Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2930

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
15_742
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of verweerder leges voor het op aanvraag verstrekken van kopieën (bestemmingsplan: planregels en toelichting) had mogen heffen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was om van eiser leges te heffen. De rechtbank stelt vast dat uit de legesfactuur noch uit de bestreden uitspraak blijkt hoe verweerder tot het daarop genoemde bedrag is gekomen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het de kostprijs voor het bestemmingsplan betreft, die door het planbureau aan verweerder in rekening is gebracht. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden uitspraak ten onrechte de indruk wekt dat hij het legesbedrag op grond van de Legesverordening en bijbehorende tarieventabel heeft vastgesteld. Feitelijk heeft verweerder het legesbedrag namelijk op de daarvoor aan hem in rekening gebrachte kostprijs bepaald. De Legesverordening biedt daarvoor echter geen grondslag. De rechtbank vermindert de van eiser geheven leges, uitgaande van de tarieven die genoemd zijn in de bij de Legesverordening behorende tarieventabel, van € 178,64 naar € 171,50.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1771
V-N 2016/51.15.16
FutD 2016-1993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/742

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. I.J.J.M. Roorda),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Heusden, verweerder

(gemachtigden: mr. S. van Hesewijk en E.F. Roosenboom).

Procesverloop

Verweerder heeft bij factuur van 15 december 2012 (factuurnummer 201200001843) van eiser leges geheven ten bedrage van € 178,64 onder de vermelding ‘verstrekken bestemmingsplaninformatie’.

Bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2015 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de leges gehandhaafd. Uit de bestreden uitspraak op bezwaar blijkt voorts dat verweerder ten aanzien van de invorderingskosten ten bedrage van € 51 (bestaande uit € 44 aan dwangbevelkosten en € 7 aan aanmaningskosten) heeft beslist dat deze niet hoeven te worden betaald.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft na het verweerschrift nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2015.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om naar aanleiding van de vragen van de rechtbank aanvullende informatie te overleggen.

Bij brief van 6 november 2015 heeft verweerder aanvullende informatie overgelegd.

Bij brief van 9 november 2015 heeft eiser een schriftelijke reactie met bijlagen overgelegd.

Bij brief van 12 november 2015 heeft de rechtbank bij verweerder een afschrift van de Legesverordening 2012 en bijbehorende tarieventabel van de gemeente Heusden, alsmede stukken waaruit blijkt wanneer en op welke wijze de Legesverordening bekend is gemaakt, opgevraagd.

Bij brief van 16 november 2015 heeft verweerder de door de rechtbank bij brief van 12 november 2015 gevraagde stukken overgelegd.

Bij brieven van 20 november 2015 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat zij voldoende gegevens heeft om uitspraak te doen en partijen verzocht aan te geven of zij toestemming geven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Bij fax van 27 november 2015 heeft eiser toestemming gegeven uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. Bij brief van 30 november 2015 heeft verweerder toestemming gegeven uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

Bij brieven van 11 mei 2016 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat zij het onderzoek heeft gesloten.

Feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

Op 5 december 2012 om 9.21 uur heeft de gemachtigde van eiser aan het college van Burgemeester en Wethouders (college van B&W) een e-mail gezonden, met het onderwerp ‘Verzoek nader stuk n.a.v. reactie aan gemeenteraad [adres] ’, met de tekst:
Naar aanleiding van het ‘inspreken’ en de reactie van u – namens B&W – aan de gemeenteraad, liet u onder meer aan hen (de raadsleden) weten dat er ten opzichte van het ter visie gelegen hebbende ontwerpplan: “Buitengebied” [adres] sprake blijkt te zijn van een zeer aanzienlijke beperking (Catering- en Evenementenbedrijf). Kunt u mij dat aan de hand van een stuk – zoals kennelijk ook voorafgaand aan de raadsvergadering aan de gemeenteraad toegezonden – laten zien? Zowel op plankaart als tekstueel. Bij voorbaat dank voor de te nemen moeite.’
Op 5 december 2012 om 9.51 uur heeft [persoon 1] aan de gemachtigde van eiser een e-mail gezonden met de tekst:
De verbeelding treft u aan op de website van de gemeente bij de vergaderstukken van de vergadering van gisteravond.’
Op 5 december 2012 om 9.57 uur heeft de gemachtigde van eiser aan [persoon 1] een e-mail gezonden met de tekst:
‘Wil gaarne (ben nog van de oude stempel) de papieren versie onder ogen zien. Wanneer is dat mogelijk? Morgenochtend vanaf 09.00 uur tot 13.00 uur?’
Op 5 december 2012 om 10.01 uur heeft [persoon 1] aan de gemachtigde van eiser een e-mail gezonden met de tekst:
Van de verbeelding heb ik geen papieren exemplaar beschikbaar. Wij werken digitaal en laten dus geen papieren exemplaren afdrukken voor eigen gebruik.’
Op 5 december 2012 om 10.35 uur heeft de gemachtigde van eiser aan [persoon 1] een e-mail gezonden met de tekst:
Dat is dan sinds hedenochtend? De raadsleden, moor ook ik heb de papieren versie, van het voorontwerp en het ontwerp en van de aanzienlijke beperking wens – verlang – ik ten behoeve van mijn clienten een papieren versie. Ik overvraag niet; maar doe een zeer redelijk en zeer billijk voorstel. Ik wil die papieren stukken dan ook morgenochtend komen inzien.’
Op 5 december 2012 om 10.52 uur heeft [persoon 1] aan de gemachtigde van eiser een e-mail gezonden met de tekst:
Als ik geen papieren versie heb van dit stuk, dan kan ik u die niet laten inzien. Het klopt dat met uitzondering van GroenLinks alle raadsfracties een exemplaar hebben ontvangen. Over die exemplaren heb ik niet de beschikking en een eigen exemplaar heb ik niet. Als u een exemplaar wenst te ontvangen, dan kan ik u die tegen kostprijs laten opsturen. U ontvangt deze dan binnen enkele werkdagen.’
Op 5 december 2012 om 12.01 uur heeft de gemachtigde van eiser aan [persoon 1] een mail gezonden met de tekst:
Gaarne spoedige toezending + nota leges. Daarbij doel ik op de ALLE stukken (exemplaar) op papier die naar de raadsleden zijn toegezonden.’

Omstreeks 15 december 2012 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser stukken toegezonden, met daarbij gevoegd de legesfactuur van 15 december 2012 (factuurnummer 201200001843) ten bedrage van € 178,64.

Op 23 januari 2013 heeft de gemachtigde van eiser aan het gemeentebestuur van Heusden, t.a.v. de wethouder de heer C.A.M. van Bokhoven een fax gezonden, met als onderwerp ‘Voorstelling van zaken (Retournering ongevraagde bescheiden)’, met daarin, voor zover thans relevant, de volgende tekst: ‘(…) heb ik u gevraagd om ALLE stukken die hiermee verband houden. Anders gezegd: hoe en op welke wijze – door middel van welke bescheiden – heeft u de gemeenteraad en eerder de Provincie ten gunste van [persoon 2] op het verkeerde been gezet? Met welke informatie, met welke tekeningen etc. Daarbij behoort ook de Zienswijze van de Provincie van 20 juli 2012 (die is mij eind december 2012 door de Provincie zelf toegezonden). In plaats daarvan zendt u mij een compleet boekwerk – het complete bestemmingsplan – met pakweg 7 kaarten. Daarbij voegt u een factuur ten bedrage van maar liefst € 178,64. Kennelijk om bij [eiser] nog wat extra zout in de wonden te strooien? (…) Het is onder verwijzing naar de inhoud van mijn schrijven van 23 december 2012 en het vorenstaande dat de ongevraagde bescheiden aan u zijn geretourneerd.’

Wettelijk kader

In zijn openbare vergadering van 20 december 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente Heusden de Verordening op de heffing en invordering van leges 2012 (Legesverordening) vastgesteld. Op 4 januari 2012 is dit bekengemaakt in ‘Heusden Actueel’, waarbij is medegedeeld dat de Legesverordening en de daarbij behorende tarieventabel zijn opgenomen in het gemeenteblad, dat kosteloos ter inzage ligt bij het Klant Contact Centrum.

Ingevolge artikel 2 onder a., van de Legesverordening worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Op grond van artikel 3 van de Legesverordening is, voor zover thans relevant, belastingplichtig de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.

In hoofdstuk 1 van de tarieventabel zijn onder het kopje ‘Algemeen’ in 1.1.1 t/m 1.1.1.5 tarieven opgenomen voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verstrekken van – kort gezegd – stukken.

Overwegingen

1. De rechtbank oordeelt allereerst dat verweerder de fax van 23 januari 2013 van de gemachtigde van eiser, gelet op de inhoud van die fax, terecht als bezwaar tegen de bij factuur van 15 december 2012 van eiser geheven leges heeft aangemerkt. Mitsdien is het bezwaar door verweerder terecht ontvankelijk geacht.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank stelt vast dat uit eisers bezwaarschrift, alsmede de overige door eiser in de bezwaarfase overgelegde stukken niet blijkt dat hij heeft verzocht om te worden gehoord. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet is de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) van toepassing op de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. In artikel 25, eerste lid, van de Awr is neergelegd dat, in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de belanghebbende wordt gehoord op diens verzoek. Nu niet is gebleken dat eiser heeft verzocht om te worden gehoord, bestond voor verweerder geen verplichting eiser te horen alvorens op het bezwaar te beslissen.

3. Gezien de inhoud van het beroepschrift en de nadien namens eiser overgelegde stukken enerzijds en de bestreden uitspraak anderzijds, stelt de rechtbank vast dat het beroep is gericht tegen de van eiser bij legesfactuur van 15 december 2012 (factuurnummer 201200001843) geheven leges en de nadien van eiser gevorderde invorderingskosten (bestaande uit kosten in verband met een dwangbevel en aanmaningskosten). Aangezien in de bestreden uitspraak op bezwaar is beslist dat de invorderingskosten niet hoeven te worden betaald, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over die kosten. Voor zover eisers beroepsgronden tegen de invorderingskosten zijn gericht, behoeven deze dan ook geen bespreking. De rechtbank zal hierna dus uitsluitend beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de leges ten bedrage van € 178,64 van eiser mocht heffen.

4. Op verweerder rust de last te bewijzen dat hij gerechtigd was de leges van eiser te heffen.

5. Eiser betwist niet dat hij om toezending van stukken heeft verzocht en dat hem op 15 december 2012 door verweerder stukken, alsmede een legesnota zijn toegezonden. Eiser betwist wel dat aan hem de stukken zijn gezonden die hij wilde hebben. Zoals uit eisers fax van 23 januari 2013 blijkt, stelt eiser dat hem door verweerder het complete bestemmingsplan, met 7 plankaarten, is toegezonden, terwijl hij daar niet om had verzocht. Verweerder stelt dat aan eiser, naar aanleiding van diens verzoek, niet alleen het bestemmingsplan (planregels en plantoelichting), met 7 plankaarten, maar ook de zienswijzennota is verstrekt. Eiser betwist dat de zienswijzennota aan hem is verstrekt.

6. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat hij niet kan aantonen welke stukken destijds aan eiser zijn toegezonden, omdat hij daarvan geen (verzend)administratie heeft bijgehouden. De rechtbank overweegt dat, nu de bewijslast bij verweerder ligt, maar verweerder een en ander achteraf niet kan aantonen, niet aannemelijk is geworden dat verweerder meer stukken dan het bestemmingsplan (planregels en plantoelichting) en 7 plankaarten aan eiser heeft toegezonden. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van het onderhavige geschil dus van uit dat aan eiser enkel het bestemmingsplan (planregels en plantoelichting) en 7 plankaarten zijn verstrekt.

7. Ten aanzien van eisers stelling dat de aan hem verstrekte stukken niet de stukken waren die hij wilde hebben, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de e-mailcorrespondentie tussen eisers gemachtigde en een medewerker van de gemeente Heusden ( [persoon 1] ) van 5 december 2012 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eisers gemachtigde inzage en vervolgens toezending wenste van alle stukken die voorafgaand aan de raadsvergadering aan de gemeenteraad zijn toegezonden, waarbij hij expliciet heeft aangegeven ‘Zowel op plankaart als tekstueel.’ Gelet daarop en gelet op het feit dat eisers gemachtigde zijn aanvraag niet nader heeft geconcretiseerd, kan niet worden gezegd dat het verstrekken van het bestemmingsplan (planregels en plantoelichting) met 7 plankaarten niet voldoet aan eisers aanvraag. De rechtbank merkt voorts op dat uit voormelde e-mailcorrespondentie van 5 december 2012, waarin eisers gemachtigde onder andere heeft aangegeven ‘Gaarne spoedige toezending + nota leges’, genoegzaam blijkt dat eiser zich ervan bewust was dat in verband met de door hem verzochte toezending van stukken leges verschuldigd zijn.

8. Nu vaststaat dat aan eiser, op diens daartoe strekkende aanvraag, door de gemeente Heusden stukken zijn toegezonden en het in behandeling nemen van deze aanvraag, naar het oordeel van de rechtbank, als een door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte dienst kan worden gekwalificeerd, was verweerder ingevolge artikel 2, aanhef en onder a. en artikel 3, van de Legesverordening in samenhang met hoofdstuk 1 van de bij de Legesverordening behorende tarieventabel gerechtigd van eiser voor het genot van deze dienst leges te heffen. Eisers stelling dat verweerder daartoe niet gerechtigd was, faalt derhalve.

9. Eiser heeft betoogd dat hij de stukken eind december 2012 aan verweerder heeft geretourneerd. Nog daargelaten dat eiser deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij daarvan geen bewijs heeft geleverd, wijst de rechtbank eiser erop dat een en ander niet afdoet aan zijn belastingplicht. Gelet op de toepasselijke regelgeving is het belastbare feit het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van stukken. Vaststaat dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Het eventueel achteraf teruggeven van de betreffende stukken doet daaraan niet af. Voor zover eisers betoog moet worden opgevat als een beroep op geheel of gedeeltelijke teruggaaf van de leges, overweegt de rechtbank dat dit ingevolge artikel 9 van de Legesverordening weliswaar mogelijk is, maar alleen indien en voor zover zulks in de tarieventabel is bepaald. De rechtbank stelt vast dat in hoofdstuk 1 van de tarieventabel geen regeling voor de gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges is getroffen.

10. Nu eiser ook de hoogte van de van hem geheven leges betwist, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of verweerder gerechtigd was leges ten bedrage van € 178,64 van eiser te heffen.

11. De rechtbank stelt vast dat uit de legesfactuur van 15 december 2012 niet blijkt hoe verweerder tot het daarop genoemde bedrag van € 178,64 is gekomen. In de factuur staat enkel ‘verstrekken bestemmingsplaninformatie’ vermeld. Ook in de bestreden uitspraak wordt niet gemotiveerd hoe verweerder tot dit bedrag is gekomen. Wel wordt in de bestreden uitspraak in algemene termen verwezen naar de Legesverordening en de tarieventabel. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat het bedrag van € 178,64 de kostprijs betreft, die door het planbureau voor het bestemmingsplan met plankaarten aan verweerder in rekening is gebracht. De rechtbank stelt naar aanleiding van deze toelichting vast dat verweerder in de bestreden uitspraak ten onrechte de indruk wekt dat hij de leges op grond van de Legesverordening en bijbehorende tarieventabel heeft vastgesteld. Met de kostprijs van het bestemmingsplan heeft verweerder een grondslag voor de vaststelling van (de hoogte van) de leges gehanteerd, die niet in de Legesverordening en de bijbehorende tarieventabel voorkomt. Ook overigens biedt de Legesverordening voor het hanteren van de kostprijs van een bestemmingsplan met plankaarten als tarief voor het heffen van leges geen grondslag. Dat betekent dat verweerder het legesbedrag onjuist heeft vastgesteld.

12. Het beroep is gegrond. De bestreden uitspraak wordt vernietigd.

13. Omdat verweerder gerechtigd was van eiser leges te heffen en aannemelijk is dat aan eiser, naar aanleiding van diens aanvraag, het bestemmingsplan (planregels en plantoelichting) en 7 plankaarten zijn toegezonden, zal de rechtbank, ter finale beslechting van het geschil, de hoogte van de door eiser verschuldigde leges zelf vaststellen. Uit verweerders nadere schrijven van 6 november 2015 volgt dat de planregels en de plantoelichting tezamen 223 pagina tellen. Daarnaast is sprake van 7 plankaarten, door verweerder aangeduid als ‘verbeeldingen’. Eiser heeft deze aantallen niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Aangezien verweerder niet heeft gespecificeerd of en zo ja, hoeveel van voormelde 223 pagina kleuren kopieën betreffen en de stukken daarover evenmin duidelijkheid verschaffen, gaat de rechtbank uit van het in 1.1.1.2 onder a. van de tarieventabel genoemde tarief van € 0,35 voor zwart/wit kopieën, resulterend in een bedrag van € 78,05 (223 x € 0,35). Voor de 7 plankaarten gaat de rechtbank uit van het in 1.1.1.3 onder a. van de tarieventabel genoemde tarief van € 13,35, resulterend in een bedrag van € 93,45. In totaal bedragen de leges mitsdien € 171,50 (€ 87,05 + € 93,45). De rechtbank vermindert de van eiser geheven leges tot € 171,50 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

14. Aangezien het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten in verband met de aan eiser in bezwaar en beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt de vergoeding voor deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.238 (bezwaarfase: 1 punt voor het (aanvullend) bezwaarschrift, waarde per punt € 246, wegingsfactor 1 en beroepsfase: 1 punt voor het (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 496, wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

15. De rechtbank gelast verweerder voorts aan eiser het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- vermindert de van eiser geheven leges tot € 171,50;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.238;

- gelast verweerder het griffierecht ten bedrage van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van M. Brok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.