Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2261

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-05-2016
Datum publicatie
09-05-2016
Zaaknummer
01/845036-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling en mishandeling van het slachtoffer naar aanleiding van een burenconflict. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 173 dagen met aftrek voorarrest op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens moet verdachte met betrekking tot de geleden schade een bedrag van € 655,51 aan het slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845036-16

Datum uitspraak: 09 mei 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1960] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 april 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 maart 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 17 januari 2016 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen met een (ijzeren) pijp in de richting en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] daarbij heeft vastgepakt/op de rug is gesprongen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 januari 2016 te Oss tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een of meermalen met een (ijzeren) pijp in de richting en/of tegen hoofd te slaan en/of die [slachtoffer 1] daarbij vast te pakken/op de rug te springen;

2. hij op of omstreeks 17 januari 2016 te Oss tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen -met een (ijzeren) pijp tegen het lichaam te slaan en/of

-te slaan en/of te schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsbeslissingen rechtbank.

Aan de orde is de beoordeling van een geweldsincident tegen de achtergrond van een reeds jarenlang voortslepend burenconflict. Aan de rechtbank is een dossier voorgelegd dat vele, niet telkens eenduidige, verklaringen bevat die kort gezegd twee botsende versies van de feitelijke toedracht behelzen. Zowel de twee aangevers als verdachte en [medeverdachte] plaatsen zichzelf in de rol van de aangevallene en betichten de andere partij ervan te zijn begonnen met de uitoefening van het geweld. Bij alle vier betrokkenen is letsel geconstateerd dat past bij een vechtpartij. Gezien deze achtergrond van het incident past enige behoedzaam-heid bij de waardering van de diverse verklaringen, en wel vanwege het mogelijke gevaar van het aandikken van andermans handelingen en het bagatelliseren van de eigen betrokkenheid. Het een en ander bemoeilijkt de vaststelling van de feitelijke toedracht en een ieders betrok-kenheid daarbij, echter daar waar feitelijkheden worden ondersteund en verankerd door objectieve bewijsmiddelen komt de rechtbank tot vaststellingen daarvan.

Het staat in casu vast dat verdachte op enig moment in een handgemeen met aangevers

(het echtpaar) [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is geraakt. De aanleiding hiervan is niet eenduidig vast te stellen. Wel blijkt uit diverse bewijsmiddelen, bezien in onderling verband en samenhang,

dat verdachte zich op enig moment aan de vechtpartij heeft onttrokken, een ijzeren pijp heeft gehaald, daarmee is teruggekeerd en vervolgens [slachtoffer 1] tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen met die pijp. Aan deze niet betwiste vaststellingen liggen mede ten grondslag de verklaringen van de vriendin van verdachte, [getuige 1] (p. 61 eindpv), verdachte zelf

(p. 27 onderaan en p. 28 bovenaan van het eindpv) en het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel,

te weten een bloedende hoofdwond en een kneuzing/zwelling van de rechter onderarm

(p. 48 eindpv, en p. 17 aanvullend pv).

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. De rechtbank komt tot dit oordeel nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting onduidelijkheid blijft bestaan over de wijze waarop, de kracht waarmee en het aantal keren dat [slachtoffer 1] met de ijzeren pijp op/tegen zijn hoofd is geraakt. Daarentegen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte door met een ijzeren pijp van circa 90 cm (zie foto p. 50 eindpv) tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te slaan minst genomen het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad (feit 1 primair). Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem met genoemde pijp tegen diens lichaam te slaan (feit 2). Deze bewijsbeslissingen stemmen overeen met de in dit verband ingenomen standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat [medeverdachte] als medepleger van beide feiten kan worden aangemerkt. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat het moment waarop medeverdachte bij de vechtpartij betrokken is geraakt en de feitelijke (gewelds)handelingen die hij daarbij – al dan niet uit noodweer -

zou hebben verricht, niet eenduidig en zonder gerede twijfel zijn vast te stellen.

De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer 2] heeft mishandeld. Hoewel uit de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [getuige 2] afgeleid zou kunnen worden dat verdachte bij de aanvang van het incident [slachtoffer 2] tegen/op haar lip heeft geslagen, staat voor de rechtbank - zoals hiervoor eerder reeds aangegeven - deze gestelde aanleiding van het incident niet zonder meer vast, met name omdat er kennelijk geen letsel in het gelaat of op de lip van [slachtoffer 2] is geconstateerd. Tot slot acht de rechtbank niet bewezen

dat verdachte als medepleger van door [medeverdachte] gepleegd geweld jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden aangemerkt. De rechtbank wijst in dit verband op hetgeen zij hiervoor reeds over de onduidelijkheden van diens ( [medeverdachte] ) algehele betrokkenheid heeft overwogen, hetgeen in zijn eigen strafzaak tot een integrale vrijspraak leidt.

De rechtbank zal verdachte van de hiervoor genoemde onderdelen van de tenlastelegging

(partieel) vrijspreken.

Resteert de navolgende bewezenverklaringen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijs-middelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1.primair

op 17 januari 2016 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een ijzeren pijp in de richting en tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. op 17 januari 2016 te Oss [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met een ijzeren pijp tegen het lichaam te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

t.a.v. feit 1 primair en feit 2:

*een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden

voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

*hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een

bedrag van € 1.516,66 (smartengeld € 800,= en materiële schade € 716,66), met

oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van het

hoger gevorderde bedrag aan smartengeld.

*hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een

bedrag van € 477,35 (smartengeld € 400,= en materiële schade € 77,35), met oplegging van

de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van het hoger gevorderde

bedrag aan smartengeld.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten bezware van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en een mishandeling van [slachtoffer 1] door deze, na een ontstane schermutseling zonder

noemenswaardige aanleiding, met een ijzeren pijp tegen het hoofd en lichaam te slaan.

Verdachte heeft door zijn gewelddadige gedragingen een grote inbreuk gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en diens lichamelijke integriteit op grove

wijze aangetast. Dat het bij het slachtoffer opgelopen lichamelijke letsel relatief gezien beperkt is gebleven, is niet aan verdachtes handelen te danken geweest. Het door verdachte uitgeoefende geweld moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak langere tijd last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte tegen de achtergrond van een langer durend burenconflict tot dit heftige geweld tegen zijn buurman is overgegaan en dat hij daarbij reeds omstreeks 11:00 uur in de ochtend onder invloed van alcohol verkeerde. Het door verdachte op klaarlichte dag in het openbaar uitgeoefende geweld moet grote onrust hebben veroorzaakt bij de buurtbewoners en daar-mee gevoelens van angst en onveiligheid bij hen hebben opgeroepen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

In matigende zin houdt de rechtbank ermee rekening dat het aannemelijk is dat het onderhavige incident mede het gevolg is geweest van het handelen van [slachtoffer 1]

en diens echtgenote en dat verdachte hierbij zelf ook letsel heeft opgelopen.

De rechtbank heeft gezien dat verdachte in het recente verleden niet is veroordeeld vanwege geweldsdelicten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van een rapport van de reclassering van

31 maart 2016. Door de ontkennende houding van verdachte is de reclassering niet in staat om een inschatting van het recidiverisico te maken. Hoewel er aanwijzingen worden gezien voor problemen op het gebied van huisvesting, alcoholgebruik, antisociale gedragingen, denkpatronen/gedrag/vaardigheden en een pro criminele houding, ziet de reclassering geen meerwaarde in een verplicht reclasseringstoezicht. Het strafadvies van de reclassering

richt zich, indien mogelijk, op een taakstraf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De rechtbank zal hiervan het onvoorwaardelijk strafdeel beperken tot de duur van het reeds ondergane voorarrest. Gezien de onderliggende problematiek met de buren acht de recht-bank daarnaast een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats, om verdachte ervan te weer-houden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie en de rechtbank voorts van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de aard en ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De rechtbank acht toetsend aan de maatstaf van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten: een immateriële schadevergoeding van € 500,= en een materiële schadevergoeding van € 155,51 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict respectievelijk vanaf de datum van de indiening van de vordering, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken kosten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het hoger gevorderde bedrag aan immateriële schade, omdat de rechtbank van oordeel is dat dit gedeelte van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen en een nader onderzoek naar de juistheid en omvang ervan zou vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Datzelfde geldt

voor het hoger gevorderde bedrag dat betrekking heeft op de jas en het gevorderde bedrag aan eigen risico, aangezien laatstgenoemde post niet is onderbouwd met een stuk van de betreffende ziektekostenverzekeraar. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de post verlofuren afwijzen, nu deze schade niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het

delict voor wat betreft de immateriële schade en vanaf de datum van de indiening van de vordering voor wat betreft de materiële schade, telkens tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45, 55, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair en feit 2:

eendaadse samenloop van

poging tot zware mishandeling (feit 1 primair)

en

mishandeling (feit 2) Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

t.a.v. feit 1 primair en feit 2: Gevangenisstraf voor de duur van 173 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

t.a.v. feit 1 primair en feit 2: Maatregel van schadevergoeding van € 655,51 subsidiair 13 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer 1] van een bedrag van € 655,51, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit € 500,= als immateriële schadevergoeding en € 155,51 als materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) respectievelijk vanaf de datum van de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 655,51 , te weten

€ 500,= immateriële schadevergoeding en € 155,51 materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (immateriële schade) respectievelijk vanaf de datum van de indiening van de vordering (materiële schade), telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering dat betrekking heeft op de hoger gevorderde bedragen aan immateriële schade (€ 750,=) en materiële schade (post jas

ad € 39,95 en post eigen risico ad € 385,=) niet ontvankelijk is.

Wijst de vordering voor het overige af (€ 136,20 post verlofuren).

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

t.a.v. feit 2: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , in de vordering. Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans en mr. S.B.C. Nicolaes, griffiers,

en is uitgesproken op 9 mei 2016.

De jongste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.