Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:1726

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
01/993308-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 150 gram wiet en het voorhanden hebben van goederen waarvan hij wist dat ze bestemd waren voor de hennepteelt. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest op.

Vrijspraak van het voorhanden hebben van 200 kilo amfetamine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993308-15

Datum uitspraak: 13 april 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1971] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 januari 2016 en 30 maart 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 november 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 22 september 2015 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. hij op of omstreeks 29 september 2015 te Veldhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 150 gram wiet, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram, zijnde wiet een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. hij op of omstreeks 29 september 2015 te Veldhoven, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop

aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of

voorhanden gehad (in de woning aan de [adres] ), te weten ongeveer 132, althans een hoeveelheid assimilatielampen en/of een travo en/of een electriciteitsmeter en/of een kast ten behoeve van een electrische installatie,

waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd

waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid

strafbaar gestelde feiten;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak feit 1.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte op 19 september 2015 zijn auto, een Audi voorzien van [kenteken] , naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gebracht met achterlating van de autosleutels. Verdachte heeft verklaard dat er zich op dat moment geen amfetamine in de Audi bevond. Hij is later die dag nog naar de woning van verdachte geweest, maar ontkent dat hij toen amfetamine in de Audi heeft geplaatst. Op 22 september 2015 is tijdens de zoeking voornoemde Audi in de garage van [medeverdachte 1] aangetroffen met in de kofferbak ongeveer tweehonderd kilogram amfetamine.

Blijkens het dossier is tijdens de zoeking op 22 september 2015 in de woning van [medeverdachte 1] een Nokia aangetroffen met het [telefoonnummer 1] . In die gsm stonden zeven contacten waaronder [telefoonnummer 2] onder de naam [alias] . Tijdens de zoeking welke op 29 september 2015 in de woning van verdachte plaatsvond werd een gsm aangetroffen met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

Voorts volgt uit het dossier dat er in de periode gelegen tussen 12 augustus 2015 en 23 september 2015 meermalen telefonisch contact is geweest tussen beide voornoemde gsm’s.

Tevens is de Blackberry met IMEI [nummer] welke was aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] gekraakt door het NFI. Uit het proces-verbaal met nummer [naam] -131 blijkt dat er (telefonisch) contact is geweest met meerdere personen waarbij versluierd taalgebruik werd gebezigd. Uit voornoemd proces-verbaal volgt echter niet zonder meer welke personen er schuil gaan achter de gebezigde bijnamen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich bezighoudt met hennephandel en dat hij in verband daarmee voor iemand uit België contact zocht met [medeverdachte 1] . Er zijn bij verdachte ook goederen aangetroffen die op betrokkenheid bij hennephandel duiden. Ook bij [medeverdachte 1] is tijdens de zoeking een behoorlijke hoeveelheid wiet en hasjiesj aangetroffen.

De rechtbank kan niet uitsluiten dat de telefoongesprekken welke met de Nokia met het [telefoonnummer 1] ( [medeverdachte 1] ) en de gsm met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ( [alias] ) zijn gevoerd betrekking hadden op hennephandel.

Dit geldt evenzeer voor de berichten uit de BlackBerry met IMEI [nummer] , aangezien onvoldoende specifiek is toegelicht en niet blijkt wie met welke bijnaam wordt bedoeld, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen wie welke gesprekken (ping of sms-verkeer) heeft gevoerd en welke betekenis daaraan kan worden toegedicht.

Nu verdachte slechts via zijn auto, die zich op dat moment in de machtssfeer van [medeverdachte 1] bevond, te linken is aan de amfetamine, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs. 1

Ten aanzien van feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het is wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte op 29 september 2015 honderdvijftig gram wiet aanwezig heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging.

Het ten laste gelegde onder feit 2 is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op 29 september 2015 troffen de verbalisanten tijdens de zoeking in de woning van verdachte gelegen aan de [adres] te [woonplaats] honderdvijftig gram wiet aan. 2 Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 30 maart 2016 verklaard dat hij wist dat het bladeren betroffen afkomstig van hennepplanten. 3 Op grond van vorenstaande acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” onder 2 is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

Ten aanzien van feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het is wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte op 29 september 2015 goederen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid strafbaar gestelde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

Het ten laste gelegde onder feit 3 is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op 29 september 2015 troffen de verbalisanten tijdens de zoeking in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] goederen aan welke waren bestemd voor het voeren van een hennepkwekerij.4 Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 30 maart 2016 verklaard dat hij de goederen bestemd voor hennepteelt voorhanden had om uit te voeren naar Servië. 5 Op grond van vorenstaande acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” onder 3 is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

In de tenlastelegging wordt gesproken over wiet. De rechtbank merkt op dat wiet en hennep hetzelfde is.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

2. op 29 september 2015 te Veldhoven, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 150 gram wiet (hennep), zijnde wiet (hennep) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. op 29 september 2015 te Veldhoven, voorwerpen voorhanden heeft gehad (in de woning aan de [adres] ), te weten 132 assimilatielampen en een travo en een elektriciteitsmeter en een kast ten behoeve van een elektrische installatie, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid

strafbaar gestelde feiten.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3: gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft een blanco strafblad en leidt aan een PTSS. Een jarenlange gevangenisstraf past daar niet bij.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 29 september 2015 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van honderdvijftig gram wiet. Voorts heeft hij die dag een grote hoeveelheid assimilatielampen en andere goederen voorhanden gehad waarvan hij wist dat ze bestemd waren voor de hennepteelt. Hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het telen van hennep gaat steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake een strafbaar feit.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft, gelet op de op te leggen straf, bij een afzonderlijk geminuteerde beslissing van 31 maart 2016 de voorlopige hechtenis opgeheven.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 22c, 22d, 27, 57

Opiumwet art. 3, 11, 11a.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegde en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 2:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder c, van de Opiumwet gegeven verbod.Ten aanzien van feit 3:voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 2, feit 3:taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 13 april 2016.

Mr. W.B. Kok is buiten staat dit vonnis (mede) te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche, onderzoek [onderzoeksnaam] [naam] ) dossiernummer [naam] -88, afgesloten 22 december 2015.

2 Als relaas van verbalisant d.d. 30 september 2015 ZD-01-73

3 Verklaring [verdachte] ter terechtzitting d.d. 30 maart 2016

4 Als relaas van verbalisant d.d. 30 september 2015 ZD-01-69, 70

5 Verklaring [verdachte] ter terechtzitting d.d. 30 maart 2016