Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2814

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
01/860387-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand bedoeld in artikel 8 derde lid onder b van de Wegenverkeerswet tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

Tevens ontzegt de rechtbank verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 16 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860387-15

Datum uitspraak: 02 juni 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 april 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 19 september 2015 te Helmond, in elk geval in Nederland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg (de Venuslaan), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te handelen als volgt : verdachte heeft over die Venuslaan gereden met een hogere snelheid dan toen aldaar was toegestaan, althans met een te hoge snelheid (gezien de situatie toen aldaar ter plaatse) en/of heeft bij het naderen van een (gezien verdachte's rijrichting) naar rechts afbuigende bocht zijn snelheid niet, althans onvoldoende verminderd en/of heeft (vervolgens) die bocht naar rechts niet (geheel) genomen en/of is in de linkerberm van die Venuslaan gereden/geschoven/gegleden en/of (vervolgens) via het wegdek in de rechterberm van die Venuslaan gereden/geschoven/gegleden en/of (vervolgens) tegen een in die rechterberm staande boom gebotst/gereden, waardoor een ander (te weten een inzittende, genaamd [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) nekbotbreuk(en), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, zijn voertuig bestuurde na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 , 1,68 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn terwijl sedert de datum waarop aan verdachte voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 september 2015 te Helmond, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Venuslaan, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft verdachte over die Venuslaan gereden met een hogere snelheid dan toen aldaar was toegestaan, althans met een te hoge snelheid (gezien de situatie toen aldaar ter plaatse) en/of heeft hij bij het naderen van een (gezien verdachte's rijrichting) naar rechts afbuigende bocht zijn snelheid niet, althans onvoldoende verminderd en/of (vervolgens) die bocht naar rechts niet (geheel) genomen en/of is in de linkerberm van die Venuslaan gereden/geschoven/gegleden en/of (vervolgens) via het wegdek in de rechterberm van die Venuslaan gereden/geschoven/gegleden en/of (vervolgens) tegen een in die rechterberm staande boom tot gebotst/gereden;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

en/of

hij op of omstreeks 19 september 2015 te Helmond, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs is

vereist, zulks terwijl aan hem, verdachte, sedert de datum waarop aan hem verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30

maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.68 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

(artikel 8 lid 3 onder b van de Wegenverkeerswet 1994)

Ten gevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan, staat in de regelnummer 21 ‘lid 2’ vermeld in plaats van ‘lid 3’. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bron.

Een eindproces-verbaal van de politie Oost-Brabant, proces-verbaalnummer PL2100-2015208703-1, afgesloten d.d. 8 oktober 2015, aantal doorgenummerde bladzijden 52. Dit zaaksdossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede andere bescheiden.

Het standpunt van het officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Meer in het bijzonder heeft zij daartoe aangevoerd dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven omdat [getuige 1] tegenstrijdig heeft verklaard en [getuige 2] onder invloed van alcohol was toen het ongeluk plaatsvond. Voorts is het (technisch) onderzoek dat ter plaatse is uitgevoerd te summier van aard om uit te kunnen afleiden wat de precieze toedracht is geweest. Gelet op het voorgaande kan enkel worden vastgesteld dat verdachte de rechterberm is ingereden en vervolgens tegen een boom is gebotst terwijl hij meer gedronken had dan was toegestaan. Dit is naar het oordeel van de raadsvrouw onvoldoende voor het halen van de drempel van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat er geen sprake is van een rechtstreeks causaal verband tussen het handelen van verdachte en het (zwaar lichamelijk) letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1] omdat deze zijn autogordel niet droeg.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft gelet op het navolgende bewijsmiddelen:

Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2015 blijkt onder meer het volgende:

Op zaterdag 19 september 2015 reed verdachte [verdachte] in zijn personenauto van het merk Renault, type Twingo met de kleur grijs en voorzien van kenteken [kentekennummer 1] . Hij reed in Helmond over de Venuslaan en komend vanuit de richting Nieuwveld. In de auto bij verdachte waren gezeten op de bijrijdersstoel [getuige 2] en op de achterbank lag [slachtoffer 1] . Verdachte reed met zijn personenauto frontaal tegen een boom welke staat in de berm aan de rechterzijde van de weg. (..). Uit het sporenonderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte [verdachte] met zijn personenauto vanaf het Nieuwveld in de bocht naar rechts met de twee linkerwielen van de auto in de middenberm terecht is gekomen. Verder is te zien dat [verdachte] met zijn auto naar rechts heeft gestuurd en vanaf de middenberm zijn rijstrook is overgestoken en aan de rechterzijde van de weg in de berm frontaal tegen een boom is aan gereden (..). (p. 2,3)

Getuige [getuige 2] heeft d.d. 19 september 2015 - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard:

Vannacht, zaterdag 19 september 2015, waren [slachtoffer 1] en [getuige 1] bij mij omstreeks 00:15 uur op bezoek. Dit was op mijn thuisadres op [adres 1] . Wij hebben bij mij thuis zitten drinken en ik wilde op een gegeven moment wat vloeitjes gaan halen bij de nachtwinkel in Helmond. Ik wist dat ze beiden gedronken hadden omdat ze dat tegen mij

hadden verteld. Ik weet niet waar ze daarvoor waren geweest. Ik ben toen samen met [getuige 1] en [slachtoffer 1] naar de nachtwinkel gereden. We zijn met een grijze auto van de ouders van [getuige 1] daarheen gereden. [getuige 1] was degene die deze auto bestuurde. Ik zat rechts naast [getuige 1] en op de achterbank lag [slachtoffer 1] te slapen. Nadat wij bij de nachtwinkel waren geweest, reden we in de richting van het Noordende. Wij waren onderweg naar het woonadres van [slachtoffer 1] . De eerste bocht naar links op de Venuslaan, vanuit het Nieuwveld bekeken, reed [getuige 1] nog wel hard maar kon hij de auto nog wel onder controle houden. Bij de daaropvolgende bocht naar rechts merkte ik al dat we deze bocht niet gingen halen en dat hij links deze bocht uitschoof. Ik merkte dat we links in de berm terecht kwamen en dat [getuige 1] tegenstuurde. Vervolgens kwamen we weer terug op de verharde rijbaan en kwamen we plotseling in de rechterberm terecht waarna we hard tegen een boom, welke in deze berm stond, tot stilstand kwamen. (p. 37-38)

Getuige [getuige 1] heeft d.d. 19 september 2015 - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard:

Op zaterdag 19 september 2015, omstreeks 00.50 uur, stond ik bij mij thuis buiten te roken toen ik plots piepende banden hoorde. Toen keek ik richting de Venuslaan en daar zag ik een grijze personenauto met hoge snelheid, vanuit het Nieuwveld de Venusstraat in rijden. Ik zag dat het voertuig de middenberm raakte, over de middenberm reed en vervolgens naar rechts stuurde, de berm rechts van de rijbaan op reed en tegen een boom aan reed en met de achterzijde op het fietspad tot stilstand kwam.(p. 41)

Uit het verhoor van het slachtoffer [slachtoffer 1] d.d. 1 oktober 2015 blijkt dat hij als gevolg van het ongeval twee gebroken nekwervels heeft opgelopen. Hij is daaraan dezelfde dag nog geopereerd waarbij schroeven en plaatjes in zijn wervels zijn gezet. Het herstel zal enige tijd in beslag nemen, maar onduidelijk is hoe lang. (p. 39-40)

Verdachte heeft d.d. 19 september 2015 - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard: (p. 35-36)

Gisteravond heb ik de auto van mijn vader, zijnde een zilvergrijze Renault Twingo, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] meegenomen om naar een feestje te gaan. Op weg naar dat feest heb ik [slachtoffer 1] opgehaald op zijn huisadres. Omstreeks 20.30 uur kwamen we aan op het feestje en zijn daar verbleven tot ca. 24.00 uur. In de tussenliggende tijd dronk ik ca. 3 tot 4 biertjes en 2 wodka. Bij vertrek voelde ik wel dat ik onder invloed was, maar ik wilde perse naar huis rijden. Samen met [slachtoffer 1] stapte ik in de auto waarbij ik optrad als bestuurder en zijn we naar [getuige 2] gereden. Eenmaal daar wilde [slachtoffer 1] wat later naar huis en zijn we met z’n drieën in de auto gestapt. [slachtoffer 1] is ingestapt en viel achter op de bank van de auto in slaap. [getuige 2] zat op de bijrijdersstoel. Ikzelf bestuurde de auto. Ik ben vervolgens gaan rijden. Van de aanrijding kan ik me niets herinneren.

Uit een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt, dat op 19 september 2015 om 03.35 uur (ten tijde van het bloedonderzoek) het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte 1,68 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg. (p. 29, 30 en 33)

Schuld in de zin van artikel 6 WVW?

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan het verkeers- ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het ongeval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat verdachte op 19 september 2015 in Helmond de Renault Twingo heeft bestuurd terwijl hij danig onder invloed van alcohol verkeerde (1,68 mg). Verdachte heeft op enig moment de middenberm geraakt, is er overheen gereden en is vervolgens rechts van de rijbaan in de berm tegen een boom gebotst waarbij verdachte en [slachtoffer 1] gewond geraakt zijn.

Verdachte heeft hierbij te hard gereden voor de situatie ter plaatse en is de controle over het voertuig kwijtgeraakt.

Van alcoholconsumptie is algemeen bekend dat dit het reactie- en waarnemingsvermogen aantast en in zoverre bijdraagt aan de schuld. Van enige omstandigheid die maakt dat verdachte geen of minder blaam treft is de rechtbank niet gebleken.

Betrouwbaarheid verklaringen getuigen

Zijdens de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

De rechtbank overweegt hierover dat nu beide getuigen elkaar in hun verklaringen over en weer ondersteunen en hun beider verklaringen bovendien worden ondersteund door de foto’s van de rijsporen in de berm, de rechtbank geen aanleiding ziet om die verklaringen niet voor het bewijs te bezigen. De rechtbank verwerpt het verweer.

Causaal verband

De beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen het door verdachte veroorzaakte ongeval en het letsel van het slachtoffer dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dat letsel redelijkerwijs als gevolg van het ongeval aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het rechtbank stelt op basis van vorenstaande feiten en omstandigheden vast dat het letsel van [slachtoffer 1] redelijkerwijs als gevolg van het door verdachte veroorzaakte ongeval aan verdachte kan worden toegerekend. Het feit dat [slachtoffer 1] zijn autogordel niet droeg, doet daar niet aan af.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van een dusdanig ernstige verkeersfout dat gesproken kan worden van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarmee is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor wat betreft het door het slachtoffer opgelopen letsel overweegt de rechtbank dat dit kan worden aangemerkt als letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Dit brengt met zich mee dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het deel van de tenlastelegging dat ziet op rijden met een hogere snelheid dan aldaar was toegestaan omdat zij op basis van het dossier niet zonder meer kan vaststellen dat verdachte harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. De rechtbank zal wel bewezen verklaren dat verdachte met een te hoge snelheid heeft gereden gezien de situatie toen aldaar ter plaatse.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op 19 september 2015 te Helmond, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg (de Venuslaan), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te handelen als volgt: verdachte heeft over die Venuslaan gereden met een te hoge snelheid gezien de situatie toen aldaar ter plaatse en heeft bij het naderen van een (gezien verdachte's rijrichting) naar rechts afbuigende bocht zijn snelheid onvoldoende verminderd en heeft vervolgens die bocht naar rechts niet geheel genomen en is in de linkerberm van die Venuslaan gereden en vervolgens via het wegdek in de rechterberm van die Venuslaan gereden en vervolgens tegen een in die rechterberm staande boom gebotst, waardoor een ander (te weten een inzittende, genaamd [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum 2] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, zijn voertuig bestuurde na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, 1,68 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn terwijl sedert de datum waarop aan verdachte voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

*een werkstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis;

*een gevangenisstraf voorde duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

*een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar met aftrek.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte enorm veel spijt heeft en kampt met psychische problemen omdat hij niet kan omgaan met het schuldgevoel jegens het slachtoffer. Voorts verzoekt zij om bij het opleggen van een rijontzegging rekening te houden met het feit dat verdachte de afgelopen 8 maanden feitelijk geen beschikking over zijn rijbewijs heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft veroorzaakt waarbij een van zijn vrienden die bij hem in de auto zat gewond is geraakt. In strafverzwarende zin betrekt de rechtbank het feit dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol en door zijn gedraging een groot gevaar voor zichzelf en voor anderen in het leven heeft geroepen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het door verdachte gepleegde strafbare feit gelet op de persoon van verdachte kennelijk gezien moet worden als een eenmalige misstap. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en heeft oprecht berouw getoond. Bovendien is verdachte zelf getroffen door de gevolgen van het feit. Enerzijds omdat hij letsel aan zijn knie heeft opgelopen waarvan hij nog steeds dagelijks de gevolgen ondervindt en anderzijds omdat hij gebukt gaat onder een aanhoudend schuldgevoel naar het slachtoffer waarmee hij (nog steeds) goed bevriend is.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank verdachte gedurende 16 maanden de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. De rechtbank heeft de tijd welke verdachte feitelijk geen beschikking over zijn rijbewijs heeft gehad, in mindering gebracht op de eis van de officier van justitie.

De rechtbank zal de ontzegging van de rijbevoegdheid deels voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 22c, 22d

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven en verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf :

primairOvertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongevalbetreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl deschuldige verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8 derde lid onder b van deze wetDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen.

T.a.v. primair:Taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronderbegrepen) voor de duur van 16 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met eenproeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.W. van den Heuvel, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 2 juni 2016.

Mr. W.B. Kok is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.