Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:150

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-01-2016
Datum publicatie
20-01-2016
Zaaknummer
01/820213-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft grote hoeveelheden stoffen en voorwerpen te koop aangeboden en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,--, een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van 2 jaar en verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/820213-15

Datum uitspraak: 19 januari 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 december 2015 en 5 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 november 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 mei 2015 [plaats misdrijf] , in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(in een (winkel)pand en/of (garage)box aan [straat 1] en/of aan [straat 2] ) stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens,

te weten:

( [straat 1] )

-25, althans een of meer tijdschakelaar(s) en/of

-2, althans een kachel(s) en/of

-4, althans een of meer luchtbevochtiger(s) en/of

-7, althans een of meer thermometer(s) en/of

-8, althans een of meer knipscha(a)r(en) en/of

-een weegschaal en/of

-een ventilator en/of

-meerdere, althans een plantenbak(ken) en/of

-8, althans een of meer verwarmingselement(en) en/of

( [straat 2] )

-95, althans een of meer armatu(u)r(en) en/of

-416, althans een of meer assimilatielamp(en) en/of

-3, althans een of meer elektriciteitssnoer(en) en/of

-5, althans een of meer schakelbord(en) en/of

-13, althans een of meer tijdschakelaar(s) en/of

-38, althans een of meer transformator(s) en/of

-3, althans een of meer transformator regelaar(s) en/of

-14, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

-6, althans een of meer slakkenhui(s)zen (inbouwventilator(en)) en/of

-68, althans een of meer ventilator(en) en/of

-6, althans een of meer temperatuur ventilatieregelaar(s) en/of

-15, althans een of meer dompelpomp(en) en/of

-2, althans een of meer watervatvuller(s) en/of

-10, althans een of meer hydro-Ph/ec meter(s) en/of

-3, althans een of meer weegscha(a)l(en) en/of

-22, althans een of meer verwarmingselement(en) en/of

-26, althans een of meer droogrek(ken) en/of

-4, althans een of meer (volle) do(os)zen met droogrek(ken) en/of

-meerdere, althans een (zwarte) strijkzak(ken) en/of

-32, althans een of meer do(os)zen met ijzeren koppelstuk(ken) en/of

-14, althans een of meer pallet(s) spuitbus(sen), althans luchtverfrisser(s) en/of

(garagebox [straat 2] )

-een armatuur en/of

-3, althans een of meer assimilatielamp(en) en/of

-3, althans een of meer tijdschakelaar(s) en/of

-meerdere, althans een fles/jerrycan groeimiddel(len) en/of

-meerdere, althans een zak(ken) potgrond en/of

-2, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

-een luchtafzuiging en/of

-een weegschaal,

alsmede klapper(s)/ordners/tijdschrift(en)/folder(s)/poster(s) betreffende informatie met betrekking tot hennepzaken en/of materialen voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepkweek bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop aangeboden en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist/wisten of ernstige redenen had/hadden te vermoeden dat dat/die stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De rechtmatigheid van het bewijs

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank over te gaan tot integrale bewijsuitsluiting, omdat dit bewijs is verkregen door misbruik van de controlebevoegdheid van de gemeente (détournement de pouvoir). De raadsman voert daartoe aan dat indien, zoals de officier van justitie heeft gesteld, de door de [betrokken gemeente] uitgevoerde controle inderdaad een bestuursrechtelijke controle op de naleving van de Milieu- en Omgevingswet betrof, er voor een dergelijke controle geen enkele aanleiding was. Voorts bestond er voor de controleurs van de [betrokken gemeente] geen enkele reden om zich te laten vergezellen door één of meer politieagenten. Er waren immers geen aanwijzingen dat de controle uit de hand zou lopen. In het onderhavige geval waren er echter één of meer politieagenten aanwezig, waaronder de hennepcöordinator van [district politie] , [verbalisant 1] . De door de [betrokken gemeente] uitgevoerde controle was eigenlijk een grote actie tegen growshops, aldus de raadsman.

In geval van bewijsuitsluiting dient er vrijspraak te volgen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De aanleiding voor het politieonderzoek was de bestuurlijke controle door de [betrokken gemeente] . Het stond de gemeente vrij van deze controlebevoegdheid gebruik te maken. Bij deze rechtmatige controle door de [betrokken gemeente] werden door de politie, die bij deze controle – niet onrechtmatig - aanwezig was, verboden spullen in het kader van de Opiumwet aangetroffen. De politie mocht vervolgens opsporingsbevoegdheden uitoefenen. Er is niet gebleken dat de rechten van verdachte zijn geschonden.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman aldus dat al het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat het onrechtmatig is verkregen vanwege misbruik van de controlebevoegdheid (détournement de pouvoir), welk misbruik er uit zou bestaan dat de controlebevoegdheid van de [betrokken gemeente] op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht uitsluitend voor een ander doel dan de naleving van de Milieu- en Omgevingswet is aangewend, te weten controle op naleving van de Opiumwet.

De rechtbank stelt voorop dat de [betrokken gemeente] bevoegd was de controlebevoegdheden uit te oefenen. Niet aannemelijk is geworden dat deze controlebevoegdheid uitsluitend voor een controle op naleving van de Opiumwet is aangewend.

Op grond van artikel 5.15 Algemene wet Bestuursrecht mocht de [betrokken gemeente] zich bij de uitoefening van haar controlebevoegdheid ook laten vergezellen door de politie. In dat kader is de politie met de toezichthouders van de [betrokken gemeente] naar binnen gegaan. De politie constateerde aldaar een mogelijke overtreding van artikel 11a van de Opiumwet en op dat moment ontstond de verdenking. Van de daarna ingezette opsporingsbevoegdheden is rechtmatig gebruik gemaakt. Daarbij is niet aannemelijk geworden dat bij het gebruik maken van de controlebevoegdheid de aan de verdachte toekomende waarborgen niet in acht zijn genomen. Om die reden verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging.

Het bewijs en de beoordeling daarvan.

Het relaas van [verbalisant 1] d.d. 19 augustus 2015 (p. 95 en 96 van het einddossier van de politie Oost-Brabant met nummer PL2100-2015115096, d.d. 10 september 2015, aantal blz. 421)

Op dinsdag 26 mei 2015 heb ik deelgenomen aan een onderzoek op het adres [straat 1] te [plaats misdrijf] . Op dit adres is [handelsonderneming] gevestigd.

Volgens de Kamer van Koophandel is per 01-04-2015 [verdachte] de eigenaar van

deze handelsonderneming. Voor 01-04-2015 stond [verdachte 2] geregistreerd als zijnde eigenaar.

In dit pand zag ik een grote hoeveelheid groeimiddelen van de merken

Bio-nlx en Canna, dat als afkorting van cannabis te boek staat.

Het is mij ambtshalve bekend dat deze goederen veelvuldig gebruikt worden

bij hennepkwekerijen.

Ik ben hennepcoördinator van [district politie] en heb ervaring in het ontmantelen van hennepkwekerijen en ben deskundig op het gebied van hennepteelt.

Ik zag op het dak van het kantoortje, ruim honderd gebruikte zwarten

plantenpotten staan.

In dit bedrijfspand werden 25 tijdschakelaars, 1 ventilator, 2 kachels, 2 luchtbevochtigers, 7 thermometers, 8 knipscharen, 1 weegschaal, 8 verwarmingselementen aangetroffen en vervolgens inbeslaggenomen.

Het is mij bekend dat je alle bovengenoemde goederen in vrijwel iedere hennepkwekerij tegenkomt.

Het relaas van [verbalisant 1] d.d. 19 augustus 2015 (p. 16 en 17 van het einddossier)

Ik zag dat in dit pand een manspersoon aanwezig was, die zich legitimeerde aan mij als zijnde [verdachte] . Hij gaf mondeling aan mij aan eigenaar van het eerder genoemde bedrijf te zijn.

Kennisgeving van inbeslagneming met bijbehorende ruimlijst (p. 319 tot en met 321 van het einddossier)

- 4 luchtbevochtigers in beslag genomen op 26 mei 2015 op adres [straat 1] .

Het relaas van [verbalisant 1] d.d. 14 augustus 2015 (p. 155 tot en met 160 van het einddossier)

Bevindingen publieke gedeelte van het bedrijfspand [straat 2] :

Ik zag dat de handelsonderneming zich bevond in een loods. Ik zag dat als je via de voordeur binnenkomt je direct een toonbank treft met daarachter een schap waarin diverse soorten groeimiddelen van onder andere het merk Bio-nlx uitgestald stonden. Ik zag tevens verschillende soorten luchtverfrissers van het merk Smellmaster en diverse tijdschakelaars in de schappen staan.

Het is mij ambtshalve bekend dat groeimiddelen bij hennepteelt gebruikt worden om de hoeveelheid cannabis aan de plant te laten toenemen, om zodoende een grote winstmarge te creëren.

Het is mij ambtshalve bekend dat in vrijwel iedere hennepkwekerij tijdschakelaars worden gebruikt. Het is mij bekend dat de tijden van verlichting bij een hennepkwekerij, vaak 12 uur verlichting en 12 uur donkerte is. Het is mij ambtshalve bekend dat dit een optimale groei oplevert van de hennepplant. Ik durf te stellen dat tijdschakelaars dus onmisbaar zijn in een hennepkwekerij. Als die er niet zouden zijn, moet iemand elke dag handmatig om de 12 uur de verlichting aan of uit zetten.

Ik zag dat op de toonbank diverse tijdschriften lagen c.q. foldermateriaal waarop een hennepafbeelding te zien was.

Ik trof in de toonbank een poster aan van Amaranta Seeds waarin verschillende soorten henneptoppen van de hennepplant zichtbaar waren.

Achter de toonbank trof ik transformatoren en schakelborden. Het is mij ambtshalve bekend dat je transformatoren en schakelborden in vrijwel iedere bedrijfsmatige hennepkwekerij tegenkomt. Een schakelbord is een apparaat dat elektriciteit uit een bron naar een andere bron leidt.

Bevindingen magazijn [straat 2] te [plaats misdrijf] :

Ik trof in het magazijn diverse goederen die kenmerkend en onmisbaar zijn voor bedrijfsmatige hennepteelt.

Ik zag dat er een grote hoeveelheid groeimiddelen, assimilatielampen, armaturen, schakelborden, tijdschakelaars, sealbags, koolstoffilters, ventilatoren, kabels en potgrond op voorraad lagen.

Ik zag in verpakte dozen een grote hoeveelheid ijzeren koppelstukken met diverse afmetingen liggen. Het is mij ambtshalve bekend dat deze koppelstukken worden gebruikt in de hennepteelt om onder andere ventilatieslangen te koppelen aan luchtventilators. Ook trof ik verschillende dozen aan met ventilatieslangen in het pand.

Ik zag een grote hoeveelheid zwarte plantenpotten op pallets staan. Het is mij ambtshalve bekend dat deze potten veelvuldig gebruikt worden in hennepkwekerijen, waarin de hennepplanten opgroeien.

Ik zag dat in het gedeelte achter de balie, in een open kast verschillende hennep gerelateerde verkoopartikelen lagen.

Ik zag dat deze onder andere bestonden uit waterpijpen en asbakken.

Ik zag dat op deze artikelen diverse henneplogo’s zichtbaar waren.

In het bedrijfspand werden in totaal de onderstaande goederen inbeslaggenomen:

- 95 armaturen;

- 416 assimilatielampen;

- 3 elektrische snoeren;

- 5 schakelborden met bijhorende onderdelen;

- 13 tijdschakelaars;

- 38 transformators;

- 3 transformator regelaars;

- 32 grote dozen met een onbekende hoeveelheid aan ijzeren koppelstukken;

- 14 koolstoffilters;

- 6 slakkenhuizen / inbouwventilatoren;

- 68 ventilatoren;

- 6 temperatuurventilatieregelaars;

- 15 dompelpompen;

- 2 watervatvullers;

- 10 thermometers;

- 3 weegschalen;

- 22 verwarmingselementen;

- 26 droogrekken;

- 4 dozen met onbekende hoeveelheid droogrekken.

- 14 pallets vol met spuitbussen luchtverfrissers van het merk Smellmaster met een totaal gewicht van 7480 kilo.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 23 december 2015 (proces-verbaal terechtzitting 23 december 2015)

Ik heb het bedrijf van mijn vader op 1 april 2015 overgenomen. Dat was een growshop.

Ik was mij er van bewust dat op 1 maart 2015 die nieuwe growshopwet in werking was getreden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de in de bedrijfspanden aangetroffen goederen, stoffen en gegevens een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet en of verdachte van die strafbare bestemming wetenschap heeft gehad, dan wel ernstige redenen had om dat te vermoeden, en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft de in de tenlastelegging genoemde goederen in zijn bedrijfspanden voorhanden gehad en te koop aangeboden. De officier van justitie meent voorts dat, gelet op de hoeveelheid, de combinatie en het technische karakter van de diverse voorhanden zijnde en te koop aangeboden goederen, het niet anders kan zijn dan dat die goederen bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet. Niet is gebleken dat verdachte, zoals deze ter terechtzitting heeft verklaard, van plan was de goederen weg te gooien. De officier van justitie komt voorts tot de conclusie dat verdachte heeft geweten dat de door hem aangeboden goederen dienden ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale hennepteelt, zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor de professionele bedrijfsmatige hennepteelt. Voor een veroordeling op basis van artikel 11A van de Opiumwet is vereist dat verdachte de goederen ter beschikking heeft gesteld. Daarvan is niet gebleken. Uit de administratie blijkt niet van grote transacties en van een zwarte administratie is evenmin gebleken. De winkel op [straat 1] betrof een ingekrompen growshop die binnen de grenzen van de wet viel en de opslag op de [straat 2] was gesloten.

Het oordeel van de rechtbank

De parlementaire stukken.

Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3) blijkt dat het op

1 maart 2015 in werking getreden nieuwe artikel l1a van de Opiumwet tot doel heeft om de

bestrijding van de illegale hennepteelt te intensiveren en te optimaliseren. Bij de aanpak van

illegale hennepteelt is het het kabinet steeds duidelijker geworden dat het enkele optreden tegen de hennepkwekerijen en tegen de bij de teelt direct betrokkenen niet toereikend is voor een daadwerkelijke terugdringing van de illegale hennepteelt. Daarom wordt het noodzakelijk geacht om ook op te treden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale teelt, in het bijzonder die activiteiten die strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.

De rechtbank heeft ten behoeve van de beoordeling in de onderhavige zaak in het bijzonder de volgende citaten uit deze Memorie van Toelichting en overige kamerstukken meegewogen:

“Bij de huidige wijze van functioneren van growshops zal er snel voldoende bewijs zijn voor het bestaan van de wetenschap bij de growshophouder of -medewerker. Immers, growshops e.d. bestaan bij de gratie van de illegale hennepteelt, hetgeen alleen al uit de door hen gekozen openbaarmakingen duidelijk blijkt. Verder worden het assortiment en de geboden informatie en expertise opzettelijk aangeboden met één doel: de hennepteelt. In dit verband kan worden gewezen op producten als de koolstoffilter die specifiek wordt ingezet en aangeboden voor de hennepteelt.” (Memorie van Toelichting, kamerstukken 11, 2010/11, 32 842, nr. 3, pagina 8).

“Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht. Bij de producten die door een growshop verkocht worden, is er doorgaans geen sprake van twijfel over de bestemming ervan”. (Nota naar aanleiding van het verslag, kamerstukken 11, 2010/11, 32 842, nr 6, pagina 3).

“Ook teelt van vijf planten of minder kan worden aangemerkt als beroeps- of bedrijfsmatige

teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in een bijlage van de Aanwijzing, is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.” (Idem, pagina 3 en 4)

“Het gaat erom dat voorwerpen, of zo u wilt legale producten, ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan.” (Brief van minister van Veiligheid en Justitie, kamerstukken 11, 2010/11, 32 842, nr. 6, pagina 6).

“De gekozen formulering zorgt er in dit verband juist voor dat niet het subjectieve oordeel

(vermogen) van de verdachte bepalend is, maar dat het een objectiveerbare situatie betreft.

Met andere woorden een situatie, waarin de betrokkene als gewoon denkend mens niet anders had kunnen doen dan moeten vermoeden dat hij voorbereidingsmiddelen ter beschikking stelde om bepaalde Opiumwetdelicten te plegen. Hieruit volgt tevens dat er geen sprake van een onderzoeksplicht (is).” (Idem, pagina 7).

“Bij strafbare voorbereidingshandelingen moet er steeds sprake zijn van zowel de criminele

intentie van de dader als de daaruit voortvloeiende handeling. De werking van deze

bestanddelen is flexibel en valt het beste te vergelijken met die van communicerende vaten. Zo zal, indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt, de criminele intentie nagenoeg geheel kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling. Bij de verkoop in een growshop, waarbij alleen al uit het aanbod, de benaming van voorwerpen en/of uit de handleiding of gebruiksaanwijzing daarvan blijkt dat het bestemd is voor illegale hennepteelt, behoeft de criminele intentie van de verkoper nauwelijks nader bewijs.” (Memorie van antwoord Eerste Kamer, kamerstukken 1, 2012/13, 32 842, B, pagina 8).

Uit het voorgaande blijkt naar oordeel van de rechtbank dat het er bij de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet om gaat dat voorwerpen ter beschikking worden gesteld, terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen strafbare handelingen (overtreding van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet) worden begaan. De keuze voor deze formulering brengt met zich mee dat het gaat om een objectiveerbare situatie en dat niet het subjectieve oordeelsvermogen van de verdachte bepalend is.

De beoordeling

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het bedrijf van zijn vader, [handelsonderneming] , dat gevestigd zat op [straat 1] en [straat 2] , op 1 april 2015 heeft overgenomen. Het bedrijf van zijn vader betrof een growshop. Verdachte verkocht voorheen plantenvoeding aan het bedrijf van zijn vader, waarvan hij wist dat dit voor de hennepteelt werd gebruikt. Verdachte wilde het bedrijf als winkel voor benodigdheden voor interieurplanten voortzetten. Toen hij het bedrijf overnam, heeft hij een deel van de voorraad overgebracht naar de [straat 2] . Deze locatie was dicht en daar werden geen klanten meer ontvangen, deze werden doorverwezen naar de winkel op [straat 1] . Verdachte heeft ook ter terechtzitting verklaard dat hij meerdere goederen, zoals de plantenpotten, koppelstukken en slangen, de assimilatielampen, koolstoffilters en kachels wilde weggooien of retourneren naar de leverancier, maar daar nog geen tijd voor had gehad. Verdachte heeft verder verklaard dat hij op de hoogte was van de nieuwe growshopwet per 1 maart 2015.

De omstandigheden

Zoals reeds is genoemd, dient bij de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet onder andere gekeken te worden naar de omstandigheden waaronder de voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen.

Op 26 mei 2015 werd het bedrijf van verdachte aan een controle onderworpen. Bij het betreden van de winkel (pand aan [straat 1] ) werden goederen en producten aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor de bedrijfsmatige hennepteelt. In het pand aan de [straat 2] werden eveneens goederen en producten aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor de bedrijfsmatige hennepteelt. De verklaring van verdachte dat het hier ( [straat 2] ) een opslag betrof waar geen klanten meer werden ontvangen, acht de rechtbank op grond van de volgende omstandigheden onaannemelijk. De inrichting van de ruimte aan de [straat 2] had onmiskenbaar het karakter van een growshop, in plaats van een opslag, gelet op de inrichting van de ruimte en de wijze waarop de producten en goederen waren uitgestald. In het pand aan de [straat 2] bevond zich een balie, was foldermateriaal aanwezig en waren de goederen en producten per productgroep gesorteerd en uitgestald in rekken, stellages of op pallets (foto’s op p. 146 tot en met 148, op p. 150, op p. 168, op p. 173 en 178). Deze uitstalling laat geen andere conclusie dan dat de goederen en producten bestemd waren voor de verkoop. Achter de ruit van het pand aan de [straat 2] (zie foto op. p. 297) was een bord geplaatst met de tekst: “Bij afwezigheid kunt u terecht: by absence you are welcome at: Beim Abwesentheit sind Sie wilkommen beim: [handelsonderneming] Deze tekst impliceert geen permanente sluiting, zoals verdachte heeft verklaard, maar impliceert dat er ook momenten zijn dat er wel iemand aanwezig is en klanten dan daar welkom zijn.

Ook de verklaring van verdachte dat hij de goederen en producten wilde weggooien of retourneren, maar daarvoor nog geen tijd had gehad, acht de rechtbank gezien het tijdsverloop tussen de inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet en de controle door de [betrokken gemeente] onaannemelijk.

Gelet op deze omstandigheden en het feit dat verdachte de huurder was van beide locaties, trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte zijn klanten vanuit beide locaties bediende.

Wetenschap of redelijk vermoeden?

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn panden aanwezige stoffen en voorwerpen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat, gelet op verdachtes verklaring bij de politie en ter terechtzitting, hij op de hoogte was van de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet.

De verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat het bedrijf van zijn vader een growshop was. Deze growshop werd in beide panden geëxploiteerd. Verdachte leverde plantenvoeding waarvan hij wist dat deze bestemd was voor de hennepteelt aan het bedrijf van zijn vader. Verdachte mag derhalve bekend worden verondersteld met de bestemming van de aldaar verkochte goederen en producten, te weten de grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt. Gelet op de verklaring van de verdediging ter terechtzitting dat verdachte het bedrijf van zijn vader inclusief de voorraad heeft overgenomen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat de in zijn panden aanwezige stoffen en voorwerpen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

Voor een bewezenverklaring is het overigens niet noodzakelijk dat er transacties uit de administratie blijken, zelfs niet dat blijkt dat transacties daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

De conclusie.

Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte in de periode van 1 april 2015 tot en met 26 mei 2015 in de panden, gelegen aan [straat 1] en [straat 2] te [plaats misdrijf] , grote hoeveelheden stoffen en voorwerpen te koop heeft aangeboden en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen dat er sprake is van medeplegen. De daarvoor vereiste bewuste en nauwe samenwerking is niet komen vast te staan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 1 april 2015 tot en met 26 mei 2015 te [plaats misdrijf] (in panden aan de [straat 1] en aan de [straat 2] ) stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens, te weten:

( [straat 1] )

-25 tijdschakelaars en

-2 kachels en

-4 luchtbevochtigers en

-7 thermometers en

-8 knipscharen en

-een weegschaal en

-een ventilator en

-meerdere plantenbakken en

-8 verwarmingselementen en

( [straat 2] )

-95 armaturen en

-416 assimilatielampen en

-3 elektriciteitssnoeren en

-5 schakelborden en

-13 tijdschakelaars en

-38 transformators en

-3 transformator regelaars en

-14 koolstoffilters) en

-6 slakkenhuizen (inbouwventilatoren) en

-68 ventilatoren en

-6 temperatuur ventilatieregelaars en

-15 dompelpompen en

-2 watervatvullers en

-10 hydro-Ph/ec meters en

-3 weegschalen en

-22 verwarmingselementen en

-26 droogrekken en

-4 (volle) dozen met droogrekken en

-meerdere (zwarte) strijkzakken en

-32 dozen met ijzeren koppelstukken en

-14 pallets spuitbussen, althans luchtverfrissers,

alsmede tijdschriften en folders betreffende informatie met betrekking tot hennepzaken,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

heeft te koop aangeboden en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die stoffen en voorwerpen en gegevens bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een geldboete van 10.000,-- euro, subsidiair 85 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie betrekt daarbij dat illegale hennepteelt door zijn omvang en professionaliteit een reëel veiligheidsrisico oplevert voor de samenleving. Daartegen moet doortastend en effectief worden opgetreden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn draagkracht.

Verdachte heeft stoffen, voorwerpen en gegevens, die bestemd zijn voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, voorhanden gehad en te koop aangeboden. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom

door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Verdachte heeft met zijn handelen een rol gehad in de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt en daarbij kennelijk slechts zijn eigen geldelijk gewin voorop gesteld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte

niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat een geldboete en een gevangenisstraf passend en geboden is.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Deze straf is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijk signaal voor verdachte en anderen om af te zien van het handelen in strijd met het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet.

Beslag.De officier van justitie heeft gevorderd de in de tenlastelegging genoemde goederen die in beslag genomen zijn verbeurd te verklaren.

De verdediging heeft, blijkens een schrijven van de raadsman d.d. 28 december 2015, teruggave verzocht de door verdachte ter terechtzitting van 23 december 2015 overgelegde en aan dit vonnis gehechte lijst van goederen.

Van de overige inbeslaggenomen goederen heeft verdachte afstand gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader aan te duiden inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden. De rechtbank ziet geen termen voor de verzochte teruggave van goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikel 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 33, 33a

Opiumwet artikel 11a.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Stoffen en/of voorwerpen te koop aanbieden en/of gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en bijkomende straf.

- een geldboete van EUR 10.000,00 subsidiair 85 dagen hechtenis.

- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van 2 jaren.

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 ventilator (2015115096-39), 32 ijzeren koppelstukken, 14 pallets spuitbussen en 1 ventilator (2015115096-37), alsmede de goederen zoals opgenomen in de aan dit vonnis gehechte bijlage 1 inbeslaggenomen goederen en bijlage 2 inbeslaggenomen goederen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken op 19 januari 2016.

Mr. Rijlaarsdam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.