Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:3027

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
01/860087-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een bedrijfsbus een verkeersongeval met een bromfietser veroorzaakt omdat verdachte geen voorrang aan de bromfietser heeft verleend. Als gevolg van dat verkeersongeval is die bromfietser komen te overlijden. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte als overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en veroordeelt hem daarvoor tot een geldboete van € 750,00 én een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860087-14

Datum uitspraak: 10 juni 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 mei 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 april 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 december 2013 te Oost West en Middelbeers, gemeente Oirschot, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een bedrijfsauto),

daarmede rijdende over de weg, de Langereyt,

(terwijl de Langereyt door middel van bord model B1 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was aangeduid als een voorrangsweg,)

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

- verdachte is, rijdende over voornoemde Langereyt, een T-splitsing/kruising met de Neereindseweg genaderd en/of - is zonder te stoppen, althans zonder (voldoende) af te remmen (voor een veilig verkeer ter plaatse), rechtsaf geslagen en/of is (daarbij) een naast/op die Langereyt (vrijliggend) (gelegen) fiets-/bromfietspad (geheel of gedeeltelijk) opgereden/gepasseerd en/of - heeft (daarbij) geen voorrang verleend aan een op voornoemd fiets-/bromfietspad voor verdachte (gezien vanuit zijn rijrichting) van rechts komende bromfietser,

waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen die bedrijfsauto en die bromfietser, ten gevolge waarvan de bestuurder van de bromfiets, genaamd [slachtoffer] , (op 16 december 2013) is overleden;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 december 2013 te Oost West en Middelbeers, gemeente Oirschot, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),

daarmee rijdende op de weg, de Langereyt,

(terwijl de Langereyt door middel van bord model B1 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was aangeduid als een voorrangsweg,)

- een T-splitsing/kruising met de Neereindseweg is genaderd en/of - zonder te stoppen, althans zonder (voldoende) af te remmen (voor een veilig verkeer ter plaatse), rechtsaf is geslagen en/of (daarbij) een naast/op die Langereyt (vrijliggend) gelegen fiets-/bromfietspad (geheel of gedeeltelijk) is opgereden/gepasseerd, - (waarbij) hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend aan een op voornoemd fiets-/bromfietspad voor verdachte (gezien vanuit zijn rijrichting) van rechts komende bromfietser,

waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen die bedrijfsauto en die bromfietser (genaamd [slachtoffer] ),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De rechtbank acht – evenals de officier van justitie en de raadsman – niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aan de hand van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting worden de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

De verdachte is op 16 december 2013, rijdende in zijn bestelbus over de Langereyt, de kruising met de Neereindseweg te Oost West en Middelbeers genaderd en heeft vervolgens zijn snelheid naar beneden aangepast teneinde rechtsaf de Neereindseweg in te slaan. Hij was bekend ter plaatse en zich ervan bewust dat hij bij het afslaan een voorrangsweg zou kruisen, te weten het zich parallel aan de Langereyt bevindende fietspad. De verdachte heeft alvorens de Neereindseweg in te slaan in zijn binnenspiegel, zijn rechter buitenspiegel en over zijn rechter schouder gekeken teneinde zich ervan te vergewissen of zich op het naast gelegen fietspad verkeer bevond dat in dezelfde rijrichting als verdachte bewoog en zijn weg kon kruisen. Hij reed op dat moment stapvoets. De verdachte zag wel een groep fietsers, maar deze groep bevond zich op voldoende afstand om veilig het fietspad over te steken en de Neereindseweg in te slaan. Verdachte is vervolgens opgetrokken en de Neereindseweg ingeslagen en daarbij in botsing gekomen met een op dat fietspad en in dezelfde rijrichting rijdende bromfietser. De bromfietser, [slachtoffer] , is als gevolg van deze aanrijding komen te overlijden. De bromfietser had in deze verkeerssituatie voorrang op de verdachte.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. In de tenlastelegging is deze schuld uitgedrukt met het verwijt dat verdachte “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gehandeld. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een lichtere vorm van schuld is onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel of zijn rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een automobilist wordt geëist.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersfout en op de overige omstandigheden van het geval is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat verdachte ‘roekeloos, aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gereden en dus evenmin dat hij aanmerkelijke schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van de Wegenverkeerswet. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de bromfietser aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, kan deze schuld niet worden afgeleid. Een dergelijke momentane onoplettendheid is niet zonder meer als aanmerkelijke schuld te kwalificeren. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist die laten zien dat de verdachte minder nadacht, wist of beleidvol was dan de verkeersdeelnemer in het algemeen. Zulke bijkomende omstandigheden ontbreken hier.

De verdachte zal dan ook van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de verdachte bij het afslaan geen voorrang heeft verleend aan een parallel en in dezelfde rijrichting als de verdachte rijdende bromfietser. Op de kruising heeft zijn bestelauto de bromfietser geraakt. Door geen voorrang te verlenen heeft verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, gevaar veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW 1994.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierna onder de bewezenverklaring aangegeven, dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang bezien- komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

Subsidiair

op 16 december 2013 te Oost West en Middelbeers, gemeente Oirschot, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),

daarmee rijdende op de weg, de Langereyt,

zonder te stoppen rechtsaf is geslagen waarbij hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend aan een voor verdachte van rechts komende bromfietser,

waardoor een botsing is ontstaan met en die bromfietser (genaamd [slachtoffer] ),

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een geldboete van EUR 750, subsidiair 15 dagen hechtenis én een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Subsidiair met een geheel voorwaardelijke dan wel onvoorwaardelijke geldboete. Naar de mening van de verdediging is voor een ontzegging van de rijbevoegdheid, ook al zou dat in voorwaardelijke zin zijn, geen plaats.

De raadsman heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop, het verloop van de strafprocedure, het blanco strafblad van verdachte en (psychische) gevolgen die het ongeval voor verdachte heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft als bestuurder van een auto (bedrijfsbus) een verkeersongeval met een bromfietser veroorzaakt. Als gevolg van dat verkeersongeval is die bromfietser, [slachtoffer] , komen te overlijden.

Ter zitting is door de moeder en de zus van het slachtoffer een slachtofferverklaring voorgedragen. Zij hebben naar voren gebracht welke leegte het overlijden van hun zoon en broer heeft veroorzaakt en hoe groot het gemis is. Door verdachtes handelen is aan de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht. Een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, zal dit leed niet ongedaan kunnen maken.

Strafoplegging dient niet alleen met inachtneming van de, in dit geval desastreuze, gevolgen van de gemaakte verkeersfout te geschieden, maar ook en vooral in verhouding te blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de verkeersfout een misdrijf oplevert en moet er in de strafmaat rekening mee worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt.

Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige dient te worden gekeken naar hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat ook verdachte onder de noodlottige gevolgen van het ongeval zichtbaar gebukt gaat.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het lange tijdsverloop in deze strafzaak.

De rechtbank acht -met de officier van justitie en anders dan de verdediging- een geldboete van € 750,00 én een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, na afweging van voornoemde omstandigheden, passend en geboden. Uit al het vorenoverwogene vloeit ten slotte voort dat en waarom de rechtbank geen toepassing zal geven aan het rechterlijk pardon van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c

Wegenverkeerswet 1994 art. 5, 179.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

subsidiair Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. primair: Vrijspraak

T.a.v. subsidiair: Geldboete van EUR 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis

T.a.v. subsidiair: Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. S.B.C. Nicolaes, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.J. Huijskens, griffier,

en is uitgesproken op 10 juni 2016.