Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:1179

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
15_573T
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

WOZ. Belanghebbende bepleit een hogere waarde voor zijn woning. De rechtbank is van oordeel dat de wijzigingen van de Wet WOZ, in werking getreden per 1-10-2015, het mogelijk maken om een hogere waarde te bepleiten. De wijziging in artikel 29 betreft een bepaling van formeel belastingrecht. In verband met het ontbreken van overgangsrecht heeft deze wijziging onmiddellijke werking. Dit betekent dat in het beroep van belanghebbende het gewijzigde artikel 29 van de Wet WOZ van toepassing is.

Nu de beschikking aan eiser als eigenaar van de woning bekend is gemaakt op grond van artikel 24, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ, hoeft hij – anders dan in artikel 28, eerste lid, Wet WOZ ten aanzien van medebelanghebbenden is bepaald – geen belang bij de vastgestelde waarde van de onroerende zaak aannemelijk te maken. De eis dat (aannemelijk wordt gemaakt dat) het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt, geldt immers alleen voor diegenen die op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet WOZ om een voor bezwaar vatbare beschikking verzoeken. Voor eiser, als eigenaar van de woning, is voor het aannemen van procesbelang in beginsel voldoende dat een andere (hogere) waarde van de woning wordt bepleit dan die welke verweerder in beroep voorstaat.

De rechtbank stelt de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, met toepassing van artikel 8:51a van de Awb, in de de gelegenheid het bezwaar inhoudelijk te beoordelen.

Wetsverwijzingen
Aanwijzingsbesluit WOZ-, heffings- en invorderingsambtenaar
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/651
Belastingblad 2016/265 met annotatie van A.W. Schep
V-N 2016/35.21 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0821
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/573 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigde: M.A.J. de Beer).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 januari 2014, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2013, voor het kalenderjaar 2014, vastgesteld op

€ 335.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het kalenderjaar 2014 bekend gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 15 januari 2015 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft na het verweerschrift nadere stukken ingediend

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Eiser, vergezeld van zijn adviseur F. Swinkels, is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door J.L.E.C. Peters, taxateur.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend. Verweerder is bij brief van 29 oktober 2015 in de gelegenheid gesteld aan te geven of de wijzigingen per 1 oktober 2015 in artikel 29 van de Wet WOZ aanleiding geven zijn standpunt te wijzigen.

Bij brief van 2 december 2015 heeft verweerder zijn reactie ingebracht. Bij brief van

10 december 2015 heeft eiser hierop gereageerd.

De rechtbank heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Overwegingen

1. In de bestreden uitspraak heeft verweerder eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, omdat eiser heeft aangevoerd dat de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te laag is.

2. Eiser is hiertegen in beroep opgekomen. Eiser stelt, kort samengevat, dat de waarde van zijn woning te laag is vastgesteld. Zijn belang bij een hogere WOZ-waarde is gelegen in het feit dat een hypotheekverstrekker de WOZ-waarde als uitgangspunt neemt bij een te verstrekken hypotheek, wat voor de toekomst voor eiser tot nadelige financiële gevolgen zal leiden bij het (opnieuw) afsluiten van een hypotheek. Verder geeft eiser aan dat de vastgestelde WOZ-waarde de verkoop van zijn woning bemoeilijkt, aangezien de vraagprijs aanzienlijk hoger ligt dan de WOZ-waarde. Eiser bepleit een waarde van € 498.000 en heeft daartoe onder meer gewezen op het taxatierapport van 28 augustus 2015 dat is opgesteld door taxateur A.L.J. Ralou, waarin de woning wordt getaxeerd op € 525.000.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het beroep van eiser niet kan leiden tot een hogere waarde. Daartoe voert verweerder aan dat de door eiser bepleite verhoging van de vastgestelde WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2013, gelet op de toen geldende bepalingen, niet mogelijk is. Bovendien heeft eiser geen fiscaal belang bij een hogere vastgestelde waarde, zodat hij ook onder het nieuwe recht geen verhoging van de waarde kan bepleiten. Verweerder verwijst onder meer naar de uitspraak van het gerechtshof 's-Gravenhage van 9 februari 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BP0105) en de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2014 (ECLI:NLRBDH:2014:1534) en van 12 november 2015 met zaaknummer 15/5188 (niet gepubliceerd).

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep van eiser zich richt tegen de bestreden uitspraak, waarbij zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Anders dan verweerder stelt, kan eiser in dit beroep ontvangen worden. In beroep ligt immers de vraag voor of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat de door eiser aangevoerde gronden, volgens verweerder, niet tot verhoging van de vastgestelde waarde kunnen leiden, brengt niet mee dat een processueel belang aan het beroep is komen te ontvallen.

5. Op 1 oktober 2015 (Stb. 2015, 336) is de ‘Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken voor een verruiming van de openbaarheid van de WOZ-waarde en enkele technische aanpassingen’ (Stb. 2013, 129) gedeeltelijk in werking getreden. Dit heeft onder andere tot gevolg dat artikel 29 van de Wet WOZ met ingang van 1 oktober 2015 is gewijzigd.

6. De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot de wijziging van artikel 29 van de Wet WOZ door de wetgever niet is voorzien in overgangsrecht. Mede gelet op Aanwijzing 166 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is de rechtbank van oordeel dat deze wijziging daarom onmiddellijke (ook wel: exclusieve) werking heeft. Met de wijziging is door de wetgever beoogd mogelijk te maken dat het bezwaar of beroep (mede) kan leiden tot een hogere WOZ-waarde dan in de beschikking of bestreden uitspraak is vervat. Nu in zoverre sprake is van een wijziging van een bepaling van formeel belastingrecht dient deze naar het oordeel van de rechtbank te worden toegepast in een beroep dat ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging aanhangig is. Dit betekent dat in eisers beroep het gewijzigde artikel 29 van de Wet WOZ, zoals dat luidt per 1 oktober 2015, van toepassing is.

7. Artikel 29, eerste lid en tweede lid, van de Wet WOZ (nieuw) luidt:

Indien bij de uitspraak op een bezwaarschrift dan wel bij een ambtshalve door de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar genomen besluit met betrekking tot een op de voet van dit hoofdstuk genomen beschikking:

a. die beschikking wordt vernietigd;

b. de bij die beschikking vastgestelde waarde wordt verminderd of verhoogd,

geschiedt de bekendmaking daarvan aan de belanghebbenden die het aangaat en de mededeling daarvan aan de afnemers met overeenkomstige toepassing van artikel 24, derde tot en met achtste lid, en met inachtneming van artikel 28; mededeling van de uitspraak op een bezwaarschrift aan de afnemers geschiedt eerst indien deze onherroepelijk vaststaat.

Indien de in het eerste lid bedoelde vernietiging, vermindering of verhoging plaatsvindt krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak, doet de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar daarvan mededeling aan de belanghebbenden die het aangaat met overeenkomstige toepassing van artikel 24, derde tot en met achtste lid, en met inachtneming van artikel 28.

Dit artikel biedt na 1 oktober 2015 naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om een vastgestelde WOZ-waarde in een uitspraak op bezwaar of bij rechterlijke uitspraak niet alleen te verminderen, maar ook te verhogen. Dit betekent dat eiser, anders dan verweerder stelt, de mogelijkheid heeft om in het onderhavige beroep een hogere WOZ-waarde te bepleiten.

8. Nu de beschikking aan eiser als eigenaar van de woning bekend is gemaakt op grond van artikel 24, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ, hoeft hij – anders dan in artikel 28, eerste lid, Wet WOZ ten aanzien van medebelanghebbenden is bepaald – geen belang bij de vastgestelde waarde van de onroerende zaak aannemelijk te maken. De eis dat (aannemelijk wordt gemaakt dat) het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt, geldt immers alleen voor diegenen die op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet WOZ om een voor bezwaar vatbare beschikking verzoeken. Voor eiser, als eigenaar van de woning, is voor het aannemen van procesbelang in beginsel voldoende dat een andere (hogere) waarde van de woning wordt bepleit dan die welke verweerder in beroep voorstaat.

9. Hoewel verweerder ten tijde van de uitspraak op het bezwaar een rechtens juiste beslissing heeft genomen en, gelet op de toen geldende bepalingen van de Wet WOZ, het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, leidt de onmiddellijke inwerkingtreding van de gewijzigde tekst van artikel 29 van de Wet WOZ er toe dat deze thans moet worden betrokken bij de beoordeling van eisers beroep. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bestreden uitspraak, waarbij eisers bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, niet in stand kan blijven. De wet biedt inmiddels immers de mogelijkheid om een vastgestelde waarde te verhogen

10. Nu verweerder nog geen inhoudelijke beoordeling van het bezwaar heeft verricht, zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder eisers bezwaar inhoudelijk beoordelen en aan de hand van hetgeen eiser heeft aangevoerd beoordelen of de vastgestelde waarde van de woning niet te laag is. Daarbij dient verweerder ervan uit te gaan dat de waarde in ieder geval niet lager kan zijn dan € 367.000, zijnde de waarde die verweerder, onder verwijzing naar de gelijkluidende waarde in het door verweerder in beroep ingebrachte taxatierapport, in zijn verweerschrift voorstaat. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

11. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

12. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

13. Voor zover eiser heeft bepleit dat verweerder aansprakelijk gesteld moet worden voor de financiële schade vanwege het telkens te laag waarderen van de woning, overweegt als volgt.

14. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50; Wns) in werking getreden (Stb. 2013, 162). De wijzigingen in de Awb voorzien daarbij in het vervallen van artikel 8:73 van de Awb en invoering van

titel 8.4 in de Awb. Omdat de WOZ-beschikking – die in dit verband in de visie van eiser als het schade toebrengende besluit kan worden aangemerkt – bekend is gemaakt na

1. juli 2013 en een decentrale heffing betreft, is daarmee de Wns van toepassing. Gelet op het bepaalde in titel 8:4 van de Awb is de rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen en dit verzoek te behandelen. Verweerders standpunt dat eiser zich tot de burgerlijke rechter dient te wenden, volgt de rechtbank dan ook niet. Echter, nu verweerder eisers bezwaar nog inhoudelijk moet beoordelen, kan de omvang van de schade die eiser stelt te hebben geleden ten gevolge van verweerders eventuele onrechtmatig handelen nog niet worden vastgesteld. Om die reden houdt de rechtbank de beslissing op eisers verzoek aan tot de einduitspraak op het beroep.

15. De rechtbank houdt ook iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op om de rechtbank binnen twee weken mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. E.J.J.M. Weyers en

mr. Y.S. Klerk, leden, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.