Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2529

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
C/01/298732 / EX RK 15-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet bescherming persoonsgegevens 36
Wet bescherming persoonsgegevens 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2016/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/298732 / EX RK 15-177

Beschikking van 16 februari 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoeker sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [verzoeker sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. S.G. Ong,

hierna te noemen [verzoeker sub 1] respectievelijk [verzoeker sub 2] ,

tegen

naamloze vennootschap SHR N.V. (voorheen SNS REAAL N.V.),

en

naamloze vennootschap SNS BANK N.V.,

beiden statutair gevestigd te Utrecht en hoofd-kantoorhoudend te Utrecht,

aan de Croeselaan 1,

belanghebbenden,

advocaat mr. M.E.G. Murris,

hierna te noemen SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) respectievelijk SNS Bank.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 15 september 2015;

  • -

    het verweerschrift van 9 december 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling van 15 december 2015, waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.

2 Het verzoek en de gronden daarvoor

2.1.

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] verzoeken de rechtbank te bevelen:

Primair

I SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) en/of SNS Bank op grond van de artikelen 35, 36 en 46 van de Wet bescherming persoonsgegeven (Wpb) als verantwoordelijken (-n) van een verzameling persoonsgegevens, de registratie van alle op [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] betrekking hebbende gegevens zal verwijderen (zowel) uit het Intern Incidentenregister als het Extern verwijzingsregister zoals dat is te toetsen door de financiële instellingen die zijn aangesloten bij de Nederlands Vereniging van Banken en de Vereniging van Financieringsinstellingen in Nederland;

II.SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) en/of SNS Bank deugdelijk en schriftelijk aan verzoekers zal bevestigen dat de registratie in het externe verwijzingsregister ongedaan is gemaakt en de gegevens uit het externe verwijzingsregister zijn verwijderd, binnen een termijn van 2 dagen na verwijdering;

Subsidiair

III. SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) en SNS Bank de op verzoekers betrekking hebbende gegevens zodanig opnemen in het externe gedeelte van het incidentenregister, zoals dat is te toetsen door de financiële instellingen die zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Banken de Vereniging van Financieringsinstellingen in Nederland, dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] daarvan geen hinder zullen hebben in de uitvoering van hun dienstverlening aan de VVE's voor wie zij het financieel beheer voeren c.q. de duur van de opname in zowel het incidentenregister als het extern verwijzingsregister te beperken tot één jaar dan wel voor een periode als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren op een termijn van 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis (bedoeld zal zijn "de te geven beschikking", rechtbank);

Primair en subsidiair

IV. SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) en SNS Bank voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij na betekening van de ten deze te geven beschikking in strijd handelen met hetgeen door de Voorzieningenrechter (de rechtbank begrijpt "de rechtbank") wordt beslist een dwangsom verbeuren van € 5.000,00 per dag of een gedeelte daarvan, tot een nader door de rechtbank te maximeren bedrag;

V. met veroordeling van SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) en SNS Bank in de proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad;

2.2.

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] leggen aan dit verzoek - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

[verzoeker sub 1] is al sinds het jaar 1999 actief op het gebied van het beheer van vastgoed, meer specifiek biedt zij Verenigingen van Eigenaren VVE-beheer aan en verleent zij aldus alle van haar gevraagde diensten op dat vlak, zoals (maar niet beperkt tot) het financieel administratief en technisch beheer, vertegenwoordiging in en voorbereiding van vergaderingen, bouw-begeleiding, adviseren en opstellen van meerjarige onderhoudsplannen. [verzoeker sub 1] telt inmiddels meer dan 300 VVE's tot haar clientèle en zij heeft kantoren in Eindhoven en in Breda. In verband met de uitvoering van de door haar met haar clièntele overeengekomen dienstverlening, meer specifiek het financiële beheer, is zij gemachtigd tot de bankrekeningen van die VVE's en voert zij uit dien hoofde ook betalingsopdrachten uit. [verzoeker sub 2] is directeur groot aandeelhouder van [verzoeker sub 1] en binnen [verzoeker sub 1] is hij degene die als enige tekeningsbevoegd is m.b.t. de diverse rekeningen die [verzoeker sub 1] beheert ten behoeve van de VVE's. [verzoeker sub 1] heeft thans 25 personen in dienst.

[verzoeker sub 2] is de broer van [naam 1] (hierna: [broer van verzoeker sub 1] ), die twee meerderjarige kinderen heeft, te weten [naam 2] en [naam 3] . [broer van verzoeker sub 1] heeft grote problemen met zijn ex-partner en heeft begin 2014 besloten dat het niet langer houdbaar is om de kinderen bij hun moeder te laten worden. De kinderen hebben in de loop van 2014 samen een woning gekocht in Helmond. In het kader van de financiering van die woning heeft [broer van verzoeker sub 1] aan [verzoeker sub 2] om hulp gevraagd in de vorm van een werkgeversverklaring en een arbeidsovereenkomst ten behoeve van [naam 2] . [verzoeker sub 2] stond hier in eerste aanleg huiverig tegenover, maar [broer van verzoeker sub 1] drong steeds meer en emotioneler aan op verstrekking van deze gegevens om de aankoop van de woning op korte termijn rond te krijgen. Omdat [verzoeker sub 2] wist dat [broer van verzoeker sub 1] (zelf toen mede-eigenaar van Finance Partner B.V./ Regiobank te Uden) zijn kinderen in financiële zin ondersteunde en er met zekerheid van uit kon gaan dat de bank die de financiering zou verstrekken nimmer tekort zal komen, heeft hij uiteindelijk toegegeven aan de op hem uitgeoefende druk en heeft hij een blanco exemplaar van een werkgeversverklaring afgegeven. Kort daarna heeft [broer van verzoeker sub 1] aangegeven dat [naam 2] een arbeidsovereenkomst met [verzoeker sub 1] dient over te leggen en dat het beter is dat er een werkgeversverklaring wordt meegezonden die niet door [verzoeker sub 2] is afgetekend (hij heeft immers dezelfde achternaam). Aldus heeft [verzoeker sub 2] zijn medewerker, mevrouw [naam 4] , de opdracht gegeven om die werkgeversverklaring op te stellen aan de hand van de financiële gegevens die [broer van verzoeker sub 1] inmiddels had doorgegeven. Daarmee was voor [verzoeker sub 2] de kwestie afgedaan. Echter werden vervolgens bij SNS Reaal en SNS Bank in een intern onderzoek meerdere dossiers die door [broer van verzoeker sub 1] waren behandeld onderzocht.

Mevrouw [naam 4] is op 3 december 2014 gebeld door de heer [naam 5] , adviseur veiligheidszaken in dienst van SNS Reaal en SNS Bank, althans het onderdeel Retail Bank, een van de aan haar verbonden banken/merken, om uitleg over het gestelde dienstverband van [naam 2] bij [verzoeker sub 1] . In een e-mail van 9 december 2014 heeft [verzoeker sub 2] aangegeven dat hij op verzoek van zijn broer een arbeidsovereenkomst ten behoeve van diens dochter en een werkgeversverklaring heeft opgesteld. Er volgde meer e-mailcorrespondentie en de heer [naam 5] drong aan op telefonisch contact. [verzoeker sub 2] is dat steeds uit de weg gegaan, omdat hij zich uiterst ongemakkelijk voelde vanwege hetgeen hij heeft gedaan en bevreesd was in een telefoongesprek uitlatingen te doen die foutief konden worden uitgelegd. In een e-mail d.d. 22 december 2014 heeft de heer [naam 5] aangegeven dat er aangifte tot oplichting en valsheid in geschrift zou worden gedaan, wat voor hem reden was om [verzoeker sub 2] nogmaals te vragen om telefonisch contact. Andermaal heeft [verzoeker sub 2] aangegeven daar geen behoefte aan te hebben c.q. de toegevoegde waarde van een gesprek niet in te zien als die beslissing toch al is genomen. Er is geen gevolg gegeven aan het voornemen tot het doen van een aangifte, maar de erkenning van [verzoeker sub 2] heeft er wel toe geleid dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] zijn opgenomen in het Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister. Dit is bericht bij brieven van 11 december 2014.

Het betreft hier een verwerking van persoonsgegevens waarop de Wpb van toepassing is.

Het gevolg van de opnames van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] in deze registers is dat de aanvragen die door de financieel intermediair van [verzoeker sub 1] voor het openen van nieuwe rekeningen, ten behoeve van de VVE's voor wie het [verzoeker sub 1] het financieel beheer voert, niet in behandeling worden genomen. Zie de emailcorrespondentie tussen Financieel Adviesburo [naam 9] met de heer [naam 10] van Regiobank (productie 10)

Daarbij begrijpen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] dat allerlei adresmutaties betreffende rekeningen van VVE's waar [verzoeker sub 1] voor gemachtigd is niet worden uitgevoerd in verband met de opnames van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] in de registers. Dit alles levert voor [verzoeker sub 1] een onwerkbare situatie op c.q. belemmert haar ernstig in haar bedrijfsvoering.

In verband hiermee heeft de raadsman van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] op 8 juli 2015 een onderhoud gehad met de heer [naam 5] en [naam 11] , adviseurs veiligheidszaken van SNS Bank. De strekking van dat gesprek was dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] beseften een fout te hebben gemaakt, begrepen dat dit een opname in voormelde registers tot gevolg heeft gehad, maar toch vroegen op basis van proportionaliteit de opnames ongedaan/ versoepeld te maken.

De heer [naam 5] heeft laten weten geen reden te zien om dit verzoek in te willigen. Vervolgens heeft de raadsman van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] om heroverweging gevraagd van het eerder genomen besluit, ook op directieniveau. Aan dit verzoek is gevolg gegeven door SNS Bank en is voor 25 augustus 2015 een bespreking gepland met mevrouw [naam 6] (Afdelingshoofd Veiligheidszaken bij SNS Bank) en de heer [naam 7] (Compliance Officer Regiobank) Deze heroverweging leidde tot een teleurstellend oordeel.

SNS Bank liet bij brief van 3 september 2015 weten voldoende redenen te hebben om de registraties te handhaven stelde daarbij dat het voorval is getoetst aan artikel 5.2 van het protocol en dat zij van mening waren dat de registratie conform de gestelde eisen is verricht en er ook geen aanleiding was om anders te beslissen op grond van proportionaliteit. Vervolgens heeft [verzoeker sub 2] op 8 september 2015 een e-mail ontvangen van de heer [naam 7] waarin werd aangekondigd dat zowel de klantrelatie met [verzoeker sub 2] als met [verzoeker sub 1] wordt opgezegd met een opzegtermijn van 6 maanden.

De brieven d.d. 11 december 2014 aangaande de opnames is de registers zijn gezonden door SNS Reaal NV, maar deze registers worden kennelijk sinds 1 januari 2015 gehouden door SNS Bank. Het maakt [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] niet uit of de verwijdering uit de registers wordt gedaan door [verzoeker sub 2] of door [verzoeker sub 1] , als maar tot verwijdering wordt overgegaan.

Opnames in het Incidentenregister alsmede het Extern Verwijzingsregister zijn alleen toegestaan onder de voorwaarden van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële instellingen. Van belang is in dit verband artikel 5.2. van dat protocol, dat luidt als volgt:

"5.2. Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister

5.2.1.

De deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern verwijzingsregister.

a. de gedragingen van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen of cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of integriteit van de financiële sector.

b. In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechte)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klacht wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c. Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt dat het belang van opname in het Extern Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] zijn van mening dat hun opnames strijdig zijn met genoemd proportionaliteitsbeginsel en dat hun belangen ( en die van hun clientèle en de gezinnen van de werknemers) dienen te prevaleren boven die van SNS Reaal en SNS Bank. Dit om de volgende redenen.

A. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] zien het foutieve van hun handelen volkomen in.

B. Toen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] werden aangesproken door de veiligheidsadviseur van SNS Reaal c.q. SNS Bank hebben zij deze fout direct erkend en hebben zij erkend openheid van zaken te willen geven, waarbij zij communicatie per e-mail hebben voorgesteld, hetgeen akkoord is bevonden.

C. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] hebben geen enkele betrokkenheid met de verstrekking van een hypotheek door BLG Wonen aan de heer [naam 8] . Zij kennen hem niet. Het ziet er naar uit dat de blanco werkgeversverklaring die voorzien was van de handtekening van [verzoeker sub 2] en de stempel van [verzoeker sub 1] zonder medeweten van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] is gebruikt.

D. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] hebben vanwege de gebeurtenissen en de impact die een en ander heeft - waarbij zij niet hebben stil gestaan - wel geleerd. Voor herhaling behoeft niet te worden gevreesd.

E. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] hebben een volledig blanco verleden..

F. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] zijn bereid in overleg met SNS Reaal en SNS Bank of de Regiobank over te gaan tot vergoeding van eventuele schade.

G. SNS Bank heeft met de kinderen van [broer van verzoeker sub 1] een regeling getroffen, dat deze een aanvraag kunnen doen voor een nieuwe hypotheek.

H. Indien deze kinderen er in slagen een nieuwe hypotheek te verwerven dan heeft de misleiding door [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] opgehouden te bestaan.

J. Nergens blijkt uit dat SNS Bank een fatsoenlijke afweging heeft gemaakt met betrekking tot de argumenten die [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] naar voren hebben gebracht ten aanzien van hun herhaaldelijk verzoek tot verwijdering uit de registers.

K. Voor een juiste nakoming van de door [verzoeker sub 1] aangegane contractuele verplichtingen tot het voeren van financieel beheer van de VVE's dient zij zonder belemmeringen te kunnen bankieren en (spaar-)rekeningen te kunnen openen. Zonder die faciliteiten riskeert [verzoeker sub 1] verlies van werk en werkgelegenheid.

L. [verzoeker sub 2] noch [verzoeker sub 1] heeft gehandeld uit financieel gewin. Zij hebben slechts de kinderen van [broer van verzoeker sub 1] willen helpen bij de financiering van een woning.

M. [verzoeker sub 1] c.q. [verzoeker sub 2] kunnen zich niet permitteren dat over hen een zweem van onbetrouwbaarheid wordt gelegd. Het betekent het einde van [verzoeker sub 1] als onderneming. Voor [verzoeker sub 2] betekent het dat alle jaren van inspanning volledig teniet gaan enkel en alleen vanwege de verstrekking van een incorrecte werkgeversverklaring en het opmaken van een onjuiste arbeidsovereenkomst.

N. een opname in de registers wordt eerst op een termijn van 8 jaren verwijderd. De opname in het Incidenten en extern verwijzingsregister met voormeld .gevolgen tart iedere vorm van redelijkheid. Het kan en mag niet het doel van SNS Bank zijn om een goedlopend bedrijf vanwege een valselijk ingevulde werkgeversverklaring het werken onmogelijk te maken met het risico dat dit bedrijf met al haar werknemers ten gronde gaat. Primair verzoeken [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] per direct verwijderd te worden.

Subsidiair verzoeken zij de termijn te matigen tot maximaal een jaar, althans een andere korter periode.

3 Het verweer

SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) en SNS Bank voeren - kort gezegd - het volgende verweer.

3.1.

SNS Reaal heeft een naamsverandering ondergaan en heet thans SRH N.V. De bank en verzekeringsactiviteiten zijn overgedragen, waardoor SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) geen operationele activiteiten meer verricht. SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) kan niet langer worden aangemerkt als verantwoordelijke in de zin van de Wbp. Het verzoek is dus niet ontvankelijk jegens SHR N.V. (voorheen SNS Reaal).

3.2.

SNS Bank stelt zich op het standpunt dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] niet tijdig hebben geklaagd. De bespreking van 8 juli 2015 dient aangemerkt te worden als een verzoek ex artikel 36 lid 1 Wbp en de brief van 15 juli 2015 dient te worden aangemerkt als het in artikel 36 lid 2 Wbp bedoelde besluit.

Een verzoekschrift ex artikel 36 lid 2 Wbp dient te worden ingediend binnen zes weken na ontvangt van het besluit ex artikel 36 lid lid 2 WBP. Nu het verzoekschrift pas eind september 2015 is ingediend is dit niet overeenkomstig de Wbp tijdig ingediend, zodat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] niet ontvankelijk zijn in hun verzoek.

Voorts:

3.3.

Van belang is dat banken bij het aangaan van een relatie en gedurende die relatie op grond van de publiekrechtelijke toezichtwetgeving verplicht zijn een onderzoek uit te voeren om het integriteitsrisico vast te stellen. Dit onderzoek moet er voor zorgen dat de integriteit van de bank niet wordt geschaad. Ter bescherming van de integriteit van het financiële systeem als geheel hebben banken en financiële instellingen zich verplicht elkaar op de hoogte stellen van veiligheids- en integriteitsrisico's. In dit kader hebben zij de verplichting op zich genomen om een zogenaamd IR bij te houden. Daaraan is gekoppeld het EVR waarin (uitsluitend) verwijzingsregisters zijn opgenomen en die kunnen worden geraadpleegd door een selecte groep daartoe gerechtigde financiële instellingen. Omdat het bijhouden van het IR en EVR mede kan leiden tot het verwerken van persoonsgegevens kan de Wbp hierop van toepassing zijn.

De financiële instellingen en banken hebben afspraken gemaakt met betrekking tot het gebruik van het IR en het EVR. Deze regels zijn neergelegd in het "Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen" (het Protocol). Dit is een door het CBP goedgekeurde regeling.

Het Protocol definieert een incident als volgt:

Een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota's, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

In artikel 4.1.1. is neergelegd dat het geheel aan verwerkingen met betrekking tot het IR tot doel heeft het ondersteunen van activiteiten die zijn gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector. Als dergelijke activiteiten worden onder meer aangemerkt:… het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten…. Het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van de wettelijke voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt ….

Uit het Protocol volgt dat volledige toegang tot het IR van een deelnemende instelling niet wenselijk is, reden waarom is gekozen een EVR te koppelen aan het IR waarin uitsluitend verwijzingsregisters zijn opgenomen. Een deelnemende instelling dient de verwijzingsgegevens in het EVR op te nemen indien cumulatief is voldaan aan de in artikel5.2.1. van het Protocol. In 2009 heeft de Hoge Raad (HR 29 mei 2009) beslist dat voor de registratie in het IR of EVR uitdrukkelijk geen strafrechtelijke veroordeling is vereist en dat het verwerken van persoonsgegevens als zodanig niet in strijd is met artikel 6 EVRM.

3.4.

Nu de ten aanzien van [verzoeker sub 1] verwerkte gegevens niet kunnen worden aangemerkt als persoonsgegevens is, gelet op de definitie van persoonsgegevens in de Wbp de Wbp niet op de registratie van [verzoeker sub 1] toepassing.

Ingevolge het kleuterschool Babbel-arrest kunnen de gedragingen van [verzoeker sub 2] aan [verzoeker sub 1] worden toegerekend, zodat [verzoeker sub 1] oplichting c.q. valsheid in geschrifte heeft gepleegd en dit apart is geregistreerd in het IR en EVR. Dit is ook de reden dat op 11 december 2014 twee aparte brieven zijn verstuurd. Eén daarvan zag op de registratie van persoonsgegevens van [verzoeker sub 2] en de andere op de bedrijfsgegevens met betrekking tot [verzoeker sub 1] . Dit laatste valt buiten het toepassingsgebied van de Wbp.

Hetgeen [verzoeker sub 2] aanvoert met betrekking tot [verzoeker sub 1] in het kader van het proportionaliteitsoordeel kan niet als een belang van [verzoeker sub 2] gelden, nu een bevel tot verwijdering de registratie van de bedrijfsgegevens van [verzoeker sub 1] onverlet zal laten.

Er dient enkel acht worden geslagen op de belangen van [verzoeker sub 2] privé. [verzoeker sub 2] heeft aangevoerd dat de Regiobank heeft aangekondigd de klantrelatie met SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) te beëindigen. De enkele IR en EVR registratie zijn op zichzelf bezien niet de reden dat Regiobank [verzoeker sub 2] heeft aangezegd de klantrelatie te beëindigen. In dit geval heeft de Regiobank besloten tot beëindiging van de klantrelatie omdat zij wegens gepleegde oplichting en valsheid in geschrift niet langer zaken wenst te doen met [verzoeker sub 2] . Een bevel tot verwijdering van de IR en EVR registraties verandert niets aan het oordeel van Regiobank dat zij geen vertrouwen meer heeft in [verzoeker sub 2] . Los daarvan stelt SNS Bank voorop dat [verzoeker sub 2] de volgende feiten heeft gepleegd c.q. heeft doen plegen: 1) het falsificeren van een werkgeversverklaring, 2) het falsificeren van een arbeidsovereenkomst en 3) het verstrekken van een blanco werkgeversverklaring die wel was ondertekend en bestempeld namens [verzoeker sub 1] . Dat [verzoeker sub 2] geen financieel gewin nastreefde is irrelevant. Dat [verzoeker sub 2] niet betrokken zou zijn bij de fraude ten aanzien van de aan de heer [naam 8] verstrekte geldlening is niet juist. Hij heeft de valse werkgeversverklaring aan [broer van verzoeker sub 1] verstrekt met het doel valse informatie te verstrekken om daarmee financiële instellingen te bewegen tot een geldlening. Dat de blanco verklaring is gebruikt in een ander dossier dan dat van [naam 2] kan [verzoeker sub 2] niet disculperen.

Met betrekking tot de stelling van [verzoeker sub 2] dat hij de gevolgen van zijn gedraging niet kon bevroeden en dat het een eenmalige misstap betreft, merkt SNS Bank op dat [verzoeker sub 2] een opleiding als registercontroller heeft gevolgd. Het kan hem dan ook niet ontgaan zijn dat toen hij de betreffende feiten pleegde hij zich schuldig maakte aan delicten die binnen de accountancy en de financiële wereld worden gezien als doodzondes. Blijkbaar is [verzoeker sub 2] welbewust bereid geweest ook de belangen van [verzoeker sub 1] - die hier niet van belang zijn - op het spel te zetten.

Niet valt in te zien dat [verzoeker sub 2] in het geheel niet meer aan de slag zou kunnen gaan als controller.

SNS Bank is bereid geweest met [naam 2] en [naam 3] en regeling te treffen omdat deze zich niet bewust zijn geweest van de gepleegde fraude en waarschijnlijk geen sprake is geweest van opzet. Bovendien is gebleken dat [naam 2] inmiddels aan de inkomenseis voldoet.

In het kader van de ingevolge de Wbp en het Protocol te verrichten belangenafweging komt geen belang toe of de geregistreerde feiten daadwerkelijke tot schade hebben geleid.

Bovendien heeft SNS Bank wel schade geleden nu zij veel tijd en geld heeft gespendeerd aan het opsporen en behandelen van de fraude.

SNS Bank heeft groot belang bij het handhaven van de veiligheid en integriteit van haar financiële stelsel en de registratie. SNS Bank heeft daartoe een wettelijke verplichting en ook deelname aan het Protocol is niet vrijblijvend.

Nu [verzoeker sub 2] zich onvoldoende bewust lijkt van de ernst van zijn handelen bestaat er des te meer belang bij handhaving van de registratie van zijn persoonsgegevens.

Dat nergens uit zou blijken dat SNS Bank een fatsoenlijke belangenafweging heeft gemaakt is niet juist. Er is twee maal gesproken met [verzoeker sub 2] en zijn raadsman en vervolgens is er een brief gestuurd waarin SNS Bank heeft aangegeven het belang bij registratie zwaarwegender te vinden dan het belang van [verzoeker sub 2] .

3.5.

Voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat SNS Bank in het kader van een verzoek ex artikel 46 WbP wel kan worden bevolen om de registratie van de gegevens van [verzoeker sub 1] als rechtspersoon te verwijderen, dan wel de belangen van [verzoeker sub 1] wel in de belangenafweging dient te worden betrokken stelt SNS Bank subsidiair het volgende.

Zoals eerder betoogd geldt ook hier dat het opzeggen van de klantrelatie door Regiobank het gevolg is van verlies van vertrouwen in [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] . Er is geen sprake van een causaal verband tussen registratie en opzegging. Het niet langer kunnen uitvoeren van de werkzaamheden voor verschillende VVE's als gevolg van de opzegging van de klantrelatie door Regiobank staat dus ook niet in causaal verband met de onderhavige registraties.

De stelling van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] dat rekeningaanvragen namens [verzoeker sub 1] door het Financieel Adviesburo [naam 9] niet in behandeling worden genomen is niet onderbouwd, zodat SNS Bank deze betwist. Ook de stelling van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] dat allerhande adresmutaties door Adviesburo [naam 9] niet meer worden uitgevoerd ten gevolge van de onderhavige registraties wordt door [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] niet onderbouwd.

Dat er rekeningaanvragen ten behoeve van VVE's zijn geweigerd geldt slechts rekeningaanvragen bij Regiobank. Blijkbaar is niet geprobeerd enige aanvraag bij een andere bancaire instelling te doen. Niet valt in te zien dat het enkele gegeven dat Regiobank niet langer bereid is om via Financieel Adviesburo [naam 9] aangevraagde rekeningen te openen op zichzelf bezien ertoe leidt dat de continuïteit van [verzoeker sub 1] op het spel staat. Indien het zo zou zijn dat alle andere bancaire instellingen weigeren om nieuwe bankrekeningen te openen, hetgeen door SNS Bank wordt betwist, zou [verzoeker sub 1] de voorbereiding voor de aanvraag kunnen doen en zouden de VVE's zelf de aanvraag kunnen indienen.

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] hebben sinds de registratie op 14 december 2014 nog geen enkele stap genomen om de gevolgen hiervan te ondervangen. De gestelde bedreigde continuïteit van [verzoeker sub 1] is verder niet cijfermatig onderbouwd. SNS Bank heeft hier wel om gevraagd. Als reactie kreeg SNS Bank te horen dat de jaarstukken over 2014 binnenkort via de website van de Kamer van Koophandel te raadplegen zou zijn. Die stukken kunnen natuurlijk niet het gewenste inzicht geven nu de registratie pas van eind 2014 dateert. Bij brief van 4 november 2015 heeft SNS Bank nogmaals verzocht een relevante cijfermatige onderbouwing te verstrekken. Aan dit verzoek is nog niet voldaan.

Zelfs indien het er voor moet worden gehouden dat de continuïteit van [verzoeker sub 1] wordt bedreigd, dan dienen de belangen van SNS Bank en andere financiële instellingen te prevaleren. SNS Bank verwijst daarvoor naar een uitspraak van het Hof Amsterdam.

In een e-mailbericht van Regiobank d.d. 8 september 2015 is aangegeven dat indien [verzoeker sub 2] terugtreedt bij [verzoeker sub 1] , de registratie door SNS Bank zal kunnen worden herbeoordeeld. Aldus heeft [verzoeker sub 2] de belangen van [verzoeker sub 1] en de werknemers en hun gezinnen zelf in de hand. Bij een herbeoordeling zullen de registraties wellicht ongedaan worden gemaakt en zullen de gestelde nadelen van de baan zijn.

3.6.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] .

Het is niet mogelijk om een registratie te bewerkstelligen die zou kunnen bewerkstelligen dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] minder of geen hinder zouden ondervinden van hun registratie. Immers een EVR "hit" pakt positief of negatief uit. Het is dus onmogelijk en om die reden kan dit verzoek niet worden toegewezen.

SNS Bank is van oordeel dat gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van de feiten, de voorzienbaarheid van de gevolgen en het gegeven dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] thans nog niet de ernst van hun handelen blijken in te zien en termijn van 8 jaar niet disproportioneel is. Artikel 10 Wbp stelt geen maximum aan de termijn voor bewaring van persoonsgegevens.
Partijen bij het Protocol zijn zelf een bewaartermijn van 8 jaar overeengekomen. Deze termijn wordt gehandhaafd, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. Een voorbeeld daarvan zijn registraties van minderjarigen die hun bankrekening laten misbruiken voor het doorboeken. In dergelijke gevallen wordt een termijn van vier jaar gehanteerd. SNS Bank wijst er nog op dat de bewaartermijn van strafrechtelijke gegevens 30 jaar bedraagt ten aanzien van misdrijven waarvoor een maximum gevangenisstraf van 6 jaar of meer geldt en 20 jaar ten aanzien van misdrijven waarop een maximum gevangenisstraf van minder dan 6 jaar staat. Gelet hier op is de bewaartermijn van 8 jaar niet disproportioneel te noemen.

Indien de rechtbank zou overwegen het subsidiaire verzoek toe te wijzen, verzoekt SNS Bank de rechtbank om de duur van de registratie vast te stellen op een in goede justitie te bepalen duur zijnde langer dan een jaar.

4. Op hetgeen partijen verder over en weer hebben aangevoerd wordt, indien van belang, onder de beoordeling teruggekomen.

5 De beoordeling

5.1.

SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) en SNS Bank hebben tegen de verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] , zoals uit de hiervoor weergegeven stellingen blijkt, drie niet- ontvankelijkheidsverweren gevoerd.

5.2.

De eerste betreft SHR N.V. (voorheen SNS Reaal), het verweer dat SNS Reaal niet langer als verantwoordelijke in de zin van de Wbp heeft te gelden. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] hebben dit, gezien de stukken die in dit verband zijn overgelegd, erkend dat dit verweer juist is. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] worden dan ook niet ontvankelijk verklaard in het verzoek jegens SHR N.V. (voorheen SNS Reaal, ). Dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] het verzoek mede tegen SNS Reaal hebben gericht is begrijpelijk nu de brieven d.d. 11 december 2014, waarin aan [verzoeker sub 2] en aan [verzoeker sub 1] gemeld werd dat zij in het IR en het EVR waren opgenomen van SNS Reaal afkomstig waren en niet verder niet blijkt dat duidelijk is gecommuniceerd dat SNS Reaal niet meer als zodanig bestaat.

Het verzoek jegens SHR N.V. (voorheen SNS Reaal) wordt dan ook niet ontvankelijk verklaard, maar hieraan wordt - mede op grond van het voorstaande - geen kostenveroordeling verbonden

5.3.

Met betrekking tot het tweede verweer, inhoudende dat de termijn voor het indienen van het verzoek niet in acht is genomen, is de rechtbank van oordeel dat SNS Bank dit in redelijkheid niet kan opwerpen. De brief van 15 juli 2015 kan weliswaar gezien worden als een besluit ex artikel 36 lid 2 Wbp - dit wordt overigens niet expliciet in de betreffende brief - doch namens [verzoeker sub 2] is vrijwel direct een verzoek om heroverweging op directieniveau gedaan, waarin SNS Bank heeft ingestemd en in verband waarmee niet eerder dan op 25 augustus 2015 een gesprek kon plaatsvinden. Na afloop van dit gesprek is naar [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] onweersproken hebben gesteld gezegd:

"U hoort onze definitieve beslissing zo snel mogelijk". [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] mochten er dan ook op vertrouwen dat het eerder bij brief van 15 juni 2015 gecommuniceerde besluit niet defintief vast stond. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

5.4.

Het derde verweer, inhoudende dat de verwerkte gegevens met betrekking tot [verzoeker sub 1] niet als persoonsgegevens in de zin van de Wbp kunnen worden aangemerkt en om die reden de Wbp niet van toepassing is, gaat wel op. De rechtsgang voor rechtspersonen bij dit soort kwesties loopt via het KiFid. Gezien echter de onderhavige verwevenheid tussen het laakbare handelen van [verzoeker sub 2] en de opname van [verzoeker sub 1] in de onderhavige registers is het nauwelijks denkbaar dat indien de rechtbank een beslissing ten gunste van [verzoeker sub 2] zou nemen, dit redelijkerwijs geen gevolgen zou moeten hebben op de registratie van [verzoeker sub 1] . Aan de belangen van [verzoeker sub 1] kan dus niet zonder meer voorbij worden gegaan.

Overigens is [verzoeker sub 1] als belanghebbende in ieder geval gerechtigd tot het indienen van dit verzoek voor zover het de persoonsgegevens van [verzoeker sub 2] betreft.

5.5.

Dan komt nu de vraag aan de orde waar het hier werkelijk om gaat en dat is de vraag of SNS Bank terecht opgenomen heeft in de betreffende registers en terecht geweigerd heeft de registratie van de persoonsgegevens van [verzoeker sub 2] te handhaven in het IR en het EVR.

5.6.

De rechtbank onderschrijft het belang van SNS Bank bij registraties in het IR en het EVR in het algemeen zoals SNS Bank deze onder 3.3. heeft beschreven, volledig. Ook in dit specifieke geval is opname van de persoonsgegevens van [verzoeker sub 2] in de beide registers gerechtvaardigd en dit geldt dus, gezien de verwevenheid van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] , ook voor de bedrijfsgegevens van [verzoeker sub 1] .

[verzoeker sub 2] heeft de volgende feiten heeft gepleegd of doen plegen: 1) het falsificeren van een werkgeversverklaring, 2) het falsificeren van een arbeidsovereenkomst en 3) het verstrekken van een blanco werkgeversverklaring die wel was ondertekend en gestempeld namens [verzoeker sub 1] .

Dat betekent dat voldaan is aan de criteria 5.2. sub a. en b van het Protocol, zoals hoger onder 2.2. weergegeven.

5.7.

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] zijn echter de mening toegedaan dat de opname in strijd is met het criterium 5.2. sub c van het Protocol, het zogenaamde proportionaliteitsbeginsel. De stelling van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] dat nergens uit blijkt dat SNS Bank een fatsoenlijke afweging heeft gemaakt in het kader van dit beginsel is niet juist. SNS Bank heeft twee maal met [verzoeker sub 2] en zijn raadsman gesproken en er is vervolgens op 3 september 2015 een brief gestuurd aan de raadsman van [verzoeker sub 2] , waarin is aangegeven dat de belangen van SNS Bank en andere financiële instellingen prevaleren boven het individuele belang van betrokkenen. Daarbij werd er nogmaals op gewezen dat het verstrekken van een valse werkgeversverklaring, wetende dat deze gebruikt gaat worden ter verkrijging van een hypothecaire geldlening, niet acceptabel is en een strafbaar feit oplevert.

Zoals gezegd gaat het hier om drie strafbare feiten. Uit de argumenten van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] , vermeld onder 2.2 sub A tot en met H - die overigens door SNS Bank genoegzaam zijn weersproken c.q. weerlegd - blijkt dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] zich niet van de ernst van deze feiten bewust zijn. Ter zitting heeft de raadsman van [verzoeker sub 2] ook nog aangevoerd dat hij de ondertekening van de stukken gedaan heeft in een moeilijke privé situatie, operatie, huwelijksproblemen, stressklachten, maar dat kan [verzoeker sub 2] niet baten. Ook in moeilijke situaties dient integriteit, zeker in deze branche, voorop te blijven staan.

Hoewel SNS Bank, gezien haar verweer, de gevolgen van de registraties niet zo lijkt in te schatten, is het de rechtbank, mede op grond van de overgelegde producties, wel duidelijk dat de gevolgen voor [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] ernstig zijn en zullen zijn. De rechtbank acht het aannemelijk dat bedrijfsvoering van [verzoeker sub 1] thans zodanig wordt belemmerd dat [verzoeker sub 1] een groot gevaar loopt ten onder te gaan. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat - gezien de ernst van de feiten die aanleiding waren voor de registratie - het belang van SNS Bank en de overige financiële instellingen bij de registratie in de huidige situatie dient te prevaleren.

Het ter zitting nogmaals aangevoerde argument van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] dat SNS Bank de belangen van [verzoeker sub 1] en 27 medewerkers niet naar waarde zou schatten, gaat niet op. Ook de omstandigheid dat [verzoeker sub 1] werknemers heeft met gezinnen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het inkomen dat bij [verzoeker sub 1] verdiend wordt in aanmerking nemend, dient het belang van SNS Bank bij de onderhavige registratie te prevaleren.

SNS Bank heeft overigens ter zitting nogmaals aangevoerd dat het aan [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] is om de gevolgen voor [verzoeker sub 1] en haar medewerkers te beïnvloeden. SNS Bank had ook al eerder schriftelijk aangegeven dat indien [verzoeker sub 2] terugtreedt als DGA van [verzoeker sub 1] zij de registratie wil heroverwegen. Deze toezegging kan nauwelijks anders worden uitgelegd dan dat de registratie dan ongedaan wordt gemaakt. Immers, de huidige registratie van [verzoeker sub 1] in de onderhavige registers zijn onverbrekelijk verbonden met en hebben uitsluitend van doen met de misstappen van [verzoeker sub 2] . Het komt er dus op neer dat, naar het zich laat uitzien, [verzoeker sub 2] het lot van [verzoeker sub 1] en haar medewerkers in de hand heeft.

Het is uiteraard pijnlijk voor [verzoeker sub 2] dat hij als gevolg van de door hem gepleegde misdragingen - zowel in het geval hij voor kiest om zich terug te trekken als het geval dat hij dat niet zou doen - geen werkzaamheden voor [verzoeker sub 1] meer kan verrichten dan wel niet meer de werkzaamheden voor [verzoeker sub 1] kan verrichten als voorheen, dit temeer omdat hij het bedrijf [verzoeker sub 1] helemaal zelf op het huidige niveau heeft weten te brengen. Dit alles is echter aan hemzelf te wijten.

5.8.

Overigens heeft in deze procedure meer dan eens aangegeven dat, ook indien de registratie verwijderd zal worden, de Regiobank - onderdeel uitmakend van SNS Bank en met welke bank [verzoeker sub 1] veel arrangementen gesloten heeft ten behoeve van de VVE's die zij bedient - niettemin geen zaken met [verzoeker sub 2] zal willen doen omdat zij het vertrouwen in [verzoeker sub 2] en derhalve in [verzoeker sub 1] geheel heeft verloren.

5.9.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat zowel het primaire als het subsidiaire verzoek dient te worden afgewezen. Ook al zou de rechtbank registratie van een kortere duur gerechtvaardigd achten - hetgeen nog niet is gezegd - gemeld gebrek aan vertrouwen staat dan in de weg aan herstel van de relatie met de Regiobank. Daarenboven is de rechtbank van oordeel dat de duur van de registratie van 8 jaar niet buitenproportioneel is.

5.10

[verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6 De beslissing

De rechtbank

verklaart [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] niet ontvankelijk in hun verzoeken jegens SHR N.V. (voorheen SNS Reaal);

wijst de verzoeken tegen SNS Bank af;

veroordeelt [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] in de proceskosten, welke tot aan deze uitspraak worden begroot op € 600,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.G. Robers en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.