Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:15

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-01-2016
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
C/01/284463 / HA ZA 14-738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoire handelszaak. Opzegging franchiseovereenkomsten. De supermarktketen Jumbo heeft de al jarenlang bestaande franchiserelatie met vier franchisenemers (vier supermarkten die feitelijk worden bestuurd door twee ondernemers) opgezegd vanwege een drietal incidenten. Jumbo beoogt met deze procedure onder meer te bewerkstelligen dat de supermarktexploitaties aan haar worden overgedragen. De franchisenemers betwisten onder meer de rechtsgeldigheid van de opzeggingen.

De rechtbank stelt vast dat de franchisenemers met de drie incidenten zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomsten. Gezien de ruime beëindigingsregeling in de franchiseovereenkomst, die inhoudt dat elke tekortkoming van de franchisenemer kan leiden tot een rechtsgeldige opzegging door de franchisegever, was Jumbo bevoegd tot opzegging. Ondanks de niet te miskennen ernstige gevolgen van de beëindiging van de franchiserelatie voor de franchisenemers acht de rechtbank de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het beroep van de franchisenemers op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt derhalve niet.

De rechtbank bepaalt dat het vonnis slechts uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard ten aanzien van de twee supermarkten waarvoor de looptijd van de franchiseovereenkomst binnen afzienbare tijd hoe dan ook zou zijn verstreken.

In reconventie hebben de franchisenemers vorderingen ingesteld in verband met de herindeling van hun exclusieve verzorgingsgebieden door Jumbo na de overname door Jumbo van C1000 en de ombouw van C1000 supermarkten naar de Jumbo formule in hun verzorgingsgebied.

De rechtbank oordeelt dat Jumbo op grond van de franchiseovereenkomsten bevoegd was tot deze herindeling en ook van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt ook hier niet. Op grond van de franchiseovereenkomst hadden de franchisenemers echter wel het eerste recht de exploitaties van de om te bouwen C1000 supermarkten in hun verzorgingsgebieden ter hand te nemen, tenzij Jumbo gehouden was deze exploitaties met de bestaande (C1000-)exploitanten voort te zetten. De rechtbank constateert dat ten aanzien van één omgebouwde supermarkt niet vast staat dat Jumbo gehouden was de exploitatie daarvan voort te zetten met de zoon van de voormalig (C1000-)exploitant, zoals Jumbo heeft gedaan. Jumbo wordt in dit verband bewijs opgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/284463 / HA ZA 14-738

Vonnis van 6 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUMBO SUPERMARKTEN B.V.,

gevestigd te Veghel,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. drs. T.S. Jansen te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[JS Luyksgestel] ,

gevestigd te Luyksgestel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[JS Bladel] ,

gevestigd te Bladel,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[JS Geldrop] ,

gevestigd te Geldrop,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[JS Valkenswaard]

,

gevestigd te Valkenswaard,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats 1] ,

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. F.W.H. Weelen te Eindhoven.

Partijen zullen hierna respectievelijk “Jumbo”, “JS Luyksgestel”, “JS Bladel”, JS Geldrop”, “JS Valkenswaard”, “ [gedaagde sub 5] ” en “ [gedaagde sub 6] ” worden genoemd. Gezamenlijk zullen gedaagden in conventie “ [gedaagden in conventie] ” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident en in de hoofdzaak van 4 maart 2005,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van gehouden op 28 september 2015, en van voortgezette comparitie gehouden op 2 oktober 2015.

1.2.

In verband met grote werkvoorraden bij de rechtbank en de bewerkelijkheid van deze zaak heeft de rechtbank het vonnis niet op de gebruikelijke termijn van zes weken bepaald, maar op een termijn van dertien weken, te weten op 6 januari 2016.

2 De feiten

Bij de beoordeling van deze zaak in conventie en in reconventie zal de rechtbank onder meer uitgaan van de volgende vaststaande feiten.

Samenwerking

2.1.

Jumbo is met de door haar ontwikkelde Jumbo supermarktformule actief op het gebied van detailhandel in dagelijkse consumptiegoederen.

2.2.

De ouders van [gedaagde sub 5 en 6] hebben sinds 1978 als franchisenemers met (rechtsvoorgangers van) Jumbo samengewerkt. Na het terugtreden van de ouders zijn hun zonen in de zaak gekomen. Inmiddels exploiteren de broers via de holding maatschappij [BV] en hun vennootschappen JS Luyksgestel, JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard als franchisenemers vier supermarkten volgens de Jumbo formule in respectievelijk Luyksgestel, Bladel, Geldrop en Valkenswaard. Tot de [BV] behoort ook de vleesleverancier [naam 1]

2.3.

Het vestigingspunt waarin sinds juni 1993 de supermarkt van JS Luyksgestel wordt gedreven is eigendom van JS Luyksgestel, althans van een met haar verbonden (rechts)persoon. De vestigingspunten van de andere drie supermarkten heeft Jumbo krachtens (onder)huur aan respectievelijk JS Valkenswaard, JS Geldrop en JS Bladel ter beschikking gesteld. Dat geldt voor het vestigingspunt in Valkenswaard sinds 1 februari 2004, in Geldrop sinds 1 juli 2007 en in Bladel sinds 16 januari 2012.

2.4.

[gedaagde sub 5 en 6] acteren in verschillende werkgroepen van de franchiseorganisatie. [gedaagde sub 5] zit bovendien sinds mei 2011 in het bestuur van de Ondernemersvereniging Jumbo (OVJ).

Franchiseovereenkomsten

2.5.

In 2011 is door vertegenwoordigers van Jumbo en van de OVJ, versterkt met externe financieel en juridisch adviseurs, in kernteams onderhandeld over een nieuwe set contractdocumentatie voor de Jumbo Formule, waaronder een franchiseovereenkomst (FO) met bijlagen, het Conditiestelsel en het Handboek Jumbo Formule (HJF). Het resultaat is voorgelegd aan het bestuur van Jumbo en het bestuur van de OVJ die, bijgestaan door hun eigen jurist, de definitieve FO met bijlagen hebben uitonderhandeld en vastgesteld. De FO is ook getoetst door de Nederlandse Franchise Vereniging. Op 6 juni 2011 is de FO met bijlagen gepresenteerd aan een groep adviseurs van Jumbo franchisenemers. Ook de (financieel) adviseur van [gedaagden in conventie] was daarbij aanwezig. De aldus vastgestelde FO is door Jumbo vervolgens ingebracht in de individuele relaties met franchisenemers.

2.6.

Ten aanzien van [gedaagden in conventie] is dit gebeurd in 2012. Partijen hebben toen hun rechtsverhouding neergelegd in vier afzonderlijke FO’s die Jumbo met de exploiterende vennootschappen heeft gesloten (prod.1 t/m 4 van Jumbo). De tekst van die FO’s was gelijkluidend aan de centraal vastgestelde tekst. In aansluiting op de FO werd met elke vennootschap afzonderlijk een Afsprakenbrief opgesteld. Daarin was ruimte voor individuele afspraken.

2.7.

In de FO’s is onder meer het volgende bepaald.


Artikel 1 Definities, Bijlagen, Handboeken, Convenant en Conditiestelsel

(…)

1.2

Alle Bijlagen, het handboek Jumbo Formule, het Handboek Supply Chain, de Afsprakenbrief (…) vormen een integraal en onlosmakelijk deel van de Overeenkomst.

(…)

1.6

De Afsprakenbrief bevat afspraken tussen Franchisegever en Franchisenemer in het kader van een overgangsregeling en/of overeenkomsten/toezeggingen uit het verleden en/of een specifieke individuele regeling, welke afspraken kunnen afwijken van en/of aanvulling zijn op de bepalingen zoals opgenomen in de Overeenkomst (…). Indien de afspraken zoals vastgelegd in de Afsprakenbrief afwijken van de afspraken, zoals vastgelegd in de overeenkomst (…), hebben de afspraken zoals vastgelegd in de Afsprakenbrief voorrang. (…)

Een tekortkoming in de nakoming van verplichtingen zoals opgenomen in de Afsprakenbrief wordt aangemerkt als een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de Overeenkomst. Een kopie van de Afsprakenbrief is (…) aan de Overeenkomst gehecht.

(…)


Artikel 4 Vestigingspunt en Verzorgingsgebied

4.1

De rechten welke aan Franchisenemer worden verleend zullen Franchisenemer in staat stellen een Jumbo Supermarkt te exploiteren enkel en alleen vanuit het vestigingspunt zoals benoemd in de aanhef van deze overeenkomst, welk Vestigingspunt is gelegen binnen het exclusieve Verzorgingsgebied (…).
(…)

4.5

Franchisegever verbindt zich jegens Franchisenemer, zonder afbreuk te doen aan het bepaalde in artikel 4.6 van de Overeenkomst, gedurende de looptijd van de Overeenkomst geen Filialen onder de Jumbo Formule te zullen vestigen in het Verzorgingsgebied en evenmin derden, waaronder begrepen bestaande franchisenemers van de Jumbo Formule, toe te staan in het Verzorgingsgebied van Franchisenemer een Jumbo Supermarkt te exploiteren met gebruikmaking van de Jumbo Formule.

4.6

Franchisegever behoudt uitdrukkelijk de bevoegdheid om tot herindeling van het verzorgingsgebied over te gaan indien tussentijdse herziening daarvan gewenst is, omdat
(…)
c) Franchisegever als gevolg van een fusie of overname een supermarkt verwerft die is gelegen in het Verzorgingsgebied.

4.7

Indien Franchisegever voornemens is tot een herindeling van het Verzorgingsgebied over te gaan, zal Franchisegever Franchisenemer schriftelijk van dit voornemen op de hoogte stellen en zal door Partijen in alle redelijkheid naar een passende oplossing worden gezocht. Uitgangspunt zal hierbij zijn dat Franchisenemer een eerste recht krijgt om onder de alsdan geldende voorwaarden van Franchisegever de exploitatie van de Jumbo Supermarkt in zijn Verzorgingsgebied ter hand te nemen. Indien Franchisenemer geen gebruik wenst te maken van dit recht òf van Franchisegever in alle redelijkheid niet gevergd kan worden dat de betreffende Jumbo Supermarkt aan Franchisenemer wordt aangeboden, zal als uitgangspunt gelden dat Franchisenemer voor wat betreft de omvang van zijn verzorgingsgebied, uitgedrukt in het aantal huishoudens, niet in een nadeliger positie zal komen te verkeren dan de positie van de Franchisenemer ten tijde van het aangaan van de Overeenkomst. Van Franchisegever kan in alle redelijkheid niet gevergd worden dat de betreffende Jumbo Supermarkt aan Franchisenemer wordt aangeboden indien:

a) (…) of

b) Franchisegever als gevolg van een fusie of overname als bedoeld in artikel 4.6 sub c van de Overeenkomst een supermarkt verwerft in het Verzorgingsgebied, waarbij Franchisegever gehouden is de exploitatie van deze supermarkt met de bestaande exploitant van de betreffende supermarkt voort te zetten.

(…)

4.8

Indien een omstandigheid als bedoeld in artikel 4.7 sub b van de Overeenkomst zich voordoet, zal Franchisegever zich maximaal inspannen om eventuele negatieve gevolgen voor Franchisenemer weg te nemen of tenminste te beperken. Uitgangspunt zal zijn dat binnen een Verzorgingsgebied slechts één Franchisenemer gevestigd zal zijn, hetgeen door Franchisegever bewerkstelligd kan worden door in een dergelijke situatie (de onderneming van) één van de twee Franchisenemers te verplaatsen naar een ander Verzorgingsgebied of met instemming van de betreffende Franchisenemer diens onderneming over te dragen aan een derde.

4.9

Teneinde dit beoogde doel te bereiken zal Franchisegever zich allereerst inspannen om te bewerkstelligen dat de franchisenemer die als gevolg van de fusie of overname in het Verzorgingsgebied van Franchisenemer is gevestigd of gevestigd zal worden, medewerking zal verlenen aan een verplaatsing (van zijn onderneming) naar een ander Verzorgingsgebied of zijn onderneming zal verkopen aan Franchisegever of een door Franchisegever aan te wijzen derde.

4.10

Indien Franchisegever er niet in slaagt te bewerkstelligen dat de hiervoor genoemde franchisenemer zijn medewerking verleent of dient te verlenen aan een verplaatsing (van zijn onderneming) naar een ander Verzorgingsgebied of overdracht (van zijn onderneming) aan Franchisegever of een derde, zal Franchisegever zich inspannen om te bewerkstelligen dat Franchisenemer op een zo kort mogelijke termijn een Jumbo Supermarkt kan verwerven in een ander Verzorgingsgebied.

4.11.

Indien Franchisenemer geen medewerking wenst te verlenen aan een verplaatsing (van zijn onderneming) naar een ander Verzorgingsgebied of Franchisegever er ondanks zijn inspanningsverplichting niet in slaagt om Franchisenemer binnen redelijke termijn een acceptabel Verzorgingsgebied aan te bieden, heeft Franchisenemer het recht om onder gebruikmaking van hetgeen is opgenomen in artikel 4.12 van de Overeenkomst de Overeenkomst tussentijds te beëindigen en zijn onderneming aan Franchisegever over te dragen.

4.12

Indien de in artikel 4.6 van de Overeenkomst bedoelde herindeling van het Verzorgingsgebied structureel het rendement van de onderneming van Franchisenemer substantieel aantast, zullen Franchisenemer en Franchisegever in overleg treden teneinde te onderzoeken of door het nemen van bijzondere maatregelen alsnog de hiervoor genoemde effecten binnen een zo kort mogelijke termijn kunnen worden geminimaliseerd. (…)

4.13

Indien Franchisegever op grond van artikel 4.6 van de Overeenkomst overgaat tot een herindeling van het verzorgingsgebied, kan Franchisenemer jegens Franchisegever en of derden geen rechten ontlenen aan de exclusiviteit zoals opgenomen in artikel 4.5 van de Overeenkomst en is Franchisegever niet schadeplichtig jegens Franchisenemer. Indien Franchisegever door de in artikel 4.9 van de Overeenkomst genoemde franchisenemer op goede gronden wordt aangesproken inzake een overtreding door Franchisegever van de met de betreffende franchisenemer overeengekomen exclusieve rechten inzake diens Verzorgingsgebied, heeft Franchisegever, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder artikel 4.9 t/m 4.11 van de Overeenkomst opgenomen, het recht de Overeenkomst tussentijds te beëindigen. Franchisegever dient hierbij in samenspraak met Franchisenemer een redelijke opzegtermijn in acht te nemen, welke opzegtermijn ten minste 3 (drie) maanden zal zijn. In geval van beëindiging van de Overeenkomst op grond van dit artikel is Franchisegever niet schadeplichtig jegens Franchisenemer en geldt voor de Franchisenemer/ gebonden ondernemer de aanbiedingsverplichting van artikel 29 van de Overeenkomst, alsmede de Goodwill-berekening van Bijlage 8. Bij de Goodwill-berekening conform Bijlage 8 zal Franchisegever ervoor zorg dragen dat Franchisenemer geen financieel nadeel ondervindt van de eventuele teruglopende (toekomstige) resultaten als gevolg van de herindeling van het Verzorgingsgebied.
(…)

Artikel 7 Exploitatie

7.1

Franchisenemer is gedurende de duur van de Overeenkomst verplicht de Jumbo Supermarkt te exploiteren, met gebruikmaking van de Jumbo Formule. Franchisenemer zal alle in redelijkheid door Franchisegever ter zake tijdig verstrekte en redelijke instructie opvolgen, waaronder de voorschriften en nadere afspraken zoals opgenomen in de alsdan geldende versie van het Handboek Jumbo Formule, Het Handboek Supply Chain en het Conditiestelsel.

7.2

Franchisenemer is verplicht zijn Jumbo Supermarkt steeds op zodanige wijze te exploiteren en op zodanige wijze te handelen dat wordt gestreefd naar omzetmaximalisatie en optimalisatie van zijn bedrijfsvoering en dat aan de goede naam en reputatie van Franchisegever van de Jumbo Formule geen afbreuk wordt gedaan.

7.3

Franchisenemer is verplicht te voldoen aan alle voor de exploitatie van de Jumbo Supermarkt relevante en toepasselijke wettelijke voorschriften, waaronder begrepen doch niet beperkt tot de voorschriften neergelegd in de Warenwet (…).

(…)

Artikel 10 Assortiment, Schappenplan en Voorraad

(…)

10.5

Ingeval Franchisenemer Producten in zijn assortiment wenst op te nemen die niet zijn opgenomen in de Centrale Assortiment Database, dient Franchisenemer de betreffende Producten op te nemen in de Lokale Assortiment Database. (…)

(…)


Artikel 12 Inkoop en prijzen

12.1

Franchisegever is verplicht om tenminste het in het alsdan geldende Conditiestelsel vastgelegde percentage van de jaarlijks door hem voor de Jumbo Supermarkt ingekochte Producten in te kopen bij of via Franchisegever, waarbij de eigen Merkproducten en de Aan Bederf Onderhevige Producten een aparte status genieten.

(…)


Artikel 18 Emballage

18.1

Franchisegever geeft voor het vervoer en de opslag van door haar geleverde Producten ladingdragers (standaard fusten, rolcontainers, pallets e.d.) in bruikleen aan Franchisenemer. Franchisegever heeft het recht hiervoor statiegeld in rekening te (laten) brengen bij Franchisenemer.

18.2

Op emballage is het Handboek Supply Chain van toepassing. Franchisenemer zal ten aanzien van emballage (waaronder leeggoed) handelen conform het bepaalde in het Handboek Supply Chain.

(…)


Artikel 23 Inkoop bij derden

23.1

Indien Franchisenemer Producten waarvoor de in artikel 12.1 van de Overeenkomst opgenomen afnameverplichting niet geldt, bij een derde wenst in te kopen, geldt onverkort dat deze Producten dienen te voldoen aan wettelijke kwaliteitsvoorschriften, de CBL (centraal bureau levensmiddelenhandel0-HACCP-code en de door Franchisegever gehanteerde kwaliteitscriteria, waaronder mede begrepen door Franchisegever met bevoegde overheidsorganen en/of brancheorganisaties afgesloten (en tijdig aan Franchisenemer medegedeelde) convenanten. Franchisenemer moet desgevraagd deugdelijk kunnen aantonen dat de Producten aan voormelde kwaliteitseisen voldoen.

23.2

Franchisenemer dient de Producten welke hij bij derden inkoopt in te voeren in de Lokale Assortiment Database.

(…)

23.5

Franchisenemer is volledig verantwoordelijk voor retourstromen van door derden aan Franchisenemer geleverde Producten en emballage, en dient ter zake zelf een regeling te treffen. Franchisegever is niet verplicht retouren en emballage van bij derden afgenomen Producten in ontvangst te nemen.

(…)

Artikel 24 Promotieactiviteiten en Publiciteit

(…)

24.3.

Iedere eigen Promotieactiviteit en/of eigen Publiciteit van Franchisenemer dient zich te beperken tot het Verzorgingsgebied. Indien bij een bepaalde Promotieactiviteit en/of eigen Publiciteit wordt afgeweken van de door de Franchisegever gehanteerde Jumbo-uitingen (waaronder begrepen doch niet beperkt tot het gebruikte lettertype, kleurstelling, lay-out et cetera), dient de betreffende Promotieactiviteit en/ of eigen Publiciteit steeds vooraf ter schriftelijke goedkeuring te worden voorgelegd aan Franchisegever. (…)
(…)

Artikel 26 Tussentijdse beëindiging

26.1

Franchisegever is, onverminderd eventuele overige beëindigingsgronden die uit de Overeenkomst en/ of de wet voortvloeien, gerechtigd de overeenkomst, zonder rechterlijke tussenkomst, bij aangetekend schrijven met onmiddellijke ingang tussentijds op te zeggen of te ontbinden indien:

(…)

c. Franchisenemer door zijn bewuste handelen of nalaten de goede naam en/of reputatie van Franchisegever schaadt en/ of Franchisenemer zich ervan bewust had moeten zijn de goede naam en/ of reputatie van Franchisegever te schaden;

(…)

g. Franchisenemer ondanks herhaalde schriftelijke waarschuwingen tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen inzake de kwaliteitsbewaking en/ of hygiënebewaking van zijn Jumbo Supermarkt en/ of dermate ernstig tekortschiet op dit punt dat de continuïteit van de Jumbo Formule concreet in gevaar wordt gebracht.

h. Franchisenemer, ondanks de in artikel 26.2 van de Overeenkomst bedoelde sommatie, tekortschiet in de nakoming van enige verplichting voortvloeiende uit de overeenkomst, de huurovereenkomst en de Afsprakenbrief.

26.2.

De in het kader van artikel 26.1 sub h van de Overeenkomst in acht te nemen sommatietermijn bedraagt veertien dagen, tenzij uit de aard van de tekortkoming een kortere redelijke termijn voortvloeit, in welk geval een kortere termijn geldt.

26.3.

Het recht van Franchisegever de Overeenkomst tussentijds op te zeggen of te ontbinden als bedoeld in dit artikel, laat onverlet alle overige rechten van Franchisegever, waaronder het recht volledige vergoeding van de door Franchisegever geleden schade respectievelijk nakoming van de overeenkomst te vorderen.

(…)


Artikel 27 Gevolgen van beëindiging

27.1.

Met de beëindiging c.q. ontbinding van de Overeenkomst tussen Partijen - al dan niet tussentijds - komt er, ongeacht de directe grond tot beëindiging c.q. ontbinding, een einde aan het recht tot gebruik van de Jumbo Formule en alle daarmee samenhangende intellectuele eigendomsrechten.

27.2.

Franchisenemer is verplicht bij beëindiging van de Overeenkomst het gebruik van handelsnaam, merken, modellen, en alle overige voor de Jumbo Formule kenmerkende elementen onmiddellijk te staken en gestaakt te houden. Alsmede zorg te dragen tot wijziging danwel beëindiging van de inschrijving dienaangaande in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en voortaan alles te vermijden wat de indruk zou kunnen wekken dat Franchisenemer nog tot uitoefening van de Jumbo Supermarkt of tot gebruik van de daaraan verbonden naam, het beeldmerk en andere kenmerken gerechtigd zou zijn.

(…)

Artikel 29 Aanbiedingsverplichting (geldt niet voor vrije ondernemers)

29.1

Indien gedurende de looptijd van de Overeenkomst:

(…)

d. de Overeenkomst tussen Franchisegever en Franchisenemer/gebonden ondernemer op één van de in artikel 26 van de overeenkomst genoemde gronden wordt beëindigd;

zal Franchisenemer/gebonden ondernemer de Jumbo Supermarkt te koop aanbieden aan Franchisegever of een door Franchisegever aan te wijzen derde tegen een prijs die overeenkomt met de Goodwill Regeling ingevolge Bijlage 8 en onder afgifte van alle door Franchisegever gevraagde documenten en gegevens, zoals nader uitgewerkt in het Handboek Jumbo Formule.

(…)

29.24

De overeenkomst eindigt in geval van overdracht van de Jumbo Supermarkt conform het bepaalde in dit artikel, met ingang van de datum van overdracht.

(…)

29.26

Franchisenemer zal zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Franchisegever gedurende een periode van 2 (twee) jaar na de verkoop van de Jumbo Supermarkt aan Franchisegever in het Verzorgingsgebied geen onderneming die op enigerlei wijze concurrerend is met (de ondernemingsactiviteiten) van Franchisegever vestigen, exploiteren, of doen exploiteren, hetzij direct, hetzij indirect, noch in of voor een dergelijke onderneming op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstverband en al dan niet tegen een vergoeding, noch op enigerlei andere wijze direct of indirect bij een dergelijke onderneming betrokken zijn.

Artikel 34 Vereniging

34.1

Ter behartiging van de belangen van de franchisenemers van Franchisegever in hun relatie tot Franchisegever, is de Vereniging opgericht. Het lidmaatschap van de Vereniging staat uitsluitend open voor franchisenemers van Franchisegever. (…)

34.2

Gedurende de looptijd van de Overeenkomst dient Franchisenemer lid te zijn van de Vereniging.
(…)

Artikel 37 Geheimhouding en non-concurrentie

(…)

37.6

Franchisenemer zal ter bescherming van de gemeenschappelijke identiteit en reputatie van de Jumbo Formule zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Franchisegever gedurende de looptijd van de Overeenkomst geen onderneming die op enigerlei wijze concurrrerend is met de onderneming(-sactiviteiten) van Franchisegever vestigen, exploiteren, of doen exploiteren, hetzij direct, hetzij indirect, noch in of voor een dergelijke onderneming op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstverband en al dan niet tegen een vergoeding, noch op enigerlei andere wijze direct of indirect bij een dergelijke onderneming betrokken zijn of een dergelijke onderneming direct of indirect een belang geven in de Jumbo Supermarkt. Behoudens in het geval de Overeenkomst eindigt als gevolg een toerekenbare tekortkoming van Franchisegever, geldt deze verplichting voor de Franchisenemer/gebonden ondernemer tevens gedurende een periode van 1 (één) jaar na afloop van de Overeenkomst voor activiteiten van Franchisenemer op de locatie van het vestigingspunt.

(…)

Handboek Jumboformule

2.8.

Het Handboek Jumbo Formule (hierna: HJF) vormt ingevolge artikel 1.2 FO een integraal en onlosmakelijk deel van de FO.

2.9.

In het commerciële deel van het HJF staat ten aanzien van lokale marketing onder meer het volgende vermeld (prod.46 van Jumbo).

Werkwijze aanvraag lokale marketing

(…)

Iedere lokale marketing aanvraag dient vooraf door de winkel afgestemd te worden met de manager operations.

(…)

2.10.

In het commerciële deel van het HJF staat ten aanzien van deconcentratie onder

meer het volgende vermeld (prod.13 van Jumbo).
Deconcentratie

(…)

Etiket

Het is zeer nadrukkelijk verboden om op niet geconcentreerde producten op welke wijze dan ook de naam Jumbo te vermelden. Ook wanneer leveranties van niet geconcentreerde leveranciers worden toegelaten, bevatten deze producten nooit een Jumbo etiket. De franchisenemer zal daarom zelf zorg dragen voor een extra weegschaal / etiketteer machine en eigen etiketten. De prijscommunicatie aan het schap van deze vreemde producten wordt tevens door de franchisenemer zelf verzorg. Hierbij is het belangrijk dat de ingrediënten en prijzen van deze producten ook door de franchisenemer worden opgevoerd en onderhouden (…).

(…)

2.11.

In het operationele deel van het HJF staat hierover onder meer vermeld (prod.14 van Jumbo):

(…)

Binnen Jumbo Supermarkten B.V. is de mogelijkheid om een deel van het assortiment dat wordt verkocht in de Jumbo Supermarkt buiten het hoofdkantoor om zelf in te kopen, ook wel bijkoop genoemd. De inkoop van deze producten moet wettelijk gezien, maar daarnaast ook om imagoschade aan de gehele winkelformule te voorkomen, echter wel aan een aantal eisen voldoen. (…)

Warenwettelijke eisen

Uiteraard dienen bijgekochte producten te allen tijde aan de wettelijke eisen ten aanzien van voedselveiligheid te voldoen. Onder andere:

(…)

Let op het gebruik van de juiste PLU-codes

(…)

Afsprakenbrieven

2.12.

In overeenstemming met het bepaalde in artikel 1.6 FO heeft Jumbo in aanvulling op de FO’s afzonderlijk met JS Luyksgestel, JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard nadere afspraken gemaakt die zijn neergelegd in zogenaamde Afsprakenbrieven (prod.1 t/m 4 van Jumbo).
2.13. In de Afsprakenbrieven van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard is onder meer een specifieke formule opgenomen voor de bepaling van de koopsom voor de betreffende supermarktexploitatie in geval er sprake is van de aanbiedingsplicht door de franchisenemer als bedoeld in artikel 29 van de FO’s.

2.14.

In de Afsprakenbrieven is in verband met de regels voor orderconcentratie (ingevolge artikel 12.1 FO zijn franchisenemers gehouden 95% van hun producten van Jumbo af te nemen) bepaald dat voor de vaststelling van de hoogte van de orderconcentratie voor [gedaagden in conventie] een vrijstelling geldt voor vleesproducten die zij inkopen bij hun eigen vennootschap [naam 1] .

2.15.

In de Afsprakenbrieven is ook de looptijd van de samenwerking voor de verschillende vestigingspunten bepaald. Voor JS Luyksgestel is de looptijd bepaald tot 31 december 2022. Voor JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard is voor de looptijd van de samenwerking aangesloten bij de looptijd van de huurovereenkomsten met de door hen geëxploiteerde vestigingen. De looptijden voor de samenwerking eindigen voor hen op respectievelijk 30 september 2015, 30 juni 2017 en 31 januari 2019.

Overname van C1000

2.16.

Op 24 november 2011 werd bekend dat Jumbo de supermarktketen C1000 zou gaan overnemen. Uitgangspunt was toen dat beide formules naast elkaar zouden blijven bestaan. In februari 2012 vond de formele overname plaats en in april 2012 werd bekend dat was besloten één formule te gaan hanteren. Jumbo heeft sindsdien een groot deel van de C1000 -vestigingen opgenomen in de Jumbo formule.

2.17.

In september 2012 heeft Jumbo aan JS Bladel medegedeeld dat zij voornemens was de C1000 supermarkt in Hapert om te bouwen naar een Jumbo supermarkt. Hapert behoort tot het verzorgingsgebied van Bladel en in verband hiermee heeft Jumbo in een brief van 25 september 2012 aan JS Bladel, t.a.v. [gedaagde sub 5 en 6] het volgende bericht (prod.40 van Jumbo).

(…)

Middels dit schrijven delen wij u in hoedanigheid van franchisegever in verband met het bepaalde artikel 4.6 c) van de Franchiseovereenkomst mede dat Jumbo Supermarkten B.V. voornemens is een Jumbo Supermarkt te vestigen in Hapert. Als gevolg van hetgeen in artikel 4.7 b) is bepaald kunnen wij u deze vestiging niet ter exploitatie aanbieden omdat de gevestigde ondernemer de exploitatie wenst te continueren. Wij zullen met u in overleg treden over de vervolgstappen.

(…).

2.18.

In een brief van 7 november 2012 (prod.42 van Jumbo) heeft Jumbo aan [gedaagden in conventie] een voorstel gedaan om te komen tot een passende oplossing voor het eventuele omzetverlies door de opening van Jumbo Hapert. Jumbo heeft in die brief onder meer voorgesteld zich maximaal te zullen inspannen om de C1000 ondernemers in Aalst, Bergeijk en Eersel te bewegen hun winkelexploitaties te koop aan te bieden, in welk geval Jumbo deze als eerste aan [gedaagden in conventie] te koop zou aanbieden. Mocht het niet lukken [gedaagden in conventie] twee of drie van die exploitaties te laten verkrijgen, zo schreef Jumbo, dan zou Jumbo hen een winkel buiten hun verzorgingsgebied aanbieden. Jumbo stelde daarbij als voorwaarde dat [gedaagden in conventie] een voorstel moesten doen voor de afwikkeling van de schade die Jumbo had geleden door de inname van grote hoeveelheden emballage die door [gedaagden in conventie] was aangeboden. In de brief heeft Jumbo ook aangegeven in beginsel positief te staan tegenover het verzoek van [gedaagden in conventie] om een vestigingspunt in Leende, mits de relatie tussen partijen weer voldoende basis zou hebben. Jumbo nodigde [gedaagden in conventie] uit hierover verder te spreken.

2.19.

In een e-mailbericht van 21 november 2012 (prod.43 van Jumbo) hebben [gedaagde sub 5 en 6] aan Jumbo laten weten dat het er ondanks alle inspanningen van partijen niet op lijkt dat men er uit gaat komen, omdat Jumbo volhardt in haar onjuiste standpunt dat de opening van Jumbo winkels in hun marktgebieden beperkte consequenties heeft. In dit bericht geven zij uiting aan hun teleurstelling over de gang van zaken en vragen zij Jumbo onder welke condities en tegen welke vergoedingen zij de winkels in Bladel, Valkenswaard en Geldrop kunnen teruggeven aan Jumbo, en welke afkoopsom in rekening zal worden gebracht als Luyksgestel wordt losgekoppeld van Jumbo.

2.20.

Op 28 november 2012 is de voormalige C1000 supermarkt in Hapert geopend als franchisenemer van Jumbo.

2.21.

In een brief van 9 mei 2014 heeft Jumbo aan [gedaagden in conventie] laten weten dat de C1000 winkel in Aalst binnenkort zal worden omgebouwd naar de Jumbo-formule (prod.43 van [gedaagden in conventie] ). Op 3 juli 2014 heeft de opening van de Jumbo supermarkt in Aalst plaatsgevonden.

2.22.

In een brief van 12 september 2014 heeft Jumbo aan [gedaagden in conventie] laten weten dat de C1000 winkels in Eersel en Bergeijk binnenkort zullen worden omgebouwd naar de Jumbo-formule (prod.47 van [gedaagden in conventie] ). Op 3 december 2014 heeft de opening van de Jumbo supermarkt in Eersel plaatsgevonden en op 11 februari 2015 de opening van de Jumbo supermarkt in Bergeijk.

2.23.

Aalst, Eersel en Bergeijk behoren tot het gecombineerde verzorgingsgebied van JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard.

Prijzenoorlog Bladel - Hapert

2.24.

Per 14 januari 2012 heeft JS Bladel van Jumbo de franchise verworven voor de Jumbo-vestiging in Bladel. Daarvoor heeft JS Bladel € 875.000,-- aan Jumbo betaald. Tot het verzorgingsgebied van dit vestigingspunt behoort niet alleen Bladel, maar ook het naburige dorp Hapert. De FO tussen Jumbo en JS Bladel is op 14 augustus 2012 schriftelijk geformaliseerd.

2.25.

Zoals hiervoor vermeld hebben [gedaagden in conventie] in september 2012 van Jumbo vernomen dat in Hapert een Jumbo vestiging zal worden geopend.

2.26.

In hun eerdergenoemde e-mailbericht van 21 november 2012 (prod.43 van Jumbo) hebben [gedaagde sub 5 en 6] aan Jumbo laten weten:

“(…) Wij willen de omzetterugval [rechtbank: door de opening van de vestiging in Hapert] niet afwachten en zullen onze nieuwe collega’s met hand en tand gaan beconcurreren. Samen optrekken in deze zien wij, na de gesprekken met [naam 2] , helaas niet als optie. Hoe de buitenwereld hierop zal reageren is gissen.(…)”

2.27.

Jumbo heeft hierop gereageerd in een brief van 4 december 2012 (prod.44 van Jumbo) waarin zij onder meer schrijft:

“(…) Overigens is uw stelling dat u nieuwe Jumbo-exploitaties als gevolg van de overgang van C1000 “met hand en tand zal bestrijden” niet acceptabel. Een en ander dient te allen tijde gecoördineerd en ondersteund te worden door Lokale Marketing van Jumbo. Jumbo zal daartegen, indien nodig, direct optredend handelen.”

2.28.

Op 11 januari 2013 heeft JS Bladel in de [naam 4] (een huis-aan-huis weekblad in Hapert en Bladel) een prijsadvertentie geplaatst met de tekst “Jumbo Bladel is én blijft de goedkoopste supermarkt van de gemeente Bladel” met daaronder afgebeeld een kassabon van Jumbo Hapert en een kassabon van Jumbo Bladel (prod.39 van Jumbo). JS Bladel heeft hierover vooraf geen contact gehad met Jumbo.

2.29.

Op 14 januari 2013 heeft [gedaagde sub 5] blijkens een artikel onder de kop “Prijsbotsing Jumbo’s in de Kempen” tegenover DistriFood het volgende verklaard (prod.48 van Jumbo):

“Sinds [naam 3] in Hapert zijn C1000 heeft omgebouwd naar Jumbo, ben ik omzet kwijtgeraakt. Daar heb ik geen zin in. En als ik alleen nog maar tegen Jumbo kan concurreren, dan moet ik het op prijs doen. Het is niet anders.”

2.30.

In een brief van 14 januari 2013 aan [gedaagde sub 5 en 6] heeft Jumbo het volgende geschreven (prod.45 van Jumbo):

“Wij hebben moeten constateren dat u door middel van een advertentie in de [naam 4] direct de confrontatie met de collega Jumbo Franchisenemer te Hapert aangaat, door het vergelijken van kassabonnen.

Deze wijze van adverteren is in het licht van de Jumbo formule onacceptabel. De goede naam en reputatie van Jumbo worden door uw wijze van handelen ernstig geschaad. Het feit dat deze advertentie reeds nu de landelijke (supermarkt) pers heeft gehaald ondersteunt dit standpunt.

Jumbo vormt naar haar klanten toe één gezicht en de door u gekozen wijze van concurreren schaadt de uniformiteit van Jumbo als formule en is niet in lijn met de door de Franchisegever Jumbo gehanteerde Jumbo-uitingen en/of beleid. Zonder voorafgaande toestemming van Jumbo is het niet toegestaan af te wijken van de landelijk gebruikte Jumbo uitingen. U had zich er van bewust kunnen en moeten zijn dat uw handelen in strijd zou zijn met de door Jumbo gewenste reclame uitingen. In onze brief van 4 december jl. hebben wij u er op gewezen dat u reclame uitingen dient te coördineren met Lokale Marketing van Jumbo.

Wij verzoeken u, zonodig sommeren u om per ommegaande te stoppen met de door uw gebezigde wijze van reclame voeren en geen enkele advertentie te plaatsen waarbij u direct in het openbaar de confrontatie aangaat met een collega Jumbo franchisenemer.

Wij verzoeken, zonodig sommeren u om vooraf de door u gewenste reclame uitingen ter goedkeuring voor te leggen aan de afdeling Lokale Marketing.

Indien u ondanks deze sommatie de wijze van adverteren voortzet, stellen wij u nu reeds voor alsdan aansprakelijk voor alle schade die uit uw handelwijze voortvloeit. Tevens zijn wij van mening dat u toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de Franchiseovereenkomst. Jumbo behoudt zich ter zake alle rechten voor. (…)”

2.31.

In een brief van 6 februari 2013 (prod.115 van [gedaagden in conventie] ) heeft de advocaat van [gedaagden in conventie] aan Jumbo onder meer laten weten:

“(…) Zoals zij ook al eerder heeft gedaan, bevestigt cliënte hierbij dat zij zich nu en in de toekomst ten aanzien van promotie- en commerciële activiteiten zal conformeren aan de Jumbo-formule en dat zij aanwijzingen vanuit Jumbo en/of Lokale Marketing dienaangaande zal opvolgen.(…)”

Emballagestromen

2.32.

In de jaren tot 2013 is er door de vier supermarktvestigingen van [gedaagden in conventie] - met name door JS Luyksgestel - meer emballage aan Jumbo retour geleverd dan zij van Jumbo hebben ontvangen.

2.33.

In 2012 is [gedaagde sub 5] door Jumbo aangesproken over het feit dat bij JS Luyksgestel (te) grote hoeveelheden emballage werden ingenomen. In een brief van 7 november 2012 (prod.42 van Jumbo) heeft Jumbo aan [gedaagden in conventie] laten weten van hen een voorstel te verwachten voor de afwikkeling van de schade die Jumbo daardoor had geleden.

2.34.

In de periode januari tot april 2013 heeft Jumbo onderzoek laten doen naar de emballageretourstromen en geld- en goederenbewegingen bij JS Luyksgestel, door de eigen afdeling Internal Audit, door de eigen bedrijfsrecherche (Risk & Fraud Investigations) en vervolgens door KPMG (prod.28, 29 en 30 van Jumbo).

2.35.

Uit deze onderzoeken is onder meer gebleken dat JS Luyksgestel tot 2013 zeer grote hoeveelheden van derden verkregen emballage aan Jumbo heeft geleverd die niet afkomstig waren uit de Jumbo Supply Chain of uit de reguliere inname van klanten. Uit de administratie van JS Luyksgestel kon niet worden afgeleid wat de herkomst was van die emballage en [gedaagden in conventie] beweerden geen namen te kennen van degenen van wie zij de emballage in ontvangst namen.

2.36.

In een brief van 3 mei 2013 heeft Jumbo de heren [gedaagde sub 5 en 6] naar aanleiding van de uitkomsten van deze onderzoeken onder meer het volgende geschreven (prod.31 van Jumbo):

“(…)

1. Structureel hogere retourstroom emballage – waarde, herkomst, administratie

De door ons geconstateerde structureel hogere retourstroom van EUR 1,8 miljoen in 2012 wordt door u bevestigd. De hogere retourstroom wordt met name verklaard door CBL-fust en rolcontainers/cc-rollies. De door ons berekende EUR 1,8 miljoen sluit aan met uw financiële administratie. Echter een adequate registratie van de retourstroom, niet zijnde via de emballagemachine, ontbreekt volledig. KPMG vermeldt hierover in haar rapport dat een gedetailleerde inkomende emballageadministratie ontbreekt; emballagebonnen worden niet bewaard; naam van de leverancier niet wordt vermeld; geen kwijting plaatsvindt voor uitbetaalde emballagevergoeding.

Hierdoor is het noch voor KPMG noch voor ons mogelijk om de herkomst, juistheid en volledigheid van de verwerkte emballageretourstromen vast te stellen. Uw verklaring van de herkomst van de emballage is voor KPMG niet vast te stellen aangezien geen enkele documentatie kon worden overgelegd. Tevens heeft u KPMG niet in de gelegenheid gesteld om de herkomst op een andere wijze vast te stellen, bijvoorbeeld door KPMG in contact te brengen met uw belangrijkste toeleveranciers. Wij constateren daarnaast dat uw mededeling dat u nooit faillissementspartijen heeft opgekocht (hetgeen een verklaring voor de hoge retouren zou kunnen zijn) volledig in tegenspraak is met hetgeen u eerder aan Jumbo heeft aangegeven (zie p. 19 en 20 van het KPMG rapport), namelijk dat de hogere retouren zijn veroorzaakt door opkoop van faillissementspartijen.

Wij merken hierbij op dat wij hebben vastgesteld dat op zaterdag 9 februari 2013 om 20.20 uur een oplegger met Belgisch kenteken, niet zijnde van Jumbo, met retouradres de firma [naam 6] uit [land] een omvangrijke partij CBL-fust bij uw supermarkt in Luyksgestel heeft geleverd, waar u geen melding van hebt gemaakt in het onderzoek en wat uw verklaring over de herkomst van de emballageretourstroom naar onze mening tegenspreekt. Graag vernemen wij wat uw reactie hierop is.

Omdat de herkomst van de retouremballage voor ons nog steeds niet is vast te stellen en wij uw verklaring dat tuinders en fruittelers wekelijks hun CBL-fust bij u inleveren, niet hebben kunnen vaststellen en ook niet geloofwaardig achten in deze omvang en frequentie, blijft bij ons twijfel bestaan over de herkomst van de retouremballage. Wij zullen op dit punt nog nader onderzoek verrichten door in overleg te treden met de Stichting Versfust.

2 Structureel zeer hoge aanslagen op de kassa onder “Retour Emballage Nonscan”

KPMG heeft in haar onderzoek vastgesteld dat de uitbetalingen van retouremballage via de kassa niet in detail worden geregistreerd en geadministreerd. De uitbetalingen worden verricht op basis van emballagebonnen welke als waardepapier in de kassa (< € 1.000) of in de kluis (> € 1.000) worden bewaard. Echter bij de opmaak van de kluis en de kassa worden deze bonnen als ‘cash’ geteld en geregistreerd. Vervolgens wordt wekelijks door de heren [gedaagden in conventie] het totaal van de emballagebonnen vastgesteld en geboekt onder ‘Retour Emballage Nonscan’, waarna de emballagebonnen worden vernietigd. In de financiële administratie die aan KPMG beschikbaar is gesteld, is echter geen onderscheid zichtbaar tussen hetgeen is aangeslagen onder ‘Retour Emballage Nonscan’ en hetgeen via de emballagemachine is aangeslagen/uitbetaald.

KPMG heeft door het ontbreken van onderliggende administratieve bescheiden geen onderbouwing vast kunnen stellen van de door ons geconstateerde hoge aanslagen op de kassa onder ‘Retour Emballage Nonscan’. KPMG geeft in haar rapport aan dat bij een overdracht van waarde van deze omvang mag worden verwacht dat kwijting plaatsvindt door de ontvangen van deze waarde en dat deze kwijting adequaat in de administratie wordt gedocumenteerd. Die verplichting vloeit ook voort uit hoofde van de franchise overeenkomst. Het moge duidelijk zij dat het in één jaar uitbetalen van EUR 1,8 miljoen cash zonder onderliggende documentatie in ieder geval in strijd is met uw administratieverplichtingen als franchisenemer.

Conclusie

Helaas moeten wij op basis van het rapport van KPMG concluderen wat op de twee belangrijkste onderzoeksvragen door KPMG geen antwoord kan worden gegeven en daarmee de herkomst van de retouremballage niet kan worden vastgesteld alsmede de hoge aanslagen en uitbetalingen via de kassa niet kunnen worden onderbouwd. Zoals hierboven aangegeven zullen wij op dit punt nog nader onderzoek verrichten.

Voor alle duidelijkheid herhalen wij dat Jumbo niet bereid is om van uw supermarkten emballageretourproducten van derden in te nemen. Wij constateren dat de emballageretourstromen inmiddels ook tot normale proporties (gelijk aan de uitleveringen) zijn teruggebracht. Wij zullen dit ook in de komende periode in de gaten blijven houden.

Tevens volgt uit het KPMG rapport dat een adequate administratieve organisatie en interne beheersing ontbreekt. Anders dan u stelt, voldoet u niet aan de relevante en toepasselijke wettelijke voorschriften ten aanzien van uw administratie alsmede houdt u zich niet aan de richtlijnen zoals opgenomen in het Handboek Jumbo Formule.

Wij sommeren u hierbij om binnen 2 weken na heden uw administratie op orde te brengen. Dit betekent concreet dat u voor wat betreft de emballageretourstromen de verplichting heeft om:

(…)

Voor wat betreft uw kassa-administratie heeft u de verplichting om:

(…)

Volledigheidshalve willen wij u er op wijzen dat de hele gang van zaken rond de emballageretourstromen en uw gebrekkige administratie de relatie met Jumbo verder op scherp zet. U dient op deze punten concrete en toepasselijke maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat een dergelijke situatie zich weer voordoet of kan voordoen. Graag ontvangen wij uw bevestiging dat u twee weken na heden uw administratie op orde heeft.”

Vleesetikettering

2.37.

In de Centrale Assortiment Database van Jumbo worden etiketteringsteksten van in de supermarkt te verpakken producten zoals vlees(waren) en kaas gekoppeld aan de voor die producten gegenereerde zogeheten PLU-codes (“Price Look-Up codes”). Per productgroep worden centrale PLU-codes door Jumbo gegenereerd voor alle producten van leveranciers die door Jumbo zijn gecontracteerd. Daarnaast biedt Jumbo een vrije range aan van lokale PLU-codes die moeten worden gebruikt voor de etikettering van producten die door de franchisenemer zelf worden ingekocht.

2.38.

In februari 2014 heeft een klant van JS Valkenswaard een klacht ingediend over het feit dat in die supermarkt aan hem rundvlees is verkocht met een etiket waarop het product als “Iers Rundvlees” werd aangeduid terwijl op datzelfde etiket als land van herkomst “Nederland” werd vermeld. Deze klacht heeft geleid tot kritische berichtgeving in landelijke-, regionale- en vakmedia, en tot het stellen van Kamervragen door Tweede Kamerlid Dekkers. Naar aanleiding van de publicaties heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit vragen gesteld aan Jumbo.

2.39.

Naar aanleiding van deze kwestie heeft Jumbo op 14 februari 2014 een e‑mailbericht verstuurd aan [gedaagde sub 6] . De inhoud van dit bericht en de reactie daarop van [gedaagde sub 6] van 18 februari 2014 luiden als volgt (prod.21 van Jumbo):

“Beste [gedaagde sub 6] ,

We hebben in het verleden al meerdere malen uitgelegd dat het koppelen van centraal gegenereerde PLU nummers aan producten van een niet contractleveranciers niet toegestaan is. Niet alleen klopt dan de product declaratie niet (bij riblappen niet echt een probleem), ook verstoord dat onze systemen.

[reactie [gedaagde sub 6]:] Vanuit mijn optiek zijn we bezig om elkaar te pesten. Ik zie nog altijd niet in waarom er bij de bereidingswijze het woord Iers voor moet komen te staan.

De Hollands rund plu nummers zijn voor het Hollands vlees ingekocht via onze contact leverancier. De declaratie van dit product is 2 sterren dierenbescherming. Je mag deze nummers niet koppelen aan het door jullie ingekochte Hollands rund.

De gevolgen dat jullie toch het plu nummer van Iers koppelen aan jullie Hollands rund is volledig voor jullie rekening. Let wel, als de declaratie niet overeenkomt met het verkochte product, dan is dat volgens de wet voedselfraude…

[reactie [gedaagde sub 6]:] Voedselfraude of niet, vanuit mijn antwoord in de eerste alinea, blijven onze winkels deze PLU-nummers gebruiken.

Dus ajb niet naar Veghel wijzen als jullie zelf iets niet goed doen. Of jullie kopen centraal (of via een contract leverancier) en jullie kunnen gebruik maken van de plu codes, etiketten, kwaliteitsdienst etc of jullie deconcentreren en jullie managen zelf de plu, etiketten etc

[reactie [gedaagde sub 6]:] Vanuit het verleden (en dat is ver voor jou tijd bij Jumbo) werd over zulke kwesties niet moeilijk gedaan. Wij kregen vanuit Veghel de volle ondersteuning en dat was vice versa identiek hetzelfde. Standaardisatie is goed maar niet vanuit 1 kant geredeneerd. Er liggen afspraken dat zij op deze groepen vreemd in mogen/kunnen kopen. Als goed franchisegever is het niet meer dan logisch dat hier ondersteuning aan gegeven wordt.

(…)”

2.40.

In een brief van 26 februari 2014 heeft Jumbo het volgende aan [gedaagde sub 5 en 6] geschreven (prod.19 van Jumbo):

“Namens Jumbo Supermarkten B.V. (hierna: “Jumbo”) en onder verwijzing naar de e-mailberichten tussen Jumbo en uzelf d.d. 14 februari en 18 februari jl. alsmede meerdere telefoongesprekken, bericht ik u als volgt.

Onlangs is gebleken dat u de PLU-code van runderriblappen van Iers rundvlees gebruikt voor de door u zelf bij een derde partij ingekochte Nederlandse runderriblappen. Op de verpakking van de door u aangeboden Nederlandse runderriblappen is vermeld dat sprake is van Iers rundvlees, daarentegen is op de verpakking ook aangegeven dat het land van geboorte, slachten, uitsnijden en mesten Nederland is. Door uw handelen wordt aan de consument informatie verstrekt die feitelijk onjuist is en die de gemiddelde consument misleidt, hetgeen onrechtmatig is. U bent door Jumbo per e-mail d.d. 14 februari jl. reeds aangesproken op het feit dat uw handelen strijdig is met de (voedsel)wet- en regelgeving. Echter, in reactie daarop liet u Jumbo weten uw handelen niet te willen aanpassen. Jumbo betreurt uw houding ten zeerste, met name omdat dit haaks staat op de Jumbo Formule alsmede de manier waarop Jumbo met haar klanten wenst om te gaan.

Zoals u weet, is deze kwestie breed uitgemeten in de media, hetgeen de reputatie van Jumbo ernstig schaadt. Tevens is gebleken dat er thans Kamervragen zijn gesteld in de Tweede Kamer over de gang van zaken. Het mag duidelijk zijn dat Jumbo door toedoen van uw handelen schade lijdt. Op grond van artikel 7.2 van de Franchiseovereenkomst bent u verplicht uw bedrijfsvoering zodanig te voeren dat aan de goede naam en reputatie van Jumbo geen afbreuk wordt gedaan. Met etikettering van vlees dient uiterst zorgvuldig te worden omgegaan, mede gezien de negatieve publiciteit van de laatste tijd rondom de vleesindustrie.

Namens Jumbo stel ik u hierbij aansprakelijk voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van uw handelen, zoals uiteengezet in deze brief.

Voorts wil ik u er uitdrukkelijk op wijzen dat het gebruiken van een bestaande PLU-code van een bepaald product ten behoeve van een ander product, in strijd is met de Jumbo Franchiseovereenkomst en de Jumbo Formule. Indien u producten inkoopt van derde partijen bent u als ondernemer zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan wettelijke (kwaliteits-)voorschriften, de CBL-HAPCCP code en de door Jumbo gehanteerde kwaliteitscriteria alsmede het voeren van een deugdelijke administratie. Daaronder valt tevens het correct aanbrengen van de productinformatie op de door u verkochte artikelen.

Ik verwijs u in dit verband naar artikel 23 van de Franchiseovereenkomst.

Ik verzoek u, voor zover nodig sommeer ik u daartoe, mij uiterlijk binnen vijf dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat u zich in de toekomst zult onthouden van het gebruiken van een bestaande PLU-code van een bepaald product ten behoeve van een ander product. Voorts zien wij ons genoodzaakt – gezien de ernstige schade die Jumbo momenteel lijdt door uw toedoen -, de lopende gesprekken met u voorlopig te annuleren.

Jumbo behoudt zich ter zake al haar rechten en weren voor.”

2.41.

Op 27 februari 2014 hebben [gedaagde sub 5] en [naam 7] (directeur Operations Jumbo) telefonisch over deze kwestie met elkaar gesproken. [gedaagde sub 5] heeft [naam 7] daarbij gevraagd of het nodig was een advocaat in te schakelen. [naam 7] heeft daarop laten weten dat het hoofdkantoor van Jumbo de kwestie zwaar op nam, maar dat het inschakelen van een advocaat niet nodig was.

2.42.

In een brief van 1 maart 2014 hebben [gedaagde sub 5 en 6] vervolgens als volgt gereageerd op de brief van 26 februari 2014 (prod.20 van Jumbo):

“Al sinds jaar en dag gebruiken wij de centrale PLU-nummers voor ons rundvlees dat wij, conform onze afspraak, van lokale bedrijven betrekken. Dit doen we niet alleen voor ons rundvlees maar bijvoorbeeld ook voor ons varkensvlees. Dit is nimmer een probleem geweest. Het feit dat “eigen PLU’s” niet verwerkt kunnen worden op de produktieadvieslijst (PAL) en ook nog eens een verminkt beeld geven in de OBW-rapportage heeft er mede toe geleid dat wij de centrale PLU’s gebruiken. Wij hebben altijd voldaan en blijven voldoen aan de regels die de Nederlandse wetgeving stelt aan etikettering in de breedste zin van het woord. Ook op het gewraakte etiket was de tracebility conform de eisen van de NVWA.

Het feit dat Jumbo plotsklaps, zonder enige vorm van communicatie hieromtrent, in de bereidingswijze de toevoeging “Iers” weergeeft op het etiket heeft ons volledig verrast. Inmiddels hebben we met zowel een directielid alsook de afdeling kwaliteitszorg gesproken en hen de vraag gesteld wat de toevoeging “Iers” voor meerwaarde heeft in de bereidingswijze. Beiden konden ons hierop geen antwoord geven. Wij zijn daarom in de stelligste overtuiging dat ons in deze ook helemaal geen blaam treft.

Productmanagement in deze heeft verzuimt om tijdig te communiceren over het feit dat zij de etiketten aan gingen passen! Graag verwijzen wij naar het gespreksverslag met (…) (afdeling kwaliteitszorg).

Wij zijn helemaal niet gelukkig met de mediabelangstelling aangaande deze kwestie. Ook het feit dat wij, buiten onze schuld om, op deze manier met één van onze winkels negatief in het nieuws komen vinden wij niet prettig. Het laatste wat wij willen is dat Jumbo (ook wij zijn Jumbo!) op deze manier in het nieuws komt.

Wij realiseren ons terdege dat er met betrekking tot etikettering zorgvuldig dient te worden omgegaan en wij kunnen u garanderen dat, behoudens fouten in het systeembeheer die centraal aangestuurd worden, wij volledig voldoen aan de eisen die de Nederlandse wet stelt aan etikettering. Met betrekking tot het voldoen aan regelgeving omtrent inkoop van derden kunnen wij u mededelen dat wij voldoen aan alle eisen die franchisegever (terecht) hieraan stelt.

Nogmaals en wellicht ten overvloede; wij voldoen aan de etiketteerwetgeving en zullen er alles aan doen om, hetgeen er voorgevallen is, niet meer te laten gebeuren. Essentieel in deze is dat Jumbo haar centrale systeem en werkwijze ook dusdanig aanpast dat er een werkbare situatie ontstaat. Dhr. [naam 8] heeft ons in deze toegezegd dat hij dit in ieder geval serieus oppakt en wil zoeken naar oplossingen.

Wij willen nog wel even van de gelegenheid gebruik maken om onze zorg uit te spreken over etikettering in algemene zin en tracebility in het bijzonder binnen Jumbo. Na bezoek bij enkele andere Jumbo’s (onder andere foodmarkt) vorige week blijkt dat, hetgeen bij ons is gebeurt, ook bij die andere winkels had kunnen gebeuren. Wij hebben voorbeelden laten zien aan dhr. [naam 9] die dit kon onderschrijven.

(…)

Graag willen wij dat u ons in de gelegenheid stelt om het een en ander in een persoonlijk onderhoud nader toe te lichten. Wellicht dat we op deze manier kunnen laten blijken dat ook wij Jumbo “Elke dag beter” willen maken!

Onder voorbehoud van alle rechten en weren.”

Beëindiging samenwerking

2.43.

In een uitvoerige brief van 28 maart 2014, met als onderwerp “Beëindiging samenwerking Jumbo/ [gedaagden in conventie] ” heeft de advocaat van Jumbo, mr. T.S. Jansen, aan [gedaagden in conventie] onder meer als volgt bericht (prod.8 van Jumbo):

“(…) Het onderwerp van voormelde correspondentie, het onrechtmatige gebruik van centraal gegenereerde PLU-codes voor “derden inkoop” vlees(waren), betreft het laatste incident in een reeks. Dit heeft Jumbo ertoe bewogen om de door de franchiseovereenkomst (FO) beheerste samenwerking met Jumbo Supermarkt van de [JS Valkenswaard] (…), [JS Geldrop] (…), [JS Bladel] (…) en [JS Luyksgestel] te heroverwegen.

Jumbo refereert, niet uitputtend, aan de navolgende omstandigheden:

Vleesetikettering

(volgt toelichting)

Emballagestromen

(volgt toelichting)

Prijzenoorlog Bladel
(volgt toelichting)

Overige omstandigheden

(volgt toelichting)

Heroverweging samenwerking [gedaagden in conventie]

Uit deze reeks van feiten en omstandigheden volgt in essentie dat [gedaagden in conventie] zich gedraagt alsof de uit de rechtsverhouding met Jumbo voortvloeiende afspraken en procedures niet voor [gedaagden in conventie] gelden maar slechts voor Jumbo en haar andere franchisenemers. Daarnaast dient [gedaagden in conventie] in haar handelen uitsluitend haar eigen belang. Deze opstelling resulteert niet alleen in de hiervoor omschreven opvolgende tekortkomingen in de nakoming van de FO, maar ook in een werkverhouding waarin Jumbo structureel medewerking door [gedaagden in conventie] moet bevechten.

In feite miskent [gedaagden in conventie] de aard van de uit de FO voortvloeiende rechtsverhouding tussen franchisegever en franchisenemer: de exploitatie door franchisenemer van supermarkten (lokaal ondernemerschap) waarbij franchisenemer zich enerzijds verbindt tot het gebruik van de Jumbo Formule en de nakoming van instructies, voorschriften en afspraken; en franchisegever zich anderzijds verbindt tot het doorlopend optimaliseren van de formule (vgl. art. 7 FO).

Die miskenning volgt ook uit de wijze en toon waarop [gedaagden in conventie] stelselmatig Jumbo medewerkers benadert. (…)

De werkwijze van [gedaagden in conventie] zoals uit de in deze brief uiteengezette feiten volgt, heeft niet alleen de goede naam en reputatie van Jumbo geschaad en haar aanzienlijke vermogensschade berokkend, maar is in flagrante strijd met de kernwaarden, het “DNA” van de door Jumbo in samenwerking met haar franchisenemers gedreven onderneming: om Samen (met respect, vertrouwen en loyaliteit tegenover elkaar) te Ondernemen (door verantwoordelijkheid en initiatief te nemen, en iedere dag op de meest effectieve en kostenbewuste wijze topkwaliteit te leveren) en te Winnen (door met passie, gedrevenheid en plezier de beste formule en supermarkten te exploiteren).


Door deze structurele mismatch tussen werkwijze en kernwaarden heeft Jumbo geen enkel vertrouwen dat de verhouding zich in de toekomst ten goede zal keren. Na ampel beraad en afweging van de bij haar beslissing betrokken belangen van [gedaagden in conventie] , de door Jumbo gedreven onderneming en de daarbij betrokken stakeholders, heeft Jumbo - alle omstandigheden in aanmerking genomen - besloten om de samenwerking met [gedaagden in conventie] te beëindigen. Gelet op de duur van de samenwerking en de daarin door partijen geïnvesteerde tijd en middelen, spijt het Jumbo zeer dat het zover heeft moeten komen maar zij ziet geen andere uitweg.

Jumbo heeft zich in de afgelopen decennia ontwikkeld van een lokale groothandelsorganisatie naar de grootste franchisegever in food retail, en de op één na grootste supermarktorganisatie, van Nederland. Deze ontwikkeling stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de organisatie en de met haar verbonden ondernemers en maakt dat Jumbo de belangen van alle bij de door haar gedreven onderneming betrokken stakeholders in acht dient te nemen. Dit geldt te meer gelet op de fase waarin het bedrijf zich thans bevindt en de uitdagingen waarvoor zij zich de komende tijd gesteld ziet, waaronder de verdere integratie van C1000 organisatie. Ondertussen moeten de operationele kasstromen en winstgevendheid van de onderneming – en daarmee de kracht van de Jumbo Formule – worden geborgd bij teruglopende consumentenomzetten en zich verhardende concurrentieverhoudingen. Deze omstandigheden vereisen oprechte samenwerking tussen Jumbo en de met haar verbonden ondernemers.

Bij continuering van de samenwerking met [gedaagden in conventie] , en daarmee de acceptatie van voormelde werkwijze, is van een dergelijke samenwerking geen sprake en bestaat er geen enkele zekerheid dat incidenten als hiervoor omschreven, met alle schadelijke gevolgen van dien, in de toekomst zullen uitblijven. In het belang van haar onderneming en stakeholders, waaronder begrepen de honderden andere franchisenemers, stelt Jumbo het door haar in tientallen jaren opgebouwde bedrijfsdebiet niet langer aan dit risico bloot.

Beëindiging en rechtsgevolgen daarvan


Jumbo zegt derhalve middels deze brief de met Luyksgestel gesloten FO op met inachtneming van een termijn van 6 maanden, derhalve tegen 28 september 2014, althans Jumbo ontbindt deze FO buitengerechtelijk voor het gedeelte dat de FO vanaf 28 september 2014 voortduurt. Hoewel Jumbo tot onmiddellijke beëindiging en ontbinding bevoegd is, hanteert zij de aangezegde termijn van 6 maanden om JS Luyksgestel een redelijke termijn te gunnen voor de overgang naar een andere organisatie.

Jumbo grondt deze beëindiging op de hiervoor weergegeven tekortkomingen in de nakoming van de FO, waardoor zij krachtens art. 26.1 FO en de wet bevoegd is de rechtsverhouding op de aangezegde wijze te beëindigen.

Op gelijke gronden zegt Jumbo middels deze brief de met JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard gesloten FO’s op tegen het moment van overdracht van de supermarktexploitatie (vgl. art. 29.24 FO) en oplevering van het gehuurde, althans Jumbo ontbindt deze FO’s buitengerechtelijk voor het gedeelte dat de FO’s vanaf het moment van overdracht en oplevering voortduren.

De beëindiging van deze FO’s resulteert in de verplichting van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard tot aanbieding van de door hen geëxploiteerde supermarkten, overeenkomstig art. 29 FO. In de onderliggende Afsprakenbrieven hebben partijen (…) op voorhand, (…) de koopsom van de exploitatie bepaald. (…)

(volgt tabel met de in de Afsprakenbrieven opgenomen berekeningswijzen)

Jumbo verzoekt, en voor zover nodig sommeert, JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard om binnen 10 werkdagen na dagtekening van deze brief, bij aangetekend schrijven, hun supermarkten te koop aan te bieden aan Jumbo tegen de overeengekomen koopsom voor de exploitatie, gespecificeerd en onderbouwd per in Tabel 2 opgenomen bestanddeel van de koopsom, en voorzien van relevante cijfers (…). Jumbo beoogd de overdracht van de supermarktexploitatie en de oplevering van het gehuurde zo snel mogelijk te effectueren.

JS Luyksgestel, JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard wordt voorts verzocht, althans gesommeerd, om binnen de gestelde termijn schriftelijk te bevestigen dat zij de in verband met de beëindiging uit de FO en Afsprakenbrieven voortvloeiende verbintenissen zullen nakomen.


Nu de samenwerking met [gedaagden in conventie] eindig is, en daarmee ook het lidmaatschap van de ondernemersvereniging Jumbo (OvJ), neemt Jumbo aan dat [gedaagde sub 5] zijn bestuurslidmaatschap van de OvJ, en overige functies in OvJ verband, binnen voornoemde termijn op eigen initiatief beëindigt door te bedanken (vgl. art. 7.9 Statuten OvJ)
(…)”

2.44.

JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard hebben niet voldaan aan de sommatie van Jumbo om hun supermarktexploitaties aan Jumbo te koop aan te bieden. Evenmin hebben zij voldaan aan de sommatie van Jumbo om schriftelijk te bevestigen dat zij de in verband met de beëindiging uit de FO en Afsprakenbrieven voortvloeiende verbintenissen zullen nakomen.

2.45.

Namens [gedaagden in conventie] heeft hun advocaat mr. Weelen bij brief van 14 april 2014 aan de advocaat van Jumbo laten weten dat zij de opzegging niet accepteren, deze voor nietig houden en niet zullen overgaan tot aanbieding van de door hen geëxploiteerde supermarkten maar schadevergoeding van Jumbo zullen claimen.

2.46.

Bij aangetekende brieven van 17 september 2014 heeft Jumbo voor zover nodig de huurovereenkomsten met JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard opgezegd met ingang van de expiratiedata van die overeenkomsten zijnde respectievelijk 30 september 2015, 30 juni 2017 en 31 januari 2019 (prod.51 van [gedaagden in conventie] ).

Artikel 843a Rv in incident en kort geding

2.47.

Partijen hebben in een procedure in kort geding diverse vorderingen jegens elkaar ingesteld, waarover de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan in zijn vonnis van 26 juni 2014 (C/01/278174 / KG ZA 14-279) (prod.9 van Jumbo) en vervolgens het gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch in hoger beroep in haar arrest van 17 maart 2015 (HD 200.153.510/01) (prod.165 van [gedaagden in conventie] ).

2.48.

In onderhavige bodemprocedure hebben [gedaagden in conventie] diverse incidentele vorderingen ingesteld waarop is beslist bij vonnis van 4 maart 2015.

2.49.

De rechtbank heeft Jumbo in haar incidenteel vonnis van 4 maart 2015 veroordeeld om binnen vijf werkdagen aan de advocaten van [gedaagden in conventie] een kopie toe te sturen van de formuleovereenkomsten C1000 zoals die zijn gesloten met de ondernemers in Hapert, Aalst, Bergeijk en Eersel (waarbij eventuele bedrijfsvertrouwelijke gegevens onleesbaar mogen worden gemaakt), en van de Compensatie- en aanvullende Goodwillregeling, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat Jumbo hieraan niet voldoet, met een maximum van € 500.000,-.

2.50.

Het hof heeft Jumbo in haar arrest van 17 maart 2015 onder meer veroordeeld om binnen vier weken te geven aan [gedaagden in conventie] inzage in en afschrift van de overeenkomsten c.q. afspraken met de franchisenemers te Hapert en Aalst, zowel in de FO zoals die in het verleden tot stand is gekomen met C1000 als in de “nieuwe” FO met Jumbo en in alle correspondentie en gespreksverslagen inzake de voornemens om de C1000 supermarkt om te bouwen tot een Jumbo supermarkt en de mogelijke verplaatsing c.q. verkoop van de exploitatie aan Jumbo of een derde en de onderhandelingen dienaangaande, met dien verstande dat Jumbo de passages met bedrijfsvertrouwelijke gegevens met betrekking tot de supermarkten te Hapert en Aalst zal mogen weglakken, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- per keer of dag(deel) dat Jumbo in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,--.

2.51.

Op 12 maart 2015 en 14 april 2015 heeft Jumbo aan [gedaagden in conventie] afschriften verschaft van de C1000 -franchiseovereenkomst met de ondernemers te Hapert, Aalst, Bergeijk en Eersel, de Compensatie- en Aanvullende Goodwillregeling, de ‘nieuwe’ franchiseovereenkomsten met Jumbo, de Afsprakenbrieven van Jumbo Hapert en Jumbo Aalst, en correspondentie inzake de supermarkten te Hapert en Aalst.

2.52.

Op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagden in conventie] heeft Jumbo op 23 april 2015 ook enkele bijlagen bij de met de franchisenemers te Hapert en Aalst gesloten FO’s aan [gedaagden in conventie] toegezonden.

Dwangsommen, eigenbeslag en (opnieuw) beëindiging FO

2.53.

Op 28 juli 2015 is aan Jumbo een aanzeggingsexploit betekend en hebben [gedaagden in conventie] uit hoofde van het arrest van het hof van 17 maart 2015 per direct betaling van dwangsommen geëist over de periode van 15 tot en met 22 april 2015. Ook is er voor € 400.000,- eigenbeslag gelegd onder [gedaagden in conventie] op de verschuldigde franchisefee’s.

2.54.

Vanaf begin augustus 2015 hebben JS Luyksgestel, JS Geldrop, JS Valkenswaard en JS Bladel de franchisefee’s die zij wekelijks aan Jumbo verschuldigd waren een aantal weken niet voldaan tot een totaalbedrag van € 400.000,-. Aan sommaties van Jumbo om de fee’s te betalen hebben zij geen gehoor gegeven.

2.55.

Vanwege het niet betalen van de verschuldigde fee’s heeft Jumbo bij brief van 28 augustus 2015 de vier met [gedaagden in conventie] gesloten FO’s opgezegd (voor zover deze niet al eerder zijn geëindigd) met onmiddellijke ingang (JS Luyksgestel) of per het moment van overdracht van de supermarktexploitaties en oplevering van het gehuurde (JS Geldrop, JS Valkenswaard en JS Bladel), althans heeft Jumbo de FO’s voor de resterende duur (vanaf het moment van levering) ontbonden.

3 De vorderingen en conclusies in conventie

vordering in conventie

3.1.

Jumbo vordert in conventie - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard:

1. primair: te verklaren voor recht dat de met hen gesloten FO rechtsgeldig door opzegging is beëindigd per het moment van overdracht van de op de door Jumbo ter beschikking gestelde vestigingspunten door hen gedreven supermarktexploitaties en oplevering van het gehuurde;

subsidiair: te verklaren voor recht dat de met hen gesloten FO gedeeltelijk buitengerechtelijk is ontbonden voor de resterende duur vanaf het moment van overdracht van de op de door Jumbo ter beschikking gestelde vestigingspunten door hen gedreven supermarktexploitaties en oplevering van het gehuurde;

meer subsidiair: de met hen gesloten FO gerechtelijk te ontbinden voor het gedeelte dat deze na het moment van overdracht van de op de door Jumbo ter beschikking gestelde vestigingspunten door hen gedreven supermarktexploitaties en oplevering van het gehuurde voortduurt;

2. hen te veroordelen om binnen vijf dagen na het in deze te wijzen vonnis de door hen in de door Jumbo ter beschikking gestelde vestigingspunten gedreven supermarktexploitaties bij aangetekend schrijven te koop aan te bieden aan Jumbo, tegen de in de Afsprakenbrieven overeengekomen koopsommen, gespecificeerd en onderbouwd per bestanddeel goodwill, inventaris, winkelautomatisering en bouwkundige voorzieningen zoals bepaald in de Afsprakenbrieven, en voorzien van specificaties van de gehele materiële vaste activawaarde, specificaties van alle op het moment van aanbieding actuele kwantitatieve en kwalitatieve personele gegevens, en alle relevante bedrijfseconomische gegevens over de laatste drie jaren van exploitatie;

3. hen te veroordelen tot levering van de onder 2. bedoelde supermarktexploitaties, bij wijze van oplevering van de betreffende winkelpanden met de daarin aanwezige supermarktexploitaties door deze op de door Jumbo bij aangetekende brief bepaalde leveringsdatum na winkelsluiting onder afgifte van alle sleutels, keycards en codes aan Jumbo ter beschikking te stellen, in de staat waarin deze zich alsdan bevinden, tegen betaling van de overeengekomen koopsommen door Jumbo, door verrekening met openstaande vorderingen van Jumbo of met haar verbonden vennootschappen en overmaking van de restanten van de koopsommen, telkens minus het Garantiebedrag van € 100.000,-, op leveringsdatum;

4. aan de sub 2. en 3. gevraagde veroordelingen een dwangsom te verbinden van € 10.000.000,- per overtreding, vermeerderd met € 100.000,- per week, een deel van de week daaronder begrepen, dat daaraan niet wordt voldaan;

ten aanzien van JS Luyksgestel:

5. primair: te verklaren voor recht dat de met haar gesloten FO rechtsgeldig door opzegging is beëindigd per 28 september 2014, althans een door de rechtbank te bepalen datum;

subsidiair: te verklaren voor recht dat de met haar gesloten FO gedeeltelijk buitengerechtelijk is ontbonden voor de resterende duur na 28 september 2014, althans een door de rechtbank te bepalen datum;

meer subsidiair: de met haar gesloten FO gerechtelijk te ontbinden voor het gedeelte dat deze voortduurt na het laatste moment van overdracht van de supermarktexploitatie en oplevering van het gehuurde door de overige gedaagden;

ten aanzien van [gedaagde sub 5 en 6] :

6. te bepalen dat zij ieder afzonderlijk naast de veroordeelde entiteit hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de voldoening van de (onder sub 4. gevorderde) dwangsommen;

ten aanzien van alle gedaagden:

7. hen hoofdelijk te veroordelen om de kosten van dit geding te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van vonnis, te vermeerderen met nakosten, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

3.2.

Jumbo vordert na eisvermeerdering bovendien:

ten aanzien van JS Bladel:

8. haar te veroordelen tot betaling van ten onrechte ingehouden Franchise Fee en Distributie Fee ten bedrage van € 67.889,99, vermeerderd met boeterente van 1% per maand vanaf de oorspronkelijke incassodata;

9. haar te veroordelen tot vergoeding van de ten gevolge van de emballagekwestie door Jumbo geleden schade ten bedrage van € 43.836,94, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van eisvermeerdering;

ten aanzien van JS Geldrop:

10. haar te veroordelen tot betaling van ten onrechte ingehouden Franchise Fee en Distributie Fee ten bedrage van € 112.715,00, vermeerderd met boeterente van 1% per maand vanaf de oorspronkelijke incassodata;

10. haar te veroordelen tot vergoeding van de ten gevolge van de emballagekwestie door Jumbo geleden schade ten bedrage van € 148.420,27, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van eisvermeerdering;

ten aanzien van JS Valkenswaard:

12. haar te veroordelen tot betaling van ten onrechte ingehouden Franchise Fee en Distributie Fee ten bedrage van € 58.965,00, vermeerderd met boeterente van 1% per maand vanaf de oorspronkelijke incassodata;

12. haar te veroordelen tot vergoeding van de ten gevolge van de emballagekwestie door Jumbo geleden schade ten bedrage van € 217.758,82, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van eisvermeerdering;

ten aanzien van JS Luyksgestel:

14. haar te veroordelen tot betaling van ten onrechte ingehouden Franchise Fee en Distributie Fee ten bedrage van € 160.668,89, vermeerderd met boeterente van 1% per maand vanaf de oorspronkelijke incassodata;

14. haar te veroordelen tot vergoeding van de ten gevolge van de emballagekwestie door Jumbo geleden schade ten bedrage van € 464.684,27, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van eisvermeerdering;

14. haar te veroordelen tot betaling van € 253.484,86 uit hoofde van onverschuldigde betaling, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de afzonderlijke factuurmomenten;

14. haar te veroordelen tot betaling van € 574.487,50 uit hoofde van de kwijtscheldlening, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 september 2014, althans tot betaling van € 510.290,93, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015.

conclusie in conventie

3.3.

[gedaagden in conventie] concluderen in conventie primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak (intern) verwijst naar team kanton, locatie Eindhoven.

Hierop heeft de rechtbank reeds afwijzend beslist in haar incidenteel vonnis van 4 maart 2015.

3.4.

[gedaagden in conventie] concluderen in conventie subsidiair dat de rechtbank de vorderingen van Jumbo afwijst, met veroordeling van Jumbo in de kosten.

3.5.

[gedaagden in conventie] concluderen in conventie meer subsidiair dat de rechtbank, indien zij (een deel van) de vorderingen van Jumbo toewijsbaar zou oordelen, om:

I. het beëindigingsbeding uit artikel 26 lid 1 FO te vernietigen of althans te verklaren voor recht dat Jumbo hieraan geen rechten kan ontlenen;

II. te verklaren voor recht dat de aanbiedingsplicht uit artikel 29 FO hier geen toepassing vindt, zodat partijen dienen te onderhandelen over de waarde van de gebonden vestigingen van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard en de verkoopvoorwaarden daarvan, dan wel a) de termijn voor het aanbieden van deze exploitaties vast te stellen op drie maanden en b) te bepalen dat de levering van de exploitaties moet plaatsvinden binnen 20 weken nadat door partijen overeenstemming is bereikt over de hoogte van de koopsom en de overige voorwaarden;

III. de ten aanzien van JS Bladel. JS Geldrop en JS Valkenswaard gevorderde dwangsommen te matigen tot € 15.000,- per overtreding en € 2.500,- per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 75.000,- per genoemde vestiging;

IV. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 5 en 6] niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor eventuele verbeurde dwangsommen, dan wel de dwangsommen ten aanzien van hen te matigen tot € 5.000,- per overtreding en € 1.000,- per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,- voor elk van hen;

V. te verklaren voor recht dat Jumbo niet gerechtigd is tot inhouding van enig garantiebedrag op de door haar aan [gedaagden in conventie] te betalen koopsommen;

VI. de door Jumbo gevorderde hoofdelijke veroordeling in de proceskosten af te wijzen;

VII. de door Jumbo gevorderde verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen.

4 De vorderingen en conclusies in reconventie

vordering in reconventie

4.1.

[gedaagden in conventie] vorderen in reconventie na wijziging en vermeerdering van hun eis - kort samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van Jumbo in de integrale kosten, althans de kosten conform het liquidatietarief van het geding:

onvoorwaardelijk:

I.

primair: te verklaren voor recht dat Jumbo conform de FO’s niet bevoegd was om over te gaan tot herindeling van de verzorgingsgebieden van [gedaagden in conventie] en haar te veroordelen tot:

  1. nakoming, in de zin van eerbiediging van de toegewezen verzorgingsgebieden, door de supermarkten te Hapert, Aalst, Bergeijk, Eersel en (in de nabije toekomst) Heeze (alsnog) aan [gedaagden in conventie] aan te bieden en Jumbo te verbieden om de C1000 supermarkten te Bergeijk en Heeze te koop aan te bieden aan de huidige C1000 exploitanten en/of te leveren aan de huidige C1000 exploitanten en/of te bewilligen in het openen en verder exploiteren van die supermarkten als Jumbo supermarkten indien zij niet worden geëxploiteerd door [gedaagden in conventie] , althans Jumbo te gebieden, mochten de Jumbo exploitaties te Bergeijk en/of Heeze al zijn gestart, om de exploitaties als Jumbo supermarkt te doen staken, onder vergoeding van de geleden vertragingsschade vanaf de opening van Jumbo Hapert aan JS Bladel en vanaf de opening van de Jumbo’s Aalst, Bergeijk, Eersel en Heeze aan JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard, door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, dan wel nader op te maken bij staat, dan wel

  2. Jumbo ter compensatie voor het feit dat Jumbo Hapert, Jumbo Aalst, Jumbo Bergeijk, Jumbo Eersel en Jumbo Heeze ten onrechte niet aan [gedaagden in conventie] zijn aangeboden te veroordelen tot betaling van vervangende schadevergoeding ad € 10.462.464,- (uitgaande van een samenwerking tot 2022), althans (conform de minimale looptijd van een FO van vijf jaar) ad € 6.165.120,- [rechtbank: beide bedragen uitgesplitst naar de verschillende eiseressen in reconventie], dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, dan wel een bedrag aan schade nader op te maken bij staat, waarbij voor de vorderingen die JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard gezamenlijk betreffen aan ieder van deze drie partijen bevrijdend kan worden betaald;

  3. een en ander (te betalen) binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

subsidiair: te verklaren voor recht dat het verval van exclusiviteit in de verzorgingsgebieden (artikel 4.13 FO) in rechte geen stand houdt, en dat [gedaagden in conventie] het beding rechtsgeldig hebben vernietigd, althans dit beding alsnog vernietigen, althans te verklaren voor recht dat Jumbo aan dit beding geen rechten kan ontlenen (artikel 6:248 BW) en Jumbo te veroordelen tot:

(zie hiervoor onder Ia);

(zie hiervoor onder Ib);

(zie hiervoor onder Ic);

meer subsidiair: te verklaren voor recht dat de uitzonderingen op het eerste recht van exploitatie voor [gedaagden in conventie] uit artikel 4.7 FO zich hier niet voordoen en dat van Jumbo kon en kan worden gevergd dat de supermarkten te Hapert, Aalst, Bergeijk, Eersel en (in de nabije toekomst) Heeze aan [gedaagden in conventie] werden aangeboden en Jumbo te veroordelen tot:

(zie hiervoor onder Ia);

(zie hiervoor onder Ib);

(zie hiervoor onder Ic);

meer meer subsidiair: Jumbo ter compensatie voor het feit dat [gedaagden in conventie] worden geconfronteerd met concurrerende Jumbo supermarkten in De Kempen althans de aan hen toegekende verzorgingsgebieden, te veroordelen tot:

vergoeding van de schade die JS Bladel, JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard hebben geleden door de opening van de concurrerende Jumbo supermarkten in De Kempen tot 2022 ad € 8.537.198,- [rechtbank: uitgesplitst per JS] althans tot het einde van de looptijd van FO’s ad € 6.857.399,- [rechtbank: uitgesplitst per JS], bestaande uit winstderving en het gedeeltelijk wegvallen van de goodwill;

dan wel tot:

vergoeding van de schade die JS Bladel, JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard hebben geleden door de opening van de concurrerende Jumbo supermarkten in de aan hen toegekende verzorgingsgebieden tot 2022 ad € 5.134.030,- [rechtbank: uitgesplitst per JS] althans tot het einde van de looptijd van de FO’s ad € 3.890.622,- [rechtbank: uitgesplitst per JS] bestaande uit winstderving en het gedeeltelijk wegvallen van goodwill, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, dan wel een bedrag aan schade nader op te maken bij staat;

(zie hiervoor onder Ic);

uiterst subsidiair: dat de rechtbank niet de vernietiging van de FO’s uitspreekt, maar de gevolgen van de FO’s ter opheffing van het nadeel van [gedaagden in conventie] wijzigt in verband met dwaling (artikel 6:230 lid 2 BW) respectievelijk misbruik van omstandigheden (artikel 3:54 lid 2 BW), zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

II.

Jumbo op grond van artikel 4.4 FO te veroordelen tot:

vergoeding van de schade die [gedaagden in conventie] en JS Bladel hebben geleden doordat de ontwikkeling en exploitatie van [naam 10] , inclusief de exploitatie van JS Bladel in [naam 10] , hun door Jumbo is onthouden ad € 3.760.545,- (totale rendementsderving voor [gedaagden in conventie] , inclusief JS Bladel) althans € 1.227.564,0 (rendementsderving door uitblijven verplaatsing JS Bladel), dan wel een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, dan wel een bedrag aan schade nader op te maken bij staat;

(zie hiervoor onder Ic);

III.

Jumbo te veroordelen tot:

nakoming van de verplichtingen die voor haar volgen uit de FO’s en Afsprakenbrieven met JS Luyksgestel, JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard en (onder)huuroverenkomsten met JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard, althans de overeenkomsten aangaande de exploitaties in goede justitie te bepalen, tot het einde van de overeengekomen looptijd, waaronder mede moet worden verstaan het leveren door Jumbo van een constructieve bijdrage aan de (door)ontwikkeling van de exploitaties van [gedaagden in conventie] (renovatie, remodeling, relocatie), het verstrekken van de door [gedaagden in conventie] benodigde medewerking in het kader van vleesetikettering, een hervatting van de deelname van [gedaagde sub 5] aan overleggen van de werkgroepen en de OVJ en/of de deelname aan nieuwe werkgroepen door [gedaagde sub 5] (en [gedaagde sub 6] ) op geen enkele wijze te zullen belemmeren, ook niet door zelf zonder geldige reden verstek te laten gaan en/of de OVJ dan wel de werkgroepen op enige wijze aan te sporen om [gedaagde sub 5] (en [gedaagde sub 6] ) te weren, en het nakomen van de zorgplicht van de franchisegever;

(zie hiervoor onder Ic)

IV

al het onder I tot en met III gevorderde (voor zover geen geldbedragen worden gevorderd) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per keer, of per dag(deel) dat Jumbo in gebreke blijft hieraan te voldoen, dan wel een bedrag in goede justitie door uw rechtbank te bepalen, vanaf vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

V.

te verklaren voor recht dat de non-concurrentiebedingen uit de artikelen 29.26 en 37.6 FO van rechtswege nietig zijn, althans om deze te vernietigen, althans dat zij ten aanzien van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard bij beëindiging van de FO’s geen werking zullen hebben (artikel 6:248 BW), althans de boetes op overtreding van voormelde bedingen gesteld te matigen tot nihil, althans die bedingen te matigen tot een duur van één jaar, enkel geldend op de afzonderlijke vestigingspunten die uit de FO’s blijken en enkel betrekking hebbend op een bedrijfsvoering onder de Jumbo formule, althans deze in duur een reikwijdte te matigen zoals in goede justitie door de rechtbank te bepalen;

VI.

te verklaren voor recht dat JS Luyksgestel, ondanks het gecombineerde verzorgingsgebied van JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard, op geen enkele wijze wordt gebonden door een non-concurrentiebeding, althans dat zij van de werking van de non-concurrentiebedingen wordt ontslagen;

VII.

Jumbo te veroordelen tot:

vergoeding van de door [gedaagden in conventie] gemaakte buitengerechtelijke kosten, zoals deze blijken uit het door hen als productie 210 aangeleverde overzicht, dan wel tot een vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan [gedaagden in conventie] zoals in goede justitie door de rechtbank te bepalen;

voorwaardelijk

indien de rechtbank zou oordelen dat de vorderingen van Jumbo (deels) toewijsbaar zouden zijn, om

I.

te verklaren voor recht dat Jumbo jegens [gedaagden in conventie] aansprakelijk is voor de schade die JS Bladel, JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard hebben geleden en zullen lijden door de opening van de concurrerende Jumbo supermarkten in De Kempen, althans in hun verzorgingsgebieden, tot het daadwerkelijk einde van het algehele samenwerkingsverband, en Jumbo te veroordelen tot:

  1. vergoeding van deze schade, door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, dan wel een bedrag aan schade nader op te maken bij staat;

  2. een en ander (te betalen) binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

II.

te verklaren voor recht dat de non-concurrentiebedingen uit de artikelen 29.26 en 37.6 FO van rechtswege nietig zijn, althans deze te vernietigen, althans te verklaren voor recht dat dat zij ten aanzien van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard bij beëindiging van de FO’s geen werking zullen hebben (artikel 6:248 BW) althans ze te matigen tot nihil, althans ze te matigen tot een duur van één jaar, enkel geldend op de afzonderlijke vestigingspunten die uit de FO’s blijken en enkel betrekking hebbende op een bedrijfsvoering onder de Jumbo formule, althans deze in duur en reikwijdte te matigen zoals in goede justitie door de rechtbank te bepalen;

III.

te verklaren voor recht dat JS Luyksgestel, ondanks het gecombineerde verzorgingsgebied van JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard, op geen enkele wijze wordt gebonden door een non-concurrentiebeding, althans dat zij van de werking daarvan wordt ontslagen.

IV.

JS Luyksgestel en/of JS Geldrop te ontslaan uit enige verplichting die op het moment van de feitelijke beëindiging van de samenwerking op grond van door Jumbo verstrekte kwijtscheldingsleningen op hen mocht rusten, dan wel deze verplichtingen in het voordeel van JS Luyksgestel en/of JS Geldrop te wijzigen op een manier in goede justitie door de rechtbank te bepalen.

4.2.

Op de overige vorderingen van [gedaagden in conventie] in reconventie (beroep op exceptie van onbevoegdheid, provisionele vordering ex artikel 223 Rv en vorderingen tot inzage en afgifte van stukken ex artikel 843a Rv) is reeds beslist in het incidenteel vonnis van 4 maart 2015.

conclusie in reconventie

4.3.

Jumbo concludeert in reconventie tot afwijzing van alle vorderingen, met veroordeling van [gedaagden in conventie] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten, onder de bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis zijn voldaan, hierover vervolgens wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

5 Onderbouwing van de vorderingen in conventie

Jumbo legt aan haar vorderingen op hoofdlijnen het volgende ten grondslag.

5.1.

Tijdens de samenwerking van partijen hebben zich verschillende incidenten voorgedaan die Jumbo uiteindelijk hebben gebracht tot het besluit van 28 maart 2014 om die samenwerking met [gedaagden in conventie] te beëindigen. Drie achtereenvolgende incidenten hebben Jumbo tot dit besluit gebracht: de prijzenoorlog tussen de Jumbo supermarkten in Bladel en Hapert, de ongeregelde emballagestromen bij onder andere de supermarkt in Luyksgestel en de onjuiste vleesetikettering.

Prijzenoorlog Bladel - Hapert

5.2.

De advertentie van 11 januari 2013 in [de] [naam 4] week af van de door Jumbo gehanteerde uitingen en was ook niet, zoals overeengekomen, vooraf ter schriftelijke goedkeuring aan Jumbo voorgelegd. Met het plaatsen van die advertentie in de [naam 4] is dan ook sprake van een tekortkoming van JS Bladel in de nakoming van artikel 24.3 FO. Deze handelswijze van JS Bladel levert voorts een tekortkoming in de nakoming van artikel 7.1 FO op, nu zij de voorschriften en nadere afspraken zoals opgenomen in de alsdan geldende versie van het HJF niet heeft opgevolgd. Bovendien heeft JS Bladel met deze handelwijze in strijd met artikel 7.2 FO verzuimd haar supermarkt steeds op zodanige wijze te exploiteren, en op zodanige wijze te handelen, dat aan de goede naam en reputatie van Jumbo geen afbreuk wordt gedaan. Ook op 15 april 2013 heeft JS Bladel een advertentie geplaatst zonder voorafgaande toestemming van de afdeling Lokale Marketing, ondanks sommaties van Jumbo. Ingevolge artikel 26.1h FO en artikel 26.1c FO is Jumbo dan ook bevoegd tot onmiddellijke tussentijdse opzegging en ontbinding van de FO.

Emballagestromen

5.3.

Uit onderzoeken die in opdracht van Jumbo zijn uitgevoerd is gebleken dat [gedaagden in conventie] tot 2013 “retourmomenten” in het logistieke proces hebben benut om grote hoeveelheden emballage aan Jumbo te leveren die niet afkomstig zijn uit de Jumbo Supply Chain of uit de reguliere inname van klanten van de supermarkten in Bladel, Geldrop, Valkenswaard en Luyksgestel. [gedaagden in conventie] hebben geen duidelijkheid willen of kunnen verschaffen over de herkomst van de emballage en aan de ontvangers van de (aanzienlijke) emballagebedragen werd geen schriftelijke kwijting gevraagd. [gedaagden in conventie] hebben verzuimd de herhaaldelijk door Jumbo gegeven instructies op te volgen om onmiddellijk te stoppen met het inleveren van extra emballage. Hiermee is sprake van een tekortkoming in de nakoming van artikel 7.1 FO. Het gebruiken van retourmomenten om grote hoeveelheden van derden afkomstige emballage aan Jumbo te leveren, is in strijd met artikel 18.2 FO, omdat [gedaagden in conventie] in strijd hebben gehandeld met het Handboek Supply Chain. Ook handelen zij in strijd met artikel 23.5 FO. Door deze handelwijze van [gedaagden in conventie] is het vertrouwen van Jumbo beschadigd en heeft Jumbo ook aanzienlijke vermogensschade geleden. Gelet op deze tekortkomingen was Jumbo op grond van artikel 26.1h FO bevoegd tot beëindiging en ontbinding.

Vleesetikettering

5.4.

[gedaagden in conventie] hebben vlees dat zij hebben ingekocht bij [naam 1] (geen contractleverancier van Jumbo) voorzien van etiketten met centrale PLU-codes die door Jumbo centraal zijn gegenereerd voor rund- en varkensvlees van contractleveranciers. Dit hebben [gedaagden in conventie] gedaan terwijl zij wisten dat zij deze centrale PLU-codes niet mochten gebruiken voor het vlees dat zij bij [naam 1] inkochten. Deze handelwijze van [gedaagden in conventie] levert een tekortkoming op in de nakoming van artikel 7.1 FO. Tevens is hiermee sprake van een tekortkoming in de nakoming van de artikelen 10.5 en 23.2 FO. In februari 2014 heeft het gebruik van centrale PLU-codes door [gedaagden in conventie] ertoe geleid dat bij [naam 1] ingekocht Nederlands rundvlees is verkocht met een etiket waarop, naast de herkomstvermelding “Nederland”, het product als “Iers rundvlees” werd gekwalificeerd. Een klacht van een klant van JS Valkenswaard heeft tot negatieve berichtgeving in verschillende media geleid alsmede tot Kamervragen. Voorts zijn [gedaagden in conventie] met hun handelen tekortgeschoten in de nakoming van artikel 7.2 FO en is Jumbo ex artikel 26.1c FO bevoegd tot onmiddellijke tussentijdse opzegging en ontbinding van de FO. Ook na sommatie weigeren [gedaagden in conventie] hun handelwijze op dit punt te wijzigen. Gelet hierop is ingevolge artikel 26.1h FO bevoegd tot tussentijdse opzegging en ontbinding met onmiddellijke ingang. Met de vermelding “Iers rundvlees” op het etiket terwijl in werkelijkheid sprake was van Nederlands rundvlees, hebben [gedaagden in conventie] bovendien hun uit artikel 7.3 FO voortvloeiende verplichting geschonden om aan de voorschriften van de Warenwet te voldoen. Gelet hierop is Jumbo op de voet van artikel 26.1g FO bevoegd tot onmiddellijke opzegging en ontbinding van de FO.

5.5.

Deze tekortkomingen door [gedaagden in conventie] rechtvaardigen een beëindiging omdat zij in essentie de integere bedrijfsvoering volgens de uitgangspunten van de Jumbo formule aangaan, en daarmee raken aan de kernwaardes van de wijze van samenwerking tussen Jumbo en de met haar verbonden ondernemers. Uit de opstelling van [gedaagden in conventie] blijkt dat er bij voortzetting van de samenwerking geen enkele garantie is dat zich in de toekomst geen vergelijkbare of ernstiger incidenten zullen voordoen, met alle schadelijke gevolgen van dien voor Jumbo en haar stakeholders, waaronder de andere met haar verbonden ondernemers. Omdat [gedaagde sub 5 en 6] alle overige gedaagden beheersen, gaan de aan afzonderlijke gedaagden verweten gedragingen ook indirect de andere gedaagden aan en kleuren deze de rechtvaardiging van de jegens hen nagestreefde beëindiging ook in. De onjuiste vleesetikettering en de niet toegestane prijzenoorlog in Bladel hebben de goede naam en reputatie van Jumbo voorzienbaar schade berokkend, en de onregelmatige emballagestromen hebben geresulteerd in aanzienlijke materiële schade en buitengerechtelijke kosten.

5.6.

De beëindigingsregeling van artikel 26.1 FO, waaronder artikel 26.1h FO waarin is bepaald dat iedere tekortkoming in de nakoming van de FO de opzegging en ontbinding daarvan rechtvaardigt, is door [gedaagden in conventie] bewust aanvaard. De tekortkomingen van [gedaagden in conventie] rechtvaardigen niet alleen naar rechtshandeling maar ook naar de aangevoerde omstandigheden de beëindiging. De beëindiging is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW).

5.7.

Als gevolg van de beëindiging van de samenwerking zijn JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard verplicht de door hen geëxploiteerde supermarktexploitatie aan Jumbo te koop aan te bieden (en bij aanvaarding van het aanbod aan Jumbo te leveren), zoals bepaald in artikel 29 FO. In de Afsprakenbrieven hebben partijen op voorhand de koopsom van de supermarktexploitaties bepaald. Ondanks sommatie daartoe weigeren [gedaagden in conventie] hun supermarkten aan Jumbo te koop aan te bieden. [gedaagden in conventie] dienen daartoe daarom te worden veroordeeld op straffe van een dwangsom, voor de hoogte waarvan kan worden aangesloten bij de boetebepaling van artikel 29.22 FO.

5.8.

[gedaagde sub 5 en 6] hebben zich in de Afsprakenbrieven hoofdelijk verbonden (naast JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard) in verband met de aanbiedingsverplichting, zodat zij ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de dwangsom indien niet aan die aanbiedingsverplichting wordt voldaan.

5.9.

Betaling door Jumbo van het Garantiebedrag van € 100.000,- wordt gedurende een periode van 2 maanden na de leveringsdatum uitgesteld en dient Jumbo tot zekerheid dat JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard hun exploitatie daadwerkelijk op de overeengekomen wijze aan Jumbo hebben geleverd en nadien de eventueel daartoe benodigde medewerking verlenen.

5.10.

In augustus 2015 hebben JS Luyksgestel, JS Geldrop, JS Valkenswaard en JS Bladel de door hen wekelijks verschuldigde franchisefee (artikel 6 FO) en distributiefee (artikel 12.3 FO) niet voldaan, tot een gezamenlijk totaalbedrag van € 400.000,-, ter voldoening van beweerdelijk verbeurde dwangsommen. Van verbeurde dwangsommen is echter geen sprake omdat Jumbo tijdig aan de veroordeling door het hof 's‑Hertogenbosch van 17 maart 2015 heeft voldaan. Aan sommaties van Jumbo om de verschuldigde fee’s alsnog te voldoen, is door JS Luyksgestel, JS Geldrop, JS Valkenswaard en JS Bladel geen gehoor gegeven. In verband met deze tekortkoming in de nakoming van de uit artikel 21 FO voortvloeiende betalingsverplichtingen heeft Jumbo op 28 augustus 2015 de samenwerking (nogmaals) beëindigd.

6 Verweer in conventie

[gedaagden in conventie] voeren in conventie samengevat het volgende verweer.

6.1.

De drie incidenten waar Jumbo zich op beroept hebben elk maar bij één van de winkels van [gedaagden in conventie] plaatsgevonden en omdat sprake is van verschillende rechtspersonen kan een eventuele tekortkoming van één van deze rechtspersonen de anderen niet worden aangerekend. Ten aanzien van geen van gedaagden is sprake geweest van één of meer tekortkomingen die een opzegging of ontbinding van de overeenkomsten rechtvaardigen.

Prijzenoorlog Bladel – Hapert

6.2.

Het was Jumbo die JS Bladel met een probleem had opgezadeld door in Hapert - en dus binnen het exclusieve verzorgingsgebied van JS Bladel - een C1000 tot Jumbo om te bouwen. De ondernemer uit Hapert bestookte bovendien de Bladelse markt via kranten en huis-aan-huisbladen met advertenties en borden langs de weg. Dit leidde tot omzetverlies en winstderving voor JS Bladel. Jumbo verzaakte haar zorgplicht door het probleem niet op te lossen en JS Bladel niet te compenseren. JS Bladel kon daarom niet anders dan de concurrentie met Jumbo Hapert aangaan op prijs. Volgens [gedaagden in conventie] heeft Jumbo dit zelf in de hand gewerkt. Jumbo heeft destijds direct haar ongenoegen over de advertentie geventileerd en JS Bladel heeft toen haar strategie gestaakt. Dit incident was slechts één dag in het nieuws, heeft de goede naam of reputatie van Jumbo niet geschaad en kon ruim een jaar later (in maart 2014) niet (meer) dienen als een gerechtvaardigde grondslag voor een beëindiging van de samenwerking.

Emballage

6.3.

JS Luyksgestel nam al vanaf 2007 extra emballage van derden in en retourneerde dat aan Jumbo. Hieraan werd niet rechtstreeks geld verdiend, maar het werd gedaan uit oogpunt van klantenbinding en omdat het voordelen had wanneer er minder contant geld in de winkels aanwezig was. [gedaagde sub 5 en 6] weten niet wie degenen waren die de emballage via de achteringang kwamen inleveren. De suggestie dat sprake zou zijn geweest van illegaal aangeleverde emballage is onjuist. Jumbo was niet verplicht het teveel aan emballage in ontvangst te nemen (artikel 23.5 FO) maar heeft het al die jaren bewust geaccepteerd en heeft [gedaagden in conventie] nooit gesommeerd te stoppen met het inleveren van (extra) emballage. De goede naam en/of reputatie van Jumbo is door deze kwestie niet aangetast en Jumbo heeft door het innemen van de emballage geen schade geleden. [gedaagden in conventie] hebben bovendien aangeboden de emballage gefaseerd terug te nemen en na het verschijnen van het rapport van KPMG hebben [gedaagden in conventie] direct alle aanbevelingen opgevolgd en de retourstromen tot normale proporties teruggebracht.

Vleesetikettering

6.4.

[gedaagden in conventie] hadden op grond van de Afsprakenbrieven een vrijstelling van de regels voor orderconcentratie voor vleesproducten en mochten menen dat [naam 1] een contractleverancier was en dat zij voor de etikettering van het vlees dat zij daar kochten centrale PLU-codes mochten gebruiken. [gedaagden in conventie] hebben nooit bewust in strijd gehandeld met de instructies, omdat zij altijd hebben gemeend dat die instructie om gebruik te maken van vrije PLU-codes alleen gold voor bewerkte producten, met meerdere ingrediënten. De instructies waren onduidelijk, zoals ook wel blijkt uit het feit dat Jumbo deze heeft verduidelijkt in haar memo van mei 2014 (prod.16 van Jumbo). [gedaagden in conventie] hebben jarenlang centrale PLU-codes gebruikt voor hun onbewerkte vleesproducten en dat was bij Jumbo bekend. Jumbo heeft hen daarop nooit aangesproken. In februari 2014 heeft het incident bij JS Valkenswaard kunnen gebeuren omdat Jumbo zonder te waarschuwen de tekst bij een centrale code had gewijzigd door de (onnodige) toevoeging “Iers” in de productomschrijving op te nemen. Jumbo heeft geen schade geleden door het incident nu de voedselveiligheid nooit in gevaar is geweest, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit het voldoende vond dat de etiketten direct werden aangepast, en de vleesomzet in de periode na het incident niet is gedaald (maar juist is gestegen). Het gebruik van eigen lokale codes was onwerkbaar en hier hebben [gedaagden in conventie] Jumbo meermaals tevergeefs op gewezen. De termijn van vijf dagen die Jumbo hen gunde in de brief van 26 februari 2014 was veel te kort om te kunnen overgaan op een nieuw systeem van etikettering. [gedaagden in conventie] hebben na enige tijd de overstap naar een nieuw systeem in gang gezet, maar Jumbo heeft pas in december 2014 de daarvoor benodigde extra vrije PLU-codes ter beschikking gesteld. Jumbo meet met twee maten nu ook bij andere filialen fouten gebeuren met de etikettering maar dit niet leidt tot beëindiging van de samenwerking.

6.5.

Het komt in een franchiserelatie vaak voor dat een contractant zich niet stipt houdt aan de overeenkomst, maar niet elke inbreuk rechtvaardigt de beëindiging van die relatie door de franchisegever, zeker niet indien die franchisegever zelf zijn zorgplicht schendt. De incidenten waar Jumbo zich op baseert waren niet ernstig, deels reeds lang gepasseerd, en zijn enkel en alleen het gevolg geweest van Jumbo’s eigen handelen. Dat [gedaagden in conventie] kansen en mogelijkheden signaleren en de dialoog met Jumbo zo nu en dan op scherp zetten, maakt hen goede ondernemers en betekent niet dat zij een gebrek aan zakelijke moraliteit hebben. De incidenten rechtvaardigen daarom geen opzegging of ontbinding van de FO’s.

6.6.

Het beroep van Jumbo op het beëindigingsbeding in de FO’s is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW). De FO is opgesteld zonder betrokkenheid van [gedaagden in conventie] en zij hebben het beëindigingsbeding zoals dat is opgenomen in artikel 26 FO, dat Jumbo de verstrekkende bevoegdheid geeft om al bij een gering verzuim tot tussentijdse opzegging of ontbinding van de FO over te gaan, nooit zo gewild en de strekking ervan nooit overzien. Bij het aangaan van de FO’s waren zij voor hun bedrijfsvoering van Jumbo afhankelijk en onderhandelingsruimte was er niet. Jumbo en [gedaagden in conventie] werken al heel lang samen, de incidenten waren niet heel ernstig en zijn (mede) veroorzaakt door Jumbo’s onzorgvuldig handelen inzake de ombouw van Hapert. De incidenten zijn bovendien al lang gepasseerd en Jumbo heeft haar recht zich daarop te beroepen verwerkt. [gedaagden in conventie] hebben veel investeringen gedaan met het oog op het voortduren van de relatie en hebben een groot belang om te kunnen blijven ondernemen in De Kempen. Een voortijdige beëindiging van de samenwerking zou hen een schadepost opleveren van ruim € 10 miljoen.

6.7.

Bij een voortijdige beëindiging van de samenwerking door Jumbo werken de afspraken die zijn gemaakt in de Afsprakenbrieven over de te hanteren koopsom zeer nadelig uit voor [gedaagden in conventie] . Zo worden verstrekte kwijtscheldingsleningen tussentijds opeisbaar (die bij het einde van de looptijd van de FO’s geheel zouden komen te vervallen). De goodwill van de vier vestigingen is door de komst van nieuwe Jumbo’s in hun verzorgingsgebieden aanmerkelijk gedaald en door het non-concurrentiebeding verliezen [gedaagde sub 5 en 6] vrijwel hun gehele verdiencapaciteit als supermarktondernemers. Bovendien zal [naam 1] ruim 60% van haar afzet verliezen. Jumbo maakt aldus misbruik van haar bevoegdheid de samenwerking te beëindigen gelet op de onevenredigheid tussen de wederzijdse belangen.

6.8.

Mocht de rechtbank oordelen dat het aanbiedingstraject van artikel 29 FO moet worden ingezet, dan geldt het volgende:

  • -

    de minimale termijn die [gedaagden in conventie] nodig zullen hebben om met hun accountant de vereiste informatie over de exploitaties ten behoeve van aanbieding te verzamelen is drie maanden, een termijn van vijf of tien dagen is daarvoor (veel) te kort;

  • -

    voor de hoogte van een op te leggen dwangsom moet niet worden aangesloten bij de boete uit artikel 29.22 FO, die immers een heel ander doel en karakter heeft;

  • -

    een grondslag voor de gevraagde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 5 en 6] ontbreekt;

  • -

    gelet op artikel 29.3 FO is het niet alleen aan Jumbo om te bepalen op welk moment levering zal moeten plaatsvinden;

  • -

    voor het inhouden van enig garantiebedrag op de koopsom door Jumbo bestaat geen grondslag;

  • -

    gezien de onomkeerbaarheid van de gevolgen van een voor [gedaagden in conventie] negatief vonnis, dient een dergelijk vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard.

7 De beoordeling in conventie

7.1.

Partijen werkten jarenlang samen in een franchiserelatie toen Jumbo op 28 maart 2014 besloot die samenwerking te beëindigen. Jumbo heeft de vier franchiseovereenkomsten met [gedaagden in conventie] , die nog een looptijd hadden tot respectievelijk 30 september 2015 (JS Bladel), 30 juni 2017 (JS Geldrop), 31 januari 2019 (JS Valkenswaard) en 31 december 2022 (JS Luyksgestel), tussentijds beëindigd door deze op te zeggen althans buitengerechtelijk te ontbinden.

7.2.

In artikel 26.1 van de FO’s die partijen in 2012 hebben gesloten is bepaald in welke gevallen Jumbo als franchisegever de FO tussentijds mag beëindigen. Opzegging is onder meer mogelijk indien de franchisenemer, kort gezegd, door zijn bewuste handelwijze de goede naam en/of reputatie van Jumbo schaadt (artikel 26.1c FO) of indien hij, ondanks een sommatie van Jumbo, tekortschiet in de nakoming van enige verplichting voortvloeiende uit de FO, de huurovereenkomst of de Afsprakenbrief (artikel 26.1h FO). In artikel 26.1 FO is ook bepaald dat Jumbo onverminderd de in de FO gegeven mogelijkheden ook gerechtigd is de overeenkomst te ontbinden indien aan de daarvoor in de wet gestelde voorwaarden is voldaan. Dit laatste betekent dat Jumbo de FO kan ontbinden conform artikel 6:265 BW bij iedere tekortkoming van [gedaagden in conventie] , tenzij die tekortkoming die ontbinding met haar gevolgen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis van die tekortkoming niet rechtvaardigt.

7.3.

Artikel 26.1 FO biedt Jumbo aldus een ruime bevoegdheid tot tussentijdse opzegging van de franchiserelatie, met name nu in artikel 26.1h FO - anders dan in artikel 6:265 BW - geen voorwaarden zijn gesteld aan de ernst van de tekortkoming en ingevolge die bepaling dus in beginsel élke tekortkoming (na een sommatie) kan leiden tot een rechtsgeldige opzegging. In het civiele recht geldt echter het algemene uitgangspunt dat partijen zich jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, wat betekent dat ook als Jumbo op grond van de formele beëindigingsregeling van artikel 26.1 FO het recht heeft om de overeenkomst te beëindigen, zij niettemin van deze bevoegdheid geen gebruik kan maken indien dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze in artikel 6:248 lid 2 BW neergelegde redelijkheidstoets is weliswaar beperkt, nu de rechter niet snel mag aannemen dat gebruik van een contractuele bevoegdheid ‘onaanvaardbaar’ is, maar betekent wel dat Jumbo niet zonder meer en in alle gevallen van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik kan maken.

7.4.

[gedaagden in conventie] hebben op de inhoud van de door hen ondertekende FO’s met daarin de beëindigingsregeling van artikel 26.1 FO geen directe, individuele invloed kunnen uitoefenen. De tekst daarvan is op centraal niveau binnen de franchiseorganisatie vastgesteld en met individuele franchisenemers werd daarover niet onderhandeld vanwege het belang van uniformiteit binnen de franchiseorganisatie. Voor zover zij de jarenlange profijtelijke samenwerking met Jumbo wilden voortzetten, hadden [gedaagden in conventie] in 2012 dan ook geen andere keus dan de FO’s met daarin de ruime beëindigingsregeling van artikel 26.1 FO te aanvaarden. Dit is één van de omstandigheden die een rol kan spelen bij de toetsing aan artikel 6:248 lid 2 BW. De rechtbank komt hier nog op terug.

7.5.

Jumbo legt aan de beëindiging van de samenwerking drie incidenten ten grondslag, die hierna worden besproken. Jumbo beroept zich daarnaast ook nog op ‘overige omstandigheden’ te weten, kort gezegd, het onrechtmatig gebruik van domeinnamen, de weigering om aan het ‘Lifebeat of Operations’ programma deel te nemen, de weigering om met een C1000 -trekker te laten beleveren, storneringen van product- en dienstenfacturen, de aanvankelijke weigering om SEPA B2B (bank)machtigingen te ondertekenen en te registreren en discussies omtrent fundamentele uitgangspunten zoals de basis voor de berekening van de franchisefee van [gedaagden in conventie] etcetera. Omdat deze beweerdelijke tekortkomingen door [gedaagden in conventie] (deels) zijn weersproken en Jumbo bovendien te kennen heeft gegeven dat deze omstandigheden haar besluit tot beëindiging niet hebben gedragen maar slechts zijn aangevoerd om de zaak ‘in te kleuren’, zal de rechtbank deze omstandigheden hier buiten beschouwing laten en zich bij de beoordeling beperken tot de drie incidenten en de vraag of die het besluit tot beëindiging van de samenwerking kunnen dragen.

7.6.

Om te kunnen beoordelen of Jumbo de samenwerking met [gedaagden in conventie] op 28 maart 2014 rechtsgeldig heeft kunnen beëindigen, zal de rechtbank hierna eerst van elk incident afzonderlijk vaststellen wat dit feitelijk inhield en of hierbij sprake is geweest van een of meer tekortkomingen door [gedaagden in conventie] in de zin van artikel 26.1 FO en/of artikel 6:265 BW.

Prijzenoorlog Bladel – Hapert

7.7.

Het staat vast dat JS Bladel op 11 januari 2013 zonder voorafgaande toestemming van Jumbo in het plaatselijke huis-aan-huisblad een prijsadvertentie heeft geplaatst met de tekst “Jumbo Bladel is én blijft de goedkoopste supermarkt van de gemeente Bladel”, met daaronder afgebeeld een kassabon van Jumbo Hapert en een kassabon van Jumbo Bladel.

7.8.

Dat JS Bladel dit heeft gedaan houdt verband met het volgende. Niet lang nadat [gedaagden in conventie] de exploitatie van Bladel hadden overgenomen, tegen betaling van een fors bedrag aan goodwill, werd hen door Jumbo medegedeeld dat een C1000 supermarkt in Hapert, derhalve binnen het exclusieve verzorgingsgebied van JS Bladel, zou worden omgebouwd tot Jumbo. Dit betekende een herindeling van het verzorgingsgebied van JS Bladel, waarmee [gedaagden in conventie] niet konden instemmen. Over een reële compensatie door Jumbo voor het te verwachten omzetverlies van JS Bladel konden partijen het niet eens worden. Jumbo Hapert adverteerde bovendien op een manier die [gedaagden in conventie] als provocerend hebben ervaren. De verhoudingen tussen [gedaagden in conventie] en Jumbo, en tussen JS Bladel en Jumbo Hapert zijn door dit alles verhard en JS Bladel, die haar omzet zag dalen, meende niets anders te kunnen doen dan op prijs te gaan concurreren met Jumbo Hapert. Daarom heeft zij de advertentie geplaatst.

7.9.

Dat [gedaagde sub 5 en 6] niet zouden hebben geweten dat het plaatsen van een dergelijke advertentie niet was toegestaan acht de rechtbank niet aannemelijk. Beiden hebben verklaard dat sprake was van een ‘wanhoopsdaad’ en dat zij beseften dat zij met deze concurrentie ‘hun nest zouden bevuilen’. Zij moeten hebben beseft dat deze wijze van adverteren binnen de formule niet geoorloofd was. Zoals Jumbo naar voren heeft gebracht profileert de formule zich met een laagste prijsgarantie en kan de perceptie van de klant hierover worden aangetast als Jumbo supermarkten met elkáár gaan concurreren op prijs. [gedaagde sub 5 en 6] wisten, of hadden in elk geval moeten begrijpen, dat zo’n prijsvergelijkende advertentie de reputatie van Jumbo - als formule met de laagste prijsgarantie - zou kunnen schaden. Daarbij komt dat [gedaagde sub 5 en 6] in elk geval wisten, of dienden te weten, dat zij ingevolge artikel 24.3 FO en het HJF voor het plaatsen van een dergelijke advertentie vooraf goedkeuring dienden te vragen aan de afdeling Lokale Marketing van Jumbo. Jumbo had hen daar in een brief van 4 december 2012 nog uitdrukkelijk op gewezen (prod.44 van Jumbo). Zij hebben de prijsadvertentie echter geplaatst zonder enige vorm van overleg met Jumbo.

7.10.

De ‘prijzenoorlog’ tussen Bladel en Hapert is opgepikt door het landelijk nieuwsblad voor supermarkten DistriFood, die daarover op 14 januari 2013 heeft gepubliceerd onder de kop “Prijsbotsing Jumbo’s in de Kempen” en daarin [gedaagde sub 5] heeft geciteerd die verklaarde geen omzet te willen kwijtraken door de ombouw van de winkel in Hapert naar Jumbo en geen andere uitweg te zien dan met deze nieuwe Jumbo winkel op prijs te gaan concurreren. Door deze uitlatingen tegenover DistriFood heeft [gedaagde sub 5] naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 37.5 FO waarin is bepaald dat de Franchisenemer geen uitlatingen zal doen tegenover de pers die schade (kunnen) veroorzaken voor Jumbo, de Jumbo Formule en de daarbij aangesloten franchisenemers. De rechtbank acht aannemelijk dat het schadelijk kan zijn voor de formule en/of voor mede-franchisenemers indien een franchisenemer op deze wijze interne problemen naar buiten brengt.

7.11.

Partijen zijn het er niet over eens of JS Bladel ook op 15 april 2013 een advertentie in De [naam 4] heeft geplaatst met de kop “Jumbo Bladel blijft de goedkoopste supermarkt bij u in de buurt”, zoals Jumbo stelt. Aanvankelijk hebben [gedaagden in conventie] erkend die advertentie te hebben geplaatst (CvA nr.243) maar nadien hebben zij dit gemotiveerd betwist. Volgens hen betreft productie 53 van Jumbo een voorgenomen advertentie die zij aan Lokale Marketing van Jumbo hebben voorgelegd, maar die niet werd goedgekeurd en daarom niet is geplaatst. Bovendien voeren zij aan dat De [naam 4] op 15 april 2013 niet meer bestond. Jumbo heeft op zitting een afdruk getoond van de advertentie maar kon daarbij niet vertellen in welk blad hij is geplaatst. Al met al staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat deze tweede advertentie daadwerkelijk is geplaatst, zodat zij deze bij de beoordeling buiten beschouwing zal laten.

7.12.

Het plaatsen van de advertentie van 11 januari 2013 en het doen van de uitlatingen zoals die op 14 januari 2013 in DistriFood zijn gepubliceerd, zijn naar het oordeel van de rechtbank tekortkomingen als bedoeld in de artikelen 26.1c en 26.1h FO. Gelet op de onomkeerbaarheid van de tekortkomingen en de uitdrukkelijke schriftelijke waarschuwing van Jumbo van 4 december 2012 (prod.44 van Jumbo) kunnen [gedaagden in conventie] zich er naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet op beroepen dat een sommatie als bedoeld in artikel 26.2 FO (zoals vereist in artikel 26.1h FO) heeft ontbroken.

7.13.

De rechtbank acht het invoelbaar en begrijpelijk dat [gedaagden in conventie] niet tevreden waren met de situatie zoals die in Bladel was ontstaan en dat zij vreesden voor omzetverlies, maar ook indien het zo is geweest dat Jumbo haar zorgplicht ten aanzien van de herindeling van het verzorgingsgebied van JS Bladel heeft geschonden, dan rechtvaardigde dit nog niet de handelwijze van [gedaagden in conventie] om hun toevlucht te zoeken in een openlijke prijsconcurrentie met de vestiging in Hapert en het in de pers naar buiten brengen van interne problemen binnen de Jumbo organisatie, wat de reputatie van Jumbo zou schaden.

Emballagestromen

7.14.

Vast staat dat de vier supermarktvestigingen van [gedaagden in conventie] in de periode van 2007 tot 2013 meer emballage aan Jumbo retour hebben geleverd dan zij van Jumbo hebben ontvangen. Jumbo heeft berekend dat de vestigingen Luyksgestel, Geldrop en Valkenswaard in 2012 samen voor een bedrag van € 931.771,- aan emballage van Jumbo geleverd hebben gekregen en voor een bedrag van € 3.703.398,- aan emballage aan Jumbo hebben geretourneerd. Luyksgestel heeft hierin het grootste aandeel gehad (prod.78 van Jumbo). [gedaagden in conventie] betwisten de juistheid van deze cijfers, maar hebben geen eigen cijfers gepresenteerd en hebben ter zitting erkend dat de aantallen zoals Jumbo die noemt wel ongeveer juist zijn. De cijfers zijn ook in lijn met de eigen financiële administratie van [gedaagden in conventie] . De rechtbank kan daarom ook zonder te beschikken over de precieze cijfers vaststellen dat [gedaagden in conventie] vanuit hun vier supermarkten substantieel meer emballage bij Jumbo hebben ingeleverd dan zij van Jumbo hebben ontvangen. Vast staat bovendien dat het hierbij vooral ging om kratten en rolcontainers die niet afkomstig waren uit de Jumbo Supply Chain of uit de reguliere inname van klanten. Een deel van de emballage was afkomstig uit België.

7.15.

Bij het KPMG-onderzoek is door personeel van [gedaagden in conventie] over de werkwijze ten aanzien van de (extra) emballage het volgende verklaard. In Luyksgestel werden twintig tot dertig keer per week aan de achterzijde van de winkel grote hoeveelheden emballage ingenomen (per keer zo’n 500 tot 600 kratten à € 3,86), waarvoor een handgeschreven emballagebon werd uitgeschreven. Het bedrag werd contant uitbetaald met geld uit de kluis. De klant werd niet gevraagd voor ontvangst te tekenen. De emballagebon werd in de kluis gelegd en minimaal eenmaal per week werden de bedragen van alle emballagebonnen in de kluis bij elkaar opgeteld en als totaalbedrag (vaak ronde bedragen van tienduizenden euro’s) op één van de kassa’s ingevoerd onder de knop “Retour Emballage Nonscan”. Na invoer in de kassa werden de handgeschreven emballagebonnen vernietigd.

7.16.

Uit deze beschrijving volgt onder meer dat de verwerking van de extra emballagestroom voor [gedaagden in conventie] nogal wat extra werkzaamheden meebracht, met name voor de vestiging in Luyksgestel maar gelet op de toch ook substantiële bedragen die omgingen in de vestigingen in Geldrop en Valkenswaard heeft dat ook voor die winkels gegolden. [gedaagden in conventie] voeren aan dat zij aan deze extra emballagestroom niet rechtstreeks geld verdienden, maar dat zij door de contante betalingen aan derden wel konden besparen op de kosten voor het transporteren en afstorten van contant geld en op verzekeringspremie (verlaging van veiligheidsrisico’s), welke voordelen opliepen tot ongeveer € 2.500,- per jaar per vestiging. Dat dit geringe financiële voordeel de reden zou zijn waarom [gedaagden in conventie] al dit extra werk zouden verrichten, acht de rechtbank niet erg aannemelijk. [gedaagden in conventie] hebben in dit verband aangevoerd dat zij de emballage ook innamen als extra service om klanten te binden, maar zij hebben dit niet nader onderbouwd. Zoals hierna nog aan de orde zal komen, hebben [gedaagden in conventie] verklaard niet te weten wie degenen zijn die de extra emballage hebben ingeleverd.

7.17.

Jumbo heeft al die jaren de emballage zonder protest ingenomen. Hoewel het volgens de cijfers van Jumbo al vanaf 2009 ging om grote hoeveelheden extra emballage, stelt Jumbo dat zij dit pas in 2012 heeft bemerkt. Dit is vreemd omdat Jumbo stelt dat voor deze hoeveelheden extra vrachtwagens nodig waren en dat zij een deel van de emballage (de van derden afkomstige rolcontainers) niet bij haar leverancier kon inleveren. Concrete aanwijzingen dat Jumbo al eerder dan in 2012 wist van de extra emballage zijn er echter niet. [gedaagden in conventie] voeren aan dat zij al die jaren steeds afstemming zochten met Jumbo over de emballage, dat Jumbo altijd op de hoogte is geweest van hun handelwijze en daar dankbaar gebruik van heeft gemaakt zodat zij minder emballage hoefde te huren, en zij beroepen zich in dit verband op een citaat uit een e-mailbericht uit 2010 dat staat in het KPMG-rapport (pag.18 van het rapport, prod.29 van Jumbo). De rechtbank volgt [gedaagden in conventie] hierin niet. Uit het KPMG-rapport en de daarin aangehaalde berichten blijkt wel dat [gedaagden in conventie] omstreeks eind 2010 / begin 2011 overleg hebben gehad met Jumbo over het innemen van extra emballage. [gedaagden in conventie] hebben toen aan Jumbo laten weten dat zij elke week extra emballage aangeleverd kregen van een handelaar en zij hebben Jumbo gevraagd of men interesse had in die extra emballage. Jumbo heeft destijds echter laten weten dat dit problemen zou kunnen opleveren met haar leverancier en dat zij geen belangstelling had. Dit wijst er op dat Jumbo in elk geval toen niet wist dat [gedaagden in conventie] feitelijk al langere tijd extra emballage retourneerden. Uit het KPMG-rapport blijkt dat Jumbo medio mei 2012 wist van die extra emballagestroom (pag.19 van het KPMG-rapport).

7.18.

Partijen zijn het er niet over eens wanneer Jumbo [gedaagden in conventie] voor het eerst over de emballage heeft aangesproken. Volgens Jumbo is dat geweest op 7 juni 2012. De heer [naam 7] (directeur Operations Jumbo) heeft ter zitting verklaard dat hij op die dag in Veghel een gesprek had met [gedaagde sub 5] waarin hij hem zou hebben gezegd dat er een einde moest komen aan de inname van de enorme hoeveelheden emballage. Ter onderbouwing heeft Jumbo overgelegd een e-mailbericht van zondag 10 juni 2012 van [naam 7] aan de heer [naam 11] (Jumbo) waarin onder meer staat: “Ik heb met [gedaagde sub 5] gesproken en gezegd dat met onmiddellijke ingang (afgelopen vrijdag) gestopt moet worden met het extra inleveren van rolly’s en CBL kratten. [gedaagde sub 5] heeft toegezegd dit te doen. Wil jij hierop laten controleren?” (prod.35 van Jumbo). Volgens Jumbo is de instructie aan [gedaagden in conventie] daarna in diverse besprekingen opnieuw gegeven, onder andere op 10 en 25 oktober 2012.

[gedaagden in conventie] stellen dat zij over de emballage voor het eerst zijn aangesproken omstreeks oktober 2012, tegelijk met het bericht dat C1000 winkels in de buurt zouden worden omgebouwd naar de Jumbo formule. Vanwege de schok die dat laatste bericht bij [gedaagden in conventie] gaf, zou Jumbo ermee hebben ingestemd om de kwestie van de emballage even te parkeren. Aan een gesprek met [naam 7] op 7 juni 2012 over de emballage heeft [gedaagde sub 5] op zitting verklaard geen herinnering te hebben.

7.19.

Gelet op de betwisting door [gedaagden in conventie] staat niet vast dat zij op 7 juni 2012 voor het eerst mondeling zijn aangesproken over de emballage, maar gelet op de verklaring van [naam 7] , die wordt ondersteund door het overgelegde e-mailbericht van 10 juni 2012, en gelet op het niet concreet onderbouwde verweer van [gedaagden in conventie] acht de rechtbank het wel aannemelijk. Zeker is dat zij uiterlijk in oktober 2012 door Jumbo hierover zijn aangesproken. Dit hebben zij erkend en volgt ook uit een brief van Jumbo aan [gedaagden in conventie] van 7 november 2012 waarin Jumbo aan de kwestie refereert (prod.42 van Jumbo). Jumbo heeft toen gevraagd om een voorstel van [gedaagden in conventie] ten aanzien van de schade die zij had geleden door de inname van de grote hoeveelheden emballage van [gedaagden in conventie] . [gedaagden in conventie] wisten dus in ieder geval in oktober 2012 dat zij moesten stoppen met het aanbieden van de extra emballage. Toch zijn [gedaagden in conventie] daarmee ook daarna nog doorgegaan. Ook volgens de verklaringen van [gedaagden in conventie] is daaraan pas een einde gekomen in het voorjaar van 2013. Jumbo heeft de normalisering van de emballagestroom geconstateerd in haar brief van 3 mei 2013 (prod.31 van Jumbo) en daarin [gedaagden in conventie] gesommeerd te bevestigen dat zij binnen twee weken (ook) hun emballageadministratie op orde zouden hebben.

7.20.

Doordat [gedaagden in conventie] werkten met contante betalingen zonder kwijtingsbewijzen en doordat emballagebonnen verzameld werden ingevoerd in de kassa en vervolgens werden weggegooid, kon uit de administratie van de vestigingen niet worden nagegaan door wie en wanneer welke emballage was ingeleverd tegen betaling van welk bedrag. Jumbo heeft [gedaagden in conventie] gevraagd wie degenen waren die deze emballage bij hen inleverden. Zij hebben verklaard niet te weten wie dit waren. Tegenover KPMG hebben [gedaagden in conventie] verklaard dat de emballage afkomstig was van verenigingen en particulieren die na een feestje grotere hoeveelheden emballage terugbrachten, en ook van tuinders en fruittelers die na een bezoek aan de veiling hun kratten direct wilden inleveren. [gedaagden in conventie] zouden de inname in 2013 hebben gestopt door het ophangen van een bericht op de deur van de verschillende vestigingen.

De rechtbank acht niet geloofwaardig dat men bij de winkels van Jumbo niet wist welke verenigingen of tuinders of fruittelers emballage kwamen inleveren. Deze personen of bedrijven bezochten de winkels immers al jarenlang wekelijks, werden dan aan de achterzijde van de winkel geholpen en leverden daar grote hoeveelheden emballage in waarvoor grote bedragen in contanten werden uitbetaald.

7.21.

In het onderzoeksrapport dat is opgesteld door de eigen bedrijfsrecherche van Jumbo staat onder meer genoteerd:

(..) Op zaterdag 9 februari 2013 omstreeks 20.20 uur zagen wij dat er een truck (..) met een oplegger zonder uiterlijke kenmerken (..) kwam lossen. Omstreeks 21.00 uur is deze wagen weer weggereden. Wij zijn deze gevolgd en zagen dat deze wagen weggezet werd bij [naam 6] Handelsonderneming [adres]

Via internet hebben we kunnen constateren dat dit bedrijf handelt in supermarkt attributen. Vandaar uit zijn er diverse mogelijkheden hoe deze goederen bij de Jumbo komen. (..) Op zondag 10 februari omstreeks 15.00 uur hebben wij kunnen constateren dat er in het magazijn van de Jumbo in Luijcksgestel een grote hoeveelheid zwarte kratten staat opgesteld om mee te worden gegeven met de vrachtwagen die op maandag komt om emballage te vervoeren naar Veghel.(..)

7.22.

[gedaagden in conventie] hebben naar aanleiding hiervan verklaard dat de heer [naam 6] wekelijks slechts kleine hoeveelheden kratten inleverde die hij zou hebben geleend voor het vervoer van gratis oud brood en groenteafval voor zijn hobbydieren. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, ook al heeft [naam 6] dit zelf ook zo verklaard (prod.101 en 102 van [gedaagden in conventie] ). Uit de observatie blijkt immers dat [naam 6] gebruik maakte van een vrachtwagen met oplegger en dat na zijn bezoek een grote hoeveelheid kratten in het magazijn stond. De observator heeft bovendien geconstateerd dat het bedrijf van [naam 6] op internet te vinden is als bedrijf dat handelt in supermarktattributen. Dit alles is door [gedaagden in conventie] niet weersproken. Ter zitting hebben [gedaagden in conventie] erkend dat in de gegevens van de Kamer van Koophandel valt te lezen dat [naam 6] handelt in emballage maar hebben zij volhard in hun stelling dat zij alleen met hem handelden in diens hoedanigheid van hobbyboer. Gezien het voorgaande acht de rechtbank dit niet geloofwaardig.

7.23.

Jumbo stelt dat zij door de inname van de emballage aanzienlijke schade heeft geleden. In de dagvaarding heeft zij een bedrag genoemd van € 1,6 miljoen. Nadien heeft Jumbo dit bedrag verlaagd tot € 874.700,-, bestaande uit (1) € 630.000,- wegens 27.000 overtollige rolcontainers (waarvoor Jumbo € 60,- statiegeld per rolcontainer aan [gedaagden in conventie] heeft uitbetaald, terwijl Jumbo er 15.000 heeft weten te verkopen voor € 30,- per stuk en 12.000 voor € 45,- per stuk), (2) € 181.106,- wegens additionele handlingskosten (2.012.084 kratten over de jaren 2009-2012 maal € 0,09 per krat)(prod.83 van Jumbo), en (3) € 63.594,30 wegens interne en externe onderzoekskosten (€ 43.594,30 voor de KPMG-rapportage en € 20.000,- overige onderzoekskosten)(prod.84 van Jumbo).

[gedaagden in conventie] betwisten deze schade. Zij betwisten in de eerste plaats dat de rolcontainers die nu bij Jumbo staan door hen zijn ingeleverd. Subsidiair betwisten zij de genoemde aantallen rolcontainers en dat deze niet de volledige emballagewaarde zouden vertegenwoordigen. Zij missen een onderbouwing van de gehanteerde cijfers. De handlingskosten komen volgens [gedaagden in conventie] niet voor vergoeding in aanmerking omdat alle franchisenemers een algemene vergoeding betalen voor de verwerking van de emballage. De btw over de onderzoekskosten van KPMG draagt Jumbo niet en kan zij dus niet als schade vorderen, aldus [gedaagden in conventie] .

7.24.

De rechtbank is van oordeel dat de exacte hoogte van de schade die Jumbo heeft geleden thans niet kan worden vastgesteld. Daarvoor ontbreekt vooralsnog een voldoende onderbouwing van onder andere het aantal overtollige rolcontainers. Wel aannemelijk is dat Jumbo door de handelwijze van [gedaagden in conventie] schade heeft geleden. Jumbo is immers ongevraagd voorzien van een grote hoeveelheid emballage die niet door Jumbo in omloop was gebracht en waarvan de leverancier niet bekend was. Jumbo heeft deze emballage moeten vergoeden, vervoeren en opslaan en een deel van deze emballage bleek overtollig en kon zij niet inleveren bij haar eigen leverancier. Dat zij de emballage tegen een lager bedrag dan de door haar aan [gedaagden in conventie] betaalde emballagewaarde heeft verkocht heeft Jumbo met stukken onderbouwd (prod.85 van Jumbo). Dat deze emballage de volledige emballagewaarde zou hebben gehad en dat Jumbo een tekort zou hebben gehad aan emballage en daarom voordeel zou hebben genoten van deze extra emballage, is door [gedaagden in conventie] wel gesteld maar niet onderbouwd.

7.25.

Over de vraag of hier sprake is geweest van een tekortschieten door [gedaagden in conventie] in de zin van de beëindigingsregeling overweegt de rechtbank het volgende.

7.26.

In de regels voor het afhandelen van emballage (artikel 18 FO en het Handboek Supply Chain, prod.36 en 37 van Jumbo) valt niet te lezen dat het franchisenemers niet is toegestaan om meer emballage in te leveren dan zij van Jumbo hebben ontvangen. Uit het gebruik in de contractdocumentatie van de term “retouren” valt echter wel af te leiden dat het daarbij moet gaan om het (terug)leveren aan Jumbo van emballage die eerder door Jumbo is uitgeleverd. Partijen zijn het er ook over eens dat Jumbo op grond van artikel 23.5 FO niet verplicht was emballage die niet van haarzelf afkomstig was in ontvangst te nemen. Gelet hierop, en gelet op de afwijzende reactie van Jumbo in 2011 op het aanbod van [gedaagden in conventie] om extra emballage aan te leveren, mochten [gedaagden in conventie] er naar het oordeel van de rechtbank niet vanuit gaan dat Jumbo instemde met hun handelwijze, ook al werd de emballage lange tijd feitelijk door Jumbo ingenomen en vergoed. Waarschijnlijk al in juni 2012 maar zeker in oktober 2012 zijn [gedaagden in conventie] door Jumbo aangesproken over de emballage en over de schade die dit voor Jumbo met zich bracht. Desondanks hebben zij hun handelwijze voortgezet en hebben zij pas in het voorjaar van 2013 de inname en doorlevering van extra emballage gestopt. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagden in conventie] hun verplichtingen uit de FO’s niet zijn nagekomen (artikel 7.1 FO).

7.27.

[gedaagden in conventie] hebben bovendien ten aanzien van de door hen ingenomen extra emballage een gebrekkige administratie gevoerd en hebben niet aannemelijk kunnen maken welk voordeel zij hadden bij de extra emballagestroom. Door dit alles heeft bij Jumbo het vermoeden kunnen doen ontstaan dat sprake was van fraude. In het onderzoek dat volgde hebben [gedaagden in conventie] vervolgens geen volledige openheid van zaken gegeven door geen duidelijkheid te verschaffen over de herkomst van de door hen ingenomen emballage. Jumbo heeft door dit alles schade geleden en [gedaagden in conventie] hebben op enig moment wel aangegeven onder voorwaarden bereid te zijn om kratten van Jumbo terug te nemen, maar uit de opstelling van [gedaagden in conventie] blijkt niet dat zij de ernst van de situatie hebben onderkend en in deze kwestie hun verantwoordelijkheid hebben genomen. Ook in die zin is hier naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een tekortschieten door [gedaagden in conventie] als franchisenemers.

7.28.

Dat is voldaan aan de in artikel 26.1h FO voor opzegging gestelde voorwaarde dat een sommatie is gegeven waaraan geen gehoor is gegeven, staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast. Niet zeker is wanneer [gedaagden in conventie] precies door Jumbo zijn aangesproken en of daarbij een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 26.2 FO. Het ontbreken van een sommatie zou evenwel niet in de weg hebben gestaan aan een beroep van Jumbo op ontbinding op grond van artikel 6:265 BW.

Vleesetikettering

7.29.

In de artikelen 10.5 en 23.2 FO staat dat franchisenemers de producten die zij bij derden inkopen en die niet zijn opgenomen in de Centrale Assortiment Database van Jumbo dienen in te voeren in de Lokale Assortiment Database. In het HJF is voor deze zogenaamde niet geconcentreerde producten bepaald dat deze nooit een Jumbo etiket mogen bevatten en dat de franchisenemer moet zorgen voor eigen etiketten waarvoor hij zelf de ingrediënten en prijzen opvoert en onderhoudt. In het HJF wordt hierbij de waarschuwing gegeven te letten op het gebruik van de juiste PLU-codes.

7.30.

Vast staat dat [gedaagden in conventie] in al hun vestigingen voor wat betreft de onbewerkte vleesproducten die zij inkochten bij [naam 1] niet werkten volgens deze regels. Hoewel zij deze producten niet bij Jumbo inkochten, gebruikten zij daarvoor wel Jumbo etiketten en de centrale PLU-codes die door Jumbo werden gegenereerd. Op die etiketten kwamen dan automatisch onder meer de omschrijving, de ingrediënten, de bereidingswijze, eventuele allergeneninformatie en de prijsstelling te staan zoals deze centraal bij Jumbo waren ingevoerd. Het zogenaamde traceabilitykader op de etiketten, met daarin aangeduid het land van geboorte, mesten, slachten en uitsnijden, werd door [gedaagden in conventie] handmatig ingevoerd. Voor bewerkte vleesproducten die zij zelf inkochten gebruikten [gedaagden in conventie] wel eigen PLU-codes. Naar zij stellen was dit omdat de ingrediënten van die producten niet altijd precies gelijk waren aan de ingrediënten van de producten van de vaste leveranciers van Jumbo.

7.31.

Door deze werkwijze van [gedaagden in conventie] heeft het in februari 2014 kunnen gebeuren dat op onbewerkt Nederlands rundvlees dat [gedaagden in conventie] hadden ingekocht bij hun eigen vleesleverancier een Jumbo etiket is aangebracht waarop als land van geboorte, mesten, slachten en uitsnijden staat vermeld “Nederland” (handmatig ingevoerd door [gedaagden in conventie] ) maar waarop in de omschrijvende tekst stond vermeld “Iers rundvlees” omdat Jumbo ten aanzien van de (Ierse) runderriblappen die zij inkocht bij haar vaste leveranciers had besloten dit voortaan in de omschrijving te vermelden. Deze ongerijmdheid op het vleesetiket is opgemerkt door een klant van de winkel in Valkenswaard, die daarover een klacht heeft ingediend. Deze klacht heeft voor veel ophef gezorgd.

7.32.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [gedaagden in conventie] lange tijd niet conform de FO en het HJF hebben gehandeld door centrale PLU-codes voor producten uit de Centrale Assortiment Database van Jumbo te gebruiken bij het etiketteren van zelf ingekochte vleesproducten. [gedaagden in conventie] hadden weliswaar een vrijstelling voor de regels over orderconcentratie en mochten hun vlees bij hun eigen leverancier inkopen, maar anders dan zij (zouden) hebben verondersteld betekende dit niet dat hun eigen leverancier had te gelden als contractleverancier waarvoor zij centraal aangemaakte etiketgegevens mochten gebruiken. Een van de redenen dat centrale PLU-codes alleen mogen worden gebruikt voor vlees van de contractleveranciers van Jumbo is immers dat Jumbo de juistheid van de gegevens die zij aan centrale PLU-codes koppelt alleen kan garanderen voor de producten die zij bij haar contractleveranciers inkoopt en niet voor producten die [gedaagden in conventie] bij hun eigen leverancier inkopen en waar Jumbo geen zicht op heeft.

7.33.

De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat [gedaagden in conventie] niet bekend waren met de regels voor het gebruik van de PLU-codes. Jumbo heeft gesteld en [gedaagden in conventie] hebben niet onderbouwd weersproken dat de regels over de etikettering in 2011 in het HJF zijn opgenomen en sindsdien niet zijn gewijzigd. [gedaagden in conventie] hebben in 2012 door het ondertekenen van de nieuwe set contractdocumentatie van Jumbo verklaard toegang te hebben verkregen tot de Jumbo Handboeken, daarvan kennis te hebben genomen en de daarin opgenomen bepalingen te zullen naleven. Dat Jumbo op 23 mei 2014 in een memo aan haar advocaat mr. Jansen een toelichting heeft gegeven over het gebruik van PLU-codes en over hoe het etiketteren van weegschaal artikelen bij Jumbo winkels feitelijk in zijn werk gaat, betekent niet dat de regels hierover niet duidelijk zouden zijn geweest, zoals [gedaagden in conventie] stellen.

7.34.

In de regels over het etiketteren is geen onderscheid gemaakt tussen bewerkte en onbewerkte producten en de rechtbank ziet ook niet in waarom [gedaagden in conventie] mochten menen dat deze regels alleen golden voor bewerkte producten, met meerdere ingrediënten. De toelichting van [gedaagden in conventie] dat dit ‘logisch’ zou zijn omdat een onbewerkte riblap nu eenmaal altijd bestaat uit een en hetzelfde ingrediënt, ongeacht van welke leverancier hij afkomstig is, overtuigt de rechtbank niet omdat aan de centrale PLU-codes meer gegevens worden gekoppeld dan alleen de ingrediënten.

7.35.

[gedaagden in conventie] beroepen zich er onder meer op dat het systeem van vrije PLU-codes een onwerkbaar systeem was. [gedaagden in conventie] voeren in dit verband onder meer aan dat er binnen de productgroep vlees slechts 100 vrije PLU-codes beschikbaar waren, terwijl zij zo’n 350 tot 400 vleesproducten lokaal inkochten. Uit de correspondentie tussen partijen van ná februari 2014 blijkt dat er ook andere vrije ranges konden worden gebruikt en dat het ook mogelijk was een geheel nieuwe range aan te maken met 1000 vrije PLU-codes. Dat [gedaagden in conventie] dit eerder niet wisten komt naar het oordeel van de rechtbank voor hun rekening en risico. Indien zij niet konden werken volgens de regels omdat zij vanwege hun ruime vrijstelling zoveel producten zelf inkochten dat daarvoor niet voldoende vrije PLU-codes beschikbaar waren, dan had het op hun weg gelegen om eerder bij Jumbo navraag te doen naar en aan te dringen op het beschikbaar stellen van extra vrije PLU-codes.

7.36.

De rechtbank is van oordeel dat er vanuit moet worden gegaan dat [gedaagden in conventie] wisten dat het gebruik van de centrale PLU-codes niet was toegestaan voor eigen inkoop, maar dat zij deze codes voor onbewerkte producten toch gebruikten uit praktische overwegingen en omdat Jumbo hen er nooit op heeft aangesproken. Dit blijkt onder meer uit de reactie van [gedaagde sub 6] op het e-mailbericht van Jumbo van 14 februari 2014 waarin hij door Jumbo op het verkeerd gebruik van de PLU-codes werd aangesproken (prod.21 van Jumbo). Hij laat daarin zijn onvrede blijken over het feit dat Jumbo niet bereid is de etikettering van bijkoop te ondersteunen en beroept zich er op dat er in het verleden over zulke kwesties ‘niet moeilijk werd gedaan’. Uit de reactie blijkt op geen enkele wijze dat hij niet op de hoogte zou zijn geweest van de regels of dat hij in de veronderstelling was dat hij volgens de regels handelde.

7.37.

Jumbo heeft [gedaagden in conventie] pas aangesproken op het verkeerd gebruik van de PLU-codes nadat zich medio februari 2014 het incident met het “Iers rundvlees” had voorgedaan. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat Jumbo eerder niet wist dat [gedaagden in conventie] centrale PLU-codes voor hun eigen vleesproducten gebruikten. Zo blijkt uit correspondentie met Jumbo uit juli 2013 over de etikettering van gehakt dat het gebruik van centrale PLU-codes door [gedaagden in conventie] toen aan de orde is geweest. De winkels van [gedaagden in conventie] werden bovendien wekelijks door Jumbo bezocht en er zijn in de loop van de tijd verschillende audits uitgevoerd waarbij allerhande detailcontroles plaatsvonden, onder meer op het gebied van etikettering. Jumbo, die wist dat [gedaagden in conventie] hun vleesproducten voor een belangrijk deel lokaal inkochten, heeft bij die bezoeken en audits moeten zien dat de vleesproducten in afwijking van de daarvoor geldende regels waren voorzien van Jumbo etiketten, maar heeft [gedaagden in conventie] daar niet op aangesproken.

7.38.

Na het incident heeft Jumbo in haar brief van 26 februari 2014 [gedaagden in conventie] gesommeerd om binnen uiterlijk vijf dagen schriftelijk te bevestigen dat zij zich in de toekomst zullen onthouden van het gebruiken van bestaande PLU-codes van een bepaald product ten behoeve van een ander product (prod.19 van Jumbo). Uit het gesprek dat zij op 27 februari 2014 per telefoon hierover voerden met Jumbo, moest het [gedaagden in conventie] duidelijk zijn dat Jumbo de zaak hoog opnam en dat zij dus de nodige zorgvuldigheid moesten betrachten in hun reactie. Anders dan [gedaagden in conventie] thans bepleiten valt in hun brief van 1 maart 2014 (prod.20 van Jumbo) niet te lezen dat zij Jumbo de gevraagde bevestiging hebben gegeven. In hun brief hebben [gedaagden in conventie] de schuld voor het incident volledig bij Jumbo gelegd. Zij hebben aangegeven altijd te hebben voldaan en ook te zullen blijven voldoen aan de eisen die de Nederlandse wet stelt aan etikettering (daarmee doelend op traceerbaarheidseisen) en er alles aan te zullen doen om hetgeen is voorgevallen niet meer te laten gebeuren, maar de toezegging dat zij geen gebruik meer zullen maken van de centrale PLU-codes voor eigen inkoop hebben zij niet gedaan. De verantwoordelijkheid voor het voorkomen van nieuwe incidenten hebben zij in deze brief bij Jumbo gelegd, die daartoe haar centrale systeem en werkwijze zou moeten aanpassen. Uit deze reactie heeft Jumbo kunnen begrijpen dat [gedaagden in conventie] niet voornemens waren voortaan met vrije PLU-codes te gaan werken en feitelijk zijn [gedaagden in conventie] dat na 1 maart 2014 ook niet gaan doen. Zij hebben naar zij zelf stellen nog een tijd gebruik gemaakt van de centrale codes, waarbij zij de teksten op de etiketten handmatig zijn gaan aanpassen/controleren. Pas op 3 juli 2014, derhalve ruim nadat Jumbo de samenwerking met hen had opgezegd, hebben [gedaagden in conventie] alsnog aan Jumbo toegezegd er voor te gaan zorgen dat er volgens de regels van Jumbo zal worden geëtiketteerd (prod.85 van [gedaagden in conventie] ).

7.39.

De rechtbank is van oordeel dat zich hier de situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 26.1h FO. Het moge zo zijn, zoals [gedaagden in conventie] aanvoeren, dat Jumbo al lange tijd wist dat [gedaagden in conventie] niet de juiste PLU-codes gebruikten voor hun lokaal ingekochte vlees, en dat zij daar door Jumbo lange tijd niet expliciet op zijn aangesproken, dat neemt niet weg dat zij na het incident in Valkenswaard door Jumbo uitdrukkelijk zijn gesommeerd hun werkwijze aan te passen aan de daarvoor geldende regels, en dat zij aan die sommatie geen gehoor hebben gegeven. Dat Jumbo in haar sommatie een termijn heeft genoemd van vijf dagen, en niet van veertien dagen zoals in artikel 26.2 FO is voorgeschreven, acht de rechtbank hier niet relevant. De termijn van vijf dagen die Jumbo heeft gegeven ziet op de termijn waarbinnen Jumbo een toezegging wilde van [gedaagden in conventie] dat zij zich voortaan aan de regels zouden gaan houden. Mogelijk hadden zij meer tijd nodig om hun werkwijze aan te passen, maar [gedaagden in conventie] hadden wel binnen die vijf dagen kunnen toezeggen dát zij hun werkwijze zo spoedig mogelijk zouden gaan aanpassen en de Jumbo regels inzake etikettering zouden gaan naleven. [gedaagden in conventie] hebben binnen vijf dagen gereageerd maar de gevraagde toezegging niet gedaan. In hun reactie van 1 maart 2014 hebben zij daarentegen de verantwoordelijkheid voor het incident, en ook voor het voorkomen van incidenten in de toekomst, volledig bij Jumbo neergelegd.

7.40.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft zich hier tevens de opzeggingsgrond van artikel 26.1c FO voorgedaan. De handelwijze van [gedaagden in conventie] heeft geleid tot een fout in de etikettering waarover een klacht is ingediend en waarover berichten zijn verschenen in tal van regionale en landelijke media en in de vakpers. Ook zijn er vragen over gesteld in de Tweede Kamer en heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit contact opgenomen met Jumbo. Het moge zo zijn, zoals [gedaagden in conventie] aanvoeren en Jumbo ook niet betwist, dat het vlees van prima kwaliteit was en dat de voedselveiligheid nooit in gevaar is geweest, het incident heeft wel voor veel ophef gezorgd, hetgeen te begrijpen valt nu voedselveiligheid een gevoelig onderwerp is en kort daarvoor elders in het land ernstige voedselfraudes met vlees aan het licht waren gekomen. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat het incident de goede naam en/of reputatie van Jumbo heeft geschaad.

Formele beëindigingsgronden

7.41.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagden in conventie] in verband met de drie hiervoor besproken incidenten zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de FO’s. Het is juist, zoals [gedaagden in conventie] aanvoeren, dat niet alle incidenten hebben plaatsgevonden bij alle vier vennootschappen, maar wel hebben bij alle vier vennootschappen meerdere tekortkomingen plaatsgevonden als genoemd in artikel 26.1 FO. Het niet naleven van de regels voor vleesetikettering vond plaats bij alle vier vestigingen.

7.42.

De vraag of Jumbo de FO’s mocht beëindigen moet in beginsel per afzonderlijke vennootschap worden beantwoord, kijkend naar de tekortkomingen door die vennootschap. Toch kunnen de tekortkomingen van de andere vennootschappen hierbij (indirect) ook een rol spelen. De vennootschappen staan immers alle onder leiding van [gedaagde sub 5 en 6] en Jumbo baseert haar opzegging in essentie op het komen te ontbreken van vertrouwen in (de zakelijke moraliteit van) de leiding van de vennootschappen. Dat vertrouwen is weggevallen door de incidenten die zich hebben voorgedaan bij de verschillende vennootschappen. In zoverre hebben deze incidenten zijn weerslag op alle vier vennootschappen en heeft Jumbo deze ook ten aanzien van alle vier mogen meenemen in haar besluit.

Rechtsverwerking

7.43.

[gedaagden in conventie] beroepen zich er op dat Jumbo haar beweerdelijke recht om de overeenkomsten op te zeggen heeft verwerkt voor zover dit is gegrond op het plaatsen van de niet toegestane advertentie en op de emballagekwestie. Volgens hen zijn deze zaken destijds met Jumbo besproken en mochten zij er op vertrouwen dat zij naar tevredenheid van Jumbo waren opgelost. [gedaagden in conventie] menen dat het Jumbo daarom niet vrij stond om (ruim) een jaar later, in maart 2014, alsnog op grond van deze kwesties te besluiten tot opzegging van de relatie.

7.44.

De rechtbank acht in dit verband het volgende van belang. In een brief van 14 januari 2013 zijn [gedaagden in conventie] door Jumbo in scherpe bewoordingen aangesproken over het plaatsen van de pijsvergelijkende advertentie en gesommeerd hiermee te stoppen. Op 16 februari 2013 hebben [gedaagden in conventie] toegezegd zich voortaan aan de Jumbo regels te zullen houden. Jumbo heeft destijds geen reden gezien de relatie met [gedaagden in conventie] vanwege deze kwestie te beëindigen en zoals eerder is overwogen staat niet vast dat [gedaagden in conventie] nadien opnieuw in strijd met de regels hebben geadverteerd. Omstreeks diezelfde tijd dat de prijsoorlog in Bladel speelde, was het onderzoek gaande van Jumbo naar de hoge emballageretouren van [gedaagden in conventie] . In mei 2013 heeft Jumbo vastgesteld dat die retourstroom was genormaliseerd en heeft zij [gedaagden in conventie] gesommeerd ook hun emballageadministratie in orde te maken. Ook toen heeft Jumbo geen aanleiding gezien de relatie met [gedaagden in conventie] op te zeggen maar heeft zij [gedaagden in conventie] over de emballagekwestie wel aangesproken in niet mis te verstane bewoordingen. Jumbo wilde ook schadevergoeding ontvangen van [gedaagden in conventie] en zij betrok dat in haar gesprekken met [gedaagden in conventie] over de herindeling van hun verzorgingsgebieden.

7.45.

De rechtbank kan [gedaagden in conventie] volgen in hun standpunt dat het Jumbo in maart 2014 niet meer vrij stond om alsnog (enkel) vanwege deze twee kwesties de samenwerking te beëindigen. De beëindiging van 28 maart 2014 is echter niet uitsluitend op deze tekortkomingen van begin 2013 gebaseerd. Aan die beëindiging ligt juist ook de nadien opgekomen kwestie van de vleesetikettering ten grondslag. Dat [gedaagden in conventie] desgevraagd weigerden om volgens de binnen de formule geldende regels hun lokaal aangekochte vlees te gaan etiketteren gaf Jumbo de aanleiding en het formele recht om de relatie te beëindigen en bij haar beslissing tot beëindiging mocht zij betrekken dat die kwestie vooraf was gegaan door andere incidenten die de relatie tussen partijen al op scherp hadden gezet en tot schade hadden geleid. Het beroep op rechtsverwerking slaagt daarom niet. [gedaagden in conventie] mochten er in maart 2014 weliswaar op vertrouwen dat de kwesties uit 2013 zonder bijkomende omstandigheden niet meer tot een opzegging door Jumbo zouden leiden, maar zij moesten wel begrijpen dat zij door hun handelwijze in die eerdere kwesties hun krediet bij Jumbo hadden verspeeld en dat zij met een nieuwe tekortkoming de samenwerking op het spel zouden zetten.

Artikel 6:248 lid 2 BW

7.46.

[gedaagden in conventie] doen een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

7.47.

Ter onderbouwing van dit beroep voeren zij samengevat het volgende aan. Zij hadden geen juridische bijstand bij de totstandkoming van het beëindigingsbeding van artikel 26.1 FO, dat ook niet onderhandelbaar was, en hebben zich niet gerealiseerd waar zij voor tekenden. Zij waren voor de voortzetting van hun bedrijf afhankelijk van Jumbo en moesten de FO’s dus wel ondertekenen. Hoewel Jumbo begin 2012 al wist dat zij de C1000 supermarkten ging ombouwen naar haar eigen formule, heeft ze dit bij het sluiten van de FO’s niet aan [gedaagden in conventie] verteld. Jumbo hield hen daarentegen voor dat zij monopolist in De Kempen zouden blijven. Partijen werkten al heel lang samen en de incidenten werden veroorzaakt door een verstoring van de relatie tussen partijen na de opening van Jumbo Hapert. Jumbo heeft zelf boter op het hoofd en meet met twee maten want zij wist van de emballagestroom en van de werkwijze van [gedaagden in conventie] bij het etiketteren van hun vlees, en zij wist ook dat ook door andere franchisenemers veel fouten worden gemaakt met de vleesetikettering waartegen door haar niet wordt opgetreden. De incidenten hebben bij Jumbo bovendien niet tot aantoonbare onherstelbare schade geleid. De belangen van [gedaagden in conventie] bij het voortduren van de relatie zijn groot; zij hebben met het oog daarop investeringen gedaan en door te ondernemen voorzien zij in het levensonderhoud van zichzelf en hun 550 werknemers. Een voortijdige beëindiging van de samenwerking zou hen een schadepost opleveren van ruim € 10 miljoen.

7.48.

Het antwoord op de vraag of de redelijkheid en billijkheid aan de gebruikmaking van een contractuele bevoegdheid in de weg staan, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en verdere inhoud van de overeenkomst, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich van de strekking van het beding bewust is geweest.

7.49.

De rechtbank overweegt dat hier sprake is van een franchiserelatie en dat de aard van die relatie meebrengt dat sprake is van een zekere onevenwichtigheid tussen partijen. Dit geldt zeker indien de franchisegever een grote marktpartij is, zoals Jumbo was ten tijde van het sluiten van de FO’s in 2012. De contractdocumentatie is op centraal niveau binnen de franchiseorganisatie vastgesteld door het bestuur van Jumbo in samenspraak met het bestuur van de ondernemingsvereniging, dat daarbij de belangen heeft behartigd van de franchisenemers. [gedaagden in conventie] hebben als individuele franchisenemers geen rechtstreekse invloed kunnen uitoefenen op de tekst van de FO, gelet op het begrijpelijke streven van Jumbo naar uniformiteit binnen de organisatie. [gedaagden in conventie] hadden in 2012 dan ook weinig andere keus dan de FO’s met daarin de ruime beëindigingsregeling van artikel 26.1 te aanvaarden, indien zij hun jarenlange samenwerking met Jumbo wilden voortzetten. Overigens is niet gesteld of gebleken dat [gedaagden in conventie] pogingen hebben gedaan om de tekst van de door hen te ondertekenen FO, bijvoorbeeld voor wat betreft artikel 26.1, gewijzigd te krijgen. Dat [gedaagden in conventie] zich niet hebben gerealiseerd waar zij voor tekenden acht de rechtbank niet aannemelijk. [gedaagde sub 5 en 6] zijn ervaren supermarktondernemers en voeren de leiding over een grote onderneming met 550 medewerkers en een jaaromzet van ruim € 56 miljoen (2013) zodat mag worden verwacht dat zij zich hebben laten voorlichten over de inhoud en reikwijdte van de FO’s alvorens deze te ondertekenen. Zij hadden een jarenlange ervaring in de samenwerking met Jumbo en zij hebben met Jumbo verschillende individuele afspraken gemaakt voor hun vier supermarkten die zijn neergelegd in de verschillende Afsprakenbrieven. Aangenomen moet dan ook worden dat zij er in 2012 bewust voor hebben gekozen hun jarenlange profijtelijke samenwerking met Jumbo voort te zetten, en uit te breiden met een vestiging in Bladel, ook onder het regime van de nieuwe FO’s, inclusief de daarin opgenomen beëindigingsregeling, en de Afsprakenbrieven.

7.50.

De ruime formulering van de beëindigingsregeling in de FO betekent niet dat elke tekortkoming, ongeacht de aard of ernst daarvan, kan leiden tot een rechtsgeldige opzegging door Jumbo. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat Jumbo, in de bijzondere relatie die zij heeft met haar franchisenemers, terughoudend moet zijn bij het gebruik maken van die beëindigingsregeling. Het komt immers in elke samenwerkingsrelatie voor dat niet alles stipt volgens de afspraken verloopt en de belangen van de franchisenemer bij voortzetting van de relatie zijn in het algemeen groot. Niet elke overtreding van de regels door [gedaagden in conventie] kon daarom tot een rechtsgeldige beëindiging leiden. In het onderhavige geval was er echter meer aan de hand dan slechts een enkele overtreding van de regels.

7.51.

In de tweede helft van 2012 ontstonden spanningen in de relatie tussen partijen door de opening van Jumbo Hapert en de daarmee samenhangende herverdeling van het verzorgingsgebied van JS Bladel, die in de ogen van [gedaagden in conventie] niet was toegestaan en waarvoor [gedaagden in conventie] meer compensatie wilden dan Jumbo hen wilde bieden (meer hierover in de reconventie). Dit heeft geleid tot het incident met de prijsvergelijkende advertentie. Een tekortkoming die door JS Bladel is begaan vanuit het gevoel dat zij met de rug tegen de muur stond, maar die haar niettemin kan worden toegerekend. Overigens heeft deze tekortkoming slechts een beperkte rol gespeeld bij het besluit van Jumbo om tot opzegging over te gaan.

7.52.

In de tweede helft van 2012 kwam ook de al jarenlang bestaande extra emballagestroom van [gedaagden in conventie] aan het licht, waarover zij door Jumbo zijn aangesproken. Jumbo wilde dat het zou stoppen en wilde dat [gedaagden in conventie] de schade zou vergoeden. In het voorjaar van 2013 bleek dat [gedaagden in conventie] nog altijd extra emballage innamen en kwam Jumbo door het onderzoek van onder andere KPMG meer te weten over de handelwijze van [gedaagden in conventie] en het ontbreken van een deugdelijke registratie en administratie van de ingenomen emballage. Op vragen aan [gedaagden in conventie] over de herkomst van de emballage kreeg Jumbo het ongeloofwaardige antwoord dat men dat niet zou weten, wat Jumbo kon sterken in haar vermoeden dat sprake was van fraude. [gedaagden in conventie] hebben zich naar Jumbo toe bovendien niet verantwoordelijk getoond voor de schade die Jumbo leed door de extra emballage. Jumbo had alle reden deze kwestie rondom de extra emballagestroom zwaar op te nemen. Dat de ontoelaatbare handelwijze van [gedaagden in conventie] jarenlang heeft kunnen duren omdat Jumbo dit niet eerder heeft opgemerkt of althans hen daarop niet eerder heeft aangesproken, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de ernst van de tekortkoming niet af en het heeft [gedaagden in conventie] dan ook niet kunnen verbazen dat deze kwestie de relatie tussen partijen, die door het incident met de prijsvergelijkende advertentie al gespannen was, verder op scherp heeft gezet, wat door Jumbo destijds ook met zoveel woorden aan [gedaagden in conventie] te kennen is gegeven.

7.53.

De spreekwoordelijke druppel die de emmer voor Jumbo heeft doen overlopen is het incident met het “Iers” rundvlees geweest. Vast staat dat [gedaagden in conventie] zich willens en wetens niet aan de regels voor het gebruik van centrale en lokale PLU-codes hebben gehouden, waardoor een incident als dat in Valkenswaard heeft kunnen gebeuren met als gevolg een boel negatieve berichtgeving in de media zoals bij een dergelijk incident te verwachten valt. Dat Jumbo al langere tijd moet hebben geweten dat [gedaagden in conventie] zich niet aan de regels hielden maar niet eerder heeft ingegrepen, betekent niet dat [gedaagden in conventie] in deze niets kan worden verweten. Bovendien heeft Jumbo hen na het incident uitdrukkelijk gevraagd om zich vanaf dat moment te committeren aan die regels en dat hebben zij toen niet gedaan. Hoewel zij uit een telefoongesprek van 27 februari 2014 wisten dat Jumbo de kwestie hoog op nam, hebben zij geen verantwoordelijkheid getoond, wat zij hadden kunnen doen door het boetekleed aan te trekken en beterschap te beloven. Zij hebben daarentegen in een kritische brief van 1 maart 2014 de verantwoordelijkheid voor het incident in Valkenswaard volledig bij Jumbo neergelegd en zich niet bereid getoond zich aan de regels van Jumbo te gaan houden. Naar het oordeel van de rechtbank is door het langdurig niet naleven van de etiketteringsregels en het vervolgens, na een serieus incident, niet tonen van bereidheid om die regels alsnog te gaan naleven, sprake geweest van een zeer ernstige tekortkoming van de kant van [gedaagden in conventie] .

7.54.

[gedaagden in conventie] verwijten Jumbo dat zij met twee maten meet omdat ook andere franchisenemers fouten hebben gemaakt met de vleesetikettering maar daarvoor niet zijn gestraft met een opzegging. Dat er bij andere vestigingen (ook) fouten zijn gemaakt is door Jumbo niet bestreden, maar daarmee is nog geen sprake van een meten met twee maten, gelet op de vele hiervoor genoemde bijkomende omstandigheden die Jumbo hebben gebracht tot het besluit om nu juist de relatie met [gedaagden in conventie] op te zeggen. Daargelaten wat de gevolgen daarvan zouden moeten zijn, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake geweest van een ongelijke behandeling van haar franchisenemers door Jumbo.

7.55.

Dat [gedaagden in conventie] een groot belang hebben bij voortzetting van de samenwerking met Jumbo staat vast. Het is weliswaar juist, zoals Jumbo aanvoert, dat de looptijden van de vier FO’s hoe dan ook beperkt waren, maar van de looptijden van met name JS Valkenswaard en JS Luyksgestel resteerde nog een aanzienlijke periode en mogelijk waren die looptijden te zijner tijd verlengd indien niet was opgezegd. [gedaagden in conventie] stellen dat de afspraken die op voorhand zijn gemaakt voor de situatie van een tussentijdse beëindiging en die zijn vastgelegd in de Afsprakenbrieven, nadelig uitpakken voor [gedaagden in conventie] . Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank worden bedacht dat [gedaagden in conventie] deze afspraken zelf zo met Jumbo hebben gemaakt en dat het in beginsel voor hun rekening en risico komt dat zij, zoals zij stellen, daarbij destijds niet hebben gedacht aan de mogelijkheid dat het initiatief voor een tussentijdse beëindiging ook van Jumbo kon uitgaan. Ook hier geldt dat [gedaagden in conventie] ondernemers zijn met jarenlange ervaring binnen de supermarktbranche en dat van hen mag worden verwacht dat zij zich goed laten voorlichten en adviseren alvorens zij een overeenkomst als die met Jumbo aangaan. [gedaagden in conventie] becijferen hun nadeel op een bedrag van ruim € 10 miljoen maar uit de opbouw daarvan (zie prod.130 van [gedaagden in conventie] ) blijkt dat daarin onder meer is begrepen een bedrag aan rendementsderving voor JS Bladel over de periode eind 2012 tot medio 2014 van ruim € 4,3 miljoen. Dit kan niet worden beschouwd als schade ten gevolge van de opzegging door Jumbo. [gedaagden in conventie] rekenen ook een bedrag van bijna € 3 miljoen voor schade wegens derving van huurinkomsten van het pand te Luyksgestel gedurende een periode van ruim 8,5 jaar, terwijl zij na de opzegging in dit pand kunnen doorgaan met de exploitatie van een supermarkt, zij het onder een andere formule, en dus wel degelijk huurinkomsten kunnen blijven ontvangen. [gedaagden in conventie] rekenen verder met een bedrag van ruim € 1,2 miljoen aan winstderving voor [gedaagden in conventie] Vers BV wegens omzet van de vier vestigingen gedurende een periode van ruim 8,5 jaar, terwijl de looptijden van drie vestigingen eerder zouden zijn afgelopen en zij aan de (grootste) vestiging in Luyksgestel kunnen blijven leveren wanneer die na de opzegging onder een andere formule doorgaat. Ook rekenen [gedaagden in conventie] met een bedrag van ruim € 1,1 miljoen euro aan winstderving van een nieuwe Jumbo vestiging in Leende hoewel niet zeker is dat die vestiging zou zijn verworven als de opzegging niet had plaatsgevonden. Jumbo voert aan dat het door [gedaagden in conventie] gestelde nadeel nog verder moet worden gerelativeerd omdat zij naar de inschatting van Jumbo (zie tabel 3 op pag.14 van de spreekaantekeningen van mr. Jansen) een bedrag van ruim € 3,5 miljoen zullen ontvangen voor de drie gebonden exploitaties, hun personeel zal kunnen overgaan op de nieuwe exploitant, zij JS Luyksgestel onder een andere formule kunnen gaan exploiteren en daarvoor een bindingsvergoeding van ruim € 4 miljoen kunnen ontvangen, zij over 2013 een eigen vermogen rapporteerden van ruim € 3,2 miljoen, en bij een voortbestaan van Luyksgestel de omzet van [naam 1] voor ongeveer 75% gehandhaafd blijft. Dit alles is door [gedaagden in conventie] niet weersproken. Aldus hebben [gedaagden in conventie] hun stelling, dat zij bij een beëindiging van de samenwerking voor ruim € 10 miljoen schade lijden, niet heel solide onderbouwd. Niettemin onderkent de rechtbank dat de gevolgen van een beëindiging voor [gedaagden in conventie] en hun medewerkers groot zullen zijn. Een beëindiging betekent immers hoe dan ook het verlies van drie vestigingen, en nieuwe vestigingen zijn waarschijnlijk niet eenvoudig te verwerven. Een beëindiging vormt daarmee mogelijk ook een gevaar voor het voortbestaan van de onderneming, inclusief vleesleverancier [naam 1] die voor haar omzet kennelijk voor een aanzienlijk deel afhankelijk is van de supermarkten van [gedaagden in conventie] .

7.56.

Tegelijk geldt dat Jumbo een te erkennen belang heeft bij de opzegging van de samenwerking, gelet op de ernst van de tekortkomingen van [gedaagden in conventie] , die zich bovendien over een langere periode hebben voorgedaan en Jumbo schade hebben berokkend. Deze tekortkomingen hebben ertoe geleid dat Jumbo niet langer vertrouwen heeft in de mogelijkheid van een voortgezette samenwerking zonder nieuwe incidenten, die de Jumbo organisatie en eventueel ook de andere Jumbo franchisenemers kunnen schaden.

7.57.

In deze zaak komt het uiteindelijk aan op de vraag of de beëindiging door Jumbo naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank dient terughoudend te zijn met het aannemen van een dergelijke onaanvaardbaarheid en is van oordeel, alles wegende, dat ondanks de niet te miskennen ernstige gevolgen die een beëindiging zal hebben voor [gedaagden in conventie] , er toch van bedoelde onaanvaardbaarheid geen sprake is.

7.58.

Dit leidt dan tot de conclusie dat Jumbo de met [gedaagden in conventie] gesloten FO’s op 28 maart 2014 rechtsgeldig door opzegging heeft kunnen beëindigen.

Gevolgen beëindiging

7.59.

In het besluit van 28 maart 2014 heeft Jumbo de overeenkomst met JS Luyksgestel opgezegd met inachtneming van een termijn van 6 maanden tegen 28 september 2014. De overeenkomsten met JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard heeft Jumbo opgezegd tegen het moment van overdracht van de exploitaties (vgl. artikel 29.24 FO) en oplevering van het gehuurde, en daarbij heeft Jumbo hen gesommeerd om binnen tien werkdagen hun supermarkten te koop aan te bieden tegen de in de Afsprakenbrieven overeengekomen koopsom.

7.60.

In de artikelen 27 t/m 29 FO, de Goodwill Regeling bij de FO (bijlage 8) en de goodwillbepaling in de Afsprakenbrieven hebben partijen bepaald wat de gevolgen zijn van een tussentijdse beëindiging van de FO.

7.61.

Voor de vrije vestiging JS Luyksgestel houdt deze regeling kort gezegd in dat deze vanaf de datum van beëindiging niet langer gebruik mag maken van de Jumbo formule en het gebruik van handelsnaam, merken, modellen en alle overige voor de Jumbo formule kenmerkende elementen moet staken.

7.62.

Voor de gebonden vestigingen JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard houdt de regeling in dat bij een beëindiging de franchisenemer zijn Jumbo supermarkt te koop dient aan te bieden aan Jumbo tegen de prijs zoals vooraf is bepaald in de goodwillbepaling van de verschillende Afsprakenbrieven, gespecificeerd en onderbouwd per bestanddeel goodwill, inventaris, winkelautomatisering en bouwkundige voorzieningen zoals bepaald in de Afsprakenbrieven, en voorzien van specificaties van de gehele materiële vaste activawaarde, specificaties van alle op het moment van aanbieding actuele kwantitatieve en kwalitatieve personele gegevens, en alle relevante bedrijfseconomische gegevens over de laatste drie jaar van exploitatie.

Aanbiedingstermijn

7.63.

Jumbo vordert (zie onder 3.1 sub 2) om JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard te veroordelen om binnen vijf dagen (in het lichaam van de dagvaarding staat tien dagen) hun exploitatie bij aangetekend schrijven te koop aan te bieden aan Jumbo op de wijze als hiervoor beschreven. [gedaagden in conventie] voeren aan dat voor deze veel te korte termijn van vijf of tien dagen geen grond is te vinden in de FO of de Goodwill Regeling en dat zij minimaal drie maanden nodig zullen hebben om met hun accountant de vereiste informatie over de exploitaties te verzamelen.

7.64.

De rechtbank stelt vast dat Jumbo voor de door haar genoemde termijn van vijf (of tien) dagen voor aanbieding geen grondslag heeft aangevoerd en ook niet heeft aangegeven welk belang zij heeft bij een zo korte termijn. Gelet op de vele gegevens die moeten worden verzameld en gepresenteerd bij de aanbieding ziet de rechtbank het belang voor JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard bij het hanteren van een wat ruimere termijn. Dat daarvoor drie maanden nodig zijn acht de rechtbank echter niet aannemelijk en zij zal de termijn waarbinnen deze vennootschappen hun aanbieding moeten doen daarom stellen op 6 weken.

Dwangsommen

7.65.

Jumbo vordert (zie onder 3.1 sub 4) om aan de sub 2 en 3 gevraagde veroordeling (tot aanbieding en levering) een dwangsom te verbinden van € 10 miljoen per overtreding, vermeerderd met € 100.000,- per (deel van de) week dat daaraan niet wordt voldaan. Jumbo heeft bij de keus voor deze bedragen aangesloten bij de boeteregeling van artikel 29.22 FO, waarin is bepaald dat de franchisenemer die handelt in strijd met artikel 29 FO (de aanbiedingsplicht) een direct opeisbare boete verbeurt gelijk aan de laatst behaalde bruto kalenderjaaromzet van de supermarkt van die franchisenemer.

7.66.

[gedaagden in conventie] voeren aan dat een boete een ander doel en karakter heeft dan een dwangsom en dat daarom niet bij de in artikel 29.22 FO genoemde bedragen kan worden aangesloten. [gedaagden in conventie] achten een dwangsom van € 15.000,- per overtreding, aangevuld met € 2.500,- per week dat de overtreding voortduurt, meer dan redelijk.

7.67.

De rechtbank volgt [gedaagden in conventie] in hun standpunt dat een boete een ander doel en karakter heeft dan een dwangsom en acht de hoogte van de door Jumbo gevorderde dwangsommen overigens ook onevenredig hoog. De rechtbank stelt de dwangsom telkens op de naar het oordeel van de rechtbank redelijke bedragen van € 50.000,- per overtreding, aangevuld met € 10.000,- per (deel van de) week dat de overtreding voortduurt. De rechtbank maximeert de dwangsom telkens tot een bedrag van € 500.000,-.

Hoofdelijkheid

7.68.

Jumbo vordert (zie onder 3.1. sub 6) om te bepalen dat [gedaagde sub 5 en 6] ieder afzonderlijk naast de veroordeelde entiteit hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de voldoening van de gevorderde dwangsommen. Jumbo baseert zich hierbij op de Afsprakenbrieven waarin beiden zich naast JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld in verband met de aanbiedingsplicht.

7.69.

De rechtbank ziet voor de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 5 en 6] geen grondslag in de Afsprakenbrieven. In de Afsprakenbrieven is bepaald dat beide heren in privé volledig aansprakelijk zijn (naast de vennootschappen) waar het gaat om de verplichting de onderneming in geval van een voorgenomen verkoop van de activa en passiva of een aandelenoverdracht, aan Jumbo aan te bieden zoals bedoeld in artikel 39.2 en verder van de FO. Hoofdelijke aansprakelijkheid van beide heren voor verplichtingen voortvloeiende uit de FO is in zijn algemeenheid bepaald in artikel 39.1 FO. De rechtbank ziet geen grond deze contractueel overeengekomen hoofdelijkheid ruim uit te leggen in die zin dat deze ook zou zien op de door de rechtbank op te leggen verplichting tot het betalen van een dwangsom bij het niet tijdig voldoen aan de veroordeling tot nakoming van deze contractuele aanbiedingsplicht. Een hoofdelijke veroordeling als gevorderd zal daarom worden afgewezen.

Leveringsverplichting

7.70.

Jumbo vordert (zie onder 3.1 sub 3) om JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard te veroordelen tot levering van hun supermarktexploitaties op een door Jumbo te bepalen leveringsdatum. Jumbo heeft aangegeven dat zij na ontvangst van de aanbiedingen deze bij aangetekende brief zal aanvaarden en daarbij tegelijkertijd een leveringsdatum zal bepalen die zo dicht als praktisch mogelijk is bij de datum van aanbieding ligt.

7.71.

JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard voeren hiertegen verweer met een beroep op artikel 29.3 FO waarin is bepaald dat levering zal plaatsvinden binnen twintig weken nadat overeenstemming is bereikt over de hoogte van de koopsom en de overige voorwaarden. Volgens hen volgt hieruit dat het niet alleen aan Jumbo is om een leveringsdatum te bepalen.

7.72.

De rechtbank overweegt dat dit verweer niet slaagt en dat Jumbo hier met succes een beroep kan doen op de Afsprakenbrieven, waarin in aanvulling op de FO is bepaald dat Jumbo uiterlijk vier maanden na ontvangst van de schriftelijke aanbieding per aangetekende post levering zal aanvaarden, en dat de leveringsdatum door Jumbo zal worden bepaald.

Garantiebedrag

7.73.

Jumbo vordert (zie onder 3.1 sub 3) een veroordeling van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard tot levering van hun exploitaties, tegen betaling van de overeengekomen koopsommen door Jumbo minus ‘het Garantiebedrag’ van € 100.000,-. Jumbo heeft toegelicht dat betaling van het Garantiebedrag wordt uitgesteld gedurende een periode van twee maanden na de leveringsdatum en dat dit bedrag Jumbo tot zekerheid dient dat JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard de exploitaties daadwerkelijk op de overeengekomen wijze aan Jumbo hebben geleverd en nadien de eventueel daartoe benodigde medewerking nog verlenen.

7.74.

De rechtbank volgt JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard in hun verweer dat Jumbo voor het inhouden van een ‘garantiebedrag’ geen rechtsgrond heeft aangevoerd. Van het gebruik door Jumbo van een hoofdletter bij het benoemen van ‘het Garantiebedrag’ gaat de suggestie uit dat dit een in de FO omschreven begrip zou zijn, maar dit is gesteld noch gebleken. Wegens het ontbreken van een rechtsgrond voor deze inhouding van een bedrag van € 100.000,- op de door Jumbo te betalen koopsom voor de duur van twee maanden, is de vordering voor wat betreft die inhouding daarom niet toewijsbaar.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

7.75.

Jumbo vraagt de rechtbank om haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [gedaagden in conventie] voeren verweer en doen een beroep op de onomkeerbaarheid van de gevolgen wanneer het vonnis direct moet worden uitgevoerd.

7.76.

De rechtbank stelt vast dat Jumbo ten aanzien van alle vier vennootschappen die zij heeft gedaagd in de eerste plaats een verklaring voor recht heeft gevorderd over de rechtsgeldigheid van de door haar gedane opzegging van 28 maart 2014. Een verklaring voor recht is naar haar aard niet vatbaar voor tenuitvoerlegging en kan daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (ECLI:NL:HR:2010:BO1815).

7.77.

Ten aanzien van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard (de gebonden vestigingen) heeft Jumbo tevens vorderingen ingesteld om te bewerkstelligen dat deze vennootschappen hun exploitaties te koop zullen aanbieden en zullen leveren, welke vorderingen zullen worden toegewezen. Over de vraag of deze veroordelingen tot aanbieding en levering uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard overweegt de rechtbank het volgende.

7.78.

Het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een vonnis schorst in beginsel de bevoegdheid tot executie daarvan. Wanneer een vonnis echter uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard kan het ten uitvoer worden gelegd, ook al is daartegen een rechtsmiddel aangewend. Indien uitvoerbaarheid bij voorraad wordt gevorderd en daartegen wordt verweer gevoerd, moet een belangenafweging plaatsvinden in het licht van de omstandigheden van het geval. Nagegaan moet worden of het belang van degene die de uitvoerbaarheid bij voorraad vordert bij een onmiddellijke uitvoering van het vonnis, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand totdat de uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist. Daarbij moet worden uitgegaan van het vonnis zoals het er ligt, en hetgeen daaraan ten grondslag ligt, en moet de kans van slagen van een eventueel rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing blijven. Deze criteria zijn te vinden in het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688). Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad op zichzelf niet in de weg, maar moeten wel worden meegewogen bij de belangenafweging (Hoge Raad 28 mei 1993, NJ1993,468).

7.79.

Voor wat betreft de exploitaties van JS Bladel en JS Geldrop is de rechtbank van oordeel dat het belang van Jumbo bij een directe uitvoering van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden in conventie] bij behoud van de bestaande toestand. Voor deze exploitaties is de looptijd van de FO’s immers reeds verlopen (per 30 september 2015 voor JS Bladel) of althans gaat deze binnen afzienbare tijd verlopen (per 30 juni 2017 voor JS Geldrop en op 14 januari 2017 voor JS Bladel indien de vernietiging van de duur van de huurovereenkomst doel zou treffen). Omdat mag worden verondersteld dat het uitgesloten is dat die looptijden zullen worden verlengd, is de schade bij een directe uitvoering van het vonnis voor wat betreft deze twee exploitaties voor [gedaagden in conventie] beperkt.

7.80.

Voor JS Valkenswaard ligt dit anders. De looptijd van de FO van JS Valkenswaard eindigt pas op 31 januari 2019. Het in afwachting van een eventueel hoger beroep voortzetten van deze exploitatie biedt [gedaagden in conventie] de kans hun onderneming - daaronder mede begrepen de locatie Luyksgestel en vleesleverancier [naam 1] - vooralsnog gaande te houden en aldus is er een groot belang van [gedaagden in conventie] bij voortzetting van onder meer de exploitatie in Valkenswaard in afwachting van een eventueel hoger beroep. Het daar tegenover staande belang van Jumbo dat op de kortst mogelijke termijn uitvoering kan worden gegeven aan de beëindiging van ook de franchiserelatie met JS Valkenswaard is daartegenover niet zwaarwegend genoeg, omdat de feitelijke voortzetting na de opzegging vooralsnog niet tot onoverkomelijke problemen heeft geleid en gesteld noch gebleken is dat die problemen in de nabije toekomst wel te verwachten zijn. Verder is evenmin gebleken van relevante schade voor Jumbo als gevolg van de feitelijke voortzetting van de exploitatie.

7.81.

De rechtbank zal daarom het vonnis slechts deels uitvoerbaar bij voorraad verklaren, te weten voor zover het betreft de veroordelingen tot aanbieding en levering van de exploitaties van JS Bladel en JS Geldrop en de daaraan verbonden dwangsommen.

Vorderingen ter zake van ingehouden Fee’s, emballageschade, onverschuldigde betaling en een kwijtscheldingslening

7.82.

Jumbo vordert (zie onder 3.2 sub 8, 10, 12 en 14) een veroordeling van JS Bladel, JS Geldrop, JS Valkenswaard en JS Luyksgestel tot betaling van (hun evenredig aandeel in) een bedrag van € 400.000,- vanwege franchisefee’s en distributiefee’s die zij niet hebben voldaan in verband met beweerdelijk door Jumbo verbeurde dwangsommen.

7.83.

Jumbo vordert (zie onder 3.2 sub 9, 11, 13 en 15) een veroordeling van JS Bladel, JS Geldrop, JS Valkenswaard en JS Luyksgestel tot vergoeding van (hun evenredig aandeel in) de schade ad € 874.700,30 die Jumbo zou hebben geleden als gevolg van de emballagekwestie.

7.84.

Jumbo vordert (zie onder 3.2 sub 16) een veroordeling van JS Luyksgestel tot betaling van € 253.484,86 uit hoofde van onverschuldigde betaling (de ten onrechte vanaf 28 september 2014 ontvangen samenwerkingsfee van 1,25%), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de afzonderlijke factuurmomenten.

7.85.

Jumbo vordert (zie onder 3.2 sub 17) een veroordeling van JS Luyksgestel tot betaling van € 574.487,50 uit hoofde van de kwijtscheldlening (per 28 september 2014 opeisbaar geworden aflossing en rente), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 september 2014, althans tot betaling van € 510.290,93, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015.

7.86.

[gedaagden in conventie] voeren gemotiveerd verweer.

7.87.

Aan een behandeling van deze vorderingen is de rechtbank (nog) niet toegekomen. De rechtbank zal partijen in staat stellen op deze punten desgewenst een nadere akte te nemen.

8 De uiteenzetting en beoordeling in reconventie

8.1.

De rechtbank zal hierna de diverse vorderingen in reconventie aanduiden met het nummer daarvan - zie hiervoor in r.o. 4.1. - en vervolgens de relevante standpunten behandelen en beoordelen.

Onvoorwaardelijke vorderingen

Ad I. primair

8.2.

In geschil is tussen partijen of Jumbo al dan niet bevoegd was over te gaan tot herindeling van de verzorgingsgebieden van [gedaagden in conventie] . Jumbo ontleent die bevoegdheid aan artikel 4.6 aanhef en onder c FO waarin is bepaald dat Jumbo tot herindeling van een verzorgingsgebied mag overgaan indien tussentijdse herziening daarvan gewenst is omdat zij als gevolg van een fusie of overname een supermarkt verwerft die is gelegen in dat verzorgingsgebied. Volgens [gedaagden in conventie] moet dit artikel letterlijk worden uitgelegd en was Jumbo slechts tot een dergelijke herindeling bevoegd indien zij ná het sluiten van de FO een nieuwe supermarkt zou verwerven. In verband hiermee is tussen partijen gestreden over de vraag of Jumbo de C‑1000 supermarkten reeds had verworven ten tijde van het sluiten van de FO’s met [gedaagden in conventie] . Tussen hen staat vast dat op 24 november 2011 bekend werd gemaakt dat Jumbo de supermarktketen C‑1000 zou gaan overnemen. De formele overname vond echter later plaats (prod.99 van [gedaagden in conventie] ). Ter comparitie is zijdens [gedaagden in conventie] erkend dat de toestemming van de ACM bij de overname een voorwaarde zal zijn geweest. Het staat vast dat die toestemming pas is gegeven in februari 2012, derhalve nadat in januari 2012 overeenstemming was bereikt tussen partijen over de vier FO’s. Onder die omstandigheden geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de C‑1000 supermarkten in de verzorgingsgebieden van [gedaagden in conventie] eerst zijn verworven nadat de FO’s tot stand waren gekomen en dat Jumbo derhalve bevoegd was tot herindeling over te gaan. De vordering is daarom niet toewijsbaar.

Ad I. subsidiair

8.3.

Nu [gedaagden in conventie] ter comparitie hebben aangegeven hun beroep op onredelijke bezwarendheid van artikel 4.13 FO te laten varen, hoeft daar in dit verband niet verder op te worden beslist. Zij stellen echter ook dat het beroep van Jumbo op het verval van de exclusiviteitsrechten van [gedaagden in conventie] ex artikel 4.13 FO bij herindeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waartoe zij met name een beroep doen op de wijze van totstandkoming van de FO’s, de tegenprestatie die door Jumbo is bedongen voor het verlenen van de exclusieve exploitatierechten en de schade die zij lijden als gevolg van de herindeling van hun verzorgingsgebieden. Met Jumbo is de rechtbank echter van oordeel dat het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW niet opgaat. Voor wat betreft de totstandkoming van de FO’s verwijst de rechtbank naar r.o. 7.49. Verder geldt dat bij gebreke van de bevoegdheid van Jumbo tot herindeling een verdere uitbouw van de Jumbo supermarkten in belangrijke mate zou worden gehinderd en tenslotte geven de FO’s onder artikel 4.7 en volgende mogelijkheden tot het wegnemen of beperken van de (mogelijke) financiële gevolgen van de herindeling. Ook deze vordering is daarom niet toewijsbaar.

Ad I. meer subsidiair

8.4.

Zijdens [gedaagden in conventie] is ter comparitie aangeven dat hun standpunt, dat er vestigingen aan [gedaagden in conventie] hadden moeten worden aangeboden, beperkt is tot de vestigingen in Aalst en Hapert.

8.5.

Voor Aalst geldt dat Jumbo op 9 mei 2014 aan [gedaagden in conventie] heeft bericht dat de C-1000 supermarkt aldaar zou worden omgebouwd tot Jumbo supermarkt en dat daarna de FO voor deze supermarkt tot stand is gekomen. Uit de eigen stellingen van [gedaagden in conventie] blijkt dus dat de contracten tussen Jumbo en de [naam 12] over de supermarkt in Aalst pas na de opzegging van de FO’s met [gedaagden in conventie] tot stand zijn gekomen. Na die geldige opzegging was Jumbo uiteraard niet meer gebonden aan artikel 4.7 FO. Verder geldt dat Jumbo met de producties 105 en 106 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de [naam 13] , die de C-1000 supermarkt in Aalst exploiteerden, voordien niet bereid waren de exploitatie te beëindigen. Derhalve is de vordering niet toewijsbaar voor zover die betrekking heeft op de supermarkt in Aalst.

8.6.

Voor Hapert geldt het navolgende. De rechtbank stelt voorop dat artikel 4.7 FO JS Bladel het eerste recht gaf de exploitatie van de Jumbo Supermarkt in Hapert ter hand te nemen, tenzij - voor zover in casu van belang - Jumbo gehouden was de exploitatie met de “bestaande exploitant” van de betreffende supermarkt voort te zetten. [gedaagden in conventie] hebben niet bestreden dat Jumbo gebonden was aan de met de C-1000 franchisenemers gesloten formuleovereenkomsten en dat uit dien hoofde de bestaande franchisenemers van C-1000 jegens Jumbo aanspraak konden maken op voortzetting van de exploitatie. De franchisenemer van de winkel in Hapert was de heer (vader) [naam 3] . Vaststaat dat door Jumbo uiteindelijk een FO is gesloten met een zoon van [naam 3] . Volgens [gedaagden in conventie] was Jumbo gehouden de exploitatie aan hen aan te bieden in plaats van aan de zoon van [naam 3] . Jumbo beroept zich echter op gedragsregels van C-1000 die zouden meebrengen dat Jumbo moest instemmen met deze bedrijfsopvolging door de zoon en zij stellen dat indien Jumbo daarin niet had ingestemd vader [naam 3] de exploitatie zou hebben voortgezet. Dat wordt door [gedaagden in conventie] bestreden.

8.7.

De rechtbank stelt vast dat Jumbo voor het eerst bij pleidooi een beroep heeft gedaan op de gedragsregels van C-1000 en dat gelet op de betwisting van [gedaagden in conventie] nog geenszins vaststaat dat die gedragsregels in 2012 gelding hadden en dat, in de verhouding tussen C-1000 en de franchisenemers, C-1000 in beginsel moest meewerken aan de overdracht van de exploitatie van een supermarkt aan een kind van de exploitant. Jumbo zal worden toegelaten hiervan bewijs te leveren. Indien Jumbo hierin slaagt, dan was zij gehouden de exploitatie van de supermarkt in Hapert voort te zetten met de zoon van [naam 3] , zodat [gedaagden in conventie] geen aanspraak hadden op exploitatie van die supermarkt. Slaagt Jumbo niet in dit bewijs, dan had de exploitatie van de Jumbo supermarkt in Hapert aan JS Bladel moeten worden aangeboden. Jumbo heeft telkens aangevoerd dat zij er alles aan heeft gedaan om dit resultaat te bewerkstelligen en daarvan uitgaande moet worden aangenomen dat normaal gesproken met JS Bladel een FO tot stand zou zijn gekomen met betrekking tot de supermarkt in Hapert. Dat Jumbo achteraf vindt dat [gedaagden in conventie] daartoe niet geschikt waren doet dan niet meer ter zake. Echter: indien zou komen vast te staan dat vader [naam 3] de exploitatie niet zou hebben gestaakt - althans niet in de periode totdat tot opzegging van de FO’s met [gedaagden in conventie] is overgegaan, indien Jumbo niet zou hebben meegewerkt aan bedrijfsopvolging - dan hebben [gedaagden in conventie] geen schade geleden. Daarom zal de rechtbank aan Jumbo ook op dat punt bewijs opdragen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagden in conventie] staat dit immers nog niet vast.

Ad 1. meer meer subsidiair

8.8.

De meer meer subsidiaire vordering komt hoe dan ook deels aan de orde, zodat de rechtbank daarop thans reeds ingaat. Deze vordering veronderstelt een hoe dan ook bestaande schadevergoedingsverplichting van Jumbo jegens [gedaagden in conventie] in verband met - kort gezegd - de verwatering van hun Jumbo verzorgingsgebieden en de schade die zij daardoor lijden. Waarop deze schadevergoedingsverplichting is gestoeld hebben zij echter niet aangegeven. Jumbo wijst er terecht op dat in artikel 4.13 FO nu juist is opgenomen dat Jumbo niet schadeplichtig is in geval wordt overgegaan tot herindeling van het verzorgingsgebied op grond van artikel 4.6 FO. Deze vordering is dus niet toewijsbaar.

Ad I. uiterst subsidiair

8.9.

[gedaagden in conventie] beroepen zich op dwaling en misbruik van omstandigheden door Jumbo bij de totstandkoming van de FO’s. Zij wensen niet de vernietiging van die overeenkomsten, maar vorderen dat de rechtbank de gevolgen van de FO’s ter opheffing van het nadeel van [gedaagden in conventie] zal wijzigen ex artikel 6:230 lid 2 BW. Aangezien echter elke indicatie ontbreekt in de vordering en de onderbouwing daarvan waaruit die wijziging zou moeten bestaan, is de vordering als te vaag en niet onderbouwd niet toewijsbaar. De rechtbank heeft geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten om een concrete wijziging aan te brengen.

Ad II. de kwestie [naam 10]

8.10.

Aan deze vordering hebben [gedaagden in conventie] ten grondslag gelegd dat zij niet uiterlijk 31 maart 2014 uitsluitsel van Jumbo hebben gekregen over de verplaatsing van de exploitatie van JS Bladel naar [naam 10] te Bladel en dat daardoor die nieuwe locatie aan hen is voorbij gegaan.

8.11.

Deze vordering is niet toewijsbaar. [gedaagden in conventie] hebben niets gesteld waaruit kan volgen dat ondanks de beëindiging van de FO met JS Bladel door Jumbo op 28 maart 2014 verplaatsing van Bladel in de rede zou hebben gelegen, in aanmerking genomen dat het pand in Bladel van Jumbo werd gehuurd. Dat Jumbo aan die verplaatsing had moeten meewerken, zoals [gedaagden in conventie] stellen en Jumbo betwist, kan in het licht van die beëindiging niet worden aangenomen. Jumbo maakte in verband met de beëindiging nu juist aanspraak op een snelle overdracht van de supermarktexploitatie en oplevering van het gehuurde. Deze vordering is dus niet toewijsbaar.

Ad III. nakoming verplichtingen FO

8.12.

Nu de rechtbank in conventie heeft geoordeeld dat Jumbo de contracten met [gedaagden in conventie] rechtsgeldig heeft beëindigd, is de vordering tot nakoming daarvan niet toewijsbaar.

Ad IV. dwangsom

8.13.

Aangezien geen van de vorderingen waaraan een dwangsom kan worden gekoppeld toewijsbaar is, kan ook deze vordering niet worden toegewezen. Hierbij geldt dat de vordering tot veroordeling van Jumbo tot het alsnog aanbieden van de exploitatie van de supermarkt te Hapert niet toewijsbaar is, omdat die supermarkt reeds door een ander wordt geëxploiteerd.

Ad V en VI. non-concurrentiebedingen

8.14.

[gedaagden in conventie] vorderen (zie ook voorwaardelijk sub II) een verklaring voor recht dat de non-concurrentiebedingen uit de artikelen 29.26 en 37.6 FO van rechtswege nietig zijn, althans om deze te vernietigen, althans te verklaren voor recht dat zij ten aanzien van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard bij beëindiging van de FO’s geen werking zullen hebben, althans de boetes op overtreding van voormelde bedingen gesteld te matigen tot nihil, althans die bedingen te matigen tot een duur van één jaar, enkel geldend op de afzonderlijke vestigingspunten die uit de FO’s blijken en enkel betrekking hebbend op een bedrijfsvoering onder de Jumbo formule, althans deze in duur een reikwijdte te matigen zoals in goede justitie door de rechtbank te bepalen.

8.15.

Daarnaast vorderen [gedaagden in conventie] (zie ook voorwaardelijk sub III) een verklaring voor recht dat JS Luyksgestel, ondanks het gecombineerde verzorgingsgebied van JS Luyksgestel, JS Geldrop en JS Valkenswaard, op geen enkele wijze wordt gebonden door een non-concurrentiebeding, althans dat zij van de werking van de non-concurrentiebedingen wordt ontslagen.

Voor wat betreft deze vordering stelt de rechtbank vast dat hierover geen geschil tussen partijen bestaat. Jumbo stelt zich immers uitdrukkelijk op het standpunt dat artikel 37.6 FO alleen de franchisenemer/gebonden ondernemer bindt, en dat artikel 29.26 FO alleen van toepassing is bij verkoop van een supermarktexploitatie (waarvan bij JS Luyksgestel geen sprake is), zodat het JS Luyksgestel vrij staat om na beëindiging haar vrije vestigingspunt volgens een andere formule te gaan exploiteren. [gedaagden in conventie] hebben daarom geen belang bij de gevraagde verklaring voor recht, die om die reden zal worden afgewezen.

8.16.

[gedaagden in conventie] stellen voor wat betreft JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard ter onderbouwing van hun beroep op nietigheid of vernietigbaarheid van de non-concurrentiebedingen kort gezegd dat deze bedingen in strijd zijn met het kartelverbod van artikel 6 van de Nederlandse Mededingingswet (Mw).

8.17.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling van dit beroep van [gedaagden in conventie] op strijd met het mededingingsrecht in navolging van de Hoge Raad in haar arrest van 21 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX0345) het volgende tot uitgangspunt.

8.18.

In het mededingingsrecht staan vraagstukken van (niet zelden complexe) economische aard centraal. Degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dient dit te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. De rechter dient immers in staat te worden gesteld, zo nodig nader voorgelicht door partijen of door deskundigen de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate te doorgronden teneinde te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering instelt, kan derhalve in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. Dit is niet anders wanneer daarbij summiere aanduidingen van relevante geografische en productmarkten worden gegeven en niet nader toegespitste stellingen worden betrokken omtrent percentages van respectieve marktaandelen op de desbetreffende markten. Daardoor wordt immers niet zonder meer voldoende inzicht gegeven in de voor de beoordeling essentiële feiten en omstandigheden, zoals een zorgvuldige marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken, alsmede het daadwerkelijk functioneren van de relevante markt(en) en van het effect daarop van de gestelde inbreuken.

8.19.

Een overeenkomst valt onder het verbod van artikel 6 Mw wanneer deze ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen Nederland wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Het moet daarbij gaan om een “merkbare” beperking van de mededinging.

8.20.

[gedaagden in conventie] stellen dat de non-concurrentiebedingen in de FO’s de mededinging op de Nederlandse markt merkbaar verhinderen, beperken en vervalsen omdat [gedaagden in conventie] op de relevante geografische markt gedurende één tot twee jaar niet zelfstandig kunnen concurreren met Jumbo Supermarkten, wat nadelig is voor de consument. Volgens [gedaagden in conventie] vallen de non-concurrentiebedingen niet onder de vrijstelling genoemd in artikel 2 van de Verordening (EU) nr.330/2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (Vo 330/2010).

8.21.

Jumbo betwist dat gehoudenheid van [gedaagden in conventie] aan de bedingen van artikelen 29.26 en 37.6 FO resulteert in enig (merkbaar) mededingingseffect op de relevante markt. Volgens Jumbo zullen de drie door hen geëxploiteerde supermarkten na het vertrek van [gedaagden in conventie] als Jumbo worden voortgezet. Volgens Jumbo hebben [gedaagden in conventie] in deze niet voldaan aan de op hen rustende stelplicht. Volgens Jumbo is artikel 29.26 FO een toegelaten nevenrestrictie (artikel 10 Mw) en genieten beide bedingen ook vrijstelling op grond van Vo 330/2010.

8.22.

De rechtbank laat hier in het midden of de artikelen 29.26 en 37.6 FO onder de groepsvrijstelling van Vo 330/2010 vallen dan wel of sprake is van een zogenaamde toegelaten nevenrestrictie. Ook indien dit niet het geval zou zijn, dient immers te worden onderzocht of de bedingen de mededinging merkbaar beperken, verhinderen of vervalsen en daarmee door artikel 6 Mw worden verboden. De rechtbank verwijst naar de hiervoor genoemde uitgangspunten en overweegt dat [gedaagden in conventie] onvoldoende hebben gesteld om te kunnen beoordelen of de onderhavige bedingen naar hun strekking dan wel naar hun gevolgen de mededinging merkbaar beperken. [gedaagden in conventie] hebben niets naar voren gebracht over de voor deze beoordeling essentiële feiten en omstandigheden, zoals de relevante geografische markt, de relevante productmarkt, de marktpositie van Jumbo op de desbetreffende markt en de daarbij behorende marktaandelen. Ook over het effect van de gestelde inbreuk op het daadwerkelijk functioneren van de relevante markt is door [gedaagden in conventie] niets naar voren gebracht. [gedaagden in conventie] hebben dan ook onvoldoende concreet gesteld dat sprake is van een merkbare beperking van de mededinging. Het beroep op strijd met het mededingingsrecht slaagt daarom niet.

8.23.

[gedaagden in conventie] stellen dat de FO’s onduidelijk zijn omdat daarin twee non-concurrentiebedingen zijn opgenomen die niet gelijk luiden. Volgens hen moet daarom het beding van artikel 29.26 F buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank verwerpt deze stelling en volgt in dit verband het verweer van Jumbo dat uit de tekst en de overige bepalingen van de FO duidelijk volgt dat het beding van artikel 29.26 FO specifiek is geschreven voor de situatie dat zich de aanbiedingsregeling van artikel 29 FO voordoet, terwijl in artikel 37 FO de algemene verplichtingen van een franchisenemer gedurende de looptijd van de FO alsmede na beëindiging zijn neergelegd, waaronder de verplichting tot non-concurrentie van artikel 37.6 FO. Omdat zich hier de aanbiedingsregeling van artikel 29 FO voordoet, zijn JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard in beginsel gehouden aan het beding van artikel 29.26 FO dat verder strekt dan het beding van artikel 37.6 FO, zowel in tijd (twee jaar in plaats van één jaar) als in plaats (verzorgingsgebied in plaats van locatie van het vestigingspunt).

8.24.

[gedaagden in conventie] doen tot slot een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Zij voeren in dit verband aan dat zij noodgedwongen, voortijdig en tegen hun wil de samenwerking moeten staken, en dat dit is door toedoen van Jumbo die haar zorgplicht ernstig en voortdurend heeft geschonden. Verder voeren zij aan dat zij ruim twintig jaar niet alleen van Jumbo hebben geleerd, maar ook hun steentje hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de Jumbo formule. Zij beroepen zich er op dat zij het non-concurrentiebeding niet willens en wetens hebben aanvaard, dat het beding het hen onmogelijk zal maken in hun levensonderhoud te voorzien en dat faillissementen op de loer liggen. Volgens hen biedt het geheimhoudingsbeding Jumbo voldoende bescherming.

8.25.

[gedaagden in conventie] doen tot slot een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Zij voeren in dit verband aan dat zij voortijdig en tegen hun wil de samenwerking moeten staken, en dat dit is door toedoen van Jumbo die haar zorgplicht ernstig en voortdurend heeft geschonden. Verder voeren zij aan dat zij ruim twintig jaar niet alleen van Jumbo hebben geleerd, maar ook hun steentje hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de Jumbo formule. Zij beroepen zich er op dat zij het non-concurrentiebeding niet willens en wetens hebben aanvaard, dat het beding het hen onmogelijk zal maken in hun levensonderhoud te voorzien en dat faillissementen op de loer liggen. Volgens hen biedt het geheimhoudingsbeding Jumbo voldoende bescherming.

8.26.

Net als de rechtbank in conventie heeft geoordeeld over het beëindigingsbeding van artikel 26.1 FO - in het kader van het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW - acht zij ook voor wat betreft het non-concurrentiebeding niet aannemelijk dat [gedaagden in conventie] zich niet zouden hebben gerealiseerd waar zij voor tekenden. De rechtbank verwijst hierbij naar de relevante overwegingen in conventie. Het is juist dat de beëindiging van de samenwerking voortijdig en tegen de wil van [gedaagden in conventie] plaatsvindt, maar naar het oordeel van de rechtbank is het niet zo dat deze beëindiging direct te wijten is aan onzorgvuldig handelen van Jumbo. Het zijn de ernstige tekortkomingen van [gedaagden in conventie] geweest die hebben geleid tot de opzegging. Aan [gedaagden in conventie] kan worden toegegeven dat het niet zo is dat zij Jumbo kortstondig als leerschool hebben gebruikt. [gedaagden in conventie] waren franchisenemers ‘van het eerste uur’ en hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de ontwikkeling en het succes van de Jumbo formule. Dat is door Jumbo ook niet weersproken. Feit is wel dat [gedaagden in conventie] beschikken over kennis en knowhow vanuit de Jumbo formule en dat zij de lokale markt binnen het verzorgingsgebied goed kennen. Jumbo heeft er daarom belang bij om de nieuwe franchisenemers die de exploitaties op de drie vestigingspunten overnemen in staat te stellen een kansrijke start te maken, zonder vrees voor concurrentie van [gedaagden in conventie] . De geheimhoudingsbepaling van artikel 37 FO komt aan dit belang van Jumbo niet tegemoet. Het is de beëindiging van de samenwerking met Jumbo die voor [gedaagden in conventie] tot gevolg heeft dat zij drie supermarktvestigingen verliezen, wat mogelijk een gevaar oplevert voor het voortbestaan van hun onderneming. Het non-concurrentiebeding betekent in dit verband niet meer dan dat [gedaagden in conventie] gedurende twee jaar geen nieuwe supermarktvestigingen zullen mogen verwerven binnen de verzorgingsgebieden van JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard. Buiten die gebieden kunnen zij dat wel doen. Bovendien kunnen zij hun vestiging in Luyksgestel (zij het niet meer onder de Jumbo formule) als supermarkt blijven exploiteren. Voor zover het non-concurrentiebeding niettemin tot een faillissement zou leiden, is dat naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid behorend tot het ondernemersrisico van [gedaagden in conventie] . De rechtbank acht het beding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

8.27.

Voor een wijziging of matiging van het non-concurrentiebeding, waar door [gedaagden in conventie] om is verzocht, ziet de rechtbank grond noch aanleiding.

8.28.

De vorderingen van [gedaagden in conventie] ter zake de non-concurrentiebedingen zullen dan ook worden afgewezen.

Voorwaardelijke vorderingen

8.29.

Aangezien de voorwaarden waaronder deze vorderingen zijn ingesteld zijn vervuld, zal de rechtbank overgaan tot een inhoudelijke bespreking van deze vorderingen, voor zover niet al hiervoor besproken, waarbij de nummering wordt gevolgd van r.o. 4.1.

Ad I. schadevergoeding

8.30.

Deze vordering is niet toewijsbaar, gelijk al onder r.o. 8.8 is overwogen en beslist. Het gaat hier om dezelfde vordering, maar dan beperkt tot een bepaalde periode.

Ad IV. kwijtscheldingsleningen

8.31.

Jumbo heeft aan [gedaagden in conventie] zogenaamde kwijtscheldingsleningen verstrekt, dat zijn renteloze leningen als tegemoetkoming voor investeringen en het aangaan van de FO. Die kwijtscheldingsleningen worden geamortiseerd, dusdanig dat periodiek telkens kwijtschelding van een gedeelte van de lening plaatsvindt met als resultaat dat op de einddatum van de FO de lening geheel is kwijtgescholden. Het restant van de kwijtscheldingsleningen is bij voortijdige staking van de exploitatie contractueel geheel opeisbaar. [gedaagden in conventie] achten dit echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat:

a. het geld is aangewend voor specifieke investeringen die na beëindiging van de samenwerking waardeloos zijn voor [gedaagden in conventie] ;

b. Jumbo in het kader van de beëindiging verwijten te maken zijn.

8.32.

Jumbo heeft betwist dat de investeringen na beëindiging van de exploitatie waardeloos zijn en dat aan haar verwijten te maken zijn. Zij heeft aangevoerd dat de opeisbaarheid van de leningen expliciet is gekoppeld aan een tekortkoming van de franchisenemers en dus een voorzienbaar gevolg is van hun gedrag.

8.33.

De rechtbank acht deze vordering niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat de contractuele bepalingen in de afsprakenbrieven omtrent de kwijtscheldingsleningen niet voor normale onderhandeling vatbaar waren. Verder geldt dat [gedaagden in conventie] grote ondernemers zijn die moesten onderkennen dat bij voortijdige beëindiging van de exploitatie het niet kwijtgescholden gedeelte daarvan moest worden terugbetaald aan Jumbo. Dat was inderdaad voorzienbaar, zoals Jumbo terecht stelt. Onder die omstandigheden acht de rechtbank enige aanspraak van Jumbo op terugbetaling van het niet kwijtgescholden gedeelte van de leningen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Wat er verder ook zij van aan Jumbo te maken verwijten, uit de beslissing in conventie volgt dat Jumbo met recht tot beëindiging van de FO’s is overgegaan.

8.34.

Iedere verdere beslissing in reconventie wordt aangehouden.

9 De beslissing

De rechtbank

in conventie

9.1.

verklaart voor recht dat de door Jumbo met JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard gesloten franchiseovereenkomsten op 28 maart 2014 rechtsgeldig door opzegging zijn beëindigd per het moment van overdracht van de op de door Jumbo ter beschikking gestelde vestigingspunten door hen gedreven supermarktexploitaties en oplevering van het gehuurde;

9.2.

veroordeelt JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard om binnen zes weken na het in deze te wijzen vonnis de door hen in de door Jumbo ter beschikking gestelde vestigingspunten gedreven supermarktexploitaties bij aangetekend schrijven te koop aan te bieden aan Jumbo, tegen de in de Afsprakenbrieven overeengekomen koopsommen, gespecificeerd en onderbouwd per bestanddeel goodwill, inventaris, winkelautomatisering en bouwkundige voorzieningen zoals bepaald in de Afsprakenbrieven, en voorzien van specificaties van de gehele materiële vaste activawaarde, specificaties van alle op het moment van aanbieding actuele kwantitatieve en kwalitatieve personele gegevens, en alle relevante bedrijfseconomische gegevens over de laatste drie jaren van exploitatie;

9.3.

veroordeelt JS Bladel, JS Geldrop en JS Valkenswaard tot levering van de onder 11.2 bedoelde supermarktexploitaties, bij wijze van oplevering van de betreffende winkelpanden met de daarin aanwezige supermarktexploitaties door deze op de door Jumbo bij aangetekende brief bepaalde leveringsdatum na winkelsluiting onder afgifte van alle sleutels, keycards en codes aan Jumbo ter beschikking te stellen, in de staat waarin deze zich alsdan bevinden, tegen betaling van de overeengekomen koopsommen door Jumbo, door verrekening met openstaande vorderingen van Jumbo of met haar verbonden vennootschappen en overmaking van de restanten van de koopsommen;

9.4.

bepaalt dat indien JS Bladel, JS Geldrop en/of JS Valkenswaard een van de hiervoor genoemde veroordelingen niet naleeft/naleven, zij ieder voor zich (voor overtreding van hun eigen verplichtingen) een dwangsom verbeurt/verbeuren van € 50.000,- per overtreding, vermeerderd met € 5.000,- voor elke week, een deel van de week daaronder begrepen, dat zij daaraan niet voldoet/voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 500.000,- per vennootschap;

9.5.

verklaart het bepaalde in 9.2., 9.3. en 9.4. uitvoerbaar bij voorraad met betrekking tot JS Bladel en JS Geldrop;

9.6.

verklaart voor recht dat de door Jumbo met JS Luyksgestel gesloten franchiseovereenkomst op 28 maart 2014 rechtsgeldig door opzegging is beëindigd per 28 september 2014;

9.7.

wijst de vorderingen genoemd in 3.1 sub 1 t/m 6 voor het overige af;

9.8.

houdt een beslissing over de vorderingen genoemd in 3.1 sub 7 en in 3.2 aan;

9.9.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 februari 2016 teneinde beide partijen in staat te stellen desgewenst een nadere conclusie te nemen met betrekking tot de vorderingen van Jumbo onder 3.2. sub 8 tot en met sub 17;

in (deels voorwaardelijke) reconventie

9.10.

wijst alle vorderingen af, behoudens de onder I. meer subsidiair aan de orde zijnde vordering met betrekking tot de exploitatie van de supermarkt te Hapert;

9.11.

draagt Jumbo op te bewijzen dat C-1000 in 2012 op basis van de geldende gedragsregels in beginsel gehouden was mee te werken aan de bedrijfsopvolging van vader op zoon bij de exploitatie van een supermarkt;

9.12.

draagt Jumbo op te bewijzen dat bij gebreke van haar medewerking aan de bedrijfsopvolging van de exploitatie van de supermarkt in Hapert aan de zoon van [naam 3] , vader [naam 3] die exploitatie zou hebben voortgezet in ieder geval tot het moment van opzegging door Jumbo van de FO met JS Bladel;

9.13.

bepaalt dat de zaak weer op de rolzitting zal komen van 17 februari 2016 voor uitlating door Jumbo of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

9.14.

bepaalt dat Jumbo, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding dient te brengen,

9.15.

bepaalt dat Jumbo, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2016 direct dient op te geven, waarna dag en uur van de zitting zullen worden bepaald,

9.16.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.A. Bik in het gerechtsgebouw aan de Leeghwaterlaan te ‘s-Hertogenbosch,

9.17.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

9.18.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2016.