Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3373

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
16_880
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plichtsverzuim uitgebreid met verwijten die niet ten grondslag lagen aan het primaire besluit. De rechtbank acht dit in strijd met artikel 7:11 van de Awb en laat de (nieuwe) verwijten buiten beschouwing. Met betrekking tot het resterende verwijt acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat sprake is van plichtsverzuim. Het strafontslag is ten onrechte opgelegd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/880

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Yildiz),

en

de korpschef van de politie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.U.C.I. Duran).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire maatregel van strafontslag opgelegd.

Bij besluit van 29 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is sinds 2002 voor de politie werkzaam, laatstelijk in de functie van medewerker bij het Stedelijk Team Aanpak Prioriteit (STAP).

2. Op 1 mei 2014 is eiser tijdens zijn werk betrokken geraakt bij een verkeersincident. Eiser volgde die dag, in een onopvallend dienstvoertuig en in burgerkleding, een verdachte. Toen hij op enig moment linksaf sloeg, kwam hij bijna in botsing met een scooterrijder, waarna een woordenwisseling ontstond tussen eiser en de bestuurder van de scooter. De bestuurder van de scooter heeft aangifte gedaan van bedreiging door eiser. Volgens de bestuurder heeft eiser een vuurwapen op zijn hoofd gezet en werd hij door eiser gesommeerd om te gaan liggen.

3. Naar aanleiding van die aangifte is een disciplinair en een strafrechtelijk onderzoek opgestart, bestaande uit (onder meer) het horen van getuigen en eiser. Eiser heeft tijdens dit verhoor betwist dat hij zijn wapen tegen het hoofd van de bestuurder van de scooter heeft gehouden. Hij heeft aangegeven dat hij hooguit zijn wapen een stukje uit het holster heeft getild. Later – in de bezwaarfase – heeft eiser het voor mogelijk gehouden dat hij zijn wapen uit zijn holster heeft getild. Verder heeft eiser verklaard dat hij zich door de bestuurder van de scooter bedreigd voelde, omdat deze zich agressief uitliet door onder andere ‘kom maar op’ te roepen, waarna hij zich omdraaide om iets uit de buddyseat van scooter te halen.

4. Bij besluit van 6 mei 2014 is eiser buiten functie gesteld en is hem de toegang tot de gebouwen en/of terreinen van de dienst ontzegd. Op 11 augustus 2014 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt aan eiser de disciplinaire maatregel van strafontslag op te leggen. Tevens is eiser hierbij geschorst.

5. Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2015 is eiser veroordeeld tot

een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 200 uur voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Eiser heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 13 oktober 2015 is eiser door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vrijgesproken. Het Openbaar Ministerie heeft tegen deze uitspraak cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

6. In het primaire besluit heeft verweerder eiser verweten dat hij naar aanleiding van een verkeersincident de bestuurder van een scooter heeft bedreigd door zijn vuurwapen op diens hoofd te zetten en hem te manen te gaan liggen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat sprake is van ernstig plichtsverzuim. Eiser wordt daarbij verweten dat hij:

a. a) zonder dienstdoel of andere noodzaak op 1 mei 2014 in een confrontatie met de bestuurder van een scooter een vuurwapen op die bestuurder heeft gericht;

b) wisselend en onvoldoende transparant over dit incident heeft verklaard;

c) het aanwenden van geweld niet op de juiste manier en conform de waarheid heeft gemeld.

7. De rechtbank stelt vast dat bij het bestreden besluit het aan het primaire besluit ten grondslag gelegde plichtsverzuim is uitgebreid met de in 6 onder b) en c) vermelde verwijten. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervatte verplichting het primaire besluit op de grondslag van het bezwaar te heroverwegen. De rechtbank verwijst naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW9158) en de uitspraak van 15 juli 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:

AQ5367). Deze verwijten moeten dan ook buiten beschouwing worden gelaten bij de beantwoording van de vraag of de gedragingen van eiser het opgelegde onvoorwaardelijk strafontslag kunnen dragen.

8. De rechtbank overweegt ten aanzien van het verwijt dat eiser zonder dienstdoel of andere noodzaak op 1 mei 2014 in een confrontatie met de bestuurder van een scooter een vuurwapen op die bestuurder heeft gericht en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, als volgt.

9. In het arrest van 13 oktober 2015, waarbij eiser is vrijgesproken van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover thans van belang, het volgende overwogen: “(…) Ter zitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij zag dat aangever iets blauws, verdachte denkt een kettingslot, uit de buddyseat van zijn scooter haalde. Verdachte kreeg de indruk dat aangever hem aan wilde vallen en aangever zette hier ook kracht bij door te roepen ‘kom maar op’. Verdachte is vervolgens uit zijn auto gestapt, heeft verstaanbaar geroepen ‘politie’ en heeft zijn dienstpistool gepakt. Verdachte heeft niet betwist dat hij zijn pistool op aangever heeft gericht, maar hij ontkent dat hij hem wilde bedreigen. Volgens verdachte wilde hij aangever aanhouden. De situatie de-escaleerde al snel en aangever bood zijn excuses aan, waarna verdachte en aangever nog kort met elkaar gesproken hebben, elkaar de hand hebben geschud en uit elkaar zijn gegaan. (…) De verklaring van aangever is op verschillende punten onjuist gebleken. Er dient dan ook behoedzaam omgegaan te worden met zijn verklaring die alleen kan worden gebruikt op de punten die ondersteund worden door bewijsmateriaal uit andere bron. De verklaring van aangever dat verdachte een pistool op hem heeft gericht wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen (…). Hun verklaringen sluiten verder niet uit dat verdachte zich door het handelen van aangever bedreigd voelde en ook redelijkerwijs kon voelen en dat hij aangever daarom wilde aanhouden, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van zijn dienstwapen. Deze gang van zaken acht het hof niet onaannemelijk. (…)”

10. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat in het bestuursrecht een ander toetsingskader geldt dan in het strafrecht en herhaald dat hij niet aannemelijk acht dat eiser zich tijdens het incident op 1 mei 2014 door de bestuurder van de scooter bedreigd voelde en ook redelijkerwijs kon voelen. Daarom bestond volgens verweerder geen dienstdoel of andere noodzaak voor eiser om een vuurwapen op de bestuurder van de scooter te richten. Verweerder heeft desgevraagd toegelicht dat hij niet aannemelijk acht dat eiser zich bedreigd voelde, omdat eiser volgens verweerder niet van meet af aan transparant over het incident heeft verklaard.

11. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) in het ambtenarentuchtrecht weliswaar niet de strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, maar dat voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Volgens eveneens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637) moet het bestuursorgaan in het kader van een disciplinair onderzoek zelfstandig de feiten onderzoeken die tot het treffen van een disciplinaire bestraffing aanleiding kunnen geven.

12. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting sluit de rechtbank zich aan bij de conclusie van het gerechtshof dat niet onaannemelijk is dat eiser zich door het handelen van aangever bedreigd voelde en ook redelijkerwijs kon voelen en dat hij aangever daarom wilde aanhouden, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van zijn dienstwapen. Louter het feit dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over het gebruik van zijn dienstwapen, brengt de rechtbank niet tot de overtuiging dat eiser zonder dienstdoel of andere noodzaak zijn dienstwapen op de bestuurder van de scooter heeft gericht. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting erkend dat als eiser zich wel bedreigd voelde, geen sprake is van plichtsverzuim, omdat dan niet (langer) kan worden gesproken van een situatie waarin zonder dienstdoel of andere noodzaak geweld – het richten van een vuurwapen – wordt aangewend. De rechtbank komt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de disciplinaire maatregel van strafontslag aan eiser opgelegd.

13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het primaire besluit herroept.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984 (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 496, wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.984.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en mr. J.J.J. Sillen, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.