terrein opgelopen. Het klopt dat ik – op het moment dat de twee andere personen die met mij waren het terrein opliepen – wenk naar een aantal personen die vanaf de bus komen aanlopen. Het was een reactie van mij naar hen toe om aan te geven “hier zijn wij”. Er ontstond een handgemeen. Het vond plaats bij de voordeur. Die eerste persoon hoekte [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] viel en vervolgens hoorde ik twee schoten. [medeverdachte 2] hield zijn pistool vast met gestrekte arm. Ik zag dat de eerste persoon hevig bloedde. Terwijl ik wegvluchtte, werd ik op mijn rug geraakt.18

Ter terechtzitting van 15 juni 2016 heeft de verdachte overeenkomstig verklaard.

Verklaring verdachte [medeverdachte 4] .

Verdachte [medeverdachte 4] heeft in zijn verhoor op 22 oktober 2015 bij de politie onder meer het volgende verklaard (kort en zakelijk weergegeven):

Een medeverdachte (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ) was afgeperst en mishandeld door [medeverdachte 1] en iemand van [motorclub 2] . Wij gingen daar heen om dit uit te praten. De bedoeling van het gesprek was om de mishandeling en de afpersing te stoppen. De jongen die afgeperst was, is al eerste uit de zwarte Audi A3 gestapt. Wij zeiden tegen hem “ga maar aanbellen en kijk of ze thuis zijn”. Ik ben als tweede persoon uit de auto gestapt. Ik had een kogelvrij vest aan en had een pistool bij me, een [adres 4] met negen patronen er in. Wij kwamen daar specifiek voor [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] , de jongen van [motorclub 2] . Wij hebben gezegd dat wij van [motorclub 1] waren en dat wij wisten dat hij van [motorclub 2] is. Wij hebben gezegd dat deze jongen een van ons is en dat we over dat probleem wilden praten. Hij wilde daar niet over praten en zei “oprotten”. Dat was voor ons eigenlijk einde verhaal. Op het moment dat het tijd was om te vertrekken, liep hij weg naar de woning. Hij draaide zich om en zei “ik schiet jullie allemaal overhoop”. Hij pakte ook een wapen. Medeverdachte 1 volgde hem hierop en ging door het hek. Hij laadde zijn wapen, hield het naar beneden en zei tegen [medeverdachte 2] dat hij zijn wapen neer moest leggen. Daar gaf hij geen gehoor aan, waarop mijn medeverdachte 1 doorliep. Toen wij naar binnen gingen, trok ik ook mijn vuurwapen. Er ontstond vervolgens een handgemeen. Wat daar precies gebeurde, kon ik niet goed zien. De twee van de tegenpartij vielen op de grond. [medeverdachte 2] kwam omhoog, zette zijn pistool bij de medeverdachte op zijn hoofd en haalde twee keer de trekker over. Mijn medeverdachte 1 had een schampschot aan de rechterzijde van zijn hoofd en aan de linkerzijde is de kogel ter hoogte van zijn slaap er in gegaan en aan de achterkant van zijn oor er weer uitgegaan. Ik heb de boel gecontroleerd met mijn wapen, maar heb bewust niet geschoten. Ik werd door [medeverdachte 2] twee keer beschoten op mijn vest. Mijn medeverdachte 1 schoot met zijn pistool twee keer boven het kozijn om uit de gevaarlijke situatie weg te komen. De jongen die afgeperst werd, is twee keer in zijn rug geschoten door [medeverdachte 2] . Die jongen had een kogelvrij vest aan. Wij zijn vervolgens weggevlucht, terwijl wij nog steeds beschoten werden. De jongen met het petje aan de andere kant van het hek heeft toen twee keer geschoten. Eentje heeft de Mercedes geraakt en de ander het kozijn. Ik heb medeverdachte 1 op straat moeten oppakken omdat hij ten gevolge van zijn hoofdwond wegviel. Ik heb nog nooit zoveel bloed gezien. Ik heb mijn vuurwapen in de bosjes in het midden van de [straat] weggegooid.19

Camerabeelden [adres 1] .

Ter terechtzitting van 15 juni 2016 zijn de hiervoor genoemde camerabeelden van de [adres 1] bekeken. De rechtbank heeft daarbij het volgende waargenomen.

Op 4 oktober 2014 omstreeks 15.47 uur arriveert een zwarte Audi personenauto bij het pand aan de [adres 1] . Kort daarna arriveert een busje dat stopt achter de Audi. Uit de Audi stapt een man die in het zwart is gekleed en een zwarte pet op zijn hoofd draagt. Hij loopt naar het hek en drukt kennelijk op de bel. Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat dit verdachte [verdachte] is. Uit voornoemde auto stappen vervolgens twee mannen, die in de richting van verdachte [verdachte] lopen. Een van de mannen heeft een donker jack met lichtgrijze mouwen aan en draagt donkerkleurige handschoenen. Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat dit verdachte [medeverdachte 4] is. De andere man heeft een spijkerbroek aan en een donker leren jack zonder mouwen. Ook hij draagt donkerkleurige handschoenen. De rechtbank heeft de identiteit van deze man niet kunnen vaststellen. Deze onbekend gebleven persoon zal hierna aangeduid worden als NN-man 1.

Uit de woning aan de [adres 1] komen twee personen die in de richting van het hek lopen. Een van de mannen heeft een zwart T-shirt en een witte broek aan. Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat dit [medeverdachte 1] is. De andere man draagt een blauw trainingspak. Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat dit [medeverdachte 2] is.

Omstreeks 15.48 uur vindt er zichtbaar een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en de drie mannen. Dit gesprek is kort van duur, waarna [medeverdachte 2] zich omdraait en richting de voordeur van de woning loopt. Onderweg kijkt [medeverdachte 2] nog een keer om en haalt hij een vuurwapen uit de rechterzak van zijn trainingsjack. Op datzelfde moment heeft NN-man 1 de poort reeds geopend en zijn vuurwapen doorgeladen. Hij loopt het binnenterrein op om vervolgens in de richting van [medeverdachte 1] te lopen. Met zijn linkerhand wijst NN-man 1 in de richting van [medeverdachte 1] , terwijl hij het vuurwapen in zijn rechterhand langs zijn lichaam houdt. NN-man 1 en [medeverdachte 1] lopen in de richting van de voordeur van de woning. NN-man 1, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn niet meer in beeld. Niet is waar te nemen wat er op dat moment in het nisje aan de voordeur van de woning gebeurt. Intussen zijn meerdere personen uit de bus gestapt, die in de richting van de woning lopen. Verdachte [verdachte] en [medeverdachte 4] lopen de binnenplaats op. Verdachte [verdachte] wenkt naar de personen die uit de bus zijn gestapt. Deze personen komen ook in de richting van de woning gelopen. Verdachte [medeverdachte 4] houdt met twee armen gestrekt een vuurwapen vast in de richting van het nisje. Enkele seconden later komt [medeverdachte 2] vallend in beeld. Hij heeft een grijskleurig voorwerp in zijn rechterhand, waarover hij heeft verklaard dat dit een vuurwapen is, en richt dit op verdachte [medeverdachte 4] en NN-man 1. Intussen komt op de binnenplaats een onbekend gebleven man (hierna: NN-man 2) die eveneens donkerkleurige handschoenen draagt. Door [medeverdachte 2] wordt er kennelijk geschoten. Zichtbaar is dat verdachte [medeverdachte 4] , NN-man 1 en NN-man 2 terugdeinzen/zich klein maken en in de richting van de poort wegrennen. Verdachte [verdachte] die ter hoogte van de rechterachterzijde van de Mercedes staat (die op de binnenplaats was geparkeerd) verschuilt zich achter de Mercedes. [medeverdachte 2] staat op dat moment op, ziet dat iemand zich achter de Mercedes verschuilt, houdt een vuurwapen op die persoon gericht en loopt links om de Mercedes heen naar die persoon - te weten verdachte [verdachte] - toe. Verdachte [verdachte] draait zich vervolgens om en rent in de richting van de poort. [medeverdachte 2] schiet op dat moment twee keer in de richting van verdachte [verdachte] . Deze valt op de grond, staat op en verlaat de binnenplaats via de poort.

De feitelijke gang van zaken.

Op basis van al hetgeen hiervoor is weergegeven gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Verdachte [verdachte] en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] hebben een conflict. De rechtbank kan de reden van dit conflict – gelet op de uiteenlopende verklaringen hieromtrent – niet vaststellen. Verdachte [verdachte] heeft dit conflict besproken met verdachten [medeverdachte 4] en NN-man 1. Op 4 oktober 2014 rijden - onder meer - de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en NN-man 1 in een zwarte Audi personenauto, gevolgd door een busje met daarin - onder meer - NN-man 2 en NN-man 3 naar de [adres 1] .

Verdachten [medeverdachte 4] en NN-man 1 nemen een vuurwapen mee en dragen handschoenen. [medeverdachte 4] draagt daarbij een kogelwerend vest. NN-man 1 hoogstwaarschijnlijk ook, gelet op de beelden in het dossier. Verdachte [verdachte] draagt ook een kogelwerend vest. NN-man 2 draagt handschoenen en NN-man 3 draagt handschoenen en neemt ook een vuurwapen mee.

Aan het hek vindt een kort gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] enerzijds en de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en NN-man 1 anderzijds. De rechtbank kan – gelet op de uiteenlopende verklaringen hieromtrent – niet vaststellen wat er aan het hek wordt besproken. [medeverdachte 2] draait zich om en loopt weg in de richting van de voordeur.

De verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en NN-man 1 lopen de binnenplaats van de [adres 1] op, waarbij verdachten NN-man 1 en [medeverdachte 4] hun vuurwapens hebben getrokken en doorgeladen. NN-man 1, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bevinden zich in het nisje van de voordeur. Kort daarna wordt er over een weer geschoten. Wat in het nisje precies is voorgevallen, kan de rechtbank op basis van de uiteenlopende verklaringen van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet vaststellen. De camerabeelden geven op dit punt evenmin uitsluitsel.

Op basis van het forensisch onderzoek stelt de rechtbank vast dat met vuurwapen 1 (CZ 75D Compact van het kaliber 9x19mm) minimaal twee keer is geschoten. Bij gebrek aan wettig bewijs kan niet worden vastgesteld wie bij het schietincident dit vuurwapen heeft gehanteerd.

De rechtbank stelt vast dat vuurwapen 2 ( [adres 4] ) is gehanteerd door verdachte [medeverdachte 4] . Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat met dit vuurwapen niet is geschoten, zodat de rechtbank vaststelt dat verdachte [medeverdachte 4] geen schoten heeft gelost, doch enkel een vuurwapen heeft getrokken, doorgeladen en [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] daarmee onder schot heeft gehouden.

Niet is gebleken dat verdachte [verdachte] op enig moment een vuurwapen heeft gehanteerd, zodat de rechtbank vaststelt dat hij niet heeft geschoten. Verdachte [verdachte] heeft versterking ingeroepen door te wenken naar de personen die uit het busje waren gekomen en heeft op de binnenplaats op korte afstand staan kijken naar hetgeen zich afspeelde in het nisje.

Op basis van het forensisch onderzoek stelt de rechtbank vast dat met vuurwapen 3 (CZ 1945 van het kaliber 6,35mm Browning) minimaal vier keer is geschoten. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij dit vuurwapen heeft gehanteerd, zodat vastgesteld kan worden dat verdachte [medeverdachte 2] minimaal vier keer heeft geschoten, waarvan twee keer in (de richting van) de rug van verdachte [verdachte] .

Op basis van de verklaring van verdachte [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kan vastgesteld worden dat NN-man 1 schoten heeft gelost, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich bevonden in/bij het nisje. Tot slot kan worden vastgesteld dat NN-man 3 twee keer heeft geschoten.

Het oordeel van rechtbank.

De rechtbank acht op basis van hetgeen hiervoor is weergegeven niet aannemelijk geworden dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , NN-man 1 en de personen in het busje, waaronder NN-man 2 en NN-man 3, op 4 oktober 2014 de intentie hebben gehad om een vreedzaam gesprek te voeren met [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 2] op de [adres 1] . Daartoe overweegt de rechtbank dat verschillende van de personen die zich naar de [straat] begaven, vuurwapens, kogelwerende vesten en handschoenen droegen. Dat de personen in het busje niets met deze kwestie van doen hadden, zoals betoogd door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] , acht de rechtbank ongeloofwaardig. Daartoe overweegt de rechtbank dat het busje nagenoeg gelijktijdig met de Audi ter plaatse is gekomen en dat NN-man 3 (een van de personen in het busje) evenals de overige verdachten gewapend was, handschoenen droeg en (één of meer) schoten heeft gelost. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt veeleer dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , NN-man 1 en de overige personen in het busje in georganiseerd verband en met een vooropgezet plan naar de [adres 1] zijn gereden.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] volgt dat NN-man 1 geschoten heeft in de richting van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Volgens de verklaring van verdachte [medeverdachte 4] zijn deze schoten in het kozijn terechtgekomen. NN-man 1 heeft zich, door te schieten op – althans in de richting van – [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de aard van de gedraging en de wijze van uitvoering valt af te leiden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . NN-man 1 heeft immers in een onoverzichtelijke en chaotische situatie meerdere keren van dichtbij geschoten op – althans in de richting van – [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het is een algemene ervaringsregel dat dergelijk handelen de aanmerkelijke kans oplevert dat de beschoten personen om het leven komen. Dat deze personen niet zijn overleden, is een omstandigheid die niet aan het handelen van NN-man 1 is te danken. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook NN-man 1 geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft NN-man 1 bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zouden komen te overlijden. Bij NN-man 1 was derhalve minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

Dit voorwaardelijk opzet kan ook aan verdachte [verdachte] worden toegerekend. In het bijzonder overweegt de rechtbank daartoe dat verdachte [verdachte] de initiator is geweest van dit uit de hand gelopen incident. Hij is immers degene geweest die het conflict tussen hem en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft besproken met zijn medeverdachten [medeverdachte 4] en NN-man 1, waarna kennelijk samen een plan is gemaakt om dit conflict op te lossen. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte [verdachte] degene is geweest die op 4 oktober 2014 [medeverdachte 4] , NN-man 1 en de personen in het busje naar de [adres 1] heeft geleid en dat hij, als bekende van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , heeft aangebeld op de [adres 1] . Aldus heeft hij ervoor gezorgd dat er een confrontatie zou ontstaan tussen de door hem meegebrachte personen enerzijds en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] anderzijds. Verdachte [verdachte] is voorts na NN-man 1 de binnenplaats opgelopen, terwijl NN-man 1 op dat moment zijn vuurwapen reeds had getrokken en doorgeladen, hetgeen ook voor [verdachte] kenbaar moet zijn geweest. Verdachte [verdachte] heeft daarnaast een wenkend gebaar gemaakt naar de personen uit het busje, van wie tenminste één een vuurwapen had, dit terwijl [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 2] door verdachte [medeverdachte 4] onder schot werden gehouden. De rechtbank concludeert dat zonder de door verdachte [verdachte] gegeven inlichtingen zijn medeverdachten niet op de [adres 1] terecht waren gekomen en dit incident dan niet zou hebben plaatsgevonden. Nu [verdachte] samen met [medeverdachte 4] en NN-man 1 in de Audi naar de [adres 1] is gekomen en [verdachte] kennelijk, gelet op het kogelwerende vest dat hij droeg, betrokken is geweest bij de voorbereiding van het bezoek, gaat de rechtbank ervan uit dat hij – in ieder geval – wist dat [medeverdachte 4] en NN-man 1 vuurwapens bij zich hadden. Gelet hierop en in aanmerking genomen de aard van het bezoek, heeft [verdachte] bewust het risico aanvaard dat het bezoek aan de [adres 1] uit de hand zou lopen en dat NN-man 1 en verdachte [medeverdachte 4] de vuurwapens ook daadwerkelijk zouden gaan gebruiken. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat [verdachte] zowel bij de voorbereiding van het bezoek aan de [adres 1] als bij dat bezoek zelf een zodanige rol heeft gespeeld, dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn medeverdachten.

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om de camerabeelden te laten optimaliseren door een deskundige (dhr. B. v.d. Heuvel). Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 4 oktober 2014 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, personen (te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) opzettelijk van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, met een vuurwapen in de richting van die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft betoogd dat aan NN-man 1 een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt en dat dientengevolge ook [verdachte] ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de door NN-man 1 geloste schoten geboden waren door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vanwege de door verdachte [medeverdachte 2] geloste schoten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Bij haar oordeel weegt de rechtbank het volgende mee. Na het gesprek met verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en NN-man 1 heeft [medeverdachte 2] zich omgedraaid en is hij in de richting van de voordeur gelopen. Hij heeft zichzelf verwijderd van de groep die aan het hek stond. NN-man 1 heeft vervolgens een wapen getrokken en doorgeladen en is [medeverdachte 2] achterna gelopen. Vervolgens hebben de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] de binnenplaats betreden, waarbij verdachte [medeverdachte 4] een doorgeladen vuurwapen heeft getrokken om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] onder schot te houden. Verdachte [verdachte] heeft op dat moment versterking geroepen door te wenken naar de personen uit het busje. Pas daarna wordt er door [medeverdachte 2] geschoten. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en NN-man 1 noch op grond van hun bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt kunnen worden als verdediging, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moeten worden gezien. Al zou het kloppen dat [medeverdachte 2] tegen hen heeft geroepen dat hij ze kapot zou schieten en dat de verdachten in de veronderstelling waren dat [medeverdachte 2] zwaar wapentuig uit de woning ging halen, dan nog kan dit naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond opleveren voor de handelingen die zij hebben verricht. In plaats van te handelen als hiervóór beschreven, hadden de verdachten er ook voor kunnen en moeten kiezen om in hun voertuig te stappen en weg te rijden. Daartoe hadden zij voldoende tijd en gelegenheid.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht (bijlage 2).

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. Hij is met zijn mededaders naar de woning van [medeverdachte 1] gereden, waarna een schietpartij heeft plaatsgevonden tussen de mededaders van verdachte en [medeverdachte 2] . Dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daarbij het leven niet hebben verloren, is geenszins aan de verdachte en zijn mededaders te danken. De verdachte en zijn mededaders hebben een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rechtbank neemt het de verdachte en zijn mededaders kwalijk dat het schietincident heeft plaatsgevonden voor de woning van [medeverdachte 1] . De woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Schietincidenten zorgen bovendien in het algemeen – zeker wanneer die op straat plaatsvinden – voor veel onrust in de maatschappij. Dit geldt temeer voor de bewoners van de [straat] , nu [medeverdachte 1] voor zijn eigen woning gelegen in een woonwijk is beschoten.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij tot dusverre nauwelijks met politie en justitie in aanraking is geweest, zeker niet ter zake van soortgelijke feiten. Bovendien weegt de rechtbank mee dat verdachte bij het schietincident een geringere rol heeft gespeeld dan [medeverdachte 4] en NN-man 1, nu hij zelf geen vuurwapen bij zich had en niet heeft geschoten.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf en acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming voor de duur als na te melden op zijn plaats.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

ten aanzien van primair:

medeplegen van poging tot doodslag Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

ten aanzien van primair:

 een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

De rechtbank gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een witte Blackberry telefoontoestel (goednummer: 915900) aan [verdachte] voornoemd.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 15 juni 2016 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. J.J. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 6 juli 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, dossiernummer 2014132837, afgesloten d.d. 5 januari 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 1400.

2 Relaas van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] , p. 296-305.

3 Relaas van bevindingen verbalisant [verbalisant 2] , p. 306-307.

4 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , p. 364-395.

5 Relaas van bevindingen verbalisant [verbalisant 2] , p. 306.

6 Verklaring getuige [getuige 1] , p. 536.

7 Relaas van bevindingen verbalisant [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , p. 1080 en p.1082 t/m 1087.

8 Verklaring getuige [getuige 2] , p. 761.

9 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , p. 756.

10 Relaas van bevindingen verbalisant [verbalisant 9] , p. 766.

11 Relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , p. 1196 en 1197.

12 NFI-rapport d.d. 19 maart 2015 van deskundige E.J.A.T. Mattijssen, p. 1315-1326.

13 NFI-rapport d.d. 21 mei 2015 van deskundige B. Jacobs, p. 781-790.

14 Verklaring aangever [medeverdachte 1] , p. 556-558.

15 Verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 917-921.

16 Verklaring verdachte [medeverdachte 2] , p. 809, 886-887.

17 Deze verklaring van verdachte is afgelegd in de strafzaak tegen verdachte [medeverdachte 2] . Ter terechtzitting van 15 juni 2016 is deze verklaring als processtuk gevoegd in de strafzaak tegen verdachte [verdachte] .

18 Verklaring verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris op 7 januari 2016.

19 Verklaring verdachte [medeverdachte 4] , p. 968-1000.