Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3567

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
C/01/299168 / HA ZA 15-678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

zorgplicht assurantietussenpersoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1925
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/299168 / HA ZA 15-678

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. T. Welschen te 's-Gravenhage,

tegen

1. vennootschap onder firma

ABC CONSULTING FINANCIËLE DIENSTEN,

gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PENIRI B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZIMIS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagden,

advocaat mr. S. van der Burgt te 's-Gravenhage.

Hierna zal eisende partij [eiser] en gedaagde sub 1 ABC Consulting (dan wel [naam medewerker ABC Consulting] ) worden genoemd. Gedaagden gezamenlijk zullen ABC c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 december 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

ABC Consulting, in de persoon van de heer [naam medewerker ABC Consulting] (hierna: [naam medewerker ABC Consulting] ) heeft op 23 januari 2013 een bezoek gebracht aan de recreatiewoning van [eiser] en hem in verband met twee verzekeringsaanvragen diverse vragen gesteld. [eiser] is analfabeet.

2.2.

[eiser] heeft in antwoord op de vraag of hij in de laatste 8 jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking is geweest met politie of justitie geantwoord dat hij tijdens een politie-inval bij zijn dochter, waar hij op dat moment koffie dronk, is meegenomen naar het politiebureau om te worden ondervraagd.

2.3.

[naam medewerker ABC Consulting] heeft de door [eiser] gegeven antwoorden bijgehouden op een aantekeningenvel. [naam medewerker ABC Consulting] heeft vervolgens op kantoor een digitaal aanvraagformulier ingevuld. Op dit formulier is onderstaande vraag door [naam medewerker ABC Consulting] ontkennend beantwoord.

“1. is de aanvrager, of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de laatste 8 jaar, als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel, in aanraking geweest met politie of justitie in verband met:

• Wederrechtelijk verkregen of te verkrijgen voordeel zoals diefstal, verduistering, bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte of poging(en) daartoe;

• Wederrechtelijke benadeling van andere zoals vernieling of beschadiging, mishandeling, afpersing en afdreiging, bedreiging of een ander misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid of tegen het leven of poging(en) daartoe;

• Overtreding van de Wet Wapens en munitie, de Opiumwet of de wet economische delicten?

2.4.

Met ingang van 24 januari 2013 is de opstal en inboedel van de recreatiewoning van [eiser] op het adres [adres] via ABC Consulting bij de Europeesche Verzekering Maatschappij (hierna: Europeesche) verzekerd.

2.5.

Op 24 januari 2013 heeft ABC Consulting aan [eiser] een brief gestuurd, met onder meer de volgende inhoud (productie 1 bij conclusie van antwoord):

“Bij deze zend ik u het aanvraagformulier voor de onlangs afgesloten verzekering.

Gelieve deze te controleren en getekend te retourneren middels bijgevoegde envelop.”

2.6.

Zonder dat daarin wijzigingen zijn aangebracht is het aanvraagformulier door [eiser] ondertekend met datering 25 januari 2013 en geretourneerd aan ABC Consulting. [naam medewerker ABC Consulting] heeft na ontvangst van het ondertekende aanvraagformulier de door hem gemaakte aantekeningen van het gesprek op 23 januari 2013 vernietigd.

2.7.

In de nacht van 19 op 20 september 2013 is de recreatiewoning en de inboedel daarvan volledig door brand verwoest.

2.8.

De Europeesche heeft het verzoek om schadevergoeding bij brief van 9 mei 2014 afgewezen vanwege schending van de mededelingsplicht (productie 6 bij dagvaarding). Deze brief houdt onder meer het volgende in:

“Per brief van 4 april jl. bent u door advocaat, de heer mr. Brens, op de hoogte gesteld van het resultaat van het inzien van uw justitiële documentatie.

Schending mededelingsplicht

Op grond van zijn bevindingen stellen wij ons op het standpunt dat u uw mededelingsplicht hebt geschonden bij het aanvragen van de recreatiehuisverzekering. U hebt het aanvraagformulier niet naar waarheid ingevuld.

Ook hebt u op 19 december vorig jaar tegenover de heer [naam medewerker Gorissen & Van der Zande Schadeonderzoek] (Gorissen & Van der Zande Schadeonderzoek) en de heer [naam medewerker Lengkeek Experises] (Lengkeek Expertises) niet naar waarheid verklaard, toen u op de vraag of u de laatste jaren wel eens met politie en Justitie in aanraking bent geweest, antwoordde dat deze contacten zich hadden beperkt tot hennepkweek. “Ik ben verder niet voor andere delicten met de politie in aanraking geweest”, zo voegde u daaraan toe.”

2.9.

Bij brief van 16 mei 2014 heeft ABC Consulting de Europeesche verzocht om haar standpunt te herzien (productie 7 bij dagvaarding). In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“De schade wordt niet vergoed omdat de heer [eiser] bij de aanvraag van de verzekering onjuist verklaard heeft over zijn strafrechtelijk verleden volgens u.

(…)

Het betreft dus 2 zaken die ruim 7 en 8 jaar voor de brand plaats gevonden hebben en geen enkel causaal verband hebben met de brand.

Verder baseert u uw uitspraak op het gesprek van 19 december waar de heer [eiser] uitspraken heeft gedaan tegen over de onderzoekers. Deze onderzoekers stonden geheel onaangekondigd bij de heer [eiser] op de stoep terwijl deze onder invloed was van valium/morfine. Dit na een zware rugoperatie. De heer [eiser] verklaarde in dit gesprek ook dat de caravan in Tilburg stond en gaf een banknummer op die niet van hem was.

Ik hoop dat ik u overtuigd heb om uw uitspraak te herzien.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht te verklaren dat ABC Consulting toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen (zorgplicht) jegens [eiser] ;

  • -

    ABC c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat,

met hoofdelijke veroordeling van ABC c.s. in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag, tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten en zakelijk weergegeven, dat hij schade heeft geleden doordat ABC Consulting jegens hem niet de zorg in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mag worden verwacht door niet op deugdelijke wijze voor verzekeringen te zorgen. [eiser] stelt daartoe dat tijdens het gesprek op

23 januari 2013 is gesproken over zijn strafrechtelijk verleden en dat daarbij aan de orde is geweest dat hij bij vonnis van 29 maart 2006 door de politierechter is vrijgesproken van een tenlastegelegde overtreding van de Opiumwet (hierna: het hennep-incident). Ook is in dit gesprek door hem aan [naam medewerker ABC Consulting] verteld dat in zijn auto antieke kogeltjes zijn aangetroffen (hierna: het kogeltjes-incident). Reeds gelet op het hennep-incident had ABC Consulting op het digitale aanvraagformulier moeten bevestigen dat [eiser] als verdachte in aanraking was geweest met politie en justitie. Nu ABC Consulting dit heeft nagelaten, is een ondeugdelijke verzekering afgesloten. Wanneer bevestigende beantwoording had geleid tot afwijzing van de verzekeringsaanvraag, had ABC Consulting naar een andere oplossing moeten zoeken of [eiser] moeten informeren dat verzekering onmogelijk was.

3.2.1.

De advocaat van [eiser] heeft ter zitting punt 9. van de dagvaarding gecorrigeerd, in die zin dat daar per abuis is vermeld dat tijdens het intakegesprek ook besproken is dat [eiser] op 7 maart 2007 is veroordeeld door de politierechter tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur. Dit is onjuist. [eiser] is bij verstek veroordeeld en was daarvan tijdens het gesprek op 23 januari 2013 nog niet op de hoogte.

3.3.

ABC Consulting betwist dat zij niet heeft voldaan aan haar zorgplicht. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Tijdens het gesprek op 23 januari 2013 heeft [naam medewerker ABC Consulting] [eiser] gevraagd naar zijn strafrechtelijk verleden. Daarop heeft [eiser] geantwoord dat toen hij een keer koffie dronk bij zijn dochter er een politie-inval plaatsvond in verband met hennep. [eiser] vertelde dat hij in verband met zijn aanwezigheid op dat moment, is meegenomen naar het bureau om te worden ondervraagd, maar dat dit verder geen consequenties heeft gehad. Niet juist is dat [eiser] heeft verteld dat hij in 2006 door de politierechter in dit hennep-incident is vrijgesproken. Het kogeltjes-incident is tijdens dit gesprek niet aan de orde geweest. Dat [eiser] als getuige in het hennep-incident door de politie is gehoord, is niet relevant bij de beantwoording van de hiervoor onder 2.3. weergegeven vraag. Met haar brief van 16 mei 2014 aan de Europeesche heeft ABC Consulting zich slechts optimaal willen inzetten voor [eiser] . Uit deze brief kan niet worden afgeleid dat [naam medewerker ABC Consulting] erkent dat [eiser] hem tijdens het gesprek op

23 januari 2013 heeft geïnformeerd over de twee incidenten zoals die zich hebben voorgedaan.

ABC Consulting betwist dat een causaal verband kan worden aangenomen tussen haar handelen en de door [eiser] gestelde schade. Wanneer bevestigend zou zijn geantwoord op de vraag of [eiser] als verdachte met politie en justitie in aanraking was geweest, zou de verzekeringsaanvraag zijn afgewezen en zou er voor [eiser] geen mogelijkheid zijn geweest om zich elders te verzekeren. Dit betekent dat de schade van [eiser] hoe dan ook was ontstaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Centraal staat de vraag of op grond van de door [eiser] gestelde feiten is komen vast te staan of ABC Consulting in haar zorgplicht is tekortgeschoten. Bij de beoordeling daarvan geldt als maatstaf of ABC Consulting de zorg heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelende assurantietussenpersoon mag worden verwacht.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie mag van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon worden verwacht dat hij aan de verzekeraar voldoende inlichtingen geeft om deze ervan te weerhouden naderhand een beroep op (thans) artikel 7:928 BW te doen. In dit artikel is de mededelingsplicht van de verzekeringnemer neergelegd. Een assurantietussenpersoon mag er niet van uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt volledig en juist zijn. Een assurantietussenpersoon dient bij een aspirant-verzekeringnemer informatie in te winnen, ook wanneer het gaat om feiten betreffende een eventueel strafrechtelijk verleden, voor zover die feiten van belang zijn voor de beantwoording van vragen die de verzekeraar met betrekking tot het aangaan van de verzekering heeft gesteld. De assurantietussenpersoon dient daarbij ermee rekening te houden dat zijn cliënt niet spontaan zal overgaan tot vermelding van gegevens omtrent zijn strafrechtelijk verleden (vgl. HR 22 november 1996, NJ 1997, 718 en HR 11 december 1998, NJ 1999, 650).

4.3.

Vast staat dat [eiser] tijdens het gesprek op 23 januari 2013, in antwoord op de vragen van [naam medewerker ABC Consulting] met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden, heeft geantwoord dat hij tijdens de politie-inval bij zijn dochter is meegenomen naar het politiebureau om te worden ondervraagd. Nog daargelaten of [naam medewerker ABC Consulting] zich had moeten realiseren, zoals [eiser] stelt, dat alleen een verdachte door de politie kan worden verhoord, is de rechtbank van oordeel dat van [naam medewerker ABC Consulting] had mogen worden verwacht dat hij bij [eiser] had doorgevraagd naar de exacte toedracht en betrokkenheid van [eiser] bij de gebeurtenissen rond de politie-inval bij zijn dochter. [naam medewerker ABC Consulting] had zich met betrekking tot dit hennep-incident ervan moeten overtuigen dat [eiser] hierbij niet als verdachte betrokken was en had zich nader moeten laten informeren over de inhoud van de mededeling van [eiser] dat een en ander zonder consequenties is gebleven. [naam medewerker ABC Consulting] had in ieder geval niet zelf de afweging mogen maken, zonder overleg met de verzekeraar, dat de geschetste gebeurtenis in het kader van de mededelingsplicht voor de verzekeraar niet relevant zou zijn. [naam medewerker ABC Consulting] had de verzekeraar moeten informeren over hetgeen [eiser] naar voren had gebracht, opdat de verzekeraar had kunnen beslissen of zij onder die omstandigheden de verzekeringen met [eiser] wilde aangaan.

Als niet weersproken staat vast dat [naam medewerker ABC Consulting] tijdens voormeld gesprek aan [eiser] heeft verteld dat de gebeurtenissen rond het hennep-incident door hem niet relevant werden geacht voor een bevestigende beantwoording van de vraag met betrekking tot de mededelingsplicht. Onder die omstandigheden kan het [eiser] niet worden verweten, zoals ABC Consulting aanvoert, dat hij het naderhand door [naam medewerker ABC Consulting] opgemaakte digitale aanvraagformulier ongecorrigeerd heeft ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eiser] hierbij afgaan op de ter zake gedane uitlating van [naam medewerker ABC Consulting] , van wie immers mag worden verondersteld dat hij als assurantietussenpersoon weet welke gegevens voor de verzekeraar van belang zijn.

Als verzwarende omstandigheid dient daarbij in aanmerking te worden genomen dat [naam medewerker ABC Consulting] wist dat [eiser] analfabeet is. [eiser] was derhalve afhankelijk van [naam medewerker ABC Consulting] voor het doornemen van de verzekeringsaanvragen en het juist invullen van het (digitale) aanvraagformulier. In dat verband wordt het [naam medewerker ABC Consulting] ook aangerekend dat hij de door hem gemaakte aantekeningen van de door [eiser] gegeven antwoorden heeft vernietigd.

4.4.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat ABC Consulting niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon kan worden verwacht door ten aanzien van het strafrechtelijk verleden van [eiser] niet door te vragen en, zonder overleg met de verzekeraar, zelf de afweging te hebben gemaakt dat hetgeen [eiser] heeft verteld in het kader van diens mededelingsplicht niet relevant is.

4.5.

Vanwege het tekortschieten in haar zorgplicht is ABC Consulting aansprakelijk voor de hierdoor door [eiser] geleden schade.

4.6.

De zaak zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure, aangezien de mogelijkheid dat [eiser] schade heeft geleden, reeds in verband met de door hem betaalde verzekeringspremie, voldoende aannemelijk is gemaakt.

4.7.

De vraag of de onderhavige verzekeringen bij het bekend zijn van de juiste gegevens omtrent het strafrechtelijk verleden van [eiser] wel geaccepteerd zouden zijn en zo ja, onder welke voorwaarden, wordt in beginsel niet van belang geacht, omdat [eiser] in het geval van een weigering van de verzekering of een aanbod tot acceptatie van de risico’s onder andere, mogelijk zwaardere, voorwaarden zijn verdere handelen daarop had kunnen afstemmen.

4.8.

ABC c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 92,21

- griffierecht 78,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.074,21

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat ABC Consulting toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen (zorgplicht) jegens [eiser] ;

5.2.

veroordeelt ABC c.s. – hoofdelijk – tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat;

5.3.

veroordeelt ABC c.s. – hoofdelijk - in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.074,21;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M.A. van der Put en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.