Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2689

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
16_196
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pw. Kostendelersnorm. Wetsinterpreterend beleid. Onjuiste interpretatie begrip ‘commerciële prijs’ in gedragslijn. Nadere onderbouwing ter zitting. Rechtsgevolgen in stand gelaten.

Verweerder hanteert een gedragslijn ter interpretatie van het wettelijke begrip ‘commerciële prijs’. Deze gedragslijn houdt in dat een kale huurprijs van minder dan € 229,64 wordt aangemerkt als een niet-commerciële huurprijs. Daarbij is aangesloten bij de zogenoemde ondergrens aan rekenhuur om voor huurtoeslag in aanmerking te komen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de gedragslijn het wettelijke begrip ‘commerciële prijs’ niet op een juiste wijze geïnterpreteerd. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een commerciële prijs als bedoeld in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de Pw, dienen de feitelijk geleverde prestaties en hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is te worden afgezet tegen de huurprijs die eiser betaalt. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit nagelaten, zodat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert.

Ter zitting heeft verweerder het bestreden besluit nader onderbouwd en alsnog de feitelijk geleverde prestaties en hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is betrokken bij zijn standpunt dat geen sprake is van een commerciële prijs. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit met deze nadere onderbouwing alsnog de rechterlijke toets doorstaan. Om die reden heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/196

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigden: C. Crevecoeur en mr. L.L. Ross),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L.J. Martens).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd, in die zin dat de kostendelersnorm is toegepast uitgaande van hoofdverblijf in de woning van drie meerderjarige personen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 7 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 17 december 2015 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op 19 maart 1967, huurt van Woonstichting Thuis twee kamers op het adres [adres] voor € 235,00 per maand, inclusief gas, water en licht. Eiser maakt tevens gebruik van een gezamenlijke woonkamer, badkamer en keuken. Op voornoemd adres staan naast eiser twee andere meerderjarige personen ingeschreven. Alle bewoners hebben een individuele huurovereenkomst gesloten met Woonstichting Thuis.

2. Sinds 3 maart 2008 ontvangt eiser een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), thans op grond van de Pw.
In verband met de inwerkingtreding van de Pw heeft verweerder onderzoek gedaan naar de leef- en woonsituatie van eiser. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij het primaire besluit eisers Pw-uitkering met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser zijn woonkosten kan delen met zijn twee medebewoners, waardoor op hem de kostendelersnorm van toepassing is. Om die reden is de hoogte van eisers uitkering gewijzigd naar € 594,80 per maand inclusief 5 % vakantietoeslag.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften (de Commissie), ongegrond verklaard.
In het advies van de Commissie is overwogen dat het college bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een commerciële huurprijs een vaste, consequente werkwijze toepast (de gedragslijn). Deze gedragslijn houdt in dat een kale huurprijs van minder dan € 229,64 wordt aangemerkt als een niet-commerciële huurprijs. Verweerder heeft daarbij aangesloten bij de zogenoemde ondergrens aan rekenhuur om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Wanneer een huurprijs niet is gespecificeerd neemt verweerder 60 % van de huursom in aanmerking als kale huurprijs. Nu de tussen Woonstichting Thuis en eiser overeengekomen huurprijs niet is gespecificeerd, wordt uitgegaan van een kale huurprijs van € 141,00, hetgeen lager is dan de in de gedragslijn gehanteerde normprijs van € 229,64. Om die reden is eisers huurprijs geen commerciële huurprijs en is op eiser de kostendelersnorm onverkort van toepassing.

4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte de kostendelersnorm op hem heeft toegepast. Daartoe voert hij allereerst aan dat er in het geval van eiser en zijn medebewoners geen sprake is van het delen van kosten. Verder stelt eiser dat als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm zijn financiële situatie zakt tot onder het bestaansminimum.

Eiser betoogt daarnaast dat verweerder bij de toepassing van de kostendelersnorm ten onrechte uitsluitend naar zijn gedragslijn heeft verwezen. Zoals ook blijkt uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de wijziging van de Wet Werk en Bijstand en uit de uitspraken van de voorzieningenrechters van de rechtbanken Den Haag en Noord-Holland van respectievelijk 4 augustus 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:9159) en 14 september 2015 (ECLI:NL:RBNHO: 2015:7882), moet worden beoordeeld of de huurprijs in verhouding staat tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Verweerder heeft nagelaten de specifieke situatie van eiser te beoordelen.

Voor zover verweerder zich wel op zijn gedragslijn mocht baseren, stelt eiser dat het normbedrag dat uit de Wet op de Huurtoeslag volgt, niet geldt voor een kamer maar voor een gehele woning. 60 % van de totale huurprijs van de woning bedraagt meer dan het normbedrag van € 229,64, zodat ook in dat geval de kostendelersnorm niet van toepassing is. Daarbij merkt eiser op dat de werkelijke servicekosten lager zijn dan de 40 % die verweerder in de gedragslijn hanteert.

Eiser stelt verder dat hij een evenredig deel van de totale huur betaalt en dat deze totale huur een in het commercieel verkeer gebruikelijke huurprijs betreft. Daarnaast huurt eiser de kamers van een professionele verhuurder, zodat ook om die reden sprake is van een commerciële huurprijs. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank van 6 mei 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:2615).

Tot slot verzoekt eiser de rechtbank verweerder te veroordelen in de proceskosten.

5. Uit het systeem van artikel 22a van de Pw volgt dat voor de vraag of verweerder terecht de kostendelersnorm op eiser van toepassing heeft geacht, niet van belang is of feitelijk sprake is van het delen van kosten. Deze beroepsgrond kan derhalve niet slagen.
Voorts volgt uit het wettelijk systeem dat voor die beoordeling evenmin relevant is of als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm eisers inkomen zakt tot onder het bestaansminimum. De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 22a van de Pw uitdrukkelijk situaties als die waarin eiser verkeert meegewogen. Het is niet aan de rechter om een oordeel te geven over de uitkomst van die weging. Ook dat betoog kan eiser derhalve niet baten.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser samen met twee andere meerderjarige personen zijn hoofdverblijf heeft in de woning aan de [adres] , zodat op eiser het bepaalde in artikel 22a, eerste lid, van de Pw in beginsel van toepassing is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder de huurprijs die eiser betaalt, terecht niet heeft aangemerkt als commerciële prijs en daarmee de uitzondering van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de Pw terecht niet aan de orde heeft geacht.

7. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat in het bestreden besluit ter interpretatie van het begrip ‘commerciële prijs’ als bedoeld in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de Pw, niet de gedragslijn is gehanteerd. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het advies van de Commissie, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, immers expliciet de gedragslijn is uiteengezet en vervolgens is toegepast. Ook in het verweerschrift opgesteld ten behoeve van de hoorzitting heeft verweerder uitdrukkelijk betoogd dat de kale huurprijs die eiser betaalt, dient te worden getoetst aan het normbedrag van € 229,64, zoals omschreven in de gedragslijn. De rechtbank ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat in het onderhavige geval op een andere wijze uitleg is gegeven aan het begrip ‘commerciële prijs’ dan in de gedragslijn is beschreven.

8. Zoals blijkt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie de uitspraak van 27 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2599) is het de exclusieve taak van de rechter om wettelijke begrippen uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat verweerder geen wetsinterpreterend beleid zoals onderhavige gedragslijn mag formuleren, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. De rechterlijke toetsing van het wetsinterpreterende beleid is integraal.

9. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder met de gedragslijn het wettelijke begrip ‘commerciële prijs’ op een juiste wijze heeft geïnterpreteerd. Daarbij is van belang dat de Pw geen definitie geeft van voornoemd begrip. Blijkens de MvT bij de wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 60) houdt een commerciële prijs in dat de prijs in verhouding moet staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens een periodieke aanpassing van de prijs.

10. Verweerder hanteert in de gedragslijn een vaste grens voor het aannemen van een commerciële prijs, zonder daarbij acht te slaan op de geleverde prestaties. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat hiermee geen juiste invulling wordt gegeven van het begrip ‘commerciële prijs’. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een commerciële prijs als bedoeld in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de Pw, dienen de feitelijk geleverde prestaties en hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is te worden afgezet tegen de huurprijs die eiser betaalt. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook een onjuiste maatstaf gehanteerd, zodat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

11.
De rechtbank overweegt in het kader van de finale geschillenbeslechting als volgt.

12. Verweerder heeft ter zitting in aanvulling op het bestreden besluit nader onderbouwd dat, ook gelet op de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is, in het onderhavige geval geen sprake is van een commerciële prijs. Bij dit standpunt heeft verweerder de totale oppervlakte van de twee door eiser gehuurde kamers betrokken, het feit dat eiser tevens gebruik maakt van een gezamenlijke woonkamer, badkamer en keuken, en de staat van onderhoud van het gehuurde. Verweerder stelt dat eiser geen vergelijkbare woonruimte zal kunnen vinden voor de huurprijs die hij betaalt. Ter onderbouwing daarvan wijst verweerder op de namens eiser ter zitting gegeven toelichting dat de huurprijs die eiser en zijn medebewoners ieder betalen, tot stand is gekomen door de reeds bestaande huurprijs van de woning te delen door drie. Verweerder wijst erop dat in het commerciële verkeer de optelsom van afzonderlijke huurprijzen bij kamergewijze verhuur meer bedraagt dan de huurprijs indien de woning in zijn geheel wordt verhuurd. Een kamer die kamergewijze wordt verhuurd wordt immers intensiever gebruikt. Dit komt ook tot uitdrukking in het feit dat de Huurcommissie andere huurprijzen hanteert voor zelfstandige woonruimte dan voor onzelfstandige woonruimte. Gelet hierop concludeert verweerder dat de huurprijs die eiser betaalt in het commerciële verkeer niet gebruikelijk is.

13. De rechtbank volgt verweerder in dit betoog en is van oordeel dat verweerder gelet op deze nadere onderbouwing terecht de door eiser betaalde huurprijs niet aanmerkt als

commerciële prijs en daarmee de uitzondering van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de Pw terecht niet aan de orde acht.
Dat hier sprake is van verhuur door een commerciële verhuurder, zoals door eiser is betoogd, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af, reeds omdat zulks niet op zichzelf bepalend is voor de vraag of er sprake is van een commerciële prijs. Daar komt bij dat voor het feit dat in dit geval door de commerciële verhuurder een
niet-commerciële huurprijs is overeengekomen, een verklaring kan worden gevonden in het feit dat eiser en zijn medebewoners destijds als vluchtelingen de woning hebben betrokken. De huurprijzen zijn onder die omstandigheden tot stand gekomen. In zoverre is sprake van een bijzondere situatie die afwijkt van de wijze waarop een huurprijs bij kamergewijze verhuur in het commerciële verkeer doorgaans tot stand komt. Dat hier sprake is van een bijzondere situatie wordt tevens onderstreept door het feit dat eiser aanvankelijk slechts één van beide kamers huurde voor een totale huurprijs van € 250,00 inclusief gas, water en licht, en nadien beide kamers heeft kunnen huren tegen een lagere huurprijs van € 235,00 inclusief gas, water en licht.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit met de nadere onderbouwing ter zitting alsnog de rechterlijke toets kan doorstaan. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

15. Nu deze nadere motivering eerst in beroep door verweerder is gegeven, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 992,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt van € 496,00).

16. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser griffierecht dient te vergoeden, nu eiser door de rechtbank is vrijgesteld van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit kader op dat zij thans constateert dat van betalingsonmacht aan de zijde van eiser op het moment van het moeten betalen van het griffierecht geen sprake was. Eiser ontvangt immers sinds 1 januari 2016 wederom bijstand zonder toepassing van de kostendelersnorm. De rechtbank heeft dit niet eerder onderkend en eiser derhalve ten onrechte vrijgesteld van betaling van het griffierecht. De rechtbank zal echter niet terugkomen van haar eerdere beslissing eiser vrij te stellen van betaling van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, voorzitter, en
mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. M. van ‘t Klooster leden, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.