Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2972

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
15_6685
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de Wajong 2015. Toepassing SMBA-systematiek. Verweerder heeft afdoende toegelicht dat eiser op zijn 18e verjaardag nog geen mogelijkheden had tot arbeidsparticipatie, maar dat deze situatie niet duurzaam is.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 1a:1
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/366 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6685

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van de Wiel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser, geboren op 28 januari 1997, heeft op 2 februari 2015 een Wajong-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft eiser als handicap of ziekte vermeld: verstandelijke handicap en functiestoornis.

2. Op 1 januari 2015 is artikel III van de Invoeringswet Participatiewet (Stb. 2014, 270 en 271) in werking getreden. Met dit artikel is de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) op onderdelen gewijzigd. Na hoofdstuk 1 van de Wet Wajong 2010 is een hoofdstuk 1a ingevoegd en is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de reeds bestaande hoofdstukken 2 en 3 van de Wajong 2010. Ingevolge onderdeel W van artikel III van de Invoeringswet Participatiewet is de citeertitel van de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) gewijzigd in Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Per 1 januari 2015 is op grond van het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet (Stb. 2014, 359) ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aangepast..

3. Aangezien eiser na 1 januari 2015 achttien jaar is geworden, dienen de aanspraken op Wajong-uitkering van eiser – naar niet in geschil is – in beginsel te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 1a van de Wajong 2015.

4. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong 2015 is

jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Op grond van het achtste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld.

5. Op grond van artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:

a. a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

6. Verweerder moet dus beoordelen of eiser aan een van de laatstgenoemde vier voorwaarden voldoet en, indien dat het geval is, beoordelen of deze situatie duurzaam is. Daarbij maakt verweerder geen gebruik van de in zogenoemde schattingszaken gebruikte Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS)-systematiek, maar is gekozen voor de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Bij deze beoordeling staat de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ centraal. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ vastgesteld. Blijkens de toelichting betreft dit Compendium deels een werkinstructie/naslagwerk en deels een beschrijving van verweerders beleid.

7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie bijvoorbeeld de

uitspraak van 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290) volgt dat aan een rapport opgesteld door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B), een bijzondere waarde toekomt in die zin, dat verweerder zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op een dergelijke rapport mag baseren. Het verzekeringsgeneeskundig rapport kan deze waarde verliezen als de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd. Het aannemelijk maken dat van een van deze gebreken sprake is, kan gebeuren door niet medisch geschoolden. Dit geldt echter niet voor de inhoudelijke medische beoordeling. Indien een betrokkene deze beoordeling wil aanvechten zal hij in beginsel zijn stellingen moeten onderbouwen met een rapport van een (andere) medicus.

8. De rechtbank acht verweerders onderzoek voldoende zorgvuldig. Daarbij acht zij van belang dat de verzekeringsarts een anamnese heeft afgenomen en eiser psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. In bezwaar heeft de verzekeringsarts B&B kennis genomen van de door eiser overgelegde medische informatie, waaronder het journaal van de huisarts, een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek van 25 maart 2014 en een psychologisch onderzoek uit 2009 en tevens eiser gesproken tijdens de hoorzitting. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts B&B aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts B&B inconsistenties bevat of dit onvoldoende is gemotiveerd.

9. De rechtbank komt vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling. Hieronder zal de rechtbank de in artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit opgenomen voorwaarden voor het criterium ‘geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ bespreken.

10. Wat betreft het aantal uren dat eiser belastbaar is (sub d), geeft de verzekeringsarts B&B aan dat bij eiser geen sprake is van een aandoening die leidt tot energetische beperkingen. Eiser heeft dit niet betwist en ook de rechtbank heeft geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat verweerder eisers duurbelasting onjuist heeft ingeschat. Eiser wordt dan ook in staat geacht om gedurende vier uur per dag werkzaamheden te verrichten.

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder beleid heeft vastgesteld om te kunnen beoordelen of iemand over basale werknemersvaardigheden (sub b) beschikt. Dit beleid is neergelegd in het Compendium Participatiewet, op pagina 40 e.v. Volgens verweerder wordt onder basale werknemersvaardigheden onder meer verstaan het begrijpen van instructies van de werkgever en het nakomen van afspraken.

12. Eiser betwist dat hij over deze vaardigheden beschikt. Volgens hem blijkt uit de gedingstukken dat hij grillig en onvoorspelbaar gedrag vertoont. Als hij goed geluimd is wil hij best meewerken, maar als hij ergens geen interesse in heeft, doet hij dat niet. Eiser geeft aan dat hij veel op school verzuimde, ongeïnteresseerd was, een slechte zelfverzorging heeft en dingen kapot maakt als hij kwade zin heeft. Zou dit vertaald worden naar een arbeidssituatie, dan kan hij daarin niet functioneren. Eiser stelt dat alleen al het op tijd naar het werk komen niet gaat lukken.

13. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De arbeidsdeskundige B&B heeft genoegzaam uiteengezet dat eiser in staat is om instructies te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Dit wordt met name afgeleid uit eisers gedrag tijdens het psychodiagnostisch onderzoek, dat op 25 maart 2014 is uitgevoerd in opdracht van de Prins Willem Alexanderschool. Eiser heeft toen adequaat antwoord op vragen gegeven, hij luisterde goed naar opdrachten en hij volgde aanwijzingen op een adequate manier op. Ook heeft eiser – volgens de arbeidsdeskundige – tijdens dit onderzoek laten zien dat hij beschikt over vaardigheden die nodig zijn om in het dagelijks leven situaties in te schatten en problemen op te lossen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Daarbij benadrukt de rechtbank nog dat zij geen reden heeft om aan te nemen dat het door eiser beschreven gedrag het gevolg is van zijn verstandelijke beperking, zodat hiermee ook geen rekening kan worden gehouden bij deze beoordeling. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanknopingspunt om te oordelen dat eiser de vaardigheden mist om te functioneren in een arbeidsorganisatie.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde gesteld dat een aantal voorbeelden die worden genoemd in het in beroep overgelegde rapport van de arbeidsdeskundige B&B van 3 februari 2016 niet juist zijn. Hoewel deze stelling juist is – hetgeen ook ter zitting door verweerders gemachtigde is toegegeven – kent de rechtbank hieraan niet de door eiser gewenste gevolgen toe. Reeds met het in bezwaar opgestelde rapport van de arbeidsdeskundige B&B is afdoende onderbouwd dat eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden. De door eiser bedoelde voorbeelden komen in dat rapport niet voor.

14. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde in geding niet in staat is om ten minste een periode van een uur aaneengesloten te werken (sub c) en dat hij geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie (sub a), zodat hij aan deze twee voorwaarden voor ‘geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ voldoet. De verzekeringsarts B&B kon namelijk niet met zekerheid aangeven of eiser een uur achtereen kan werken. Volgens de arbeidsdeskundige B&B is eiser om deze reden dan ook nog niet in staat om en taak uit te oefenen in een arbeidsorganisatie. De door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde taak van stofzuigen auto’s (taaknummer: 2102) ligt dan ook niet meer aan het bestreden besluit ten grondslag.

15. De vraag of het niet beschikken over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie een duurzame situatie is, heeft de verzekeringsarts B&B ontkennend beantwoord. Hij geeft aan dat eiser met begeleiding, duidelijkheid en structuur bepaalde taken kan leren en ook kan leren deze taken af te ronden. Daarbij wijst hij met name op het rapport van psycholoog N.C.H. Willekens van 25 maart 2014, waarin wordt aangegeven dat eiser zich, in vergelijking tot het voorgaande onderzoek uit 2009, op een positieve manier heeft ontwikkeld. De rechtbank begrijpt verweerders standpunt aldus dat verweerder niet zozeer uitgaat van een herstel in eisers medische situatie, maar meer van de situatie dat eiser bij een gelijkblijvende belastbaarheid in staat is om bepaalde taken te leren.

16. Gelet op de in artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong 2015 neergelegde definitie van ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’, kan ook deze situatie leiden tot een weigering van een Wajong-uitkering. Onder de Wajong 2015 moet het immers gaan om een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Er is in zoverre dan ook sprake van een ruimer begrip dan het begrip ‘duurzaam’ van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), aangezien het in dit artikel enkel gaat om eventuele veranderingen in de medische situatie die tot verbetering van de belastbaarheid kunnen leiden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door eiser aangehaalde jurisprudentie van de CRvB die voorschrijft dat verweerder voor de beoordeling van de duurzaamheid van volledige arbeidsongeschiktheid in het kader artikel 4, tweede en derde lid, van de WIA concreet moet motiveren op welke aspecten een verbetering in de medische gesteldheid wordt verwacht, in casu niet toepasbaar is.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de conclusie van de verzekeringsarts B&B omtrent de duurzaamheid te twijfelen. In beroep is het aan de verzekerde om zijn standpunt dat de prognose van de verzekeringsarts B&B niet deugdelijk was, voldoende te onderbouwen. Eiser heeft in beroep geen nieuwe gegevens overgelegd die zijn standpunt kunnen onderbouwen. Mede gelet hierop volgt de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts B&B dat eiser mogelijk in de toekomst wel in staat is om ten minste een periode van een uur aaneengesloten te werken. Uitgaande van de situatie dat eiser op termijn in staat is om ten minste een uur aaneengesloten te werken, heeft de arbeidsdeskundige B&B de verwachting uitgesproken dat het voor eiser mogelijk moet zijn om eenvoudige werkzaamheden te verrichten met de nodige begeleiding en ondersteuning in een beschutte werkomgeving. De rechtbank heeft geen reden om aan dit standpunt te twijfelen en deelt verweerders verwachting dat eiser in staat is om in de toekomst een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie.

18. Gelet op het voorgaande heeft eiser op zijn 18e verjaardag nog geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, maar is deze situatie niet duurzaam. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering.

19. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, voorzitter, en mr. L. Soeteman en

mr. S.D.M. Michael, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.