Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3386

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
C/01/297152 / HA ZA 15-559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

faillissement, huwelijkse voorwaarden, gezamenlijk gebruik bankrekening, prijsgeld, loterij

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0182
INS-Updates.nl 2016-0283
AR 2016/1859
JOR 2016/345
JPF 2016/98 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/297152 / HA ZA 15-559

Vonnis van 29 juni 2016

in de zaak van

AGNETA CORNELIA ALBERIKA KLERKS-VALKS

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [gefailleerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.J.M. Quirijnen te Best,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.G. Franken te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Klerks-Valks q.q. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 september 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 april 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met de [gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ).

2.2.

Sinds februari 2014 doet [gedaagde] mee aan de Nationale Postcode Loterij, met twee loten per maand. De nummers van deze loten zijn 5406NJ071 en 5406NJ072. De loten kosten elk € 12,50. Het bedrag van € 25,00 wordt maandelijks afgeschreven door de Nationale Postcode Loterij van de betaalrekening met nummer NL89INGB0006143562. Deze betaalrekening staat op naam van [gedaagde] .

2.3.

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 april 2014 is de heer [gefailleerde] in staat van faillissement verklaard. Klerks-Valks q.q. is door de rechtbank aangesteld tot curator. De bankrekeningen op naam van [gefailleerde] zijn naar aanleiding van het faillissement door de bank geblokkeerd. Ook de en/of-rekening op naam van [gefailleerde] en [gedaagde] is door de bank geblokkeerd.

2.4.

Vanaf de datum van het faillissement is [gefailleerde] gebruik gaan maken van voornoemde betaalrekening van [gedaagde] met nummer NL89INGB0006143562. Vanaf die datum worden zowel het loon van [gefailleerde] als het loon van [gedaagde] gestort op deze rekening.

2.5.

In juni 2014 is de en/of-rekening op naam van [gefailleerde] en [gedaagde] gedeblokkeerd op verzoek van [gefailleerde] . Na die datum hebben [gefailleerde] en [gedaagde] de kinderbijslag en de kinderopvangtoeslag, die op deze rekening binnenkwamen, steeds overgemaakt naar de rekening op naam van [gedaagde] . Ook het loon van [gefailleerde] en [gedaagde] is nadien steeds op de rekening op naam van [gedaagde] gestort.

2.6.

Op 4 februari 2015 is de straatprijs gevallen op de postcode van de twee loten op naam van [gedaagde] . Daarmee is een prijs van in totaal € 50.000,- gewonnen. Na afdracht van de kansspelbelasting resteert een totaalbedrag van € 35.500,- aan prijsgeld.

3 Het geschil

3.1.

Klerks-Valks q.q. vordert samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht verklaart dat de loten van de Nationale Postcodeloterij met nummer 5406NJ071 en 5406NJ072 en het prijsgeld dat met deze loten is gewonnen ter hoogte van € 35.000,- netto volledig in de faillissementsboedel vallen en derhalve dit prijsgeld door de curator van de derdengeldrekening op de boedelrekening kan worden overgeboekt;

  • -

    [gedaagde] veroordeelt te gedogen dat het prijsgeld volledig wordt overgemaakt naar de boedelrekening van het faillissement van [gefailleerde] ;

  • -

    [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 61 lid 1 van de Faillissementswet luidt als volgt:

“De echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde neemt alle goederen die hem toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap onderscheidenlijk de gemeenschap van het geregistreerd partnerschap vallen, terug.”

Het vierde lid van deze bepaling bepaalt voorts:

“De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde buiten de gemeenschap toebehorende, worden insgelijks door die echtgenoot onderscheidenlijk geregistreerde partner teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van de rechter, zij bewezen. Op de belegging of wederbelegging is artikel 95, eerste lid, eerste volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.”

Beide bepalingen zijn ook van toepassing indien de echtgenoten buiten iedere gemeenschap zijn gehuwd (Hof Den Bosch, 12 augustus 2014, NJF 2014/392).

Ingevolge artikel 1: 95, eerste lid, eerste volzin, BW blijft een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt buiten de gemeenschap indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen.

4.2.

Het bepaalde in artikel 61 Fw brengt met zich dat in beginsel wordt aangenomen dat alle goederen die op naam van [gefailleerde] en van [gedaagde] staan in het faillissement van [gefailleerde] vallen. Dat geldt op grond van artikel 20 Fw zowel voor de goederen waaruit het vermogen ten tijde van de faillietverklaring bestond, als voor hetgeen gedurende het faillissement wordt verworven. [gedaagde] kan op grond van deze bepaling evenwel terugnemen uit het faillissement (1) de goederen die haar toebehoren onder de voorwaarden van artikel 61 lid 1 Fw, en (2) de goederen die zijn voortgesproten uit belegging van gelden die aan haar toebehoren onder de voorwaarden van artikel 61 lid 4 Fw.

4.3.

Volgens Klerks-Valks q.q. moet het met de loterij gewonnen geld worden aangemerkt als een goed, voortgesproten uit de belegging van gelden. [gedaagde] heeft volgens Klerks-Valks q.q. niet kunnen bewijzen dat het geld is voortgesproten uit belegging van gelden die aan [gedaagde] toebehoorden, zodat het geld volgens de hoofdregel van artikel 61 Fw in het faillissement van [gefailleerde] valt.

[gedaagde] heeft betwist dat artikel 61 lid 4 Fw van toepassing is. Volgens haar moet aan de hand van artikel 61 lid 1 Fw worden beoordeeld of het prijsgeld aan haar toebehoort, omdat de aankoop van een lot geen belegging van geld is.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Betaling van de inleg in een loterij geeft de deelnemer recht op een lot. Indien op dat lot een prijs valt, heeft de deelnemer recht op uitbetaling van die prijs. Dat betekent dat de prijs dan is voortgesproten uit de belegging van gelden, namelijk de aankoop van een lot. Artikel 61 lid 4 Fw is derhalve op die prijs wel van toepassing.

4.5.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat als artikel 61 lid 4 Fw van toepassing is, zij het gewonnen prijsgeld kan terugnemen uit het faillissement.

Nu Klerks-Valks q.q. dit betwist, is het gelet op artikel 61 lid 4 Fw aan [gedaagde] om door voldoende bescheiden te bewijzen dat het prijsgeld aan haar toebehoort. Daarvoor zal zij zowel moeten bewijzen dat zij (1) de eigendom der goederen heeft verkregen, als dat zij (2) de goederen voor meer dan de helft met eigen middelen heeft gefinancierd.

4.6.

De rechtbank zal eerst dit tweede punt bespreken. Klerks-Valks q.q. betwist dat [gedaagde] heeft bewezen dat zij de loten van de Nationale Postcode Loterij uit eigen middelen heeft betaald.

Volgens [gedaagde] blijkt uit het feit dat de loten zijn betaald vanaf de bankrekening die op haar naam staat, dat deze met haar middelen zijn gefinancierd. Al voordat [gefailleerde] in faillissement raakte, kocht zij van haar bankrekening deze loten. Met haar salaris kan zij het geld voor de loten, € 25,00 per maand, ook zelfstandig voldoen. Dat [gefailleerde] sinds het faillissement ook gebruik maakt van haar rekening, is volgens [gedaagde] niet relevant nu [gefailleerde] en zij niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.

4.7.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] van mening is dat omdat de bankrekening op haar naam staat, het geld op deze bankrekening ook als haar ‘eigen middelen’ moet worden beschouwd. De rechtbank volgt die stelling niet. De tenaamstelling van een bankrekening geeft weliswaar aan wie ten opzichte van de bank gerechtigd is om over een saldo te beschikken, maar bepaalt niet wie in onderliggende verhoudingen tot het saldo gerechtigd is. Dat de bankrekening op naam van [gedaagde] staat, brengt dus niet automatisch met zich dat het geld op de bankrekening volledig aan haar toekomt en dat van goederen die met dit geld worden gekocht ook kan worden gezegd dat deze met haar middelen zijn betaald. De omstandigheid dat [gedaagde] ook al loten kocht van deze rekening voordat deze gezamenlijk werd gebruikt en dat zij het geld voor de loten ook zelfstandig kan voldoen, is evenmin relevant. Beoordeeld dient te worden of de loten waarmee de prijs is gewonnen, door [gedaagde] voor meer dan de helft met eigen middelen zijn betaald.

4.8.

[gedaagde] heeft subsidiair aangevoerd dat de loten voor meer dan de helft met haar middelen zijn betaald, omdat haar loon vlak voor de betaling van de loten was gestort en het saldo van de bankrekening op het moment van de afschrijving door de Nationale Postcode Loterij op 24 december 2014 derhalve voor het grootste deel door haar middelen was gevoed.

4.9.

Zowel het salaris van [gefailleerde] als het salaris van [gedaagde] werden vanaf de datum van het faillissement op de bankrekening gestort. Vanaf dat moment was dit de enige rekening die door [gedaagde] en [gefailleerde] werd gebruikt. Zij gebruikten de rekening vanaf dat moment dus gezamenlijk. Het gevolg hiervan is dat vermenging is opgetreden en dat een gemeenschap moet worden aangenomen waartoe [gedaagde] en [gefailleerde] zijn gerechtigd overeenkomstig hun aandeel in het tegoed. Voor het bepalen van het aandeel van [gedaagde] in het tegoed is van belang wat het saldo van de rekening was toen zij en [gefailleerde] de rekening gezamenlijk gingen gebruiken en met welke bedragen zij en [gefailleerde] de rekening vanaf dat moment hebben gevoed. Hieruit volgt dat het aandeel van [gedaagde] niet kan worden vastgesteld aan de hand van de laatste bijstortingen, zonder naar eerdere mutaties te kijken. Het is bij gezamenlijk gebruik van een rekening niet zo dat degene die als laatste heeft gestort, een vervolgens met geld van die rekening gekocht goed ook voor meer dan de helft uit eigen middelen heeft betaald. Deze stelling van [gedaagde] slaagt derhalve niet.

4.10.

De stellingen van [gedaagde] dat ook wanneer naar de gehele bestaansperiode van de rekening, of naar de periode vanaf februari 2014 (het moment waarop [gedaagde] is begonnen met deelname aan de Postcode Loterij) wordt gekeken, het merendeel van het bijgeschreven geld op de rekening van haar afkomstig is, slagen evenmin. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat [gedaagde] dient aan te tonen dat zij vanaf het moment van gezamenlijk gebruik meer op de rekening heeft ingebracht dan [gefailleerde] om aan nemen dat zij de loten voor meer dan de helft met eigen middelen heeft betaald. [gedaagde] heeft echter geen bescheiden overgelegd die deze conclusie zouden kunnen rechtvaardigen. Klerks-Valks q.q. heeft bovendien, onder verwijzing naar de maandelijkse informatiebladen en loonstroken die door [gefailleerde] bij haar zijn aangeleverd, juist aangevoerd dat een groter deel van het saldo afkomstig was van de middelen van [gefailleerde] . [gedaagde] heeft niet betwist dat deze informatie correct is. Evenmin heeft zij aangevoerd dat er andere stortingen op de rekening hebben plaatsgevonden die moeten worden beschouwd als haar eigen middelen.

4.11.

De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] er niet in is geslaagd met voldoende bescheiden te bewijzen dat het prijsgeld moet worden aangemerkt als een goed dat is voortgesproten uit de belegging van aan haar toebehorende gelden. Nu dit een dwingende voorwaarde betreft om goederen terug te kunnen nemen uit het faillissement, zal worden aangenomen dat het prijsgeld in het faillissement van [gefailleerde] valt. Bespreking van de tweede voorwaarde, namelijk of [gedaagde] de eigendom van de loten en het uitgekeerde prijsgeld heeft verkregen, zal derhalve achterwege blijven.

4.12.

De rechtbank zal de vordering van de curator toewijzen en voor recht verklaren dat de loten en het prijsgeld dat met deze loten is gewonnen ter hoogte van € 35.000,- netto volledig in de faillissementsboedel vallen en dit prijsgeld door de curator van de derdengeldrekening op de boedelrekening kan worden overgeboekt. [gedaagde] zal moeten gedogen dat het prijsgeld volledig wordt overgemaakt naar de boedelrekening van het faillissement van [gefailleerde] .

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Klerks-Valks q.q. worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.537,19

4.14.

Klerks-Valks q.q. heeft voorts veroordeling in de nakosten gevorderd. Deze nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de loten van de Nationale Postcodeloterij met nummer 5406NJ071 en 5406NJ072 en het prijsgeld dat met deze loten is gewonnen ter hoogte van
€ 35.000,- netto volledig in de faillissementsboedel vallen en dat derhalve dit prijsgeld door de curator van de derdengeldrekening op de boedelrekening kan worden overgeboekt,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] te gedogen dat het prijsgeld volledig wordt overgemaakt naar de boedelrekening van het faillissement van [gefailleerde] ,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Klerks-Valks q.q. tot op heden begroot op € 1.537,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Palmboom en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016.