Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2854

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
C/01/294508 / HA ZA 15-410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

zonder toestemming gebruik maken van eigendom van ander. Ongerechtvaardigde verrijking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/294508 / HA ZA 15-410

Vonnis van 8 juni 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] INVESTMENTS B.V.,

kantoorhoudende te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. P. van Zwijndregt te Veghel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBR. [gedaagde] METAALRECYCLING B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. [G.R.A.G. Goorts te Deurne] .

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 augustus 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 december 2015 en de daarin genoemde processtukken

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] drijft een onderneming die zich toelegt op de groothandel in ijzer- en staalschroot alsmede non-ferrometalen.

2.2.

[eiseres] was tot en met 31 maart 2015 eigenaresse van het perceel [adres] , een perceel met kades in de haven van [plaats] . [eiseres] beschikte aldaar over dukdalven (meerpalen) waaraan schepen kunnen afmeren. Daarvan maakte [eiseres] zelf geen gebruik. Zij baatte die meerpalen ook niet commercieel uit.

2.3.

[gedaagde] heeft vanaf mei 2012 in het kader van haar bedrijfsvoering eigenmachtig en aldus zonder toestemming van of overleg met [eiseres] een zestal duwbakken afgemeerd aan dukdalven van [eiseres] .

2.4.

Op 24 april 2014 heeft [eiseres] een brief gestuurd aan [gedaagde] . In deze brief verzoekt zij [gedaagde] geen gebruik meer te maken van de dukdalven en contact op te nemen om de zaak samen op te lossen.

2.5.

Omstreeks augustus 2014 zijn de duwbakken door [gedaagde] verwijderd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 62.089,60 vermeerderd met de wettelijke rente over € 59.670,- vanaf 2 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] primair ten grondslag gelegd dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt door zonder daarvoor een vergoeding te betalen gebruik te maken van de dukdalven van [eiseres] . Subsidiair acht zij het handelen van [gedaagde] onrechtmatig. Meer subsidiair voert zij aan dat [gedaagde] op grond van redelijkheid en billijkheid een gebruiksvergoeding dient te betalen aan [eiseres] .

3.3.

[gedaagde] heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat geen sprake is van onrechtmatig handelen en dat [eiseres] geen schade heeft geleden en evenmin is verarmd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft het standpunt van [eiseres] dat [gedaagde] wist of moest weten dat de dukdalven waarvan zij gebruik maakte toebehoorden aan [eiseres] gemotiveerd betwist. Gesteld dat het standpunt van [eiseres] juist is, dan geldt het volgende.

4.2.

Het enkele zonder toestemming van de rechthebbende [eiseres] gebruik maken van een of meer dukdalven verplicht [gedaagde] nog niet tot betaling van enig bedrag aan die rechthebbende. Die betalingsverplichting moet immers een grondslag hebben. Die grondslag kan niet worden gevonden in onrechtmatige daad. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] feitelijk schade heeft ondervonden door dat gebruik. [eiseres] baatte de dukdalven niet commercieel uit, zodat in zoverre geen sprake is van misgelopen inkomsten of iets dergelijks. Met andere woorden: de financiële positie waarin [eiseres] zou hebben verkeerd indien [gedaagde] geen gebruik zou hebben gemaakt van de dukdalven zou dezelfde zijn geweest als de financiële situatie waarin [eiseres] thans verkeert, mét dat gebruik. Het gebruik door [gedaagde] van de dukdalven heeft dan ook geen financieel nadeel aan [eiseres] berokkend.

[eiseres] doet een beroep op artikel 6:104 BW, maar dat artikel is alleen van toepassing indien aannemelijk is dat er enige schade is geleden. Die situatie doet zich niet voor.

4.3.

Ook de grondslag ongerechtvaardigde verrijking gaat niet op. Voor zover er al enige verrijking aan de zijde van [gedaagde] heeft plaatsgevonden -bijvoorbeeld doordat zij kosten heeft bespaard omdat zij elders slechts tegen betaling aanmeerruimte kon verkrijgen- geldt dat [eiseres] daardoor nog niet is verarmd. Voor toewijzing van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking is nodig dat er een verband bestaat tussen de verrijking en de verarming, in die zin dat de verrijking van de een ten koste gaat van de ander. Dat doet zich hier echter niet voor. Zoals gezegd is [eiseres] niet in een nadeliger financiële positie gekomen als gevolg van de handelwijze van [gedaagde] .

4.4.

De vergelijking die [eiseres] trekt met het arrest HR 24 mei 2013, LJN BZ 1782 gaat niet op. Nog afgezien van het feit dat het in dat arrest om een heel specifieke casus ging, geldt in het onderhavige geval dat [eiseres] de dukdalven niet commercieel uitbaatte. Dat is een wezenlijk verschil met de casus in dat arrest. Verder geldt dat [eiseres] , wetende dat [gedaagde] zonder haar toestemming gebruik maakte van haar eigendom, pas in april 2014 daartegen serieus heeft geopponeerd, waarna dat gebruik ook is beëindigd.

4.5.

Ook de meer subsidiair naar voren gebrachte redelijkheid en billijkheid kan de vordering niet dragen. De enkele redelijkheid en billijkheid doet geen verbintenis ontstaan. Daarop moet deze grondslag al stranden.

Verder heeft [eiseres] volgens haar eigen stellingen op 9 december 2012 schriftelijk verzocht aan [gedaagde] om geen gebruik meer te maken van haar eigendom, waarna zij zeer lange tijd de kwestie min of meer op zijn beloop gelaten. Toen zij in april 2014 duidelijk actie ondernam is vervolgens het gebruik na enige tijd gestaakt. Aldus moet worden aangenomen dat het ook aan [eiseres] zelf te wijten is geweest dat het gebruik van de dukdalven door [gedaagde] zo lang heeft kunnen voortduren.

4.6.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering niet toewijsbaar is.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.909,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 3.697,00

4.8.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.697,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.