Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3188

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
4985668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ex art. 7:681 BW toegewezen: vernietiging ontslag op staande voet, wedertewerkstelling en betaling van achterstallig salaris, wettelijke verhoging en wettelijke rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1678
AR-Updates.nl 2016-0644
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 4985668

EJ verz. : 16-227

Uitspraak : 14 juni 2016

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. S.P. van der Beek-Verdoorn, jurist bij FNV,

tegen

de besloten vennootschap Arriva Personenvervoer Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. N.H.M. Poort.

Partijen zullen in het vervolg worden aangeduid als “[verzoeker]” en “Arriva”.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 april 2016 verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Een dag vast te stellen waarop deze zaak ter terechtzitting wordt behandeld;

II. Bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding Arriva te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 2.568,88 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf 11 februari 2016 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd en [verzoeker] in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van
€ 250,00 per dag dat Arriva in gebreke blijft;

III. Het ontslag op staande voet te vernietigen;

IV. Arriva te verplichten [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de te geven beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat Arriva in gebreke blijft;

V. Arriva te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoeker] van € 2.568,88 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf 11 februari 2016 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

subsidiair:

VI. Arriva te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan [verzoeker] ten bedrage van
€ 40.000,00, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;

VII. Aan [verzoeker] een transitievergoeding toe te kennen ten bedrage van € 10.358,37;

VllI. Aan [verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen ten bedrage van € 7.378,66;

primair en subsidiair:

IX. Arriva te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente vanaf het

tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor opgenomen bedragen tot aan de dag der

algehele voldoening;

X. Arriva te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de

gemachtigde daaronder begrepen.

1.2.

Arriva heeft op 17 mei 2016 een verweerschrift ex artikel 7:681 lid 1 sub a BW jo. artikel 7:671 lid 1 BW ingediend met bijlagen waarin Arriva verzoekt de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigde.

1.3.

Bij brief van 19 mei 2016, ontvangen ter griffie op 20 mei 2016, heeft [verzoeker] aanvullende stukken in het geding gebracht. Eveneens bij brief van 19 mei 2016, ontvangen ter griffie op 20 mei 2016, heeft Arriva een usb-stick in het geding gebracht met daarop camerabeelden. Drie beeldfragmenten daarvan worden door Arriva ten grondslag gelegd aan het ontslag op staande voet van [verzoeker].

1.4.

Op 26 mei 2016 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.5.

De beschikking is op heden bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker], geboren op 10 mei 1973, is op 18 juli 2006 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Arriva in de functie van buschauffeur, tegen een salaris van laatstelijk € 2.568,88 bruto, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. [verzoeker] was werkzaam op de (neven)vestiging te ’s-Hertogenbosch.

Op de onderhavige dienstbetrekking is van toepassing de collectieve arbeidsovereenkomst Openbaar Vervoer.

2.2.

Gedurende de periode van 5 tot en met 9 februari 2016 was het carnaval. Tijdens carnaval werd er bij Arriva met een afwijkende dienstregeling en (extra) nachtritten gereden, waarvoor [verzoeker] zich bij Arriva had aangemeld en waarvoor hij ook was ingedeeld. [verzoeker] heeft gedurende carnaval gewerkt op zaterdag 6 februari 2016 van 19.00 uur tot ongeveer 3.00 uur, op zondag 7 februari 2016 van 18.00 uur tot ongeveer 3.00 uur, op maandag

8 februari 2016 van 19.00 uur tot ongeveer 3.00 uur en op dinsdag 9 februari 2016 van 21.00 uur tot ongeveer 2.30 uur. [verzoeker] was woensdag 10 februari 2016 vrij.

2.3.

Op donderdag 11 februari 2016 is [verzoeker] om 6.00 uur weer aangevangen met zijn werkzaamheden. Tijdens zijn werkzaamheden heeft Arriva [verzoeker] rond 14.00 uur van de bus gehaald voor een gesprek met de exploitatiemanager, de heer [X] en met de teammanager, mevrouw [Y]. Tijdens dit gesprek is [verzoeker] op staande voet ontslagen.
Bij brief van 12 februari 2016 is aan [verzoeker] zijn gegeven ontslag op staande voet bevestigd. Arriva vermeldt als dringende reden voor het ontslag het volgende:

“Door middel van dit schrijven bevestigen wij het op 11 februari jI. aan u gegeven ontslag op staande voet wegens een dringende reden zijnde diefstal, welke gelegen is het in het feit dat er u tijdens het uitvoeren van uw dienst geld heeft ontvangen van passagiers zonder aan hen vervoerbewijzen te verstrekken, ondanks het feit dat daar uitdrukkelijk om werd verzocht.

(…)

Op donderdag 11 februari jI. heeft met u een gesprek plaatsgevonden, waarbij naast u ook de heer [X] (exploitatiemanager) en mevrouw [Y] (teammanager) aanwezig waren. Zij hebben u naar een verklaring gevraagd. U heeft aangegeven dat door de chaos van carnaval u vergeten was de betreffende reizigers een vervoerbewijs te verstrekken. Bovendien waren de reizigers vaak dronken. Voor het feit dat u collega’s heeft ingehaald met de bus en daarbij onverantwoord rijgedrag heeft getoond, heeft u geen verklaring gegeven.

Daarop is het gesprek met u even geschorst. Bij terugkomst is u gevraagd of u nog een andere verklaring kon en wilde geven voor het feit dat u geen vervoerbewijzen aan betalende passagiers had verstrekt, maar u blijft bij uw eerste verklaring.

Aan u is medegedeeld dat deze verklaring zeer ongeloofwaardig is. U bent sinds 18 juli 2006 werkzaam als buschauffeur. Tijdens carnaval werd er een aanvullende dienstregeling gereden boven op de gewone dienstregeling waarvoor u zich heeft aangemeld en waarvoor u bent ingedeeld. Het behoort tot de primaire taken van een buschauffeur dat hij vervoerbewijzen verstrekt aan betalende passagiers. Het kan niet zo zijn dat u dit ‘vergeet’ vanwege de chaos tijdens carnaval. Dit klemt temeer daar de indiener van de eerste klacht heeft aangegeven uitdrukkelijk om een vervoerbewijs te hebben gevraagd. Bovendien is het tijdens het carnaval niet één keer voorgekomen dat u geen vervoerbewijs heeft verstrekt maar zijn er meerdere klachten van een zelfde strekking over u binnengekomen.

Arriva moet haar buschauffeurs kunnen vertrouwen met het geld en andere bedrijfsmiddelen die aan de betreffende chauffeurs wordt verstrekt. U heeft dit vertrouwen geschonden. Door geld te incasseren en geen vervoerbewijzen te verstrekken, ontstaat er een overschot in uw consignatievoorraad, waar tegenover geen kaartverkopen staan. Arriva wil en kan uw dienstverband dan ook niet langer handhaven.

De bovenstaande omstandigheden tezamen genomen en in onderling verband bezien maken dat Arriva bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van artikel 7:677 j° 7:678 BW wegens een dringende reden welke dringende redenen zodanig zijn dat van Arriva redelijkerwijs niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Op grond daarvan is uw arbeidsovereenkomst per 11 februari jI. met onmiddellijke ingang beëindigd.”

2.4.

Bij brief van 18 februari 2016 heeft de toenmalige gemachtigde van [verzoeker] Arriva verzocht om met onmiddellijke ingang het op 11 februari 2016 gegeven ontslag op staande voet ongedaan te maken en [verzoeker] weer in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten.

2.5.

Bij brief van 25 februari 2016 heeft de gemachtigde van Arriva hierop gereageerd met onder meer de mededeling dat Arriva aan het ontslag wenst vast te houden.

3
3. Het verzoek en het verweer

3.1.

Aan onderhavig verzoek legt [verzoeker], kort weergegeven, het volgende ten grondslag.

De opzegging is niet onverwijld gedaan, nu er al op 7 februari 2016 of uiterlijk maandag
8 februari 2016 onregelmatigheden zouden zijn geconstateerd en hiernaar is door Arriva pas op donderdag 11 februari 2016 daadwerkelijk onderzoek gedaan. Reeds om die reden is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Verder stelt [verzoeker] dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Uit de vermeende klachten die door Arriva over [verzoeker] zouden zijn ontvangen, volgt niet dat er sprake is van diefstal en de daarvoor vereiste strafrechtelijke opzet. Volgens Arriva zou [verzoeker] tijdens het uitvoeren van zijn dienst geld hebben ontvangen van passagiers zonder aan hen vervoersbewijzen te vertrekken, ondanks dat daar uitdrukkelijk om zou zijn verzocht. Hiervoor heeft [verzoeker] een duidelijke verklaring gegeven, maar Arriva wenst deze niet te accepteren. Er is geen sprake van een dringende reden voor het ontslag op staande voet.

Het onderhavige bewijs, de betreffende camerabeelden, is bovendien onrechtmatig verkregen, aangezien de camerabeelden ingevolge de criteria van de Wet Bescherming Persoonsgegevens niet mochten worden verwerkt.

3.2.

Arriva heeft aangevoerd dat het ontslag op staande voet wel onverwijld is gegeven, dat het bewijsmateriaal niet onrechtmatig is verkregen en dat er een dringende reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt, welke zodanig is dat van Arriva redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens Arriva is derhalve het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] heeft de voorliggende verzoeken tijdig ingediend, omdat deze zijn ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door Arriva is beëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub a BW).

4.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het door Arriva aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is.

4.3.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.4.

Het standpunt van [verzoeker] dat de opzegging niet onverwijld is gedaan kan niet worden aanvaard. Arriva diende gelegenheid te hebben om een onderzoek in te stellen. De klachten die Arriva had ontvangen van passagiers over het wel innen van gelden maar het daartegenover niet verstrekken van vervoersbewijzen en het gratis laten reizen van passagiers dateren van 7 en 8 februari 2016. Vervolgens is binnen de organisatie van Arriva uitgezocht welke buschauffeur de betreffende ritten had gereden, waaruit bleek dat het [verzoeker] betrof. Op 8 februari 2016 is vervolgens aan de heer [A], coördinator sociale veiligheid verzocht de desbetreffende beelden veilig te stellen, hetgeen op 10 februari 2016 is gedaan. Vervolgens zijn de beelden op 11 februari 2016 uitgelezen, waarop de bevindingen kenbaar zijn gemaakt aan de teammanager. Na inzage in de beelden door de teammanager is Arriva direct met [verzoeker] in gesprek gegaan. Dat er enige tijd is verstreken met het uitlezen van de camerabeelden door een daartoe bevoegd persoon, is niet onbegrijpelijk, omdat Arriva zorgvuldig diende te handelen.
Van een gebrek aan voortvarendheid is dan ook geen sprake.

4.5.

Het standpunt van [verzoeker] dat het bewijs - de camerabeelden - niet mag worden gebruikt omdat het onrechtmatig is verkregen, kan ook niet worden aanvaard.
Terecht wijst Arriva erop dat in de jurisprudentie al verschillende keren is geoordeeld dat het belang van de werkgever bij waarheidsvinding dient te prevaleren boven het belang van de privacy aan de zijde van werknemer, en dat daarbij van betekenis kan zijn dat het niet gaat om heimelijke opnames, maar om opnames waarvan [verzoeker] wist dat zij gemaakt werden in verband met - kort gezegd - de veiligheid van passagiers en medewerkers.

Voorts is de kantonrechter met Arriva van oordeel dat Arriva de betreffende camerabeelden, in overeenstemming met het door Arriva gehanteerde Protocol cameratoezicht en geluidsopnames en de Wet Bescherming Persoonsgegevens, door een daartoe bevoegde persoon heeft mogen laten uitlezen, aangezien er diverse klachten van passagiers via de website én via twitter waren binnengekomen en het er Arriva veel aan was gelegen de ware toedracht van het handelen van [verzoeker] te achterhalen.

4.6.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat aan het ontslag op staande voet diefstal ten grondslag is gelegd en dat Arriva, nu het gaat om strafrechtelijke delictomschrijvingen, de daarvoor vereiste strafrechtelijke opzet/schuld dient te bewijzen. Dat standpunt moet worden verworpen. Het hanteren van een strafrechtelijk begrip in de ontslagbrief brengt niet met zich dat de werkgever de strafrechtelijk vereiste opzet c.q. schuld dan wel de bestanddelen van de strafrechtelijke delictomschrijving dient te bewijzen. Vereist is slechts dat het voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke (dringende) reden tot de opzegging heeft geleid, derhalve welke feiten en gedragingen aan het ontslag ten grondslag liggen. Uit de ontslagbrief van 12 februari 2016 blijkt dat aan die eis is voldaan.

4.7.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Verder geldt als uitgangspunt dat op Arriva als werkgever de stelplicht en bewijslast rust van het bestaan en de dringendheid van de ontslagreden.

4.8.

Als dringende reden voor ontslag op staande voet heeft Arriva aangevoerd dat [verzoeker] passagiers heeft vervoerd tegen betaling zonder afgifte van een kaartje. Ter zitting heeft Arriva nader aangevuld dat Arriva [verzoeker] tevens verwijt dat hij het consignatiesurplus dat daardoor moet zijn ontstaan, niet heeft afgedragen. Dit laatste verwijt staat echter niet expliciet vermeld in de brief van 12 februari 2016 waarin Arriva aan [verzoeker] het ontslag op staande voet bevestigt. Tijdens de mondelinge behandeling van onderhavig verzoek heeft de heer [X] verklaard dat [verzoeker] in het gesprek op 11 februari 2016 het verwijt is gemaakt dat hij passagiers heeft vervoerd tegen betaling zonder afgifte van een kaartje, maar dat het tijdens het gesprek niet is gegaan over het verwijt dat door [verzoeker] het surplus niet zou zijn afgedragen. Deze uitbreiding van de gronden van het ontslag op staande voet, zulks drieëneenhalve maand na dit ontslag en zonder dat dit eerder door Arriva aan [verzoeker] is verweten of zelfs maar met hem is besproken, kan niet worden aanvaard als een manier om de gronden van het ontslag uit te breiden en aldus een reeds gegeven ontslag op staande voet van een stevigere basis te voorzien. De stelling van Arriva ter zitting dat het verwijt dat door [verzoeker] het surplus niet zou zijn afgedragen, een direct gevolg is van het verwijt dat [verzoeker] passagiers heeft vervoerd tegen betaling zonder afgifte van een kaartje, is door Arriva onvoldoende feitelijk onderbouwd en door [verzoeker] ter zitting gemotiveerd betwist. De kantonrechter zal dit verwijt (het niet afdragen van het surplus) dan ook buiten beschouwing laten bij de beoordeling of het ontslag op staande voet al dan niet terecht is gegeven.

4.9.

Wat overblijft is dan het verwijt dat [verzoeker] passagiers heeft vervoerd tegen betaling maar zonder afgifte van een kaartje. In dit verband heeft Arriva zich beroepen op klachten van passagiers en op een drietal camerabeelden van de werkzaamheden zoals door [verzoeker] zijn verricht op zondag 7 februari 2016. Deze camerabeelden zijn ter zitting bekeken. Op het eerste fragment is te zien dat [verzoeker] lange tijd zoekt naar kaartjes (en wisselgeld) om aan de (hierop aandringende) reiziger te verstrekken en vervolgens wel kaartjes verstrekt. Op de andere twee fragmenten is te zien dat passagiers betalen en geen kaartje krijgen. [verzoeker] heeft dit ook erkend. Ter verklaring heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij tijdens carnaval op zondag
7 februari 2016 tot ongeveer 20.00 uur inderdaad soms passagiers heeft vervoerd tegen betaling zonder afgifte van een kaartje, maar dat hij dit enkel heeft gedaan omdat hij geen (enkele reis) kaartjes meer had terwijl Arriva op die tijden en voorafgaand aan de aanvang van de dienst van [verzoeker] geen kaartverkoop aan de chauffeurs had geregeld. Hierdoor was [verzoeker] kort na aanvang van zijn dienst al door zijn vervoersbewijzen (althans enkele reiskaarten) heen en kon hij reizigers niet altijd een kaartje verstrekken. Op enig moment in die diensten was het voor [verzoeker] wel mogelijk om kaarten aan te schaffen hetgeen [verzoeker] toen ook heeft gedaan. Vanaf dat moment kon [verzoeker] betalende passagiers ook weer een kaartje (het ging uitsluitend om enkele reiskaartjes) verstrekken hetgeen hij ook heeft gedaan.

Arriva is gedurende de zitting in de gelegenheid gesteld om te verifiëren of [verzoeker] daadwerkelijk extra kaarten heeft gekocht op zondag 7 februari 2016. De heer [X] heeft ter zitting verklaard dat hij op zondagavond vanaf ongeveer 19.30 uur op het Centraal Station aanwezig was met de heer [z], teammanager bij Arriva, om de uitgifte van kaartjes en wisselgeld ter hand te nemen en laatstgenoemde heeft tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling desgevraagd telefonisch aan Arriva bericht dat [verzoeker] gedurende carnaval inderdaad bij hem extra kaartjes heeft gekocht. Hij wist alleen niet meer precies wanneer.

4.10.

Uit de verklaring van de heer [X] maakt de kantonrechter op dat Arriva niet had geregeld dat [verzoeker] bij aanvang dienst of na afloop van zijn dienst van de vorige dag nieuwe vervoersbewijzen kon kopen. Hij moest het dus doen met de vervoersbewijzen waarover hij beschikte bij aanvang dienst, zulks totdat hij bij Arriva weer nieuwe kon kopen. De stelling van Arriva dat overdag de “store” open was voor aanschaf van nieuwe kaarten kan zij niet aan [verzoeker] tegenwerpen nu Arriva niet van [verzoeker] mag verwachten dat hij in zijn vrije tijd naar de “store” gaat om vervoersbewijzen aan te schaffen. Op zondagavond kon [verzoeker] vanaf 19.30h, en vanaf het moment dat hij op zijn route daar langs kwam, op het Centraal Station nieuwe vervoersbewijzen kopen. [verzoeker] heeft gesteld dat hij dit heeft gedaan en Arriva heeft dit niet (voldoende gemotiveerd) betwist.

4.11.

De omstandigheid dat [verzoeker] reizigers heeft vervoerd tegen betaling zonder afgifte van een kaartje, kan niet los worden gezien van de door [verzoeker] geschetste en door Arriva niet, althans onvoldoende weersproken werkomstandigheden van [verzoeker] tijdens carnaval. Bovendien kan het verwijt van niet verstrekken van een kaartje aan betalende passagiers niet gelijk worden gesteld aan diefstal zoals door Arriva aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. Gegeven het door Arriva gehanteerde uitgangspunt dat het de taak is van de chauffeur om te zorgen voor kaartjes en wisselgeld, had het op de weg gelegen van Arriva om de chauffeur daartoe ook in staat te stellen. Bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat de chauffeur voorafgaand aan zijn dienst in het carnavalsweekend ook bij Arriva terecht kon voor kaartjes. Dat was niet het geval. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] eerder dan het carnavalsweekend aan betalende passagiers geen kaartjes heeft verstrekt zodat ook niet kan worden gezegd dat hij een gewaarschuwd man was die had moeten weten of begrijpen dat dit voorval ontslag op staande voet tot gevolg zou hebben.

4.12.

Slotsom is dat, ook als de waargenomen en voorgevallen feiten in onderling verband en samenhang worden beschouwd, er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in de wet. Dat betekent dat het ontslag op staande voet geen stand houdt en dat het behoort te worden vernietigd.

4.13.

[verzoeker] heeft gevorderd hem toe te laten tot de werkzaamheden (onder verbeurte van een dwangsom) en tot loondoorbetaling vanaf 11 februari 2016 (met wettelijke verhoging en wettelijke rente). Uitgangspunt bij te late betaling van het loon is dat de werkgever de wettelijke verhoging is verschuldigd. Het betoog van Arriva dat de wettelijke verhoging moet worden gematigd tot nihil omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, snijdt geen hout. Zoals uit het vorenstaande volgt, houdt het ontslag op staande voet geen stand. Zulks komt voor risico van de werkgever en kan niet leiden tot matiging van de wettelijke verhoging.

4.14.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de gevraagde voorlopige voorziening niet meer relevant en zijn de subsidiaire vorderingen niet aan de orde.

4.15.

Arriva zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in de hoofdzaak als in de voorlopige voorziening.

5 De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet;

veroordeelt Arriva om [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat Arriva daarmee in gebreke blijft;

bepaalt dat ten titel van deze dwangsom geen hoger bedrag verbeurd zal kunnen worden dan de somma van € 50.000,-, en dat de dwangsom vatbaar is voor matiging voor zover handhaving ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

veroordeelt Arriva tot betaling aan [verzoeker] van het salaris ad € 2.568,88 bruto per maand (te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten) vanaf 11 februari 2016 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallige salaris en vermeerderd met de wettelijke rente over het achterstallige salaris en de wettelijke verhoging vanaf de dagen van opeisbaarheid tot de dag van voldoening;


veroordeelt Arriva in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verzoeker] tot heden begroot op € 117,- aan griffierecht en € 600,- als bijdrage in de kosten van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart deze beschikking waar deze de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gewezen door mr. M.F.M.T. Franke, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016.