Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2259

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
4960859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 6:5 lid 3 Wet Arbeid en Zorg (WAZO). Ouderschapsverlof. Wijziging functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0504
AR 2016/1345
RAR 2016/118

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 4960859

Rolnummer : 16-4038

Vonnis in kort geding van 4 mei 2016

in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. N.A.M. de Bie,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[werkgever] Automobielbedrijf B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.M.W. Hunnekens.

Partijen worden hierna “ [werkneemster] ” en “ [werkgever] ” genoemd.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

  • -

    de dagvaarding van 5 april 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling die op 20 april 2016 heeft plaatsgevonden, ten behoeve waarvan van de zijde van [werkneemster] een pleitnotitie is overgelegd en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van de producties staat tussen partijen – voor zover thans van belang – het volgende vast:

2.2.

[werkgever] , onderdeel van de Pala Group, is een erkend dealer van auto’s van het merk BMW en MINI. Tot de Pala Group behoren dealers gevestigd in ’s-Hertogenbosch, Waardenburg, Nijmegen, Veldhoven, Echt, Venlo, Helmond en Uden.

2.3.

[werkneemster] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 1 juni 2012 in dienst bij [werkgever] in de functie van service adviseur met als standplaats Eindhoven.

2.4.

In de arbeidsovereenkomst is, onder meer, het volgende overeengekomen:

“(…)

Art. 5 Standplaats

Standplaats is Eindhoven. De werknemer gaat ermee akkoord dat hij/zij in voorkomende gevallen te werk kan worden gesteld in andere vestigingen van het bedrijf en/of na onderling overleg tussen werkgever en werknemer in vestigingen van zuster bedrijven.

(…)

Art. 19 Wijziging arbeidsovereenkomst

Werkgever behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om, indien omstandigheden hem daartoe dwingen en met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid, in overleg met werknemer over te gaan tot het aanbrengen van wijzigingen in deze arbeidsovereenkomst. (…)”

2.5.

Met ingang van 1 februari 2015 is middels een sideletter een aanvulling op de arbeidsovereenkomst overeengekomen, onder meer inhoudende dat:

In aanmerking nemend dat overwerk in de functie van service adviseur als structureel kan worden beschouwd en daardoor een gemiddelde werkweek van 42,5 uur ontstaat.

(…)

Indien huidige arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet wordt naar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zal deze sideletter ook van de nieuwe arbeidsovereenkomst deel uitmaken.”

2.6.

Bij brief van 5 mei 2015 heeft [werkgever] aan [werkneemster] bevestigd dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met ingang van 31 mei 2015 wordt omgezet naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd en voorts:

Zoals met jou besproken en vastgelegd in de Side letter van 30 januari 2015, is de functie gebonden aan 42,5 uur. Dit omdat de functie niet parttime in te vullen is door meerdere personen ivm overdracht van werk. (…)”

Deze brief is voor akkoord door [werkneemster] ondertekend.

2.7.

[werkneemster] heeft bij e-mail van 31 december 2015 aan [werkgever] ouderschapsverlof verzocht voor 23 uur per week ingaande, afhankelijk van de geboortedatum van haar kind, omstreeks 2 mei 2016. [werkneemster] heeft verzocht 1105 uur verlof op te mogen nemen op de maandagen, dinsdagen en vrijdagen.

2.8.

[werkgever] heeft bij brief van 8 januari 2016 onder meer, en voor zover thans relevant, aan [werkneemster] geschreven:

“ (…) Wij zijn dan ook voornemens het ouderschapsverlof te honoreren. Echter, zoals jij weet lopen we daardoor tegen grote problemen aan bij de bezetting van de functie van receptioniste/service adviseur bij [werkgever] ’s Automobielbedrijf. De functie van receptioniste/service adviseur dient vijf dagen in de week, 42,5 uur per week, door dezelfde persoon vervuld te worden. Wij zijn dan ook genoodzaakt om een tijdelijke kracht in te huren, gedurende de periode dat jij ouderschapsverlof wenst op te nemen.

Omdat jouw werkplek dus bezet zal zijn door een tijdelijke kracht, kun jij gedurende het ouderschapsverlof als ‘springer’ receptioniste/service adviseur werkzaam zijn, op de verschillende vestigingen van Pala Group B.V. Dit betekent dat jij je eigen functie kunt uitoefenen, echter wel met wisselende werkplekken.

Zoals je weet is voornamelijk op de maandagen en vrijdagen behoefte aan ‘springers’, aangezien dat de drukste dagen zijn. Om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan jouw verzoek willen we daarom voorstellen dat jij ófwel de maandag en dinsdag gaat werken, ófwel de donderdag en vrijdag.

(…)

Kortom, we honoreren jouw verzoek tot het opnemen van ouderschapsverlof voor wat betreft de teruggang in arbeidsomvang, waarbij de totale omvang van het verlof 1105 uur bedraagt. Gedurende het ouderschapsverlof is de standplaats nog steeds Eindhoven, maar kun jij afhankelijk van de behoefte in elke vestiging van Pala Group B.V. te werk worden gesteld in de functie van receptioniste/service adviseur. (…)”

2.9.

[werkneemster] heeft bij brief van 2 februari 2016 aan [werkgever] laten weten niet akkoord te gaan met de voorwaarde om als ‘springer’ receptioniste/service adviseur werkzaam te zijn. Daarbij is door [werkneemster] aangegeven in zoverre met [werkgever] te willen meedenken dat het haar voorkeur heeft om op de donderdag en vrijdag te werken, maar niet als ‘springer’.

2.10.

Bij brief van 5 februari 2016 is hierop namens [werkgever] gereageerd als volgt:

“(…) Omdat het erop lijkt dat partijen er in onderling overleg niet uitkomen, ziet cliënte zich genoodzaakt om het ouderschapsverlof eenzijdig vast te stellen als volgt.

Het ouderschapsverlof met een totale omvang van 1105 uur wordt toegekend. Mevrouw [werkneemster] zal gedurende de periode waarin het ouderschapsverlof wordt genoten, 19,5 uur per week, verdeeld over twee dagen van elk 9,75 uur werkzaam zijn. Werktijden zijn van 7:45 uur tot 18:00 uur. Reistijd valt daar buiten. Aangezien de voorkeur van mevrouw [werkneemster] uitgaat naar het verrichten van werkzaamheden op de donderdag en op de vrijdag, zullen dat de werkdagen worden. Gedurende het ouderschapsverlof is de standplaats Eindhoven, maar mevrouw [werkneemster] kan – afhankelijk van de behoefte van de verschillende vestigingen van Pala Groep B.V. – te werk worden gesteld in elke vestiging in de functie van receptioniste/ service adviseur. Reiskosten worden vergoed voor een bedrag van € 0,19 per kilometer.

(…) ”

3 De vordering

3.1.

[werkneemster] vordert, rechtdoende in kort geding, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

[werkgever] te veroordelen haar toe te staan ouderschapsverlof op te nemen zoals verzocht bij e-mail van 31 december 2015, en haar met ingang van 10 mei 2016 voor twee dagen per week, op woensdag en donderdag (totaal 19,5 uur) te werk te stellen in haar eigen functie van service adviseur. Zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor elke dag dat [werkgever] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen. [werkneemster] vordert verder [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[werkneemster] leg aan haar vordering ten grondslag, zakelijk weergegeven en in het licht van de hiervoor vermelde feiten, dat [werkgever] niet bereid is haar het gevraagde ouderschapsverlof te verlenen, terwijl haar verzoek aan de wettelijke vereisten van de

Wet Arbeid en Zorg (WAZO) voldoet. [werkneemster] stelt dat de tegenwerpingen van

[werkgever] niet gegrond zijn. [werkneemster] is van mening dat de functie van service adviseur wel degelijk parttime kan worden vervuld. Dat het vast beleid van [werkgever] is om de functie van service adviseur alleen fulltime te laten vervullen is geen zwaarwegend dienstbelang op grond waarvan het verzoek kan worden geweigerd.

4 Het verweer

4.1.

[werkgever] heeft, zakelijk weergegeven, hiertegen het volgende aangevoerd.

De Pala Group, waarvan [werkgever] onderdeel uitmaakt, hanteert een strikt beleid dat eruit bestaat dat de functie van service adviseur niet parttime vervuld kan worden. Dit strikte beleid vloeit voort uit het feit dat door BMW Nederland scherp toezicht wordt gehouden op klanttevredenheid door middel van Klanttevredenheidsregelingen (KTV-regelingen). Door middel van enquêtes wordt de klanttevredenheid gemonitord en worden bonussen verstrekt als de doelen – een te behalen minimale score – op het gebied van klanttevredenheid worden behaald. Als de doelen niet worden behaald, worden inhoudingen gedaan op de verstrekte bonussen of worden de bonussen niet toegekend. De praktijk heeft uitgewezen dat er veel hoger wordt gescoord op deze KTV-regelingen, indien klanten telkens door dezelfde persoon worden geholpen en te woord worden gestaan. Klanten kennen een lagere score toe, en zijn dus minder tevreden, als zij door verschillende personen te woord worden gestaan. [werkgever] dient het dagelijkse en goede contact met klanten en de werkplaats te waarborgen. De klanttevredenheid heeft niet alleen een grote financiële impact, er staat op jaarbasis een bonus van € 140.000,00 op het spel, maar is ook van invloed op de goede naam van [werkgever] en daarmee de zekerheid naar de toekomst.

Het zijn de service adviseurs die verantwoordelijk zijn voor het klantcontact. Het betreft een hospitality functie. De service adviseurs zijn het aanspreekpunt en het bekende gezicht voor klanten. Zij leveren dus een grote bijdrage aan de score van Pala Group in de KTV-regelingen en aan de door BMW verstrekte bonussen. Daarom heeft Pala Group ervoor gekozen om het strikte beleid te hanteren dat de functie niet parttime kan worden vervuld. De (veelvuldige) overdracht van werkzaamheden komt niet ten goede aan de uitvoering van de werkzaamheden, het toezicht en het overzicht en heeft zijn uitwerking op de score in de KTV-regelingen.

4.2.

[werkgever] wijst erop het gevraagde ouderschapsverlof voor het overgrote deel conform de wens van [werkneemster] te hebben toegekend. Er heeft slechts op grond van de hiervoor geschetste zwaarwegende bedrijfsbelangen een wijziging plaatsgevonden voor wat betreft de vaste locatie. Omdat de functie van service adviseur slechts fulltime kan worden ingevuld, zal gedurende het ouderschapsverlof de werkplek van [werkneemster] in Eindhoven bezet zijn door een tijdelijke kracht. Het is voor [werkgever] geen optie om twee parttime krachten op de functie van service adviseur in Eindhoven in te zetten. [werkneemster] kan gedurende het ouderschapsverlof haar functie als service adviseur in de vorm van ‘springer’ uitoefenen, echter met wisselende werkplekken. [werkgever] wijst erop dat [werkneemster] ook op grond van de arbeidsovereenkomst gehouden is op meerdere locaties te werken.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt vast dat de vordering naar haar aard en gezien de beoogde ingangsdatum spoedeisend is.

5.2.

Voor toewijzing van de vordering, moet het aannemelijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Beoordeeld dient dus te worden of het al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [werkneemster] haar aanspraak op ouderschapsverlof kan doen gelden op de door haar gewenste wijze.

5.3.

De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

5.3.1.

[werkneemster] heeft bij brief van 2 februari 2016 aangegeven akkoord te zijn met het werken op donderdag en vrijdag. [werkneemster] heeft in de dagvaarding niet gemotiveerd gesteld dat zij thans op deze toezegging terugkomt, en dit is ook tijdens de mondelinge behandeling niet gebleken, zodat de kantonrechter vaststelt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de vraag of [werkgever] van [werkneemster] mag verwachten dat zij gedurende haar ouderschaps-verlof haar functie als service adviseur in de hoedanigheid van ‘springer’ verricht, waarbij zij mogelijk op verschillende vestigingen werkzaam zal zijn.

5.3.2.

Het criterium waaraan de vordering van [werkneemster] moet worden getoetst, is of

[werkgever] op terechte gronden de door [werkneemster] gewenste invulling van haar ouderschapsverlof heeft gewijzigd. Artikel 6:5 lid 3 WAZO vereist daarvoor een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. Uitgangspunt is namelijk dat gedurende het ouderschapsverlof zoveel mogelijk de eigen functie wordt uitgeoefend. Van de werkgever mag worden verwacht dat hij zo nodig maatregelen zal treffen om het opnemen van ouderschapsverlof in de eigen functie mogelijk te maken. Daarbij is relevant dat de kantonrechter, anders dan [werkgever] , het werken als ‘springer’, waarbij de werknemer op verschillende vestigingen kan worden ingezet, aanmerkt als een wijziging van functie.

5.3.3.

In zijn algemeenheid moet bij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang worden gedacht aan situaties waarbij de afwezigheid van de werknemer niet via de normale bedrijfsvoering en inzet van het overige personeel kan worden opgevangen en dit ernstige consequenties heeft. Of er sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

5.3.4.

De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] ten onrechte met een beroep op artikel 6:5 lid 3 WAZO de invulling van het ouderschapsverlof heeft gewijzigd. [werkneemster] is aangesteld met standplaats Eindhoven en dient ook gedurende het ouderschapsverlof in Eindhoven te werk te worden gesteld. Dat zwaarwegende bedrijfsbelangen hieraan in de weg staan, is door [werkgever] niet aannemelijk gemaakt. Dat een beleid geldt dat alleen fulltimers de functie van service adviseur mogen vervullen is daarvoor onvoldoende. Voor zover relevant geldt daartoe nog het volgende. [werkgever] kan niet worden gevolgd in haar kennelijke overtuiging dat de aanwezigheid van [werkneemster] gedurende twee vaste dagen per week in Eindhoven per definitie zal leiden tot een afname van de klanttevredenheid. Zoals door de heer Bas Willems, directeur van [werkgever] , ter zitting ook naar voren is gebracht, wordt een klant naar aanleiding van een concreet bezoek aan de garage bevraagd naar zijn bevindingen. Niet gesteld noch gebleken is dat een dergelijk bezoek, bijvoorbeeld in verband met het laten verrichten van een servicebeurt aan de auto, zich feitelijk uitstrekt over een periode van meerdere dagen. Ervan uitgaande dat de meeste klantcontacten binnen de tijdspanne van een dag kunnen worden afgewikkeld, ziet de kantonrechter niet in dat het vervullen van [werkneemster] van haar werkzaamheden op donderdag en vrijdag ernstige gevolgen zal hebben voor de tevredenheid van klanten die [werkgever] gedurende deze dagen bezoeken. Hoewel [werkgever] dit probeert te voorkomen staat vast dat zij ook nu wordt geconfronteerd met situaties dat een klant meerdere service adviseurs treft, bijvoorbeeld omdat laat op de dag de service adviseur die de auto ’s ochtends in ontvangst heeft genomen niet meer aanwezig is. [werkgever] heeft niet nader onderbouwd in hoeverre de gemiddelde klanttevredenheid wordt beïnvloed door een overdracht van werkzaamheden en of haar bonus op jaarbasis daardoor daadwerkelijk in gevaar wordt gebracht. De enkele verwijzing naar de voorwaarden van BMW om in 2016 voor een bonus in aanmerking te komen, zonder hieraan concrete en verifieerbare gegevens te koppelen in relatie tot het verzoek van [werkneemster] is volstrekt onvoldoende om te kunnen vaststellen of de consequenties van het toestaan van het verzochte ouderschapsverlof, met handhaving van de standplaats van [werkneemster] in Eindhoven, zo ernstig zijn dat hiermee de bedrijfsvoering van [werkgever] wezenlijk wordt geraakt. Voor zover [werkgever] wenst te kiezen voor fulltimers – waarbij nog wordt opgemerkt dat dit beleid, zoals ter zitting is komen vast te staan, niet door BMW/MINI is opgelegd – weegt haar belang niet zo zwaar, althans daarvoor zijn onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen, dat het tijdelijke belang van [werkneemster] om ouderschapsverlof op te kunnen nemen om voor haar kind te kunnen zorgen op het moment waarop zij daar behoefte aan heeft, hiervoor moet wijken.

5.3.5.

De keuze van [werkgever] om gedurende het ouderschapsverlof de werkplek van [werkneemster] te bezetten met een tijdelijke, maar fulltime werkende kracht, dient op grond van het voorgaande voor rekening en risico van [werkgever] te blijven.

5.3.6.

Aangezien [werkgever] geen beroep toekomt op de wijzigingsbevoegdheid van artikel 6:5 lid 3 WAZO, kan zij, gedurende het ouderschapsverlof van [werkneemster] , zich in redelijkheid ook niet beroepen op het bepaalde in artikel 5 en artikel 19 van de arbeidsovereenkomst teneinde [werkneemster] op een andere vestiging tewerk te stellen.

5.4.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [werkneemster] zal worden toegewezen, met dien verstande dat haar werkdagen op donderdag en vrijdag zullen zijn.

5.5.

De gevorderde dwangsom ligt eveneens voor toewijzing gereed.

5.6.

[werkgever] wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende als voorzieningenrechter

veroordeelt [werkgever] [werkneemster] toe te staan ouderschapsverlof op te nemen voor 23 uur per week, gedurende 48 weken, ingaande op 10 mei 2016, en [werkneemster] voor twee dagen per week, op donderdag en vrijdag, voor in totaal 19,5 per week te werk te stellen in haar eigen functie van service adviseur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, voor elke dag dat [werkgever] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

veroordeelt [werkgever] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [werkneemster] vastgesteld op € 99,08 aan explootkosten, € 79,00 aan griffierecht en € 400,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.