Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3389

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
4818387 MU VERZ 16-165
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Honderd mensen die op de Julianalaan in Helmond door rood reden, hebben terecht een boete gekregen. De automobilisten maakten bezwaar tegen de boete omdat onder meer de flitspalen niet geijkt zouden zijn en niet is vast te stellen wanneer er onderhoud aan de palen is gepleegd.

Volgens de kantonrechter is er geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de flitspalen. Op de foto’s van de overtredingen is duidelijk te zien dat de auto’s door rood reden. Ook is niet gebleken dat de automobilisten niet tijdig op een verantwoorde wijze hebben kunnen stoppen voor het gele verkeerslicht. En omdat ze bij geel licht zijn doorgereden terwijl ze konden en moesten stoppen, hebben ze het risico aanvaard dat het licht nog tijdens hun manoeuvre op rood zou springen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht, Mulderzaken

locatie Eindhoven

Zaaknummer : 4818387 MU VERZ 16-165

CJIB-nummer : 187542760

CVOM-nummer : FW3682

Beslissing d.d. 27 juni 2016

inzake

[betrokkene] ,

wonende te [adres 1] ,

hierna te noemen: betrokkene,

[gemachtigde] .

De procedure

Op de in het openbaar gehouden zitting van 20 juni 2016 is mr. T.J.M. Kolfschoten, kantonrechter, bijgestaan door mw. A. van der Hall-van Lier als griffier, overgegaan tot de mondelinge behandeling van het beroep dat door de gemachtigde is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie met bovengenoemd CJIB-nummer.

Het beroepschrift is gericht tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 7 juli 2015 terzake de gedraging niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht, gepleegd op 3 februari 2015 om 19.21 uur te Helmond, Julianalaan in de gemeente Helmond met een personenauto voorzien van het [kenteken 1] .

Namens de officier van justitie is de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie verschenen. Gemachtigde is ter zitting verschenen.

Gemachtigde heeft beroep ingesteld en daartoe aangevoerd hetgeen is vermeld in het beroepschrift, dat zich bij de stukken van het geding bevindt.

De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren.

Gemachtigde is tijdig in beroep gegaan. Voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten is zekerheid gesteld. Gemachtigde is derhalve ontvankelijk in zijn beroep.

Door de gemachtigde is tegen meerdere beschikkingen, betrekking hebbend op de in de betreffende beschikking nader genoemde verkeersinstallatie in Helmond, beroep ingesteld. In een aantal van deze beroepschriften is de verdere behandeling aangehouden in afwachting van nadere gegevens van de officier van justitie. Door de officier van justitie zijn de volgende nadere stukken in het geding gebracht:

- Een brief van [persoon 1] , Senior Advisor bij [bedrijf 1] , d.d. 14 januari 2015 met één bijlage;

  • -

    Een overzicht van het emailverkeer tussen [persoon 1] en mr. M. Franssen, zittingsvertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, waarin [persoon 1] reageert op vragen die door de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie / door gemachtigde zijn gesteld;

  • -

    Een brief van [persoon 1] , Senior Advisor bij [bedrijf 1] , d.d. 14 juli 2015;

  • -

    Een brief van [persoon 2] , Teammanager Wegen bij de gemeente Helmond d.d. 13 mei 2015;

  • -

    Een brief van [persoon 3] , Contractmanager bij de afdeling Directie Bedrijfsvoering & ICT van het Centraal Justitieel Incassobureau.

Deze aanvullende gegevens zullen in alle door gemachtigde ingediende beroepschriften betrokken worden.

De inhoudelijke overweging

1.0

Gemachtigde stelt dat de gebruikte gegevens onbetrouwbaar zijn.

1.1

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de gebruikte gegevens onbetrouwbaar zijn, voert gemachtigde ten eerste aan dat de flitspaal niet is geijkt/gekeurd met betrekking tot roodlicht-controle. Gemachtigde voert tevens aan dat de ijkrapporten niet geldig zijn. Daarnaast voert gemachtigde aan dat er geen logboek met betrekking tot onderhoud van het apparaat is, waardoor niet is vast te stellen of en wanneer onderhoud heeft plaatsgevonden en/of het huidige rapport wel geldig is. Uit de NMI-verklaringen van 31 januari 2014 tot en met heden blijkt volgens gemachtigde uit de serienummers dat het apparaat tussentijds tweemaal is vervangen. Omdat er geen logboek is, is niet vast te stellen wanneer de vervangingen hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van gemachtigde zijn de NMI-rapporten daarom niet geldig en moeten alle door de flitspaal gegenereerde gegevens in twijfel worden getrokken nu de betrouwbaarheid van deze gegevens op geen enkele manier worden gewaarborgd.

1.1.1

De kantonrechter oordeelt hieromtrent als volgt. De Regeling meetmiddelen politie vereist niet een periodieke keuring van detectielussen en daaraan gekoppelde camera’s die worden gebruikt voor roodlichtgedragingen. Periodieke ijking van de betreffende meetinstallatie is daarom noch op grond van de Regeling meetmiddelen politie noch op grond van enige andere wettelijke bepaling voorgeschreven.

1.1.2

In het dossier bevindt zich geen logboek. Geen wettelijke bepaling schrijft voor dat in dit geval, waarin het gaat om een met radarapparatuur geconstateerde roodlichtovertreding, het logboek met betrekking tot het onderhoud van die apparatuur deel moet uitmaken van de stukken van het geding. De kantonrechter hoeft dergelijke stukken ook niet in zijn beoordeling te betrekken.

In de brief van [persoon 2] (gemeente Helmond) d.d. 13 mei 2015 wordt vermeld dat er slechts renovatiewerkzaamheden waren in de maanden 09 en 10/2012 en dat de nieuwe RoodLichtCamera’s (RLC) medio 10-2013 in bedrijf zijn genomen. Verder waren er herasfalterings- werkzaamheden in de maand 04-2015. De renovatiewerkzaamheden van 2012 waren van invloed op de werking van de RLC en de VerkeersRegelInstallatie (VRI), maar de herasfalteringswerkzaamheden van 2015 niet. Bij de renovatiewerkzaamheden van 2012 waren de RLC en de VRI enige tijd buiten werking, maar bij de andere werkzaamheden niet.

Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter geen redenen om aan te nemen dat de flitspaal tussentijds is vervangen en dat deze wellicht op enig moment in werking was zonder dat deze gekeurd was. Afgezien van het voorgaande is op de foto’s van de overtreding duidelijk zichtbaar dat het voertuig door rood licht is gereden, nu op zowel de eerste foto met daarop het voertuig nog voor de stopstreep als op de tweede foto waarop te zien is dat het voertuig is door gereden, duidelijk te zien is dat het verkeerslicht rood licht uitstraalt. De kantonrechter twijfelt daarom ook niet aan de betrouwbaarheid van de door de flitspaal gegenereerde gegevens. De kantonrechter verwerpt het verweer van gemachtigde.

1.2

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de gebruikte gegevens onbetrouwbaar zijn, voert gemachtigde ten tweede aan dat het tijdstempel op de flitsfoto’s onbetrouwbaar is, nu het tijdstempel op beide foto’s identiek is, maar er volgens de intervaltijd een tijdsverschil bestaat van 1,3 seconden (Hierbij gaat gemachtigde uit van een voorbeeldfoto).

Gemachtigde stelt tevens dat op één van beide flitsfoto’s de gemeten snelheid niet correct kan zijn. Op beide flitsfoto’s is namelijk een voertuig te zien met de remlichten aan en op beide foto’s is de vermelde snelheid identiek. Wanneer een voertuig moet worden geacht binnen 2,8 seconden de snelheid van 50 km/h te verlagen naar stilstand, zou op de tweede foto (na 1,3 seconden intervaltijd) de snelheid aanzienlijk lager moeten zijn.

Gemachtigde voert verder aan dat op de eerste flitsfoto de roodtijd 0,9 seconden bedraagt en op de tweede flitsfoto 2,3 seconden. Naar het oordeel van gemachtigde strookt dit niet met de intervaltijd van 1,3 seconden.

1.2.1

De kantonrechter stelt voorop dat reeds bij een geringe aanraking van het rempedaal het remlicht oplicht. Het hoeft derhalve niet zo te zijn dat de snelheid van het voertuig op de tweede foto (1,3 seconden later dan de eerste foto) (aanzienlijk) lager is. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gemachtigde ook niet aannemelijk gemaakt dat de op de tweede foto vermelde snelheid van het voertuig aanzienlijk lager is.

In het onderschrift bij de eerste foto is de roodtijd 0,9 seconden. De tweede foto is 1,3 seconden later genomen. Op dat moment zou de roodtijd dan ook 2,2 seconden moeten zijn. In het onderschrift bij de foto staat echter dat de roodtijd 2,3 seconden bedraagt, een verschil van 0,1 seconden. Daaraan voorafgaand is een geeltijd geweest van 2,9 seconden.

Het verschil van 0,1 seconden tussen de roodtijd in het onderschrift bij beide foto’s en de intervaltijd geeft de kantonrechter geen reden te twijfelen aan de juistheid van de foto’s van de gedraging. Hier neemt de kantonrechter in aanmerking dat op de foto’s duidelijk te zien is dat het voertuig door rood rijdt.

1.3

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de gebruikte gegevens onbetrouwbaar zijn, voert gemachtigde ten derde aan dat de geeltijd die de verkeerslichten uitstralen afwijken van de op de flitsfoto’s gehanteerde althans vermelde 3,0 seconden. Gemachtigde voert aan dat hij op 10 november 2014 een groen-geel-rood cyclus van het betreffende verkeerslicht heeft gefilmd en met behulp van een videobewerkingssoftware een berekening heeft gemaakt, welke resulteerde in een volle geeltijd van 2,5 seconden.

1.3.1

De kantonrechter stelt voorop dat de meting van gemachtigde kennelijk is gemaakt met een eigen camera, welke niet is geijkt en/of gecertificeerd. De kantonrechter kent aan de meting van gemachtigde derhalve geen doorslaggevende betekenis toe.

1.3.2

In de brief van [persoon 3] van het CJIB wordt – onder meer - het volgende vermeld:

“Het handhavingsmiddel hanteert de minimale geeltijden zoals vastgesteld in de CROW richtlijnen. Indien een kortere geeltijd vanuit de VRI wordt vastgesteld, wordt er geen overtreding geregistreerd.”

en

“Op de Verkeer Regel Installatie (VRI) wordt een geeltijd ingesteld in opdracht van de wegbeheerder. In de geellichttijd zit een marge om de bestuurder de gelegenheid te geven zijn voertuig tijdig voor de stopstreep tot stilstand te brengen. Voor de instelling van de geeltijd op de VRI is door het CROW een richtlijn opgesteld die als norm geldt.

Er wordt waargenomen dat wegbeheerders geen of onvoldoende rekening houden met de CROW-richtlijnen door de geeltijd op de VRI te verkorten ten opzichte van de CROW-richtlijn, bijvoorbeeld om de verkeersdoorstroming te bevorderen. Er wordt tevens waargenomen, vanuit dezelfde doelstelling om de verkeersdoorstroming te bevorderen, dat geeltijden (en trouwens ook roodtijden) variabel worden ingesteld op de VRI (waarschijnlijk afhankelijk van tijdstip en/of verkeersaanbod).”

“Op het HHM wordt ook een geeltijd ingesteld: de minimale geeltijd. De minimale geeltijd op het HHM is de geeltijd die minimaal verstreken moet zijn om de geconstateerde overtreding juridisch gezien houdbaar te achten. Daartoe voert het HHM, middels een meting van de waargenomen geeltijd op de VRI, een vergelijking uit tussen de ingestelde geeltijd op de VRI en de ingestelde minimale geeltijd op het HHM.”

en

“De tabel uit eis-14 wordt gebruikt voor de instelling van de minimale geeltijd op het HHM. De tabel uit eis-14 houdt rekening met een zekere vertraging in de waarneming van een HHM van een daadwerkelijke geeltijd op de VRI door: aangloeien van gele licht, transport van signaal tussen VRI en HHM. Aangezien de geeltijd in tienden van seconden wordt gemeten, wordt voor het vertragingseffect 0,2 seconden genomen.

Er kan pas sprake zijn van een overtreding indien de geeltijd op de VRI zoals die wordt waargenomen door het HHM gelijk of groter is dan de ingestelde minimum geeltijd op het HHM. Indien deze – gemeten – geeltijd kleiner is dan de minimale geeltijd dan wordt geen overtreding geconstateerd door het HHM.”

1.3.3

Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de kantonrechter dus mogelijk dat de VRI op enig moment een kortere geeltijd hanteert dan in de CROW-richtlijnen vastgestelde minimale geeltijd en dan de ingestelde geeltijd op het HHM. In dat geval zal echter geen overtreding worden geregistreerd. Gemachtigde heeft ook niet aannemelijk gemaakt dan wel gesteld dat er in een dergelijk geval wel een overtreding wordt geregistreerd.

1.3.4

Het bepaalde in artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 en vaste jurisprudentie in aanmerking genomen, mag in het algemeen worden verwacht dat een bestuurder te allen tijde in staat is het voertuig tijdig en op verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert op een verkeerslicht dat hij nadert en zijn snelheid zodanig aanpast dat hij tijdig kan stoppen. Indien een driekleurig verkeerslicht geel licht uitstraalt, houdt dit in beginsel in dat moet worden gestopt, ongeacht de verwachting van de bestuurder met betrekking tot de tijd dat het verkeerslicht geel licht zal uitstralen. Slechts indien men op dat moment het verkeerslicht zo dicht genaderd is dat stoppen niet meer mogelijk is, mag men doorrijden.

Het voorgaande in aanmerking genomen, is voor de beoordeling van de kantonrechter slechts relevant of de betrokkene onder de gegeven omstandigheden tijdig heeft kunnen stoppen voor het verkeerslicht. De door het CROW gegeven adviezen met betrekking tot de geeltijd zijn daarbij niet leidend. Een individuele weggebruiker kan aan een dergelijk advies, dat niet dwingend is en zich slechts tot de wegbeheerder richt, op zichzelf ook geen rechten ontlenen. De kantonrechter zal het verweer van de gemachtigde beoordelen op basis van de omstandigheden van het geval.

Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat gemachtigde meerdere beroepen bij de kantonrechter heeft lopen over dezelfde gedraging op dezelfde pleeglocatie met nagenoeg hetzelfde verweer.

Bij de beoordeling van de vraag of onder de gegeven omstandigheden op verantwoorde wijze voor het rode verkeerslicht kon worden gestopt, zal de kantonrechter de benodigde stopafstand berekenen. Daarbij gaat de kantonrechter uit van de in al deze zaken van gemachtigde geconstateerde kortste ‘overtredingstijd’ (0,4 seconden rood licht) en de hoogst gemeten snelheid op het moment van de overtreding, zonder de maximumsnelheid ter plaatse te overschrijden (50 km/h). Bij de berekening van de stopafstand gaat de kantonrechter tevens uit van de stelling van gemachtigde, dat het verkeerslicht slechts 2,5 seconden geel licht zou uitstralen.

De stopafstand bestaat uit de remweg van het voertuig, plus de afstand die nog wordt afgelegd in de reactietijd van één seconde voordat na het signaleren van het gele licht begonnen wordt met remmen. Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat de remweg wordt bepaald door toepassing van de formule S=V2/2xA. Daarbij staat S voor de remweg, V voor de beginsnelheid en A voor de remvertraging.

-Artikel 5.2.38, eerste lid, Regeling Voertuigen bepaalt dat een voertuig, dat in gebruik is genomen na 31 december 2011 moet beschikken over een bedrijfsrem waarvan de remvertraging tenminste 5,8 m/s2 bedraagt.

Toepassing van de remwegformule op een beginsnelheid van 50 km/h (13,88 m/s), zijnde de geldende maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, en een remvertraging van 5,8 m/s2 levert een remweg op van 16,61 meter. Wanneer daar de reactieafstand van 13,88 meter bij opgeteld wordt, blijkt dat de stopafstand van het voertuig 30,49 meter is.

Als ervan wordt uitgegaan dat de betrokkene, op het moment dat het verkeerslicht geel licht begon uit te stralen, reed met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/h (13,88 m/s), was de betrokkene op dat moment ongeveer 40,25 meter (13,88 meter x 2,9 seconden, bestaande uit 2,5 seconden geel licht en 0,4 seconden rood licht) van de stopstreep verwijderd. Derhalve is de stopafstand van 30,49 meter ruim voldoende geweest om tijdig te kunnen stoppen.

-Artikel 5.2.38, tweede lid, Regeling Voertuigen bepaalt dat een voertuig, dat in gebruik is genomen tussen 30 juni 1967 en 1 januari 2012 moet beschikken over een bedrijfsrem waarvan de remvertraging tenminste 5,2 m/s2 bedraagt.

Toepassing van de remwegformule op een beginsnelheid van 50 km/h (13,88 m/s), zijnde de geldende maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, en een remvertraging van 5,2 m/s2 levert een remweg op van 18,52 meter. Wanneer daar de reactieafstand van 13,88 meter bij opgeteld wordt, blijkt dat de stopafstand van het voertuig 32,40 meter is.

Als ervan wordt uitgegaan dat de betrokkene, op het moment dat het verkeerslicht geel licht begon uit te stralen, reed met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/h (13,88 m/s), was de betrokkene op dat moment ongeveer 40,25 meter (13,88 meter x 2,9 seconden, bestaande uit 2,5 seconden geel licht en 0,4 seconden rood licht) van de stopstreep verwijderd. Derhalve is een stopafstand van 32,40 meter ruim voldoende om tijdig te kunnen stoppen.

De kantonrechter merkt hierbij op dat bij verreweg de meeste voertuigen de remvertraging een stuk groter is dan minimaal vereist, zodat de remweg, en dus ook de totale stopafstand, feitelijk korter is.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de betrokkene niet tijdig en op verantwoorde wijze heeft kunnen stoppen voor het verkeerslicht. Doordat de betrokkene bij geel licht is doorgereden, terwijl hij moest – en kon – stoppen, heeft hij het risico aanvaard dat het verkeerslicht nog gedurende zijn manoeuvre rood licht zou gaan uitstralen.

1.3.5

De stelling van gemachtigde dat de gebruikte gegevens onbetrouwbaar zijn omdat de geeltijd die de verkeerslichten uitstralen afwijken van de op de flitsfoto’s gehanteerde althans vermelde 3,0 seconden, slaagt derhalve niet.

1.4

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de gebruikte gegevens onbetrouwbaar zijn, voert gemachtigde ten slotte aan dat er sprake is van een pardontijd van 0,4 seconden. Dit betekent dat er een technische correctie wordt gedaan waardoor pas na 0,4 seconden wordt geflitst. Deze correctie ziet gemachtigde echter nergens terug. Gemachtigde is daarom van mening dat het zou kunnen dat betrokkene binnen die 0,4 seconden door rood is gereden en geflitst.

1.4.1

In de brief van [persoon 3] van het CJIB wordt vermeld dat het handhavingsmiddel (HHM), middels een meting van de waargenomen geeltijd op de VerkeersRegelInstallatie (VRI), een vergelijking uitvoert tussen de ingestelde geeltijd op de VRI en de ingestelde minimale geeltijd op het HHM. Deze geeltijd wordt ingesteld volgens een de tabel uit eis-14 van het Handboek Verkeerslichtenregeling dat door CROW is opgesteld. Deze tabel houdt rekening met een zekere vertraging in de waarneming van een HHM van een daadwerkelijke geeltijd op de VRI door: aangloeien van gele licht, transport van signaal tussen VRI en HHM. Aangezien de geeltijd in tienden van seconden wordt gemeten, wordt voor het vertragingseffect 0,2 seconden genomen.

Er kan pas sprake zijn van een overtreding indien de geeltijd op de VRI zoals die wordt waargenomen door het HHM gelijk of groter is dan de ingestelde minimum geeltijd op het HHM. Indien deze – gemeten – geeltijd kleiner is dan de minimale geeltijd dan wordt geen overtreding geconstateerd door het HHM.

Dit betekent dus dat een voertuig pas wordt geflitst als deze “pardontijd” reeds is verstreken.

Bovendien merkt de kantonrechter met betrekking tot de pardontijd op dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 15 januari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:232) heeft beslist dat de aangegeven roodlichttijd de werkelijke tijd is dat het verkeerslicht rood licht heeft uitgestraald; deze gegevens worden alleen weergegeven als het betreffende verkeerslicht daadwerkelijk rood licht uitstraalt. De pardontijd geeft slechts een marge aan waarbinnen –bij rood licht- een overschrijding van de lusdetector niet leidt tot fotoregistratie van de overtreding; de flitspaal zal pas flitsen na de pardontijd. Kennelijk was de aldus ingestelde pardontijd reeds verstreken toen het voertuig van de betrokkene door de lusdetector werd geregistreerd. Dat kan niet wegnemen dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep passeerde toen het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Het voorgaande brengt mee, dat het verweer van de gemachtigde niet slaagt.

1.5

Gelet op hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen en het feit dat op de foto’s van de overtreding duidelijk zichtbaar is dat het voertuig van betrokkene door rood is gereden, is de kantonrechter van oordeel dat er geen reden is tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de gebruikte gegevens en is de kantonrechter van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de gedraging is verricht.

2.0

Gemachtigde stelt dat het apparaat waarmee de vermeende overtreding zou zijn waargenomen een [bedrijf 1] T-serie betreft. Deze apparatuur legt continue beelden vast met een framerate van 25 fps (25 frames = beelden per seconde). Volgens gemachtigde is er dan sprake van filmen. De betreffende apparatuur begint elk passerend en op dat specifieke moment nog onschuldig voertuig vanaf een vooralsnog onbekend maar bepaald moment te filmen en blijft het vervolgens volgen tot het al dan niet een overtreding begaat. Doordat er continue gefilmd wordt, wordt er volgens gemachtigde inbreuk gemaakt op de privacy van alle passanten. Gemachtigde stelt dat hiermee sprake is van cameratoezicht en dat daarvoor een besluit van het college van B&W is vereist en dat het volgens het College Bescherming Persoonsgegevens niet is toegestaan camera’s voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor ze zijn geplaatst.

2.1

[persoon 1] van [bedrijf 1] beschrijft in zijn brieven d.d. 14 januari 2015 en 14 juli 2015 en in het overzicht van het emailverkeer tussen [persoon 1] en mr. M. Franssen, zittingsvertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, hoe het systeem werkt. Hij verklaart onder meer dat er geen sprake is van filmen, maar van een reeks lage resolutieopnamen van 25 opnamen per seconden en dat het gebruikte systeem wel een framerate van 30 beelden per seconden kan maken, maar dat dat in Nederland niet wordt toegepast.

2.1.1

De kantonrechter laat in het midden of er in het geval van een reeks lage resolutieopnamen van 25 opnamen per seconden al dan niet sprake is van filmen. Als er al sprake is van filmen, dan oordeelt de kantonrechter als volgt.

De kantonrechter stelt vast dat de politie ingevolge artikel 3 van de Politiewet 2012 onder meer tot taak heeft te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. In dat kader dient controlerend en handhavend te worden opgetreden, ook in het kader van de verkeersveiligheid. Gezien deze politietaak is de kantonrechter, overigens in lijn met hetgeen daarover in eerdere jurisprudentie wordt aangenomen, van oordeel dat in dit artikel van de Politiewet voldoende wettelijke grondslag kan worden gevonden voor de inbreuk op de privacy van betrokkene waarvan thans sprake is. Daarbij neemt de kantonrechter uitdrukkelijk in overweging dat er naar zijn oordeel sprake is van een geringe mate van inbreuk en dat de registratie bij niet-overtreders wordt gewist en niet wordt doorgezonden naar het CJIB.

2.2

Gemachtigde stelt dat in de brieven van [persoon 1] van [bedrijf 1] niet naar voren komt wanneer en hoe ‘nutteloze’ beelden worden vernietigd. De beelden wissen is naar de mening van gemachtigde onvoldoende, aangezien gewiste data enkel kunstmatig ontoegankelijk worden gemaakt op een harddisk. Fysiek zijn de data echter nog gewoon aanwezig (en daarmee opgeslagen). Volgens gemachtigde wordt de privacy van de op de beelden vastgelegde passanten op geen enkele manier gewaarborgd.

Gemachtigde stelt tevens dat onbevoegden toegang hebben tot deze gegevens, hetgeen volgens hem blijkt uit de bijlage bij de brief van [bedrijf 1] van 14 januari 2015, waarin twee voorbeeldfoto’s van een overtreding zijn te zien. Volgens gemachtigde blijkt hieruit dat de vertegenwoordiger van [bedrijf 1] vrijelijk over de gegevens kan beschikken, hetgeen naar zijn oordeel in strijd is met artikel 7 lid 2 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).

2.2.1

De foto’s die [persoon 1] van [bedrijf 1] als voorbeeld heeft meegestuurd als bijlage bij zijn brief zijn van een roodlichtovertreding. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van het gebruik van één foto van een roodlichtovertreding door [persoon 1] niet worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat gemachtigde stelt, de “nutteloze” foto’s, dus de lage resolutiefoto’s van voertuigen die geen overtreding hebben begaan, niet zijn verwijderd en dat onbevoegden aan deze “nutteloze” foto’s danwel aan de foto’s van roodlichtovertredingen kunnen komen. De kantonrechter acht het eerder aannemelijk dat de foto die [persoon 1] gebruikt een voorbeeld is (bijvoorbeeld een testfoto), dan wel dat deze is verkregen met instemming van de betreffende persoon. De enkele stelling van gemachtigde dat de lage resolutie foto’s van niet-overtredingen niet (voldoende) worden verwijderd en dat onbevoegden aan de door het systeem gemaakte foto’s kunnen komen, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende, nu de gemachtigde zijn stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt middels bewijsmiddelen. Dit verweer slaagt dan ook niet.

3.0

Gemachtigde stelt dat op het betreffende kruispunt een tweetal verkeerslichten dermate kort achter elkaar staan dat de tweede verkeerslichten (voorbij de brug), wanneer zij rood licht uitstralen, de doorstroming ook bij het eerste verkeerslicht al snel stremmen. De eerste verkeerslichten stralen groen licht uit terwijl de volgende verkeerslichten rood licht uitstralen, hetgeen tot gevolg heeft dat in een verkeersspits in een dergelijke setting het kruispunt direct vol stroomt met stilstaande voertuigen. Gemachtigde stelt tevens dat de opstelling van de verkeerslichten ongelukkig c.q. onpraktisch is, in die zin dat de verkeerslichten zeer kort na de stopstreep zijn gesitueerd. Dit brengt met zich dat het verkeerslicht reeds ruimschoots voordat een voertuig de stopstreep heeft bereikt uit het normale gezichtsveld van de bestuurder verdwijnt en deze derhalve reeds vanaf ca 10 meter voor de stopstreep al rijdend in een langzaam tot stilstaande file, in de normale zithouding achter het stuur, niet meer kan zien welke kleur het verkeerslicht nu eigenlijk uitstraalt.

3.1

In het algemeen mag worden verwacht - zoals hiervoor reeds in 1.3.4 is overwogen - dat een bestuurder te allen tijde in staat is het voertuig tijdig en op een verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Als bestuurder van een motorvoertuig dient betrokkene te anticiperen op het rode licht door tijdig snelheid te minderen en te remmen, ook in een drukke spits. Het verweer dat de verkeerslichten wellicht onpraktisch en zeer kort na elkaar zijn gesitueerd, doet hier niet aan af. Ook het verweer van gemachtigde, dat dit meebrengt dat het verkeerslicht reeds ruimschoots voordat een voertuig de stopstreep heeft bereikt uit het normale gezichtsveld van de bestuurder verdwijnt en deze derhalve reeds vanaf ca 10 meter voor de stopstreep al rijdend in een langzaam tot stilstaande file, in de normale zithouding achter het stuur, niet meer kan zien welke kleur het verkeerslicht nu eigenlijk uitstraalt, slaagt – indien al juist - niet. Ook in een dergelijke situatie dient de bestuurder te anticiperen op het verkeerslicht dat mogelijk op geel/rood licht kan springen en op het verkeer voor hem. Het ligt derhalve op de weg van betrokkene om eerder te remmen en al eerder voor het stoplicht te stoppen, wanneer zijn voorganger na het verkeerslicht ook stil staat, zodat betrokkene de verkeerlichten nog steeds kan waarnemen. De kantonrechter verwerpt daarom dit verweer van gemachtigde.

4.0

Gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat de beschikkingen geautomatiseerd worden opgelegd. Gemachtigde verwijst daarbij naar de flitsfoto waarop achter de aanduiding van de verbalisant de opmerking “automatisch” is geplaatst. Tevens verwijst gemachtigde naar een situatie medio 2015 waarbij een aanzienlijk aantal personen een beschikking hebben gekregen voor een rood licht-overtreding in Helmond, nadat zij door een politieagent die het verkeer ter plaatse regelde werden gemaand door te rijden bij rood licht, terwijl de verkeersregelaar duidelijk zichtbaar was op de flitsfoto. Gemachtigde is van mening dat het er alle schijn van heeft dat deze beschikkingen volledig geautomatiseerd werden opgelegd, zonder menselijke tussenkomst, aangezien de beschikkingen na enkele telefoontjes allemaal weer zijn ingetrokken. Volgens gemachtigde betrof het hier een zelfde type flitspaal als in de onderhavige zaak.

Gemachtigde concludeert dat met de nieuwe [bedrijf 1] T-series beschikkingen worden opgelegd op een vergelijkbare wijze met de onlangs afgekeurde handelswijze ten aanzien van registercontroles na verlopen APK keuringen, waarbij eveneens zonder menselijke tussenkomst en derhalve door een computer, beschikkingen worden opgelegd.

4.1

Met betrekking tot de 30 WAM-zaken heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 5 juni 2014 beslist (ECLI:NL:GHARL:2014:4324) dat op grond van de door het Openbaar Ministerie nadere verschafte informatie kan worden vastgesteld dat het verwerkingsproces bij de op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging zodanig is ingericht dat het opleggen van boetes aan een bevoegde ambtenaar kan worden toegerekend. Het gerechtshof is daarmee tot het oordeel gekomen dat de opgelegde sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd.

In de APK-II-zaken heeft de Hoge Raad op 16 februari 2016 overwogen (ECLI:NL:HR:2016:240) dat tekst noch strekking van artikel 3, tweede lid, WAHV, zoals daarvan mede blijkt uit de wetsgeschiedenis, de bevoegdheid tot sanctieoplegging van een ambtenaar die met het toezicht op de naleving van het desbetreffende voorschrift is belast beperken tot gevallen waarin, alvorens de sanctie wordt opgelegd, is onderzocht of sprake is van, al dan niet door betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden die een nadere beoordeling vergen.

4.2

In de lijn van de uitspraak van 05 juni 2014 van het gerechtshof en de uitspraak van de Hoge Raad van 16 februari 2016 oordeelt de kantonrechter dan ook dat in onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de administratieve sanctie is opgelegd door een bevoegde opsporingsambtenaar. Het verweer van gemachtigde dat met de nieuwe [bedrijf 1] T-series beschikkingen worden opgelegd zonder menselijke tussenkomst en derhalve door een computer, slaagt derhalve niet.

5.0

Ook voor het overige ziet de kantonrechter geen aanleiding tot opheffing van de aansprakelijkheid van betrokkene voor de geconstateerde gedraging dan wel wijziging van de opgelegde sanctie. De kantonrechter zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

De beslissing

De kantonrechter:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. T.J.M. Kolfschoten, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 juni 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

VERZONDEN D.D.:

Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen 6 weken vanaf bovengenoemde datum van toezending hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, doch alleen indien:

  1. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 70,00 bedraagt (artikel 14, eerste lid Wahv), of

  2. het beroep niet ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld of omdat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener wat dat betreft redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest (artikel 14, tweede lid Wahv).

Het beroepschrift moet tijdig worden ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant, strafrecht, afdeling kanton (Postbus 70584, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch) en bevat tenminste uw naam en adres, een dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht en de gronden van het beroep. Het beroepschrift dient voorts door u of door uw gemachtigde (indien van toepassing) te zijn ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift om een zitting wordt gevraagd om uw standpunt mondeling toe te lichten.