Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2511

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
16_104
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geding is o.a. de aan eiser opgelegde aanslag gebruikersbelasting. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “gebruik” zoals bedoeld in de Verordening en de Gemeentewet worden verstaan, het metterdaad bezigen van de onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoeften en de bevoegdheid om over de onroerende zaak te beschikken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hoge Raad van 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250). Uit de door verweerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 8 augustus 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5812, volgt dat wie ter bevrediging van eigen behoefte een opstal (ver)bouwt of laat (ver)bouwen op hem ter beschikking staande grond, die grond gebruikt als hiervoor bedoeld. Indien hij (ver)bouwt of laat (ver)bouwen met het oogmerk de zaak na gereedkomen van de bouw te bezigen voor eigen gebruik, dan wel te verhuren (of op andere titel aan een ander in gebruik te geven), dan wel te verkopen, is sprake van bevrediging van eigen behoefte. Eiser heeft ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat hij bezig is met het bouwen van het pand om het zelf in gebruik te kunnen nemen. Niet in geding is dat eiser het pand bouwt of laat bouwen op hem ter beschikking staande grond. Uit het voorgaande volgt dan ook dat eiser het pand gebruikt. Dat het pand een casco is, waarin geen gas, water en elektriciteit aanwezig is, is niet relevant. Dit leidt tot de conclusie dat de aanslag gebruikersbelasting terecht aan eiser is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1242
V-N 2016/46.17.23
FutD 2016-1470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Geldrop-Mierlo, verweerder

(gemachtigde: J.M. van den Elsen).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2015, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) - voor zover hier van belang - de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [object] , per waardepeildatum 1 januari 2014, naar de toestand op 1 januari 2015, voor het kalenderjaar 2015, vastgesteld op [bedrag] . Tevens is in deze beschikking aan eiser voor het kalenderjaar 2015 een aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) opgelegd ter zake van de eigendom en het gebruik van [object] (de gebruikersbelasting).

Bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2015 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de waarde van [object] verlaagd naar [bedrag] en bepaald dat de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig zal worden verminderd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.

In reactie hierop heeft verweerder een aanvulling op het verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van het object [object] , een kantoorruimte met een rietopslagloods in aanbouw, gelegen op een perceel kadastraal bekend als [nummer] .

Geschil en beoordeling

2. In geschil is de waarde van [object] op de waardepeildatum 1 januari 2014 en toestandsdatum 1 januari 2015. Eiser bepleit geen specifieke waarde. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van [object] van [bedrag] naar de berekening in de bestreden uitspraak.

3. Op verweerder rust de last te bewijzen dat de door hem in beroep verdedigde waarde niet te hoog is. De beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt mede af van wat door eiser is aangevoerd.

4. In aanvulling op zijn beroepsschrift heeft eiser ter zitting toegelicht het niet eens te zijn met de WOZ-waarde van [object] , omdat verweerder een fout heeft gemaakt bij de berekening ervan. 60% van de gecorrigeerde stichtingskosten van [bedrag] is volgens eiser niet [bedrag] , zoals verweerder in de bestreden uitspraak stelt.

5. Verweerder heeft in reactie hierop ter zitting toegelicht dat eiser heeft nagelaten de in de bestreden uitspraak genoemde correctie van 136,7/113,7 op dit bedrag toe te passen. Deze correctie betreft een indexatie van de stichtingskosten. Met toepassing van deze correctie op 60% van de stichtingskosten van [bedrag] , kom je uit op het in de bestreden uitspraak genoemde bedrag van [bedrag] voor de waarde van de niet-woning.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder niet te volgen in deze toelichting. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding verweerder niet te volgen in zijn berekening van de waarde van [object] zoals gedaan in de bestreden uitspraak. Verweerder heeft de waarde van [object] berekend door uit te gaan van 60% van de gecorrigeerde stichtingskosten vermenigvuldigd met een correctie vanwege indexatie (60% van [bedrag] maal 136,7/113,7 = [bedrag] ) en hier de grondwaarde ( [bedrag] ) en de waarde van het tuinhuis/de blokhut ( [bedrag] ) bij op te tellen. De rechtbank is van oordeel dat de waardebepaling in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten berust. Het feit dat geen afzonderlijk taxatierapport is opgemaakt, maakt de waardebepaling niet onzorgvuldig. Verweerder is met de berekening in de bestreden uitspraak en de toelichting daarop ter zitting geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

7. Eiser heeft in aanvulling op zijn beroepsschrift ter zitting toegelicht dat verweerder het tuinhuis/de blokhut dat/die in 1992 is gebouwd, in het verleden niet heeft meegenomen bij het bepalen van de waarde van [object] . Het is volgens eiser rijkelijk laat om dit na twintig jaar alsnog te doen.

8. Verweerder heeft bij de aanvulling van het verweerschrift een foto gevoegd, waaruit is af te leiden dat op het perceel waarop [object] is gelegen ( [nummer] ), zich het betreffende tuinhuis/de blokhut bevindt. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat pas onlangs is gebleken dat dit tuinhuis/deze blokhut zich bevindt op het perceel behorend bij [object] .

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het genoemde tuinhuis/de blokhut terecht bij de in geding zijnde waardebepaling betrokken. De omstandigheid dat in eerdere jaren het tuinhuis/de blokhut niet is meegenomen bij het bepalen van de waarde van [object] , is een vergissing in die jaren, die in het voordeel van eiser is geweest. Eiser kan daaraan voor de huidige waardebepaling echter geen rechten ontlenen, omdat verweerder de waarde van een onroerende zaak elk jaar opnieuw moet vaststellen en daarbij ook eventuele fouten uit het verleden mag herstellen. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiser voert aan dat hij ten onrechte is aangeslagen voor gebruikersbelasting voor [object] . Het pand is volgens eiser een casco en heeft daarom geen gebruikswaarden.

11. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015 (Verordening) van de gemeente Geldrop-Mierlo wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” een gebruikersbelasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 220, aanhef en onder a, van de Gemeentewet.

12. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “gebruik” zoals bedoeld in de hiervoor genoemde bepalingen van de Verordening en de Gemeentewet worden verstaan, het metterdaad bezigen van de onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoeften en de bevoegdheid om over de onroerende zaak te beschikken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hoge Raad van 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250). Uit de door verweerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 8 augustus 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5812, volgt dat wie ter bevrediging van eigen behoefte een opstal (ver)bouwt of laat (ver)bouwen op hem ter beschikking staande grond, die grond gebruikt als hiervoor bedoeld. Indien hij (ver)bouwt of laat (ver)bouwen met het oogmerk de zaak na gereedkomen van de bouw te bezigen voor eigen gebruik, dan wel te verhuren (of op andere titel aan een ander in gebruik te geven), dan wel te verkopen, is sprake van bevrediging van eigen behoefte.

13. Eiser heeft ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat hij bezig is met het bouwen van [object] om het pand zelf in gebruik te kunnen nemen. Niet in geding is dat eiser het pand bouwt of laat bouwen op hem ter beschikking staande grond. Uit het voorgaande volgt dan ook dat eiser [object] gebruikt. Dat het pand een casco is, waarin geen gas, water en elektriciteit aanwezig is, is niet relevant.

14. Dit leidt tot de conclusie dat de aanslag gebruikersbelasting voor [object] gebaseerd op een WOZ-waarde van [bedrag] , terecht aan eiser is opgelegd.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.