Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3586

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
16_1795
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouw van een school in Cuijk is mogelijk gemaakt door een mede in verband met de komst van de school vastgesteld bestemmingsplan. Na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het bestemmingsplan op onderdelen gewijzigd. Tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw en daarmee samenhangende zaken is bezwaar gemaakt en binnen en buiten de bezwaartermijn zijn twee verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Omdat de omgevingsvergunning mede ziet op de activiteit aanleggen, is de omgevingsvergunning van rechtswege geschorst totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. De voorzieningenrechter heeft op 5 juli 2016 uitgesproken dat hij de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijst. De omgevingsvergunning treedt daarmee in werking en de onderwijsorganisatie kan een aanvang nemen met de bouw van de school. Hierbij heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat de tekst van een planregel (indien deze op zichzelf duidelijk is) leidend is en dat geen waarde kan worden gehecht aan hetgeen de Afdeling in de uitspraak over het bestemmingsplan met betrekking tot de betreffende planregel heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/1795 en SHE 16/1950

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. A. Verhoeven),

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. drs. R.T.M. Lagerweij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk, verweerder

(gemachtigden: C.M.A.P. Burgman en ing. A.K. Heermans).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs, te Tilburg (derde-partij), gemachtigde: drs. P.M. Metzemaekers)

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een middelbare school en diverse daarmee samenhangende activiteiten aan de Katwijkseweg 2 te Cuijk.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft binnen de bezwaartermijn de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SHE 16/1755. Als gevolg van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker is de werking van het bestreden besluit van rechtswege ingevolge artikel 6.1, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. Verzoekster heeft ook bezwaar gemaakt en buiten de bezwarentermijn een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SHE 16/1950.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde alsmede [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1.1

De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 24 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Cuijk het bestemmingsplan “Cuijk, De Valuwe, Merletcollege” (het bestemmingsplan) vastgesteld. Bij besluit van 28 september 2015 heeft de gemeenteraad naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2126) het bestemmingsplan gewijzigd. Bij uitspraak van 23 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:778) heeft de Afdeling een beroep van resterende appellanten niet-ontvankelijk verklaard.

1.2

De derde-partij heeft op 15 maart 2016 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten: bouwen, aanleggen, gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan en realiseren van een uitweg (respectievelijk artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c, alsmede artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo).

2.1

Het bezwaar van verzoekers richt zich niet tegen de toestemming voor het aanleggen van een werk. Het bezwaar van verzoeker richt zich ook niet tegen het aanleggen van een uitweg. De toestemming in de omgevingsvergunning voor het bouwen ziet uitsluitend op het bouwen van de school en niet op het bouwen van voorzieningen ten behoeve van een fietsenstalling, het schoolplein of het plaatsen van lantaarnpalen. De omgevingsvergunning voor het aanleggen van een werk ziet op een voorziening in de waterkering achter de school (bezien vanaf de Katwijkse weg) en ziet niet op de aanleg van het schoolplein of de fietsenstalling of het plaatsen van lantaarnpalen.

2.2

De stellingen van verzoekers dat het schoolplein, de fietsenstalling en de lantaarnpalen in strijd zijn met het bestemmingsplan, het beeldkwaliteitsplan of gedane toezeggingen zal de voorzieningenrechter daarom niet bespreken, omdat het bestreden besluit geen betrekking heeft op het schoolplein, de fietsenstalling en de lantaarnpalen. Hiervoor is immers geen vergunning is verleend. Voor zover verzoekers van mening zijn dat hiervoor wel een omgevingsvergunning is vereist, staat het hen vrij een verzoek om handhaving in te dienen als het schoolplein, de fietsenstalling en/of de lantaarnpalen worden gerealiseerd. De voorzieningenrechter wijst er ter voorkoming van toekomstige geschillen in dit verband wel op dat de derde-partij en verweerder ter zitting nadrukkelijk hebben medegedeeld dat het schoolplein en de fietsenstalling worden gerealiseerd op gronden met (uitsluitend) de bestemming “Maatschappelijk” en dat de fietsenstalling niet wordt voorzien van een dak en daarom niet is aan te merken als een gebouw. Indien deze mededeling juist is, dan valt op voorhand niet in te zien dat het aanleggen van het schoolplein en de fietsenstalling in strijd is met het bestemmingsplan en dat voor het realiseren van de fietsenstalling een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist, gelet op artikel 3, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 4.2.2 van de planregels. De voorzieningenrechter gaat er hierbij van uit dat de fietsenrekken buiten het bouwvlak niet hoger zijn dan 1 meter. Voor het bouwen van de lantaarnpalen is evenmin een vergunning vereist, mits de lantaarnpalen lager zijn dan 5 meter en gelegen in het achtererfgebied. Voor zover de lantaarnpalen hier niet aan voldoen, is een omgevingsvergunning wel vereist. De voorzieningenrechter wijst partijen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:924).

3.1

Volgens verzoekers is het schoolgebouw buiten het bouwvlak geprojecteerd zoals dit is opgenomen in het bestemmingsplan. De westelijke hoek van het schoolgebouw ligt binnen de bestemming “Groen”.

3.2

Verweerder heeft door middel van een tekening waarbij het bouwplan is ingetekend op de verbeelding bij het bestemmingsplan aangegeven dat het bouwplan ligt binnen het bouwvlak.

3.3

Ter zitting heeft verweerder zijn tekening toegelicht. Verzoekers hebben toegelicht op basis waarvan zij denken dat verweerder een fout heeft gemaakt. Zij baseren zich op een tekening die is overgelegd in de procedure rond het bouwrijp maken van de gronden. Hierop is aangegeven waar voorbereidende werkzaamheden worden verricht. Op deze tekening staan twee lijnen bij de zuidgevel van de school. Verweerder en de derde-partij hebben toegelicht dat deze lijnen de gevel van de school weergeven alsmede de (zuidelijker gelegen) grens waarbinnen grondwerk wordt verricht. Deze verklaring van de tekening komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor. Op basis van deze uitleg alsmede de tekening van verweerder stelt de voorzieningenrechter vast dat de zuidgevel (in het bijzonder de zuidwestelijke hoek) van het pand binnen de bestemming “Maatschappelijk” ligt. Van strijd met het bestemmingsplan op dit onderdeel is geen sprake en deze bezwaargrond vormt geen aanleiding voor verdere schorsing van het bestreden besluit. Dit neemt niet weg dat de situering van de school nauw komt kijken en verweerder alsmede de derde-partij er goed aan doen om bij het uitzetten van het werk te verifiëren dat de school op de goede plaats komt te staan. Als dat niet het geval is, wordt gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en kunnen verzoekers hier tegen opkomen.

4.1

Volgens verzoekers wordt de school te hoog. Bij de verlening van de omgevingsvergunning is niet uitgegaan van het peil van de aanliggende weg maar van het terrein bij de school. Volgens hen moet, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, worden uitgegaan van het peil van de aanliggende weg. Bovendien worden de schermen op het dak van de school ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

4.2

Verweerder is uitgegaan van het peil van het terrein ter hoogte van de hoofdingang van de school bij voltooiing van de bouw onder verwijzing naar artikel 2.5 onder b, van de planregels. De schermen waar verzoekers op doelen zijn onderdeel van de installaties die op het dak zijn geplaatst en vormen een ondergeschikt bouwdeel.

4.3

Ingevolge artikel 2, lid 2.5, aanhef en onder a, van de planregels geldt ter bepaling van het peil voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, geldt ter bepaling van het peil de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

4.4

In de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 heeft de Afdeling het volgende overwogen: ”Anders dan [appellanten sub 4] menen is het peil dat als uitgangspunt dient bij de toetsing van het bouwplan gekoppeld aan de hoogte van de aanliggende weg en is de toegelaten bouwhoogte hiervan een afgeleide. Gelet hierop voorziet het plan niet in bebouwing tot hoger dan de op de verbeelding aangegeven hoogtes.”

4.5

Verzoekers moet worden toegegeven dat de overweging van de Afdeling op het eerste gezicht pleit voor de door hen voorgestane bepaling van het peil. Dit neemt echter niet weg dat bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan de tekst van de planregel leidend is. Pas als deze onduidelijk is en moet worden geïnterpreteerd, kan tevens waarde worden gehecht aan de overweging die de Afdeling heeft gemeend te moeten geven in een uitspraak over de planregel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tekst van de planregel klip en klaar is. De hoofdtoegang van de school is op enige afstand gelegen van de Katwijkse weg. Dit heeft tot gevolg dat het peil moet worden bepaald op basis van de hoogte van het terrein ter hoogte van de hoofdtoegang bij voltooiing van het pand. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraken van de Afdeling van 23 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2967) en 5 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:301).

4.6

In het bestemmingsplan staat géén definitie van ‘ondergeschikt bouwdeel’. Deze staat wel in het voorgaande bestemmingsplan “Cuijk, de Valuwe”. Dit bestemmingsplan gold voor de betreffende gronden vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Hierin is de volgende definitie gegeven van ondergeschikt bouwdeel: “bouwdeel van beperkte afmetingen, dat buiten de gevel of het dakvlak van een bouwwerk uitsteekt en niet gericht is op vergroting van het oppervlakte, zoals dakgoten, dakoverstekken, regenafvoerpijpen, rookgasafvoeren, schoorstenen, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftopbouwen, lichtkappen, gevel- en kroonlijsten, luifels en balkons (Cuijk)”.

4.7

Artikel 2.4 van de planregels behorende bij het bestemmingsplan bepaalt met betrekking tot ondergeschikte bouwdelen dat deze bij de toepassing van de bouwregels buiten beschouwing worden gelaten, onder voorwaarde dat:

a de overschrijding van de bouwregels in het horizontale vlak maximaal 1,5 meter is;

b de overschrijding van de bouwregels in het verticale vlak maximaal 3 m is;

c de oppervlakte mag maximaal 10% van het betreffende platte dakvlak of de

horizontale projectie van het schuine dakvlak zijn.

4.8

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de schermen zijn aan te merken als ondergeschikte bouwdelen. Bij gebrek aan een definitie in het bestemmingplan heeft verweerder kunnen aanknopen bij de definitie van ‘ondergeschikt bouwdeel’ in het voorgaande plan. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat deze uitleg van ‘ondergeschikt bouwdeel’ niet afwijkt van het normaal spraakgebruik en in veel bestemmingsplannen wordt gehanteerd. Aan de voorwaarden van artikel 2.4 van de planregels wordt voldaan. De schermen leiden daarom niet tot strijd met de bouwregels.

4.9

Deze bezwaargronden geven geen aanleiding voor verdere schorsing van het bestreden besluit.

5.1

Verzoekers hebben opgemerkt dat de oppervlakte van de derde bouwlaag van de school meer bedraagt dan 50% van de oppervlakte van de tweede bouwlaag. Zij zijn hierbij uitgegaan van de gehele derde verdieping en niet alleen van de vloeroppervlakte van de derde verdieping.

5.2

Verweerder is uitgegaan van het vloeroppervlak van de derde verdieping gelet op de definitie van bouwlaag in het bestemmingsplan. Daarom heeft verweerder de vide buiten beschouwing gelaten. In dat geval wordt voldaan aan de oppervlaktebeperking voor de derde bouwlaag in de planregels.

5.3

In artikel 1 van de planregels wordt een bouwlaag als volgt gedefinieerd: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op gelijk of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren en balklagen/plafonds, met inbegrip van de begane grond, en met uitsluiting van kruipruimte, zolder en vliering.

5.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze definitie niet zonder meer een vide uitsluit (een bouwlaag kan niet alleen worden begrensd door gelijkliggende vloeren maar ook door gelijk liggende plafonds, in tegensteling tot definities van bouwlaag in talloze andere bestemmingsplannen). In verzoekers’ uitleg van het bestemmingsplan wordt de vide alleen tot de derde bouwlaag gerekend maar klaarblijkelijk niet tot de tweede bouwlaag of de eerste bouwlaag (de begane grond). In verweerders uitleg wordt de vide tot de begane grond gerekend. Wat daar verder ook van zij, gelet op de nadruk die wordt gelegd in de definitie op ‘doorlopende’ vloeren respectievelijk plafonds kan het niet de bedoeling zijn geweest van de planwetgever om een ruimte tot meerdere bouwlagen te rekenen. De vraag is derhalve of de vide tot de derde bouwlaag dient te worden gerekend of tot een andere bouwlaag. In het eerste geval is het bouwplan in strijd met artikel 4.2 .1 van de planregels, anders niet. Dit komt onvoldoende tot uitdrukking in het bestreden besluit en zal verweerder nader moeten motiveren in de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekers.

6.1

Verzoekers hebben beiden als bezwaargrond aangevoerd dat het bouwplan voor het schoolgebouw afwijkt van de verbeelding van de school zoals die naar voren komt in het Stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan. Het nieuwe Stedenbouwkundig- en Beeldkwaliteitsplan dat wordt gepresenteerd als een aanvullende toelichting op het definitieve ontwerp van het Merletcollege en de inrichting van de buitenruimte is niet door de gemeenteraad noch het college vastgesteld en daarom ontbeert het elke status en kan het niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag worden gelegd.

6.2

Verweerder erkent dat het bouwplan in afwijking is van het (oude) Beeldkwaliteitsplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan is vastgesteld en als toelichting aan het bestemmingsplan is gehecht. Het definitieve ontwerp van de school wijkt af van het Stedenbouwkundig- en Beeldkwaliteitsplan, omdat de school 200 leerlingen minder huisvest en kleiner is geworden dan voorheen gedacht. Het plan is getoetst en heeft een positief welstandadvies waaruit blijkt dat zowel de welstandscommissie als de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit de overtuiging hebben dat er ondanks de afwijking van het Stedenbouwkundig- en Beeldkwaliteitsplan geen strijd is met redelijke eisen van welstand. De commissies hebben zich daarbij mede gebaseerd op de aanvullende toelichting op het definitief ontwerp Merletcollege en de inrichting van de buitenruimte, waarin is gemotiveerd waarom afgeweken kan worden van het Stedenbouwkundig- en Beeldkwaliteitsplan en aan welke harde stedenbouwkundige en architectonische eisen volledig of gedeeltelijk voldaan wordt. De vergunning is terecht niet geweigerd vanwege strijd met redelijke eisen van welstand.

6.3

Niet in geschil is dat het bouwplan afwijkt van het door de gemeenteraad vastgestelde Stedenbouwkundig- en Beeldkwaliteitsplan. Voor zover verzoekers stellen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het afwijkt van het Beeldkwaliteitsplan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit bezwaar niet zal slagen. Het planologisch kader waaraan ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo een bouwplan moet worden getoetst wordt slechts gevormd door de planregels en de verbeelding bij het bestemmingsplan en dus niet door de toelichting en evenmin door het Beeldkwaliteitsplan.

6.4

Omdat het Beeldkwaliteitsplan wel is vastgesteld door de gemeenteraad, kan verweerder echter niet zonder meer van het Beeldkwaliteitsplan afwijken. Het Beeldkwaliteitsplan heeft in kader van de toetsing van de redelijke eisen van welstand dezelfde status als een gemeentelijke welstandsnota. Verweerder kan hiervan slechts gemotiveerd afwijken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met verwijzing naar het uitgebrachte positieve welstandsadvies voldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van het Beeldkwaliteitsplan en dat desondanks wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand. Verzoekers hebben geen tegenadvies overgelegd dat aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van het advies van de welstandscommissie. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor verdere schorsing van het bestreden besluit. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

7.1

Verzoekers vrezen verder voor schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden.

7.2

Verweerder stelt dat de wijze van uitvoering van het bouwplan geen toetsingskader vormt voor de vergunning voor het onderdeel ‘bouwen’. In de vergunning is het voorschrift opgenomen dat voorzieningen moeten worden getroffen ter voorkoming van schade aan omliggende woningen. Verder moeten de werkzaamheden plaatsvinden conform het bepaalde in de watervergunning.

7.3

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2655) kan de te verwachten schade als gevolg van de uitvoering van het bouwplan in de belangenafweging in het kader van de afwijking van het bestemmingsplan slechts een rol spelen voor zover op voorhand vaststaat dat de uitvoering van bouwwerkzaamheden onvermijdelijk leidt tot schade aan de omgeving. In de omgevingsvergunning wordt mede afgeweken van het bestemmingsplan met betrekking tot De afwijking van het bestemmingsplan heeft mede betrekking op de bouwhoogte. Gelet op bovengenoemde uitspraak zou schade aan de omgeving door bouwwerkzaamheden daarom een rol kunnen spelen. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat onvermijdelijk onherstelbare schade zal ontstaan aan de omgeving. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de derde-partij is gehouden om de schade als gevolg van bouwwerkzaamheden aan de eigendommen van verzoekers te vergoeden en dat in dit kader al wel een (gebruikelijke) vooropname van de woningen heeft plaatsgevonden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor verdere schorsing van het bestreden besluit.

8.1

Verzoekers vrezen verder voor een aanzienlijke waardedaling van hun woningen.

8.2

Ofschoon de voorzieningenrechter zich kan voorstellen dat met de komst van de school de omgeving van verzoekers fors zal veranderen, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding voor verdere schorsing van de omgevingsvergunning. Verzoekers hebben de mogelijkheid om een verzoek om tegemoetkoming in planschade in te dienen (waarmee niet is gezegd dat zij zonder meer voor tegemoetkoming in aanmerking komen).

9.1

Verzoekers stellen dat verweerder handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verzoeker verwijst naar een verslag van een bijeenkomst dat niet bij de gedingstukken zit.

9.2

De voorzieningenrechter is in de eerste plaats in navolging van de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak inzake het bestemmingsplan van oordeel dat verzoekers aan de vorige plannen geen verwachtingen kunnen ontlenen. Hierin heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de gemeenteraad kan terugkomen op eerder uitgesproken verwachtingen ten aanzien van de planologische situatie zonder daarmee te handelen in strijd met het vertrouwens- dan wel rechtszekerheidsbeginsel. Voor zover verzoekers doelen op toezeggingen die in een gesprek met verweerder zouden zijn gedaan, namelijk dat de school slechts in twee bouwlagen zou worden opgericht en niet voor 2026, is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook dergelijke toezeggingen verweerder niet kunnen verplichten om een aanvraag voor een omgevingsvergunning te weigeren als een aanvraag eerder wordt ingediend. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de bouw van de school in drie bouwlagen wordt mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan dat is vastgesteld door de gemeenteraad en niet door verweerder en dat verweerder geen toezeggingen kan doen over hetgeen de gemeenteraad vaststelt. Ofschoon de voorzieningenrechter zich kan voorstellen dat de gang van zaken, als deze is verlopen zoals verzoekers schetsen, voor hen uitermate teleurstellend is verlopen, ziet hij hierin geen reden voor verdere schorsing van het bestreden besluit. Overigens zou het verweerder sieren om hierover alsnog het gesprek met verzoekers aan te gaan.

10.1

Verzoekster voert nog als bezwaar tegen de uitweg aan dat deze in strijd is met het bestemmingsplan en het Stedenbouwkundig- en Beeldkwaliteitsplan. Op de verbeelding is geen uitrit aanwezig en op de nu vergunde plaats en in het Stedenbouwkundig- en Beeldkwaliteitsplan wordt gesteld dat de ontsluiting van het complex aan de noordzijde, via het parkeerterrein van vv SIOL, zal plaatsvinden. Er is geen akoestisch onderzoek gedaan naar de gevolgen van de ontsluiting op de Katwijkseweg. De onlangs gerealiseerde ontsluiting heeft een verkeersaantrekkende werking op gemotoriseerd verkeer dat wil parkeren op het parkeerterrein van de voetbalvereniging.

10.2

Verweerder geeft aan dat de vergunde uitweg slechts een tijdelijke bouwuitrit is die na afronding van de bouw van de school niet meer zal worden gebruikt. De derde-partij heeft dit bevestigd.

10.3

Ingevolge artikel 2.12, derde lid, van de algemene plaatselijke verordening van Cuijk verbiedt verweerder het maken van een uitweg indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht, indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, indien het openhaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast of indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

10.4

In dit geval gaat het om een derde uitweg. Ter zitting heeft verweerder getoond waar de definitieve uitritten van de school zijn gelegen. Deze uitritten zijn niet vergund in de onderhavige omgevingsvergunning, maar in een eerdere vergunning die inmiddels onherroepelijk is. De voorzieningenrechter ziet op basis van het verhandelde ter zitting geen reden hieraan te twijfelen. Vergunning van een derde uitweg is in strijd met genoemd artikel. De voorzieningenrechter acht een derde uitweg slechts geoorloofd indien deze tijdelijk is. Dit is weliswaar door verweerder gesteld, maar dit is niet geborgd door een voorschrift of een termijn in het bestreden besluit. In de bezwaarfase zal verweerder moeten bepalen wanneer de vergunde uitweg moet worden verwijderd. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding om het bestreden besluit verder te schorsen. Gesteld dat sprake is van een tijdelijke uitweg, dan is geen sprake van een onomkeerbare situatie.

11.1

Gelet op rechtsoverweging 5.4 staat niet zonder meer vast dat het bestreden besluit in de bezwaarfase ongewijzigd in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of hierin aanleiding moet worden gezien om het bestreden besluit verder te schorsen. Verzoekers stellen dat het eindigen van de schorsing en de bouw van de school kan leiden tot een onomkeerbare situatie. Daartegenover staat het belang van de derde-partij om zo snel mogelijk te gaan bouwen, te meer omdat de derde-partij is verplicht te gaan bouwen in de zomerperiode gelet op de verleende watervergunning. Uitstel heeft tot gevolg dat de bouw zonder meer met een jaar zal worden uitgesteld. De voorzieningenrechter weegt de belangen van de derde-partij zwaarder dan de belangen van verzoekers. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de planregels niet is bepaald wáár de derde bouwlaag zou moeten worden gerealiseerd. Ook indien ingevolge het bestemmingsplan een kleinere derde bouwlaag is toegelaten, kan dit resulteren in hetzelfde verlies van uitzicht voor verzoekers. Met dit in gedachten valt niet op voorhand uit te sluiten dat, voor zover de oppervlakte van de derde bouwlaag in strijd is met de planregels, dit gebrek in bezwaar kan worden hersteld door het vergunnen van een afwijking van artikel 4.1.2 van de planregels met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor.

11.2

Gelet op het bovenstaande wijst de voorzieningenrechter de verzoeken af. Als gevolg van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker was de werking van het bestreden besluit opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. Voor alle duidelijkheid wijst de voorzieningenrechter er op dat de omgevingsvergunning daarom met deze uitspraak in werking treedt en dat de derde-partij hiervan gebruik kan gaan maken. Als de derde-partij dit doet, handelt zij wel voor eigen risico.

11.3

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.