Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:2022

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
15_6644
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1154, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over de verstrekking van een sleutel voor een slagboom, die toegang geeft tot een afgesloten weggedeelte. Heeft eiser recht op een sleutel vanwege de volgens hem onevenredige gevolgen van de afsluiting? Kan de gemeente worden gehouden aan een toezegging die eiser zou zijn gedaan in 1996?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6644

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo, verweerder

(gemachtigden: mr. G.J.J. van Houtert en I. van Overbeeke).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat aan hem geen nieuwe sleutel voor de slagboom bij het afgesloten weggedeelte op de Heiderschoor te Mierlo wordt verstrekt.

Op 9 maart 2015 heeft verzoeker daartegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 8 april 2015 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat hij bij zijn weigering blijft om verzoeker een nieuwe sleutel te geven.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat beroep een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de beslissing van 8 april 2015 wordt geschorst en dat verweerder wordt gedwongen hangende de bodemprocedure de verleende ontheffing te respecteren althans opnieuw ontheffing te verlenen. Dit beroep is destijds geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/1509 en het verzoek om een voorlopige voorziening onder zaaknummer SHE 15/1510.

Bij uitspraak van 24 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat verweerder de brief van 2 maart 2015 ten onrechte niet heeft aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat verweerder het bezwaarschrift van 9 maart 2015 ten onrechte niet heeft aangemerkt als een bezwaar in de zin van de Awb. De voorzieningenrechter heeft het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Tevens heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 10 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser woont aan de [adres] in [woonplaats] . Aan het einde van de Broekstraat is een splitsing gelegen, die aan de linkerzijde uitmondt in de Heiderschoor. In 1998 is, met het doel sluipverkeer tegen te gaan, door de gemeente Mierlo een verkeersbesluit genomen waarbij de Heiderschoor grotendeels is onttrokken aan het verkeer. Aan eiser is bij besluit van 6 oktober 2000 een ontheffing verleend zodat hij toch gebruik kon maken van de Heiderschoor. De ontheffing gold tot 7 oktober 2001 en ging gepaard met de verstrekking van een pasje waarmee de slagboom kon worden geopend. Ook nadat de geldigheid van de ontheffing was verlopen, is eiser in bezit gebleven van het pasje. Nadat de afsluiting in maart 2015 was gerenoveerd, ontdekte eiser dat zijn pasje niet meer op de gerenoveerde slagboom paste. Hij is toen naar het gemeentehuis gegaan en heeft daar mondeling verzocht om een pasje/sleutel waarmee de nieuwe slagboom kon worden geopend.

2. Verweerder heeft geweigerd aan eiser een nieuw pasje te verstrekken. Die weigering is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3. In beroep voert eiser aan dat hij wel in aanmerking moet komen voor een ontheffing. In 1996 is hem door de gemeente toegezegd dat hij gebruik zou kunnen blijven maken van de Heiderschoor en hij begrijpt dan ook niet waarom hij nu niet opnieuw een pasje krijgt, terwijl alle ander ontheffingshouders wel een nieuw pasje hebben gekregen. Hij heeft erg veel last van het feit dat hij nu niet meer door de Heiderschoor kan omdat hij nu steeds moet omrijden als hij met zijn kleinkinderen Dierenrijk bezoekt of naar Eindhoven of Drunen wil. Hij is van mening dat de toezegging uit 1996 moet worden gerespecteerd en hem om die reden opnieuw een ontheffing moet worden verleend.

4. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft aan eiser niet opnieuw een ontheffing verleend omdat eiser volgens verweerder niet voldoet aan de in het “Ontheffingenbeleid betrekking hebbende op de geslotenverklaring Heiderschoor” (het Ontheffingenbeleid) vermelde voorwaarden. In dat beleid is in artikel 3 opgenomen: “Voor een ontheffing (…) komen in aanmerking zij die aantonen dat zij onevenredig zwaar worden geschaad door de geslotenverklaring en een bijzonder en individueel belang hebben bij het verkrijgen van een dergelijke ontheffing.” De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat eiser niet heeft aangetoond onevenredig zwaar te worden geschaad door de geslotenverklaring. Daarbij is het volgende van belang.

5. Eiser heeft in de bezwaarprocedure gesteld dat hij de ontsluiting via de Heiderschoor gebruikt vanwege ongeveer zes bezoeken per jaar aan Dierenrijk, één bezoek per maand aan station Eindhoven, één bezoek per week aan zijn dochter in Drunen, één keer per maand het wassen van zijn auto op Eeneind, één keer per maand een bezoek aan een kennis op Eeneind, één keer per maand winkelen in Eindhoven en verder voor minstens twaalf andere passages per jaar. Ter zitting heeft eiser dit aangevuld in die zin dat hij, nu hij tegenwoordig voor de kleinkinderen een jaarabonnement heeft op Dierenrijk, de bezoeken aan Dierenrijk elke week plaatsvinden. Dit aantal passages is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig talrijk dat eiser door de geslotenverklaring onevenredig zwaar wordt geschaad. Ook gezien de beperkte tijd die het kost om op een andere manier bij Dierenrijk te geraken, heeft verweerder in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Aan eiser kan worden toegegeven dat het wat ver gaat van verweerder om van eiser te verwachten dat hij op zijn leeftijd met de nog jonge kleinkinderen op de maandagmiddagen na school 1,8 kilometer te voet heen en terug naar Dierenrijk wandelt. De rechtbank is echter wel van oordeel dat eiser wat gemakkelijk heen stapt over de mogelijkheid per fiets naar Dierenrijk te reizen, waar hij ter zitting stelde dat het voor hem niet goed mogelijk is om naast de fietsen die bij de (gescheiden) ouders van zijn kleinkinderen zijn gestald, ook nog eens op zijn adres fietsen neer te zetten. De rechtbank is verder van oordeel dat twijfels kunnen worden geplaatst bij hoe reëel het is van verweerder om van eiser te verwachten dat hij over de kennelijk onverharde weg die het door verweerder aangedragen alternatief behelst, te reizen. De omweg die eiser zelf op het door hem ter zitting overgelegde Google maps-kaartje heeft aangeduid, is echter niet zodanig lang dat hij, door daarvan gebruik te moeten maken, onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Daarbij heeft de rechtbank er oog voor dat de weg weliswaar een stuk langer is dan de weg die via de Heiderschoor leidt, maar het blijft een autorit die (13 minuten volgens het door eiser overgelegde routekaartje) eens per week te overzien valt. De omweg voorts die moet worden gereden om vanuit eisers woning naar Drunen en Eindhoven te geraken, is – zo heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld – verwaarloosbaar klein.

7. Nu verweerder aldus in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het Ontheffingenbeleid niet noopte tot het verlenen van een ontheffing aan eiser, resteert de vraag of verweerder aanleiding had moeten zien om gebruik te maken van de bevoegdheid om van zijn beleid af te wijken (artikel 4:84 van de Awb). De rechtbank merkt eisers stellingen over de toezegging die hem in 1996 zou zijn gedaan, aan als een beroep op die afwijkingsbevoegdheid en oordeelt daarover als volgt.

8. Anders dan eiser meent, had verweerder in de toezegging die hem in 1996 zou zijn gedaan, geen aanleiding hoeven zien om hem in afwijking van het Ontheffingenbeleid een ontheffing te verlenen. De ontheffing die eiser als gevolg van de toezegging in 2000 heeft gekregen, was geldig voor één jaar. Dat is ook op het besluit tot ontheffing vermeld en was dus kenbaar voor eiser. Het enkele feit dat eiser nadien de facto in bezit van het pasje is gebleven en hij daarop nimmer is aangesproken, rechtvaardigt niet een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, waar eisers stellingen immers in feite op neerkomen. Daar komt nog eens bij dat de omstandigheden waaronder de ontheffing destijds is verleend, nu heel anders zijn dan toen: eiser heeft geen schoolgaande kinderen meer die hij iedere dag naar school moet brengen en hoeft niet meer naar zijn werk te reizen.

9. Eisers stelling dat hij niet begrijpt waarom aan anderen wel en aan hem geen ontheffing is verleend, kan hem niet baten. In feite doet eiser hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dat hij niet gelijk is aan degenen die op grond van het Ontheffingenbeleid wel een ontheffing hebben gekregen, volgt reeds uit het feit dat hij zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 is geoordeeld, niet onevenredig zwaar door de geslotenverklaring wordt geschaad.

10. Het bestreden besluit houdt in rechte stand. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van

B.V.H. Harperink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.