Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3361

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
01/845094-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer met kracht met een mes in de buik gestoken. De rechtbank vindt poging tot doodslag en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie bewezen.

De rechtbank ziet aanleiding recht te doen overeenkomstig het jeugdstrafrecht (77c Sr.) De rechtbank legt een jeugddetentie van 365 dagen met aftrek voorarrest, waarvan 251 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op met onder meer de voorwaarden van een klinische behandeling voor de duur van maximaal twee jaren en toezicht van de jeugdreclassering. Deze voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar.

Tevens moet verdachte de schade van het slachtoffer ten bedrage van

€ 1.403,80 vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/845094-16

Datum uitspraak: 24 juni 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,

wonende te [adres 1] ,

thans verblijvende te [instelling]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2016 en 10 juni 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 april 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 09 februari 2016 te Deurne ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 februari 2016 te Deurne aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond aan de binnenzijde van de buikwand, heeft toegebracht door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens buik te steken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 februari 2016 te Deurne ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] . Opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 09 februari 2016 te Deurne een of meer wapens van categorie I, onder sub 1, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de verdediging vrijspraak bepleit omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte het opzet had om het slachtoffer dodelijk te verwonden. De verdediging refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen, zakelijk weergegeven.1

Ten aanzien van feit 1, feit 2.

De verklaringen van verdachte.

Toen ik op 9 februari 2016 naar Deurne ging had ik een mes bij me. Dat is het mes waarmee [slachtoffer] is gestoken en het mes dat later in de politieauto is gevonden. Ik weet niet wat de reden is dat ik het mes bij me had. Ik heb met mijn mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van [slachtoffer] . Ik heb gezien dat ik hem één keer met dat mes heb geraakt.2

Ten aanzien van feit 1.

De verklaring van aangever [slachtoffer] .

Op 9 februari 2016 was ik in Deurne op stap. Ik sprak een jongen aan. Hij begon mij te slaan. Ik heb hem vervolgens een keer teruggeslagen. Door deze klap viel hij op de grond. Hij stond hierna weer snel op en ik dacht dat hij mij in mijn buik begon te slaan.3 Meteen hoorde ik mensen roepen; “die kerel heeft een mes”. Ik keek en zag een mes. Ik voelde aan mijn buik en zag veel bloed aan mijn hand.4

Aanvraagformulier medische informatie.

Medische informatie over [slachtoffer] .

Datum: 11 februari 2016.

Uitwendig waargenomen letsel: Steekwond linker onderbuik, ongeveer 2 centimeter breed.5

Het relaas van [verbalisant 1] .

Ik informeerde op 30 april 2016 telefonisch naar de gezondheidstoestand van [slachtoffer] . Desgevraagd vertelde [slachtoffer] dat hij ten gevolge van het steekincident nagenoeg een week in het ziekenhuis heeft gelegen. Zijn buikvlies en spieren waren stuk. Hij heeft een kijkoperatie ondergaan om te zien of er nog inwendige organen beschadigd waren, maar dat was niet het geval. Hij is op het werk ongeveer twee maanden volledig uit de running geweest. Thans slaapt hij nog slecht, en hij wijdt dit aan het steekincident.6

Ten aanzien van feit 1, feit 2.

Het relaas van [verbalisant 2] .

Omstandigheden: Vlindermes aangetroffen in dienstvoertuig onder de bijrijdersstoel. Mes blijkt daar door verdachte ter zake steekpartij in Deurne op

10-02-2016 te zijn achtergelaten.

Beslagene: [verdachte]

Object: Vlindermes

Bijzonderheden: Lemmet 9 centimeter 1x snijzijde aan lemmet.7

Foto’s mes.8

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft [slachtoffer] met een vlindermes met een lemmet van negen centimeter in de linker onderbuik gestoken. Nu het buikvlies en spieren in de buikstreek van het slachtoffer waren beschadigd, kan het niet anders dan dat verdachte met kracht heeft gestoken. De buikstreek is een plek waar zich enkele centimeters onder de huid vitale lichaamsdelen zoals darmen en (andere) interne organen bevinden. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van het (krachtig) steken met een (dergelijk) mes in de buikstreek komt te overlijden aanmerkelijk, indien ten gevolge van het steken orgaanletsel ontstaat. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan heeft hij deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard. De rechtbank stelt vast dat er (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever bij verdachte bestond. De onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen. Het ter zake gevoerde verweer van de verdediging wordt verworpen.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1 primair

op 09 februari 2016 te Deurne ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven met dat opzet die [slachtoffer] , éénmaal met een mes in diens buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 2 op 09 februari 2016 te Deurne een wapen van categorie I, sub 1, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert toepassing van het adolescentenstrafrecht en vordert jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 251 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 10 mei 2016. Zij vordert te bevelen dat de te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging kan zich in algemene zin vinden in de eis van de officier van justitie. Indien de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 1 primair, verzoekt de verdediging wel om het voorwaardelijke strafdeel te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Op 9 mei 2016 heeft de psycholoog drs. M.H. Keppel een rapport over verdachte uitgebracht. De psycholoog concludeert het volgende. Betrokkene is een 19-jarige jongeman die voor wat betreft zijn cognitief functioneren functioneert op zwakbegaafd niveau. Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van cannabisafhankelijkheid (in vroege gedwongen remissie), ADHA en PDD-NOS. Ten gevolge van de PDD-NOS is er tevens sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als ook in de vorm van zwakbegaafdheid en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Daarnaast is sprake van alcoholmisbruik. Genoemde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestonden ook ten tijde van het tenlastegelegde.

De sociaal-emotionele ontwikkeling van betrokkene loopt achter op die van leeftijdsgenoten. Hij is nog weinig tot de volwassenheid uitgerijpt. Hij komt in het contact jonger over dan zijn kalenderleeftijd en naar de mening van de psycholoog is een pedagogische aanpak van betrokkene nog mogelijk. De psycholoog ziet een zeer kwetsbare, onzekere en eenzame jongen met een lage zelfwaardering. Hij wil graag geaccepteerd worden en erbij horen, daardoor is hij makkelijk te beïnvloeden. Hij heeft weinig inzicht in de gevolgen van zijn gedrag, heeft moeite met plannen, heeft weinig interesses en is moeilijk voor iets te motiveren. Hij ervaart veel gevoelens van agressie en boosheid, neigt ertoe anderen snel te veroordelen, zich egocentrisch op te stellen en zijn gewetensfuncties schieten tekort. Hij ervaart veel lijdensdruk en raakt snel ontmoedigd en gespannen. Betrokkene toont weinig zelfinzicht en acht hulpverlening die afwijkt van zijn wensen niet nodig. Al vanaf jonge leeftijd vertoont betrokkene gedragsproblemen, welke problemen vanaf de puberteit zijn verergerd. Hij is moeilijk hanteerbaar en moeilijk te beïnvloeden door ouders of door school. Hij heeft weinig inlevingsvermogen en is geneigd intolerant en ongeduldig op anderen te reageren. Daarnaast heeft hij moeite met het erkennen van autoriteit. Het risico bestaat op het doorontwikkelen van persoonlijkheidsproblematiek, waar nu al antisociale trekken zichtbaar zijn.

De psycholoog adviseert het ten laste gelegde onder feit 1 in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op geweldsrecidive wordt als gemiddeld tot hoog ingeschat. De psycholoog adviseert een klinische behandeling bij de [instelling] en concludeert dat het jeugdstrafrecht passend is voor betrokkene.

Voorts is op 10 mei 2016 een reclasseringsrapport over verdachte uitgebracht. De reclassering komt eveneens tot een gemiddeld tot hoog recidiverisico en adviseert ook om ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de inhoud van voornoemde rapportages.

Verdachte heeft ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren bereikt. De rechtbank ziet aanleiding recht te doen overeenkomstig het jeugdstrafrecht, gelet op de rapportage van de psycholoog en gelet op het advies van de reclassering.

De rechtbank heeft verder in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte had een vlindermes op zak toen hij carnaval ging vieren. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweld door [slachtoffer] in zijn buik te steken en te verwonden, met het risico op een fatale afloop. Verdachte heeft door zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Ten gevolge van dit steekincident heeft [slachtoffer] nagenoeg een week in het ziekenhuis gelegen en een kijkoperatie moeten ondergaan. Hij heeft ongeveer twee maanden niet kunnen werken. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen kennelijk niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde, veelal lagere oriëntatiepunten voor het jeugdstrafrecht. Bij het bepalen van de straf wordt veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal deze jeugddetentie (voor een gedeelte) voorwaardelijk opleggen met een daaraan verbonden proeftijd voor de duur van twee jaren, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, mede gelet op de inhoud van het psychologisch rapport, in het kader van die bijzondere voorwaarden voor langere tijd moet worden opgenomen en behandeld in een kliniek voor forensische jeugdpsychiatrie.

De rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn omdat, gezien de ernst van het door verdachte onder 1 gepleegde feit en gelet ook op de bevindingen van de psycholoog en de reclassering omtrent de persoon van verdachte en het door hen gemiddeld tot hoog ingeschatte recidiverisico, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2016 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

27, 36f, 45, 77c, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa en 287 Wetboek van Strafrecht

2 en 55 Wet wapens en munitie

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:Poging tot doodslagT.a.v. feit 2:Handelen in strijd met artikel 13 eerste lid van de Wet wapens en munitie Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:Jeugddetentie voor de duur van 365 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 251 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de jeugdreclassering, Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Sobriëtasplein 102, 5701 MJ Helmond;

- wordt verplicht tot opname en behandeling bij de [instelling] voor de duur van maximaal twee jaren, of zoveel korter als door de jeugdreclassering in overleg met behandelaars wordt geïndiceerd;

- zich binnen vijf dagen na het uitspreken van dit vonnis meldt bij de jeugdreclassering, Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Sobriëtasplein 102, 5701 MJ Helmond. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd wordt verboden om drugs en alcohol te gebruiken, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund (kunnen) worden door de inzet van controlemiddelen.

Geeft opdracht aan voornoemd Bureau Jeugdzorg tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat genoemde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

T.a.v. feit 1 primair:Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.403,80 subsidiair 28 dagen jeugddetentie

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1.403,80 (zegge: veertienhonderddrie euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.000,- immateriële schadevergoeding en uit een bedrag van EUR 403,80 materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de [slachtoffer] , van een bedrag van EUR 1.403,80 (zegge: veertienhonderddrie euro en tachtig cent), te weten EUR 1.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 403,80 materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is met ingang van 2 juni 2016 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Bossink, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. M. Senden, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 24 juni 2016.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de regiopolitie Oost-Brabant, district Helmond, PL2100-2016031342, gesloten op 14 maart 2016, aantal doorgenummerde pagina’s: 54.

2 Afgelegd ter terechtzitting d.d. 10 juni 2016.

3 Proces-verbaal aangifte, pag. 32-33.

4 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , pag. 35.

5 Pag. 34.

6 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, PL2100-2016031342-20, gesloten op 3 mei 2016.

7 Kennisgeving van inbeslagneming, pag, 52.

8 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, pag. 49 en 51.