Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:1734

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
15_6806
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft geparkeerd en daarvoor vanuit zijn auto betaald via belparkeren. Hij heeft niet gezien dat er op de parkeerzuil een bordje met daarop de maximaal toegestane parkeerduur (1 uur) was bevestigd. Dat komt volgens hem omdat dat bordje niet zichtbaar was vanuit zijn auto. Hij vindt dat daar, waar het voor de belparkeerder mogelijk wordt gemaakt om vanuit de auto het belparkeernummer te zien en in te toetsen, ook een eventueel geldende beperking van de maximaal toegestane parkeerduur vanuit die auto op dezelfde wijze zichtbaar zou moeten zijn. Aan eiser kan worden toegegeven dat het het meest ideaal zou zijn wanneer, zoals kennelijk in Hilversum blijkens een door hem overgelegde foto wel het geval is, de maximale parkeerduur zou zijn vermeld op een bord dat direct onder het – hoog op de paal geplaatste – bord met het belparkeernummer en parallel daaraan, zou zijn bevestigd. Dan zou de parkeerder immers niet hoeven uit te stappen en naar de automaat toe te lopen om te zien of er wellicht een beperking aan de parkeerduur is verbonden. Toch is de rechtbank van oordeel dat daar, waar zo’n bord niet op de door eiser omschreven kenbare manier aan de paal is bevestigd, het op de weg van de parkeerder ligt om zich die (kleine) moeite wél te getroosten. Met andere woorden: als de beperking aanstonds waarneembaar is, tegelijk met het belparkeernummer, dan is dat heel prettig voor de parkeerder en is hij daarmee gediend, maar als dat niet zo is, dan mag de parkeerder er niet zonder meer op vertrouwen dat er ter plaatse geen beperking geldt en zal hij zich daarvan moeten vergewissen door even naar de automaat toe te lopen. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat zij heeft geconstateerd dat het bord dat in dit geval aan de automaatpaal is bevestigd, niet van geringe omvang is (even breed als de automaat zelf) en dat in elk geval zonder uit te stappen en zich op het trottoir te begeven, duidelijk waarneembaar is dát er nog een bord direct boven de automaat is bevestigd. Het ligt dan eens te meer in de rede dat een parkeerder zich ervan vergewist wat er op dat bord staat. Eiser heeft bovendien met zijn auto vrijwel naast de parkeerzuil geparkeerd, zodat de te ondernemen gang per voet naar die zuil – even rondom de auto – een verwaarloosbaar kleine afstand bedroeg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1023
V-N 2016/32.20.11
Belastingblad 2016/293
FutD 2016-1230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6806

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, verweerder.

(gemachtigden: J. Kivits en mr. R. Klaassen)

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 27 oktober 2015 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [aanslagnummer] ) opgelegd ter hoogte van € 61,50, bestaande uit € 2,50 parkeerbelasting en € 59,00 kosten naheffing.

Bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2015 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 27 oktober 2015 zijn auto geparkeerd aan de Peperstraat in ’s-Hertogenbosch op een op grond van de “Verordening op de heffing en invordering parkeerbelastingen”, geldig voor 2015 (hierna: de Verordening), als betaald parkeren aangewezen parkeerplaats. Hij heeft voor het voldoen van de voor het parkeren verschuldigde parkeerbelasting gebruik gemaakt van belparkeren door zijn auto via zijn mobiele telefoon aan te melden bij een provider. Hij heeft parkeerbelasting voldaan van 13.44 uur tot en met 14.44 uur. Omstreeks 16.36 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de maximale ter plaatse toegestane parkeerduur een uur bedraagt, dat die tijd op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting was verstreken en dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.

3. Eiser voert aan dat voor hem ten tijde van het parkeren vanaf de straatzijde niet kenbaar/zichtbaar was dat ter plaatse een maximale parkeerduur van één uur gold. Volgens eiser is vanaf de plaats waar hij geparkeerd stond slechts het nummer van de parkeerzuil zichtbaar, maar niet de beperking van de parkeerduur. Deze beperking is slechts aangegeven op een klein bordje aan de parkeerautomaat, dat alleen vanaf de trottoirzijde zichtbaar is. Eiser is van mening dat daar, waar het voor de belparkeerder mogelijk wordt gemaakt om vanuit de auto het belparkeernummer te zien en in te toetsen, ook een eventueel geldende beperking van de maximaal toegestane parkeerduur vanuit die auto op dezelfde wijze zichtbaar zou moeten zijn. De overheid verleent een dienst aan de burger, en die burger moet erop kunnen vertrouwen dat hij dan ook juist geïnformeerd wordt, aldus eiser.

4. De rechtbank stelt het volgende voorop. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd en gedurende een maximale tijdsduur parkeren van een voertuig dient kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor dat parkeren redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van een weggebruiker mag echter worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:BB7488).

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende kenbaar gemaakt dat ter plaatse betaald parkeren geldt en dat de maximale parkeerduur één uur bedraagt, zoals ook blijkt uit het door verweerder overgelegde fotomateriaal. Dat die beperking van de parkeerduur slechts te zien is vanaf de trottoirzijde, doet daar niet aan af. Aan eiser kan worden toegegeven dat het het meest ideaal zou zijn wanneer, zoals kennelijk in Hilversum blijkens een door hem overgelegde foto wel het geval is, de maximale parkeerduur zou zijn vermeld op een bord dat direct onder het – hoog op de paal geplaatste – bord met het belparkeernummer en parallel daaraan, zou zijn bevestigd. Dan zou de parkeerder immers niet hoeven uit te stappen en naar de automaat toe te lopen om te zien of er wellicht een beperking aan de parkeerduur is verbonden. Toch is de rechtbank van oordeel dat daar, waar zo’n bord niet op de door eiser omschreven kenbare manier aan de paal is bevestigd, het op de weg van de parkeerder ligt om zich die (kleine) moeite wél te getroosten. Met andere woorden: als de beperking aanstonds waarneembaar is, tegelijk met het belparkeernummer, dan is dat heel prettig voor de parkeerder en is hij daarmee gediend, maar als dat niet zo is, dan mag de parkeerder er niet zonder meer op vertrouwen dat er ter plaatse geen beperking geldt en zal hij zich daarvan moeten vergewissen door even naar de automaat toe te lopen. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat zij heeft geconstateerd dat het bord dat in dit geval aan de automaatpaal is bevestigd, niet van geringe omvang is (even breed als de automaat zelf) en dat in elk geval zonder uit te stappen en zich op het trottoir te begeven, duidelijk waarneembaar is dát er nog een bord direct boven de automaat is bevestigd. Het ligt dan eens te meer in de rede dat een parkeerder zich ervan vergewist wat er op dat bord staat. Eiser heeft bovendien met zijn auto vrijwel naast de parkeerzuil geparkeerd, zodat de te ondernemen gang per voet naar die zuil – even rondom de auto – een verwaarloosbaar kleine afstand bedroeg.

6. De rechtbank verwijst in dit verband ook nog naar de door verweerder in het verweerschrift aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 augustus 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:6160.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van mr. P.M. de Kruif, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.