Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3192

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
C/01/300000 / HA ZA 15-724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Vrijwaring. Aangevoerde gronden voor vrijwaring betreffen verweer in de hoofdzaak. Afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/300000 / HA ZA 15-724

Vonnis in incident van 15 juni 2016

in de zaak van

de stichting

STICHTING VRIENDEN VAN DE GAYKRANT (SVGK) IN LIQUIDATIE,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. P.C. Schouten te Breda.

Partijen zullen hierna SVGK en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,

  • -

    de akte houdende rectificatie incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord,

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in het incident

2.1.

Het geschil in de hoofdzaak draait volgens de stellingen in de dagvaarding – samengevat – om het volgende.

2.2.

[gedaagde] was van 1980 tot 2012 hoofdredacteur van het door hem opgericht tijdschrift De Gay Krant, dat werd uitgegeven door Best Publishing Group B.V. (hierna: BPG). [gedaagde] was enig bestuurder en aandeelhouder van BPG. [gedaagde] was tevens van 1983 tot 26 februari 2013 voorzitter van SVGK.

2.3.

In juli 2008 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OC&W) subsidie toegekend aan SVGK voor een project gericht op minderjarige homoseksuele jongeren. In november 2011 is het subsidieplatform verhoogd tot een bedrag van € 214.855,00. [gedaagde] heeft op 19 november 2012 de Minister van OC&W verzocht om de subsidie definitief vast te stellen. Bij het verzoek was onder meer een goedkeurende accountantsverklaring van de accountant van SVGK gevoegd.

2.4.

Op 12 maart 2013 is BPG failliet verklaard. Bij brief van 22 mei 2013 heeft [naam 1] (hierna: [bestuurslid van SVGK] ), bestuurslid van SVGK, namens SVGK aan de Minister van OC&W bericht dat [gedaagde] facturen voor domeinnaambeheer van domeinnamen die door [gedaagde] privé werden gebruikt op naam van SVGK heeft laten zetten. [bestuurslid van SVGK] heeft de Minister van OC&W verzocht de subsidie stop te zetten.

2.5.

In mei 2014 heeft de Auditdienst Rijk aan SVGK laten weten een review te zullen uitvoeren bij de accountant van SVGK. Naar aanleiding van die review heeft de accountant van SVGK de hiervoor onder 2.3 bedoelde goedkeurende verklaring ingetrokken en in plaats daarvan een verklaring van oordeelonthouding afgegeven.

2.6.

De Minister van OC&W heeft op 18 juli 2014 de vaststelling van de subsidie herzien en alsnog op nihil gesteld. Het aan SVGK uitgekeerde subsidiebedrag ad € 206.833,00 heeft de Minister van OC&W teruggevorderd.

2.7.

SVGK stelt in de hoofdzaak dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van zowel SVGK als BPG niet behoorlijk heeft vervuld. Daarnaast stelt SVGK dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens SVGK. SVGK vordert uit dien hoofde in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. primair [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan SVGK van een bedrag van € 265.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding,

  2. subsidiair voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens SVGK heeft gehandeld en/of voor recht te verklaren dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de schade die SVGK als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van SVGK lijdt, nader op te maken bij staat.

Een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

2.8.

[gedaagde] vordert in het incident, na bij akte de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring te hebben gerectificeerd, dat hem wordt toegestaan in vrijwaring op te roepen:

  1. Ronald Hans Anton Plasterk (hierna: Plasterk),

  2. Janneke Marlene van Bijsterveldt-Vliegenthart (hierna Van Bijsterveldt-Vliegenthart),

  3. De Staat der Nederlanden (in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (hierna: de Staat).

2.9.

[gedaagde] legt aan de incidentele vordering ten grondslag dat de voormalige ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Plasterk en Van Bijsterveldt-Vliegenthart, en de Staat onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. [gedaagde] voert daartoe het volgende aan.

2.9.1.

Plasterk wilde destijds dat er meer LHBT-projecten zouden komen en vroeg aan [gedaagde] om deze uit te voeren. Plasterk wilde daartoe subsidie verstrekken aan de Gay Krant. Omdat dat zou neerkomen op het verstrekken van subsidie aan BPG, een besloten vennootschap, was dat niet mogelijk. Wat wel kon was het verstrekken van subsidie aan een stichting, zoals SVGK. Omdat SVGK echter niet beschikte over mensen en middelen, liet Plasterk weten het geen probleem te vinden dat SVGK BPG zou inhuren voor het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten en dat de subsidies zouden kunnen worden aangewend ter financiering van de bedrijfsvoering van BPG.

2.9.2.

Het was geen geheim voor Plasterk en zijn opvolger Van Bijsterveldt-Vliegenthart dat SVGK een lege huls was en dat de projecten en de administratie ervan zouden worden uitgevoerd door BPG. Ook de ambtenaren van het Ministerie van OC&W waren van deze constructie op de hoogte. Zij hielpen zelfs in vergaande mate bij het opstellen van de aanvragen en financiële rapportages die ter goedkeuring moesten worden aangeboden om subsidie toegewezen of uitbetaald te krijgen. Zij herschreven soms ook de subsidieaanvragen en in een aantal gevallen beoordeelden dezelfde ambtenaren die [gedaagde] adviseerden ook de ingediende aanvragen.

2.9.3.

Er was altijd sprake van complete overeenstemming tussen de betrokken werknemers van de Gay Krant en de ambtenaren van het Ministerie van OC&W voordat een officieel verzoek tot uitbetaling werd gedaan. Er is ook nooit een voorbehoud gemaakt omtrent de bevoegdheden van het Ministerie van OC&W en haar ambtenaren, net zo min als met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde projecten.

2.9.4.

De hiervoor beschreven handelwijze van het Ministerie van OC&W (de Staat), haar ambtenaren en Ministers, is echter in strijd met good governance bij het verlenen van subsidies, aldus [gedaagde] . Zij waren te nauw betrokken bij de subsidieverlening. Bij [gedaagde] was door die handelwijze echter wel het vertrouwen gewekt dat de gekozen constructie wettelijk verantwoord en geoorloofd was. Hij vertrouwde erop dat de stukken die SVGK en BPG aan het Ministerie van OC&W verstrekten correct waren. Dat het Ministerie van OC&W (de Staat) vervolgens de aan SVGK verstrekte subsidies intrekt, is daarom onzorgvuldig jegens [gedaagde] . Voor Plasterk en Van Bijsterveldt-Vliegenthart geldt dat zij persoonlijk aansprakelijk zijn omdat ze wisten van de hoed en de rand en bij [gedaagde] het vertrouwen hebben gewekt dat alles volgens de regels verliep.

2.10.

SVGK voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

SVGK heeft uitvoerig betoogd dat het Ministerie van OC&W als zodanig geen publiekrechtelijke rechtspersoon is en niet kan worden opgeroepen in vrijwaring. Aanvankelijk werd in de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring inderdaad verzocht om toestemming om het Ministerie van OC&W op te roepen in vrijwaring. [gedaagde] heeft dat echter bij akte gerectificeerd en verzocht de Staat der Nederlanden te mogen dagvaarden. Het verweer van SVGK treft daarom geen doel.

3.2.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de incidentele vordering het volgende. [gedaagde] heeft uitgebreid beschreven hoe in samenspraak met het Ministerie van OC&W, in de persoon van de Minister en ambtenaren, is gekozen voor de constructie waarbij de subsidiegelden werden verstrekt aan SVGK, de feitelijke werkzaamheden werden uitgevoerd door BPG en waarbij de subsidiegelden dus werden gebruikt om BPG voor haar werkzaamheden te betalen. Het betoog van [gedaagde] komt er dus op neer dat hij altijd heeft gehandeld met toestemming van het Ministerie van OC&W. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank betreft dat een verweer dat in de hoofdzaak dient te worden beoordeeld en bestaat er geen grond voor oproeping in vrijwaring van de Staat, Plasterk en Van Bijsterveldt-Vliegenthart.

3.3.

Wanneer immers de juistheid van wat [gedaagde] naar voren heeft gebracht komt vast te staan, heeft dat gevolgen voor de beantwoording van de vraag die in de hoofdzaak voor ligt: of [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake de wijze waarop met de subsidiegelden en de verantwoording daarvan is omgesprongen. Een ontkennend antwoord op die vraag heeft afwijzing van de vordering in de hoofdzaak tot gevolg. Vrijwaring is dan niet aan de orde.

3.4.

Wanneer de juistheid van wat [gedaagde] naar voren heeft gebracht niet komt vast te staan, dan is van opgewekt vertrouwen van de kant van het Ministerie van OC&W en de Minister geen sprake. Althans niet van opgewekt vertrouwen op de nu door [gedaagde] aangevoerde gronden. Ook van onzorgvuldig handelen jegens [gedaagde] , dat zijn grond vindt in het opgewekte vertrouwen, is dan geen sprake. Ook in dit geval is vrijwaring dus niet aan de orde.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

3.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van SVGK tot op heden begroot op € 1.356,00,

4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juli 2016 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.