Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2993

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
01/820585-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde belaging en smaad. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte twee bijzondere opsporingsambtenaren van de gemeente Uden heeft beledigd. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte voor dat feit geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/820585-13

Datum uitspraak: 09 juni 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 mei 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 mei 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 13 februari 2011 t/m 13 november 2011 te Uden, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer personeelslid/leden van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer ander(en), in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer ander(en), in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte (telkens)

- een of meerdere brie(f)(ven) en/of mailbericht(en) (met grievende inhoud) gestuurd en/of doen toekomen aan familie en/of vrienden van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of aan die [slachtoffer 2] zelf en/of;

- een of meerdere brie(f)(ven) en/of mailbericht(en) gestuurd en/of doen toekomen aan de werkgever van die [slachtoffer 1] en/of;

- meermalen, althans eenmaal, gebeld naar de werkgever van die [slachtoffer 1] en/of zich voorgedaan als deurwaarder en/of; - meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of familie en/of vrienden en/of collega's van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (thuis en/of op het werk) opgezocht en/of gevolgd en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] en/of een of meer ander(en) uitgescholden (voor moordenaar) en/of;

- meermalen, althans eenmaal, (een) collega('s) van die [slachtoffer 1] klemgereden en/of doen stoppen en/of aangesproken en/of;

- meermalen, althans eenmaal, getuigen ( [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [getuige 4] en/of [getuige 5] ) van een strafzaak tegen die [slachtoffer 1] benaderd en/of (een) brie(f)(ven) geschreven en/of;

- meermalen, althans eenmaal, op internet en/of in de krant en/of op de televisie teksten en/of beelden over/van die [slachtoffer 1] laten zetten en/of tonen;

(artikel 285b Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 13 februari 2011 t/m 13 november 2011 te Uden, althans in Nederland, opzettelijk, al dan niet door middel van verspreiding van (een) geschrift(en) en /of (een) afbeelding(en), de eer en / of de goede naam van [slachtoffer 1] en/of (een of meer personeelslid/leden van) de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel (telkens)

- tegen een of meerdere perso(o)n(en) gezegd " [slachtoffer 1] is een moordenaar" en/of "hij vormt een ernstig gevaar voor de maatschappij", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - een of meer mailbericht(en) en/of brie(f)(ven) gestuurd aan het bedrijf waar voornoemde [slachtoffer 1] werkt en/of de ouders van voornoemde [slachtoffer 1] en/of een of meer ander(en) met de tekst " [slachtoffer 1] . hoort wat het slachtoffer en ouders betreft in een TBS kliniek" en/of " [slachtoffer 1] wordt wat ons betreft vervolfd voor poging tot moord met oplegging van een TBS maatregel" en/of " [slachtoffer 1] . lijkt in ieder geval een moordenaar in spee", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of;

- een website [website 1] en/of [website 2] heeft doen oprichten en/of op die website, althans op internet, foto's en/of camerabeelden van voornoemde [slachtoffer 1] doen plaatsen en/of teksten doen plaatsen,

althans (een) geschrift(en) en / of (een) afbeelding(en), zoals aan deze telastelegging gehecht en daarvan deel uitmakende, verspreid;

(artikel 261 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 06 november 2011 te Uden opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , respectievelijk senrior buitengewoon opsporingsambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Uden, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "stelletje hufters" en/of "idioten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(artikel 267 Wetboek van Strafrecht)

Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan staat in regel 16 van het onder 2 tenlastegelegde feit “vervolfd” vermeld in plaats van “vervolgd” en in regel 3 van het onder 3 tenlastegelegde feit staat “senrior” vermeld in plaats van “senior” en in regel 5 staat “diens/dier”in plaats van “hun. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest telkens het laatste in plaats van het eerste.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde feit gedeeltelijk niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering omdat zij op een onderdeel innerlijk tegenstrijdig is. De rechtbank zal de dagvaarding ten aanzien van dat onderdeel nietig verklaren op grond van het navolgende.

Aan verdachte wordt verweten dat hij - als pleger van die feiten - opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een aantal personen.

De tenlastelegging is geconcretiseerd door na de vermelding van tijd en plaats en de

relevante wetstermen het verbindingswoord ‘immers’ op te nemen waarna bij elk gedachtestreepje dan de gedraging is uitgeschreven.

Uit artikel 47 van het Wetboek van strafrecht blijkt dat de wetgever onderscheid heeft gemaakt tussen het plegen van een feit en het doen plegen daarvan. Men kan niet zowel hetzelfde feit plegen als dat feit doen plegen.

Nu in het ten laste gelegd feit twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar

kunnen bestaan, is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en verklaart de rechtbank de

tenlastelegging onder 2 nietig voor wat betreft het onderdeel een website [website 1] en/of [website 2] heeft doen oprichten en/of op die website, althans op internet, foto's en/of camerabeelden van voornoemde [slachtoffer 1] doen plaatsen en/of teksten doen plaatsen, althans (een) geschrift(en) en / of (een) afbeelding(en), zoals aan deze telastelegging gehecht en daarvan deel uitmakende, verspreid;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding voor het overige geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om de verdachte integraal vrij te spreken van alle drie de feiten, subsidiair voor feit 2 ontslag van alle rechtsvervolging op grond van een rechtvaardigingsgrond. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf .

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is

ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierbij het volgende:

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit:

Artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van belaging, zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

In de tenlastegelegde periode heeft verdachte, zoals blijkt uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting, aan diverse personen brieven, dan wel e-mails verzonden. Deze brieven en/of e-mails zijn klaarblijkelijk verstuurd om achter de verblijfplaats van [slachtoffer 1] te komen, te weten te komen waar [slachtoffer 1] werkzaam was en om de betrokkenen mede te delen dat er door verdachte conservatoir beslag zou worden gelegd.
Deze berichten heeft verdachte, zoals blijkt uit de inhoud van deze berichten deels verstuurd in het kader van zijn werkzaamheden ten behoeve van zijn incassobureau, om op deze wijze te trachten de schadevergoeding die [slachtoffer 1] ten behoeve van zijn zoon [persoon 1] diende te betalen, veilig te stellen, dan wel om zowel de ouders als de werkgever van [slachtoffer 1] en een aantal andere, direct betrokkenen op de hoogte te houden van de gang van zaken.

Voorts blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode ook telefoongesprekken heeft gevoerd met medewerkers van het [bedrijf 1] . Ook dit was in het kader van een incassoprocedure. Verdachte wilde beslag laten leggen op het loon van [slachtoffer 1] in verband met de hiervoor reeds genoemde schadevergoeding.

Gelet op de aard van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte en de geringe frequentie/intensiteit van deze gedragingen en de betrekkelijk korte periode waarin de gedragingen zich hebben voorgedaan, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte daarmee stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en een of meer personeelsleden van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en een of meer anderen. Daarbij neemt de rechtbank bovendien in aanmerking dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende is gebleken in welke mate die gedragingen het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van voornoemde aangevers hebben beïnvloed. Dit betekent dat de verdachte van de aan hem ten laste gelegde belaging dient te worden vrijgesproken.

m.b.t. feit 2:

Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig publiek is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.

De rechtbank constateert dat uit de bewijsmiddelen (de verklaring van [slachtoffer 1] , blz. 24) en de verklaring van [persoon 2] (blz. 113) blijkt dat verdachte op 11 november 2011 in de hal van het Paleis van Justitie te ’s-Hertogenbosch geroepen zou hebben ”mensen let op, hier is een moordenaar” dan wel “Jij bent de moordenaar van mijn zoon” en “mensen hier zit de moordenaar van mijn zoon” Volgens de verklaring van [slachtoffer 1] zouden hierbij 50 mensen aanwezig zijn geweest. Dit laatste is echter niet vast te stellen omdat er geen nadere informatie hieromtrent in het dossier aanwezig is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat nu niet is vast te stellen hoeveel publiek er bij deze uitlatingen aanwezig was, niet gezegd kan worden dat voornoemde uitspraken zijn gedaan ten overstaan van een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden en derhalve niet vaststaat dat verdachte deze uitlating(en) heeft gedaan om hier - in de zin van artikel 261 Sr. - ruchtbaarheid aan te geven.

Verdachte heeft voorts uitlatingen gedaan in mailberichten of brieven gericht aan het bedrijf waar [slachtoffer 1] werkt, de ouders van [slachtoffer 1] , dan wel anderen en welke genoemd staan onder het 2e gedachtestreepje, te weten

" [slachtoffer 1] . hoort wat het slachtoffer en ouders betreft in een TBS kliniek" en/of " [slachtoffer 1] wordt wat ons betreft vervolgd voor poging tot moord met oplegging van een TBS maatregel" en/of " [slachtoffer 1] . lijkt in ieder geval een moordenaar in spee", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of;

De bewoordingen zoals hiervoor weergegeven behelzen naar het oordeel van de rechtbank een persoonlijke mening van de verdachte. Deze zijn gedaan naar aanleiding van de zware mishandeling van zijn zoon door [slachtoffer 1] en zijn derhalve niet bedoeld om iemands goede naam aan te randen.

De berichten zijn verzonden aan een beperkt aantal personen, die ook nog eens in direct verband staan met [slachtoffer 1] , met als gevolg waarvan niet kan worden gesproken van een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden. Dat is blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2008, NJ 2008/430 nodig om tot een bewezenverklaring van smaad te kunnen komen.

Het voorgaande betekent dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 06 november 2011 te Uden opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , respectievelijk senior buitengewoon opsporingsambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Uden, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "stelletje hufters" en "idioten".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beantwoording van de vraag of aan verdachte een straf moet worden opgelegd en zo ja, welke, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Aan verdachte zijn drie feiten tenlastegelegd waarvan de eerste twee feiten qua zwaarte de belangrijkste zijn. Van die feiten zal verdachte worden vrijgesproken. De verdenking van die feiten heeft volgens de verdachte meegebracht dat hij zijn incassobureau heeft moeten stilleggen.
De rechtbank houdt er verder rekening mee dat verdachte niet eerder voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Voorts neemt de rechtbank het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit in ogenschouw. Het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden op 6 november 2011. Verder heeft de rechtbank de geringe ernst van het feit mee laten wegen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van straf - al dan niet in voorwaardelijke vorm - thans geen redelijk doel meer dient. De rechtbank zal de verdachte daarom schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9a, 266 en 267.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1, feit 2: Vrijspraak

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. T.a.v. feit 3: Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven :

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. L.G.J.M. van Ekert, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 9 juni 2016.